Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3814

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
C/17/174586 / KG ZA 20-180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

onrechtmatige perspublicatie?

Afweging artikelen 8 en 10 EVRM.

Voor beroep op bescherming artikel 10 EVRM noodzakelijk dat journalist te goeder trouw handelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0837
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/174586 / KG ZA 20-180

Vonnis in kort geding van 28 oktober 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.P. de Vries te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NDC MEDIAGROEP B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.J. Gevers te Assen.

Partijen zullen hierna [eiser] , NDC en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 september 2020,

  • -

    de mondelinge behandeling van 7 oktober 2020 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde producties en pleitnota's van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een vastgoedondernemer uit [woonplaats] . [eiser] is getrouwd met [echtgenote] (hierna: [echtgenote] ). [echtgenote] was eigenaar van Spot IN Vastgoed B.V. (hierna: Spot IN), een aanhuurmakelaarskantoor.

2.2.

NDC is een uitgeverij van kranten en exploiteert de website Sikkom, een zogenaamde stadsblog (website) die zich richt op studenten en jongeren in de stad en omgeving Groningen. [gedaagde sub 2] is hoofdredacteur van Sikkom.

2.3.

Op 26 september 2014, 1 december 2015 en 7 juni 2017 heeft de Huurcommissie uitspraken gedaan over de overeengekomen servicekosten ter zake van verhuurde woonruimte aan de [adres] 28 te Groningen, waarvan [eiser] eigenaar is (althans destijds is geweest). De Huurcommissie heeft de in rekening gebrachte servicekosten verlaagd. In de uitspraak uit 2014 is eveneens de huurprijs verlaagd in verband met gebreken aan het gehuurde. Op 12 september 2017 en 5 oktober 2017 heeft de Huurcommissie uitspraken gedaan over de overeengekomen huur van verhuurde woonruimte aan de [adres] in Groningen, waarvan [eiser] mede-eigenaar is. De Huurcommissie heeft in die uitspraken de huur verlaagd op basis van het door de Huurcommissie aan de woonruimte toegekende puntenaantal.

2.4.

In de afgelopen jaren is een groot aantal artikelen verschenen waarin de handelwijze van [eiser] (en in zijn voetspoor zijn partner/echtgenote [echtgenote] ) op de Groninger vastgoedmarkt aan de kaak wordt gesteld. Een belangrijk deel betreft artikelen van de hand van [gedaagde sub 2] , gepubliceerd op de website van Sikkom. Overigens hebben ook andere media over [eiser] als verhuurder en vastgoedontwikkelaar gepubliceerd. Voor zover het [gedaagde sub 2] publicerend op de website van Sikkom betreft, gaat het om de navolgende publicaties, die door [eiser] in het geding zijn gebracht. Een tiental publicaties van latere datum is al onderwerp van geschil geweest in de hierna te noemen procedure bij de Raad voor de Journalistiek.

2.5.

Op 10 oktober 2017 is een artikel van [gedaagde sub 2] gepubliceerd met als kop:

Spot In en [eiser] Investment: verrotter wordt de Groningse huurmarkt niet

In dit artikel wordt onder meer ingegaan op de samenwerking van beide ondernemingen. Er wordt gesteld dat [eiser] klagende studenten dreigt en intimideert en gas en elektra laat afsluiten en sloten van de verhuurde ruimtes laat vervangen. Voorts wordt onder de sub-kop:

Misleiding en te veel huur

een aantal voorbeelden gegeven over de aanpak van [eiser] . Zo ook onder de sub-kop:

Keiharde en geraffineerde oplichting.

In een vervolgartikel (11 oktober 2017) wordt vermeld dat naar aanleiding van het voorgaande artikel sprake is van:

(…)een nieuwe lading met schrijnende verhalen en bewijzen. En weer gaan ze over heftige vergrijpen van fraude tot intimidatie. Van bedreiging tot huisvredebreuk.

Op 21 oktober 2017 wordt in een artikel van [gedaagde sub 2] over [eiser] onder meer gesteld:

Malafide pandjesbaas [eiser] (…).

en onder de sub-kop:

[eiser] : een gevaar voor de stad

dat hij zich schuldig maakt aan:

Dreigen, (…) misleiding, oplichting (…)

alsmede dat de Groninger politiek een duidelijk en met name negatief oordeel geeft over de handelwijze van [eiser] als verhuurder.

Op 13 december 2017 heeft [gedaagde sub 2] het volgende artikel gepubliceerd:

[eiser] en Spot-In Huurbemiddeling: dikke criminele verhuurders en oplichters

Wethouder Van der Schaaf kreeg vanochtend een zwartboek over verhuurder [eiser] en zijn huurbemiddelingsbedrijf Spot-In. Het boek werd overhandigd door ROOD, de jongerentak van de SP. In het boek dik dertig pagina's met ernstige klachten over een van de meest criminele verhuurders in Groningen.

