Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3808

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
18/117497-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord Nederland, locatie Assen, heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van verduistering tot 3 maanden gevangenisstraf. Daarnaast zijn voorwaardelijke veroordelingen tenuitvoergelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/117497-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 21/002333-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 21/000178-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 november 2020 in de zaken van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 oktober 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


1
hij op of omstreeks 29 april 2020 te Valthermond, gemeente Borger- Odoorn en/of te Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een personenauto (Volkswagen Bora), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten het maken van een proefrit als mogelijke kopers van voornoemde personenauto, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
( art 321 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2
hij op of omstreeks 29 april 2020 te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (allen werkzaam als politieambtenaar van de politie Eenheid Noord-Nederland) opzettelijk
van het leven te beroven, een auto heeft bestuurd op hoge snelheid en daarbij meermalen, althans eenmaal, forse stuurbewegingen heeft gemaakt in de richting van het politievoertuig waarin die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zich bevonden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 april 2020 te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2]
, [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (allen werkzaam als politieambtenaar van de politie Eenheid Noord-Nederland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een auto heeft bestuurd op hoge snelheid en daarbij meermalen, althans eenmaal, forse stuurbewegingen heeft gemaakt in de richting van het politievoertuig waarin die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zich bevonden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Ten aanzien van het 2 primair en subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank verstaat, gelet op het onderzoek ter terechtzitting op 22 oktober 2020, dat de tenlastelegging, als volgt dient te worden gelezen -zakelijk weergegeven-,

…., een auto heeft bestuurd op hoge snelheid en daarbij meermalen, althans eenmaal, forse stuurbewegingen heeft gemaakt in de richting van het politievoertuig waarin [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] zich bevonden en in de richting van het politievoertuig waarin [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] zich bevonden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 2 primair en subsidiair. Hij acht niet bewezen dat verdachte de bestuurder van de personenauto is geweest.

Hij heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 (medeplegen verduistering auto).

Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en de medeverdachte het opzet hadden om de auto te verduisteren. Zij hadden niet genoeg geld bij zich om de auto te kunnen betalen en hadden (gestolen) kentekenplaten meegenomen. Vervolgens zijn ze -na een proefrit- met hoge snelheid in de auto, zonder volledige betaling, meteen weggereden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van de beide tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 (medeplegen verduistering auto) heeft zij aangevoerd, dat verdachte niet als pleger of medepleger van de verduistering van de personenauto kan worden aangemerkt. Toen verdachte met medeverdachte [medeverdachte] in de Volkswagen Bora wegreed, ging hij ervan uit dat [medeverdachte] de verkoopprijs aan de verkoper had betaald.

Ten aanzien van feit 2 (poging tot doodslag dan wel zware mishandeling) heeft zij aangevoerd dat verdachte niet de bestuurder van de personenauto is geweest.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 2 primair en subsidiair (poging tot doodslag dan wel zware mishandeling) niet bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht met name niet bewezen dat verdachte de bestuurder van de personenauto is geweest.

De rechtbank acht de feit 1 (medeplegen verduistering auto) wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit feit als volgt.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk, nadat zij ombeurten een proefrit met een personenauto hadden gemaakt, deze personenauto zonder (volledige) betaling - en derhalve wederrechtelijk - hebben toegeëigend. Zij stelt vast dat de verdachten naar de verkoper van de auto zijn gegaan terwijl zij (wisten dat zij) onvoldoende geld bij zich hadden om het afgesproken aankoopbedrag (€ 350) te kunnen betalen. Tevens hadden zij (ongeldige) handelaarskentekenplaten en gestolen Duitse (onderling verschillende) kentekenplaten meegenomen, evenals een accuboormachine, waarmee medeverdachte [medeverdachte] later laatstgenoemde kentekenplaten op de auto heeft gemonteerd.

Nadat eerst verdachte een proefrit maakte met de auto, heeft medeverdachte [medeverdachte] aanbetaling (€ 200) aan de verkoper gedaan. Vervolgens -nadat medeverdachte [medeverdachte] eveneens een proefrit met de auto had gemaakt- is de koop van de auto niet op een gebruikelijke manier afgewikkeld, maar is verdachte in de auto waarin medeverdachte [medeverdachte] zich bevond gesprongen en zijn zij met hoge snelheid weggereden. Pas toen zij ver genoeg uit het zicht waren hebben zij de tijd genomen de auto te voorzien van de daartoe meegenomen kentekenplaten.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van 6 mei 2020, opgenomen op pagina 64 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN3R0200057 van 11 juni 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
O: Ik laat foto’s zien. Op foto 1 is verdachte [verdachte] te zien, op foto 2 is verdachte [medeverdachte] te zien.
A: de man op foto 1 heeft eerst een testrit gedaan. Die moest het laatste geld nog betalen, die andere heeft 200 euro betaald. Die man van foto 2 spreekt me aan. Hij heeft de auto ook gekocht. De jongen op foto 1 kwam terug voor een testrit en toen ging die jongen van foto 2 een testrit maken. Die kwam weer terug. Ik zag vervolgens dat de jongen op foto 1 in de auto stapte (Volkswagen Bora) en dat ze er tussenuit gingen. Dus die jongen van foto 2 kwam van de testrit terug en toen sprong de jongen van foto 1 in de auto en toen gingen ze er van door.
Er was toen wel al 200 euro betaald. Die van foto 2 had mij 200 euro gegeven. Hij zei dat die andere jongen later nog 150 euro zou betalen. Toen die andere van foto 1 terug kwam, ging die andere van foto 2 een proefrit maken. Toen kwam hij terug. Die jongen op foto 1 sprong snel in de auto en toen gingen ze er tussen uit.