(…).

2.6.

In februari 2018 heeft ROOD, de jongerenafdeling van de politieke partij SP, de 'Huisjesmelker van het Jaar' bokaal uitgereikt aan [eiser] . Bij de uitreiking hiervan werd [eiser] als volgt getypeerd:

Uit de dertien verhalen blijkt dat [eiser] en Spot In lak hebben aan hun huurders en over hun rug zoveel mogelijk geld proberen te verdienen. Het gaat voornamelijk over illegale bemiddelingskosten en te hoge huurprijzen. Eén van de trucs die vaak wordt gebruikt, is dat studio's als appartementen verhuurd kunnen worden om een hogere huur te kunnen vragen. Ook zijn er verhalen over achterstallig onderhoud, zoals lekkage. Wat met name opvallend is, zijn de verhalen over intimidatie en bedreiging op het moment dat huurders achter hun geld aangaan, wat zij onterecht te veel betalen; zowel als ze dat via de rechter proberen als bijvoorbeeld via de Huurcommissie. Sloten worden vervangen, zodat huurders hun huis niet meer in kunnen, elektra wordt afgesloten en één huurde kreeg zelfs dagelijks dreigmails en werd door [eiser] op zijn werk lastiggevallen.

Ook hierover heeft [gedaagde sub 2] gepubliceerd, met name in een artikel verschenen op 9 februari 2018.

2.7.

Op 21 maart 2019 heeft het youtube-programma #BOOS, een online serie van BNNVARA, in een aflevering aandacht besteed aan [eiser] en Spot IN. In deze aflevering wordt ook [gedaagde sub 2] geïnterviewd. [eiser] heeft vervolgens een kort geding aangespannen tegen BNNVARA. In het vonnis van rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 juli 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:3108) heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen:

4.17

In de Aflevering wordt op onvoldoende zorgvuldige wijze de verschillende posities van [eiser] aan de orde gesteld. Een groot deel van de in de Aflevering gedane negatieve uitlatingen over [eiser] (deels afkomstig van #BOOS zelf en deels afkomstig van journalist [X] ) ziet feitelijk op zijn positie van verhuurder van woonruimte via zijn diverse ondernemingen (…). Niet is aannemelijk gemaakt, ook ter zitting niet, dat [eiser] met Spot IN vereenzelvigd kan worden of dat [eiser] direct betrokken is geweest bij de bekritiseerde aanhuuractiviteiten van Spot IN.

Uit de door BNNVARA overgelegde producties blijkt wel dat er in de pers vanaf 2016 herhaaldelijk aandacht is gevraagd voor de negatieve en agressieve handelwijze van [eiser] als verhuurder (o.a. het op de website u.krant.nl geplaatste artikel van (…) 13 december 2016, het op de website van www.sikkom.nl geplaatste artikel van 10 oktober 2017 van [gedaagde sub 2] , de diverse publicaties over het (…) zwartboek 2018 en de aflevering van 27 februari 2019 van het SBS6 programma 'Foute Boel'). Dat alle negatieve publiciteit, zoals door [eiser] is gesteld, zijn oorsprong vindt bij [gedaagde sub 2] , die als ex-huurder van [eiser] zelf ooit een huurgeschil zou hebben gehad, is niet aannemelijk. Een en ander betekent dat de in de Aflevering geuite kritiek op de handelwijze van [eiser] als verhuurder niet als onjuist kan worden gekwalificeerd, zoals [eiser] ter zitting wel heeft betoogd. [eiser] heeft ter zitting nog gesteld dat hij zonder meer kan aantonen dat zijn (ex-)

huurders geen enkel probleem met hem hebben, maar enige onderbouwing daarvan is niet gegeven. Dit betekent dat ook de (negatieve) uitlatingen over [eiser] niet leiden tot een algehele verwijdering van de Aflevering.

2.8.

Op 16 februari 2019 heeft [eiser] een klacht tegen [gedaagde sub 2] en NDC ingediend bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: de Raad). Deze klacht heeft betrekking op een tiental artikelen van [gedaagde sub 2] op de website van Sikkom gepubliceerd tussen 16 augustus 2018 en 21 maart 2019. Op 16 januari 2020 heeft de Raad onder meer geoordeeld:

[gedaagde sub 2] , Sikkom.nl en NDC (…) hebben van 16 augustus 2018 tot en met 21 maart 2019 in een aantal artikelen aandacht besteed aan J.R. [eiser] c.s (klagers). Daarnaast heeft [gedaagde sub 2] zich in uitzendingen van het televisieprogramma Foute Boel en het onlineprogramma #BOOS over klagers uitgelaten. De berichtgeving - die in onderlinge samenhang is beoordeeld - bevat diverse ernstige beschuldigingen aan het adres van klagers, waarbij zij onder meer in verband worden gebracht met strafbare feiten. Sikkom heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat voor haar aanleiding bestond om te berichten over klagers op de wijze zoals zij heeft gedaan. Sikkom heeft in de berichtgeving onvoldoende inzicht gegeven in het verrichte onderzoek en het beschikbare bronnenmateriaal. Ook mocht Sikkom niet redelijkerwijs ervan uitgaan dat klagers stelselmatig zouden weigeren op de beschuldigingen te reageren, op grond waarvan niet van haar kon worden verlangd dat zij klagers nogmaals zou benaderen. Gezien de ernst van de gepubliceerde beschuldigingen kan niet worden geconcludeerd dat Sikkom aan de verplichting tot toepassing van wederhoor heeft voldaan. Bovendien heeft Sikkom zich bediend van onnodig grievend taalgebruik. (…).

2.9.

In een brief van 2 juli 2020 van C. Martena, teamleider afdeling VTH, namens het college van burgemeester en wethouders van Groningen, aan [eiser] en [echtgenote] staat onder meer vermeld:

Op 7 mei 2020 is er een handhavingsverzoek binnengekomen aangaande het pand aan de [adres] te Groningen. U bent tezamen eigenaar (beide voor de helft) van dit pand.

(…)

2) De buitendeur naar de berging ontbreekt en is vervangen voor een kozijn met raam

(…)

Het aangebrachte raam/Het ontbreken van de buitendeur duidt op een ander gebruik van deze ruimte dan de aangevraagde (en verleende) berging. De uitvoering en ook het gebruik van (dit deel van) het pand is daarmee niet conform de verleende vergunning. U houdt deze overtreding in stand en draagt daarvoor de verantwoordelijkheid als eigenaren van het pand.

3) De ruimte bestemd voor een gemeenschappelijk berging is in gebruik als kamer

Op de tekeningen bij de verleende vergunning is nadrukkelijk aangegeven dat op de begane grond een berging gesitueerd zal zijn. (…)

(…)

Er is nu sprake van een gebruik van negen niet zelfstandige kamers en dus een geheel ontbrekende (fietsen)berging. De uitvoering en het gebruik is daarmee niet conform de verleende vergunning.

(…).

2.10.

Bij brief van 23 juli 2020 heeft een advocaat van [eiser] en [echtgenote] in reactie daarop aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen geschreven, voor zover van belang:

Ad 2) Buitendeur vervangen door een kozijn met een raam

Mijn cliënten kunnen niet inzien waarom de uitgevoerde draaikiepdeur strijdig zou zijn met de verleende omgevingsvergunning. (…) Bovendien: als er al sprake is van enige afwijking dan geldt ook op dit punt dat uw college dient te onderzoeken of legalisatie mogelijk is. Zoals vermeldt bij punt 1 geeft het voornemen onvoldoende blijk van een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek.

Ad 3) Berging in gebruik als kamer

Het is juist dat de ruimte op de begane grond aan de voorzijde in gebruik is als kamer. Ook is juist dat de betreffende ruimte op de vergunningstekening is aangemerkt als berging. Dat betekent echter niet dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wabo: er is immers gebouwd conform de omgevingsvergunning die voor de activiteit bouwen is verleend.

(…).

2.11.

Op 21 augustus 2020 heeft [gedaagde sub 2] het volgende artikel op de website van Sikkom geplaatst, waarin is vermeld, voor zover van belang:

Groninger verhuurder [eiser] zit vast op verdenking van fraude.

(…)

[eiser] ?

(…) De 32-jarige vastgoedmagnaat heeft verschillende rechtszaken van bouwbedrijven, andere investeerders en huurders verloren, wordt met enige regelmaat op de vingers getikt door het stadsbestuur omdat hij lak heeft aan vergunningen en heeft via zijn verhuur- en makelaarsbedrijven menig huurder misleid en opgelicht. (…).

(…).

2.12.

Zakenblad Quote heeft op 22 augustus 2020 het volgende artikel op www.quotenet.nl geplaatst:

Voormalig 'Huisjesmelker van het Jaar' opgepakt op verdenking van fraude.

(…)

Ook zou [Hoofdletter] . [voorzieningenrechter: [eiser] / [eiser] ] volgens het doorgaans goed ingevoerde stadsblog Sikkom lak hebben aan vergunningen en heeft hij via zijn verhuur- en makelaarsbedrijven menig huurder misleid en opgelicht.