2.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 30 april 2020, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Het gaat om een Volkswagen Bora. Deze auto is mijn eigendom. Pleegplaats is Valthermond, gemeente Borger-Odoorn en het delict is gepleegd op 29 april 2020. De jongen met de zwarte broek gaf 200 Euro contant. De man met (zonne)bril op bleef bij me staan. Hij wilde maar 125 Euro aan mij geven en geen 150 Euro. Ik zei: "Nee gekocht is gekocht. Laat de auto maar staan." Ik wilde de betaalde 200 Euro teruggeven. Hij zei: "ik wil 325 geven." Ik zei nee de auto moet 350 Euro kosten.". Ik zag dat de man met de zonnebril aan de passagierskant in de Bora sprong. Ik had het idee dat ze wat tegen elkaar zeiden en dat de Bora hierna vol gas wegreed richting de Mondenweg/Emmen.

3.
naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 april 2020, opgenomen op pagina 172 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [verdachte] :
V: Had [medeverdachte] gezegd om wat voor auto het ging?
A: Ja, een VW Bora in Valthermond. Wij stonden daar samen met de eigenaar. De auto kostte 350 euro.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 mei 2020, opgenomen op pagina 186 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [verdachte] :
V: [medeverdachte] vertelde dat hij een auto kon kopen voor 350 euro. [medeverdachte] had daarvoor al aan mij gevraagd of ik 150 euro aan hem kon lenen. [medeverdachte] betaalde dan 200 euro en ik zou hem dan 150 euro lenen.
V: Wanneer heb jij het geld opgehaald?
A: Ik had dat geld nog niet opgehaald. Ja we waren al bij de auto. Ik had het nog niet gehaald. [medeverdachte] wist dat ik dat geld nog niet had gepind. Ik had alleen een paar euro bij mij.
V: Wanner kwam jij er dan achter dat het allemaal niet klopte?
A: Dat was op het moment dat ik bij hem in de auto stapte en het gas erop ging. [medeverdachte] wist dat ik dat geld niet bij mij had.
V: [medeverdachte] gaat ook een proefrit maken, komt terug, jij stapt in en jullie rijden weg. Dan heb jij nog steeds niet betaald. Hoe zit dat?
A: Dat klopt.

5.
naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 april 2020, opgenomen op pagina 231 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
Ik wilde deze auto kopen. We hadden die Bora bekeken. Ik had toen de eigenaar van dat bedrijf, alvast 200 euro aanbetaald. En mijn kameraad heeft volgens mij, waarschijnlijk, die 150 euro helemaal niet betaald, die overige 150.

6.
naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 mei 2020, opgenomen op pagina 236 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
Het was wel bekend dat hij niet echt wou zakken met de prijs, dus dat het in principe wel op 350 neerkwam.
V: Heb jij gezien dat [verdachte] de handelaar de resterende 150 euro betaalde?
A: Nee, ik heb het niet gezien.

V: Er is door de handelaar gezien, dat er spullen achter uit de Corsa zijn gehaald, die vervolgens in de Bora werden gelegd. Wat waren dat voor spullen?
A: Wat waren dat voor spullen? Een gereedschapskoffer, een kleine boormachine om de kentekenplaten over de schroeven eigenlijk.
V: De handelaar vertelde, dat jij terugkwam, [verdachte] bij jou in de auto stapte en dat jullie toen zijn weggereden. Wanneer ben jij gestopt om de Duitse kentekenplaten op de Bora te doen?
A: Een klein stukje verderop.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1
hij op 29 april 2020 te Valthermond, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een personenauto (Volkswagen Bora), toehorende aan [slachtoffer 1] , en welk goed verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten het maken van een proefrit als mogelijke kopers van voornoemde personenauto, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van verduistering.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft, indien er ondanks de bepleite vrijspraken een veroordeling mocht volgen, en de rechtbank een gevangenisstraf zal opleggen, gepleit de duur ervan te bepalen gelijk aan de tijd die reeds in preventieve hechtenis is doorgebracht.

Ook kan een voorwaardelijke straf en/of een taakstraf opgelegd worden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over verdachte uitgebrachte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 29 april 2020 samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het verduisteren van een personenauto. Hij heeft geen enkel respect getoond voor de eigendommen van anderen, door er zonder volledige betaling, na een proefrit met de personenauto van de verkoper vandoor te gaan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Verdachte heeft veel veroordelingen op zijn naam staan. Hij wordt in het reclasseringsrapport een zeer actieve veelpleger genoemd. Bovendien liep verdachte nog in twee proeftijden toen hij de verduistering pleegde.

Vanwege voormelde ernst van het bewezen verklaarde delict en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, dient te worden opgelegd.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2018 (parketnummer 21-002333-17), is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 10 februari 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Daarnaast is bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juni 2019 (parketnummer 21-000178-18), verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 27 juni 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vorderingen van 17 september 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straffen en heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij deze vorderingen.

De raadsvrouw heeft tot afwijzing van de vorderingen gepleit, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn hersenletsel.

Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijden, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straffen. Dit vooral in het licht van de vastgestelde veelvuldige recidive.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

- ten aanzien van parketnummer 21/002333-17:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2018 te weten: 4 weken gevangenisstraf;

- ten aanzien van parketnummer 21/000178-18:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juni 2019 te weten: 3 maanden gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter,

mr. M.A.A. van Capelle en mr. T.P. Hoekstra, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 november 2020.