(…).

2.13.

Op 24 augustus 2020 heeft [gedaagde sub 2] de volgende column op de website van Sikkom geplaatst:

Column | Peter R. de Vries strijdt in de media tegen criminelen, zijn zoon strijdt namens [eiser] tegen ons.

(…)

Iedereen heeft recht op recht en daarmee op een goede advocaat, dat staat als een paal boven water. Dus ook [eiser] Maar het is wel bijzonder dat de pa en de mede-oprichter van het kantoor juist in de media strijdt tegen criminelen, terwijl zijn zoon [eiser] helpt in de strijd tegen ons.

2.14.

In reactie op de sommatie van de advocaat van [eiser] van 25 augustus 2020 om de artikelen van 21 augustus 2020 en 24 augustus 2020 te rectificeren, hebben NDC en [gedaagde sub 2] het woord "oplichting" verwijderd uit het artikel van 21 augustus 2020.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. NDC te gebieden om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis de volgende rectificatietekst te publiceren op de onder sub a. en sub b. omschreven wijzen:

RECTIFICATIE PUBLICATIES VASTGOEDONDERNEMER

Op 21 augustus 2020 en 24 augustus 2020 heeft Sikkom twee artikelen geplaatst over vastgoedondernemer [eiser] . In het eerste artikel werd vermeld dat de heer [eiser] huurders zou hebben misleid en opgelicht. Daarnaast werd [eiser] in het tweede artikel neergezet als crimineel. Deze beschuldigingen zijn echter onjuist en hebben onvoldoende feitelijke basis. Sikkom had dan ook niet tot publicatie van deze beschuldigingen mogen overgaan. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden heeft ons op straffe van een dwangsom geboden om deze rectificatie te plaatsen.

De hoofdredactie.

althans een zodanige rectificatietekst zoals de voorzieningenrechter juist zal achten,

a. de rectificatie dient geplaatst te worden bovenaan de homepage van de website van Sikkom, lettertype Arial, met een zwart omlijnd kader, duidelijk leesbaar bij gebruikelijke resoluties (zwarte tekst op een witte achtergrond), met gecentreerd in kapitale letters en vetgedrukt de woorden RECTIFICATIE PUBLICATIES VASTGOEDONDERNEMER

waarbij de rest van de tekstgrootte minimaal overeenkomt met de tekstgrootte van de overige artikelen op de voorpagina, voor de duur van veertien dagen; en

b. op de pagina's van de Artikelen, in lettertype Arial, in zwarte tekst op een witte achtergrond, met een zwart omlijnd kader, zodanig dat de tekst duidelijk leesbaar is bij gebruik van de gebruikelijke resoluties (1024 * 768 pixels en 1920 * 1080 pixels), waarbij de tekstgrootte minimaal overeenkomt met de tekstgrootte van de Artikelen, en dat deze rectificatie bij ieder bezoek aan deze pagina in een pop-up venster zal worden getoond;

II. NDC en [gedaagde sub 2] te gebieden om binnen drie werkdagen na betekening van het te wijzen vonnis de volgende tekst leesbaar en in normale lettergrootte, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar te versturen naar de hoofdredactie van Quote waarvan een kopie en verzendbewijs van de brief of e-mail binnen voormelde termijn wordt verstrekt aan de advocaat van [eiser] :

Geachte hoofdredactie,

Op 21 augustus 2020 heeft Quote op haar website een artikel gepubliceerd met de kop:

"Voormalig 'Huisjesmelker van het Jaar' opgepakt op verdenking van fraude"

In het artikel wordt de heer [eiser] beschuldigd van oplichting en misleiding. De beschuldigingen zijn blijkens uw bronvermelding gebaseerd op een artikel van Sikkom. Ik wil u erop wijzen dat deze beschuldigingen onvoldoende door feiten worden gedragen en onjuist zijn. De beschuldigingen zijn dan ook schadelijk voor [eiser] . Ik verzoek u dan ook om de betreffende passage uit het artikel van uw website te verwijderen. Ik hoop dat u dit redelijke verzoek in overweging wilt nemen. De Rechtbank Noord-Nederland heeft mij op straffe van een dwangsom geboden om u deze tekst te sturen.

Vriendelijke groet,

[gedaagde sub 2] , hoofdredacteur Sikkom

dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tekst;

III. NDC en [gedaagde sub 2] te verbieden om [eiser] te beschuldigen van oplichting en handelingen die daaraan nauw verwant zijn, tenzij Sikkom en [gedaagde sub 2] deze beschuldigingen met gedegen bewijsmateriaal kunnen onderbouwen;

IV. te bepalen dat indien NDC en [gedaagde sub 2] één of meer van de hiervoor genoemde geboden of verboden overtreden, zij aan [eiser] een dwangsom verbeuren van € 10.000,00 per dag (of dagdeel) of per overtreding, zulks naar keuze van [eiser] , met een maximum van € 150.000,00;

V. NDC en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

NDC en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voort uit de aard van de vorderingen.

4.2.

Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of NDC en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld door de publicatie van het artikel van [gedaagde sub 2] van 21 augustus 2020 met de titel: "Groninger verhuurder [eiser] zit vast op verdenking van fraude" (hierna: het Artikel), alsmede door de publicatie van de column van [gedaagde sub 2] van 24 augustus 2020 met de titel: "Column | Peter R. de Vries strijdt in de media tegen criminelen, zijn zoon strijdt namens [eiser] tegen ons" (hierna: de Column).

[eiser] heeft aldus aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van onrechtmatig handelen zijdens NDC en [gedaagde sub 2] . Dit betekent -in het algemeen- dat voor toewijzing van deze vordering voldaan moet zijn aan alle eisen als genoemd in art. 6:162 BW. De stelplicht en bewijslast ter zake rust op [eiser] . Het is aldus aan [eiser] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de gewraakte uitlatingen in het Artikel en de Column onjuist en ongegrond zijn. Daartegenover staat dat van NDC en [gedaagde sub 2] verwacht mag worden dat zij onderbouwen dat sprake is van (voorshands) voldoende feitenmateriaal dat zij te goeder trouw tot de onderhavige uitlatingen konden komen (zie ook: Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), 14 mei 2020, Rodina vs. Letland, EHRM,48534/10, 19532/15: uitgangspunt is dat een journalist te goeder trouw moet handelen om onder de bescherming te vallen van art. 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, het EVRM ). Het is niet aan NDC en [gedaagde sub 2] om de juistheid van de in geding zijnde uitlatingen te bewijzen. Het gaat er om dat deze voldoende steun vinden in het feitenmateriaal.

4.3.

Bij de beoordeling of sprake is van een onrechtmatige publicatie staat voorop -dit in het kader van de "waakhondfunctie" van de pers- dat het recht van NDC en [gedaagde sub 2] op vrijheid van meningsuiting, waaronder begrepen de persvrijheid, op grond van 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM slechts kan worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

4.4.

[eiser] stelt dat de beschuldigingen van NDC en [gedaagde sub 2] in het Artikel en de Column onjuist en tendentieus zijn en een onrechtmatige schending van zijn eer en goede naam opleveren. Dit recht, bescherming van de persoonlijke levenssfeer, is opgenomen in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 EVRM. Het antwoord op de vraag of NDC en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval, waarbij niet als uitgangspunt geldt dat aan een van beide rechten voorrang toekomt (zie HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569). Het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210, Van Gasteren/Hemelrijk en HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A).

4.5.

Het antwoord op de vraag welk belang zwaarder weegt hangt volgens vaste jurisprudentie onder meer af van de volgende afwegingsfactoren (zie reeds HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221):

a. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben,

b. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen,

c. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal,

d. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c genoemde factoren,

e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie, het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden, en

f. een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

4.6.

Daarnaast kunnen volgens het EHRM onder andere de volgende gezichtspunten een rol spelen bij de belangenafweging (zie o.a. EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0604 en EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0603):

a. de bijdrage van de publicatie aan het publieke debat,

b. de mate van bekendheid van de betrokken persoon,

c. het onderwerp van het nieuwsbericht,

d. het eerdere gedrag van de betrokken persoon, en

e. de inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie.

4.7.

Met inachtneming van het vorenstaande stelt de voorzieningenrechter -ter inkadering van het geschil- vooreerst vast dat [eiser] onder I van 3.1. alleen en expliciet een rectificatie vordert van de vermelding in het Artikel dat hij huurders zou hebben misleid en opgelicht en een rectificatie van de Column (door [eiser] aangeduid als het tweede artikel) waarin [eiser] (volgens zijn stellingen) wordt neergezet als crimineel. De beoordeling door de voorzieningenrechter zal daarom worden beperkt tot de stellingen van [eiser] voor zover daaraan met het instellen van voornoemde vordering processuele consequenties zijn verbonden. Voor zover [eiser] anderszins stellingen heeft geponeerd over onjuistheden en onzorgvuldigheden in het Artikel en de Column, bijvoorbeeld over zijn beweerdelijke verhuizing naar het Gooi of over zijn relatie met Spot In, zal daaraan bij gebrek aan belang voorbij worden gegaan.

4.8.

De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat in het vonnis van rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 juli 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:3108) gedeeltelijk dezelfde onderliggende problematiek - te weten publiciteit omtrent het gedrag van [eiser] ten opzichte van zijn huurders - aan de orde is geweest als in de onderhavige procedure. Zoals weergegeven in 2.7. heeft rechtbank Midden-Nederland onder andere geoordeeld dat de in de aflevering van #BOOS van 21 maart 2019 geuite kritiek op de (negatieve en agressieve) handelwijze van [eiser] als verhuurder niet als onjuist kan worden gekwalificeerd. In dit verband wordt onder meer gewezen op eerdergenoemd zwartboek van ROOD en een aflevering van het SBS6 programma 'Foute Boel'. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] tegen dit vonnis van rechtbank Midden-Nederland hoger beroep heeft ingesteld zodat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Ook is niet gesteld dat een bodemprocedure wordt/is gevoerd. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van de juistheid van voornoemd oordeel van rechtbank Midden-Nederland en zal dit oordeel bij de belangenafweging betrekken.

4.9.

Bij die belangenafweging acht de voorzieningenrechter voorts van belang dat een overtreding van journalistieke maatstaven, zoals weergegeven in het oordeel van de Raad van 16 januari 2020 (zie 2.8.), weliswaar een omstandigheid is die in het kader van de belangenafweging kan worden meegenomen, maar daarbij niet doorslaggevend behoeft te zijn en niet noodzakelijkerwijs impliceert dat geen beroep gedaan zou kunnen worden op de bescherming van art. 10 EVRM (zie HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6165).

4.10.

Tenslotte acht de voorzieningenrechter bij de verdere beoordeling van belang dat de in het geding zijnde vermeldingen (zie hiervoor 4.7) ook bij herhaling gebruikt zijn in eerdere publicaties van de hand van [gedaagde sub 2] op de website van Sikkom (zie de publicaties genoemd onder 2.5) zonder dat [eiser] hiervan rectificatie heeft gevraagd, laat staan ter zake hiervan heeft geprocedeerd.

Het Artikel

4.11.

Volgens [eiser] is de beschuldiging van oplichting en misleiding onjuist. Oplichting is een strafbaar feit en is een zeer ernstige beschuldiging. Ook misleiding is een ernstige beschuldiging. Deze beschuldigingen hebben geen feitelijke basis, aldus [eiser] . NDG en [gedaagde sub 2] betwisten dit en voeren aan dat zij [eiser] wel degelijk van voornoemde gedragingen hebben mogen betichten. Volgens NDC en [gedaagde sub 2] hebben zij deze termen niet in een strafrechtelijke betekenis gebruikt, maar overeenkomstig gangbaar spraakgebruik. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.12.

Vast staat dat Sikkom gericht is op studenten en dat Sikkom gebruik maakt van een voor studenten aantrekkelijke schrijfstijl (studentenjargon) om deze doelgroep te bereiken. Het 'ruimere' taalgebruik van Sikkom kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet worden vergeleken met het taalgebruik van de traditionele media. In studentenjargon kan een bepaald woord een andere strekking hebben dan normaliter het geval is (zie, bijvoorbeeld, de aanduiding "Hertje": dit ziet niet zozeer op de tweehoevige bosbewoner met gewei). Tegen die achtergrond acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat bij de verwijzing naar 'oplichting' in het Artikel niet zonder meer moet worden uitgegaan van de strafrechtelijke betekenis daarvan, maar veel meer van de betekenis daarvan in het algemeen en meer in het bijzonder studenten-spraakgebruik. De aard van de gepubliceerde verdenkingen van 'oplichting' en 'misleiding' draagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet direct een strafrechtelijk component in zich. Daarbij komt dat de term 'oplichting' inmiddels uit het Artikel is verwijderd.

4.13.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de in het algemeen spraakgebruik bedoelde 'oplichting en misleiding van huurders' voldoende steun vindt het in het door NDC en [gedaagde sub 2] overgelegde feitenmateriaal. Voornoemde vermelding wordt onder meer ondersteund door het zwartboek van ROOD. NDC en [gedaagde sub 2] hebben in dit verband een aantal klachten van huurders uit voornoemd zwartboek overgelegd, naast klachten die rechtstreeks bij Goenveld/Sikkom zijn binnengekomen, waarin onder meer wordt geklaagd over onjuist gebruik van het puntensysteem en het op die manier op oneigenlijke wijze ophogen van de huur. Ter ondersteuning van die klachten hebben NDC en [gedaagde sub 2] voorts een aantal uitspraken van de Huurcommissie overgelegd (zie 2.3.) ter zake van huurwoningen aan de [adres] en [adres] waarvan [eiser] mede-eigenaar respectievelijk eigenaar is (althans was) blijkens de overgelegde eigendomsinformatie uit het Kadaster. Onweersproken is door NDC en [gedaagde sub 2] aangevoerd dat [eiser] in de betreffende zaken als verhuurder optrad. In de uitspraken heeft de Huurcommissie onder meer de huur (in sommige gevallen substantieel) verlaagd op basis van het door de Huurcommissie aan de woonruimte toegekende puntenaantal. Ook heeft de Huurcommissie de in rekening gebrachte servicekosten verlaagd. De stelling van [eiser] dat hij de uitspraken van de Huurcommissie heeft gerespecteerd en de huurprijzen heeft aangepast, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat NDG en [gedaagde sub 2] deze klachten en constateringen van de Huurcommissie niet als bron hebben mogen gebruiken voor het Artikel. Ook de stelling van [eiser] dat slechts in een handvol situaties een te hoge huur in rekening is gebracht, doet op zichzelf genomen niet af aan de juistheid van het beschikbare feitenmateriaal.

4.14.

Daarnaast hebben NDC en [gedaagde sub 2] aangevoerd dat de beweringen in het Artikel worden ondersteund door het feit dat [eiser] diverse bergingen heeft verhuurd als woonruimte om de huur op oneigenlijke wijze te verhogen, ook indien daarvoor regels (van de gemeente Groningen) moeten worden overtreden. NDC en [gedaagde sub 2] hebben in dit verband een brief van de gemeente Groningen van 2 juli 2020 aan [eiser] en [echtgenote] (zie 2.9.) overgelegd met betrekking tot het pand aan de [adres] in Groningen, waarvan [eiser] en [echtgenote] beiden eigenaar zijn. Volgens de gemeente ontbreekt de buitendeur naar de berging en is deze deur vervangen door een kozijn met raam. Daarnaast is de ruimte bestemd voor een gemeenschappelijke berging in gebruik als kamer. Volgens de gemeente duidt het aangebrachte raam/het ontbreken van de buitendeur op een ander gebruik van deze ruimte dan de aangevraagde en verleende berging, zodat het gebruik van dit deel van het pand niet in overeenstemming is met de verleende vergunning. Dit geldt ook voor het gebruik van de berging als kamer. [eiser] heeft in reactie daarop, onder overlegging van een antwoordbrief aan de gemeente Groningen van 23 juli 2020 (zie 2.10.), gesteld dat de constatering dat sprake zou zijn van een illegale situatie onjuist is. Volgens [eiser] is het huidige feitelijke gebruik van de kamer niet in strijd met het vigerende bestemmingsplan en heeft de gemeente twee ontwerpbestemmingsplannen door elkaar gehaald. Ook stelt [eiser] dat hij de betreffende berging zelf nooit als kamer heeft verhuurd. Volgens [eiser] is het hele pand aan de [adres] verhuurd aan één huurder (een student) en wordt de fietsenberging als zodanig ook genoemd in de huurovereenkomst. [eiser] stelt dat hij geen betrokkenheid heeft gehad bij de verhuur- of onderhuur van de betreffende berging als kamer.

4.15.

De voorzieningenrechter acht de stellingen van [eiser] voorshands onvoldoende aannemelijk en is van oordeel dat de beweringen van NDC en [gedaagde sub 2] in het Artikel voldoende steun vinden in de brief van de gemeente Groningen. [eiser] heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat de gemeente Groningen een vergissing heeft gemaakt en de vervanging van de berging door een kamer volgens de gemeente Groningen niettemin binnen de aan [eiser] verleende vergunning valt, zodat de voorzieningenrechter voorshands uitgaat van de in de brief van de gemeente geschetste situatie. Daarnaast acht de voorzieningenrechter de stelling van [eiser] dat hij in het geheel niet betrokken was bij de transformatie van de berging niet aannemelijk. De vervanging van een buitendeur door een kozijn vergt de nodige constructieve aanpassingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt het niet voor de hand dat een huurder, in dit geval een student, die wijzigingen aan het gehuurde op eigen kosten laat aanbrengen. Daarbij komt dat, ook indien de huurder daartoe op eigen initiatief is overgegaan, gesteld noch gebleken is dat [eiser] als verhuurder en verantwoordelijke partij heeft ingegrepen om herstel van de berging te bewerkstelligen. Ook in de namens [eiser] aan de gemeente Groningen verzonden brief wordt over een dergelijke gang van zaken niet gerept. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat NDC en [gedaagde sub 2] voldoende feitenmateriaal aan hun beweringen ten grondslag hebben gelegd.

4.16.

Zoals hiervoor reeds overwogen in 4.8 staat voorts vast dat de in de aflevering van #BOOS van 21 maart 2019 geuite ernstige kritiek op de handelwijze van [eiser] als verhuurder - waaraan dezelfde problematiek ten grondslag ligt als in de onderhavige procedure - niet als onjuist kan worden gekwalificeerd, zodat de beweringen van NDC en [gedaagde sub 2] in het Artikel ook worden ondersteund door de (deels eigen) informatie van BNNVARA.

4.17.

Tenslotte acht de voorzieningenrechter van belang dat niet alleen in het zwartboek wordt gesproken over klachten inzake het (als agressief omschreven) gedrag van [eiser] als verhuurder; ook bij [gedaagde sub 2] zelf zijn de nodige klachten binnengekomen. [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat hij met de klagers in kwestie ook over de klachten heeft gesproken.

4.18.

De belangen van partijen afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.11. tot en met 4.17. is overwogen omtrent de handelwijze van [eiser] als verhuurder, dat het recht van vrijheid van meningsuiting in het voorliggende geval zwaarder dient te wegen dan het recht van [eiser] op eerbiediging van zijn eer en goede naam. Uitlatingen in het kader van het publieke debat genieten een hoge mate van vrijheid. De omstandigheid dat de landelijke media de berichtgeving van Sikkom hebben overgenomen maakt de publicatie van het Artikel op zichzelf genomen niet onrechtmatig. Ook de stelling van [eiser] dat NDC en [gedaagde sub 2] niet hebben voldaan aan hun journalistieke plicht van hoor en wederhoor, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat [eiser] niet, althans niet tijdig, in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het Artikel maakt de publicatie daarvan op zichzelf niet onrechtmatig. De voorzieningenrechter acht deze omstandigheid in gegeven omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om tot onrechtmatigheid van de publicatie van het Artikel te concluderen.

De Column

4.19.

Volgens [eiser] wordt hij in de Column van [gedaagde sub 2] ten onrechte afgeschilderd als crimineel. NDC en [gedaagde sub 2] betwisten dit en voeren - samengevat - aan dat Sikkom juist heeft willen aangeven dat Peter R. de Vries altijd de media gebruikt om zijn strijd tegen criminelen te voeren, terwijl zijn zoon diezelfde journalistiek de mond wil snoeren. Volgens NDC en [gedaagde sub 2] heeft Sikkom niet de link willen leggen tussen Peter R. de Vries die tegen criminelen vecht en zijn zoon die voor criminelen strijdt, zoals [eiser] betoogt.

4.20.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] - gelet op de gemotiveerde betwisting van NDC en [gedaagde sub 2] - onvoldoende adequaat heeft onderbouwd dat de tekst in de Column in het algemeen - door de gemiddelde lezer - zal worden opgevat op de wijze zoals [eiser] stelt, te weten dat [eiser] wordt neergezet als crimineel. Het woord 'crimineel' wordt ook niet in het artikel genoemd. Daarbij komt dat aan columnisten een grote mate van vrijheid toekomt. Er mogen scherpere bewoordingen worden gebruikt in een column en een column mag provocerend zijn. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat NDC en [gedaagde sub 2] in de Column de grens van het toelaatbare hebben overschreden, mede in het licht van eerdere publicaties. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang de aanleiding voor deze Column namelijk het voorgaande bezoek van de politie aan [eiser] . [gedaagde sub 2] heeft in dat kader -met naam en toenaam- aangegeven dat hij inzake dit bezoek informatie heeft ingewonnen bij het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat ook in dit geval de belangenafweging in het voordeel van NDG en [gedaagde sub 2] dient uit te vallen. De voorzieningenrechter acht de publicatie van de Column niet onrechtmatig. De vorderingen onder I. en II. van 3.1. zullen daarom als onvoldoende adequaat onderbouwd worden afgewezen.

4.21.

De vordering om NDC en [gedaagde sub 2] te verbieden om [eiser] te beschuldigen van oplichting en handelingen die daaraan nauw verwant zijn, tenzij Sikkom en [gedaagde sub 2] deze beschuldigingen met gedegen bewijsmateriaal kunnen onderbouwen (onder III), acht de voorzieningenrechter evenmin toewijsbaar. Deze vordering maakt inbreuk op de persvrijheid - het censuurverbod (art. 7 lid 2 Grondwet, art. 10 EVRM) - en kan reeds om die reden niet worden toegewezen, nog daargelaten dat de term 'gedegen bewijsmateriaal' onvoldoende bepaald is en de vordering ook om die reden niet kan worden toegewezen.

4.22.

Dit betekent dat ook de overige vorderingen niet toewijsbaar zijn en zullen worden afgewezen.

4.23.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NDC en [gedaagde sub 2] worden vastgesteld op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van NDC en [gedaagde sub 2] tot op heden vastgesteld op € 1.636,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Gans en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2020.1

1 type: 698/ah coll: