Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3507

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
8235971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste aanleg - meervoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

letselschade,

val van een keldertrapje in een huurwoning,

aansprakelijkheid installateur en verhuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0782
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-\rolnummer: 8235971 / CV EXPL 19-12424

Vonnis van de kantonrechter d.d. 13 oktober 2020

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal,

tegen

1 de besloten vennootschap GISU SERVICE & ONDERHOUD B.V.,

gevestigd te Assen,

gedaagde,

hierna te noemen: GISU,

gemachtigde: mr. D.C.A. van den Dungen, advocaat te Amsterdam,

en

2 de stichting STICHTING LEFIER,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

hierna te noemen: Lefier,

gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel, advocaat te Utrecht.

1 Procesverloop

1.1.

Bij tussenvonnis van 17 maart 2020 is een mondelinge behandeling bepaald.

1.2.

Vanwege het beleid van de rechtbank om ter bestrijding van het Covid-19 (corona)virus fysieke zittingen en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid van contact tussen procesdeelnemers zoveel mogelijk te vermijden, heeft de geplande mondelinge behandeling geen doorgang gevonden.

1.3.

Partijen zijn daarop in de gelegenheid gesteld om te re- en dupliceren.

[eiseres] heeft een conclusie van repliek genomen, gevolgd door conclusies van dupliek van GISU en Lefier.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Inleiding

In deze zaak gaat het om de vraag naar de aansprakelijkheid van GISU en/of Lefier voor schade van [eiseres] als gevolg van een - door haar gestelde - val van een keldertrapje in de door [eiseres] van Lefier gehuurde woning op 5 maart 2018, nadat een medewerker van GISU eerder die dag de watermeter in de kelderruimte van de betreffende woning had vervangen.

3 De feiten

3.1.

[eiseres] huurt sinds 19 december 2012 van Lefier de woning aan de [straat gedaagde]

3.2.

Onderdeel van de woning is een (kleine) kelder die ongeveer 3 m² groot is en een verlaagde vloer heeft. Tussen de vloer van de gang en de vloer van de kelder bevindt zich een houten trap met drie treden, die op de vloer van de kelder rust. De keldertrap staat tegen de (achtergelegen) muur aan. De bevestiging van de keldertrap bestaat uit twee windhaken aan weerszijden van de trap die in schroefogen in de beide deurkozijnen hangen. Dergelijke trapconstructies bevinden zich ook in de naastgelegen huurwoningen van Lefier aan de [straat gedaagde] . Tussen de onderzijde van de keldertrap en de tegenovergelegen muur zit een afstand van ca. 20 cm.

De trap naar de kelder gezien vanuit de gang. Windhaak aan het rechter deurkozijn.

3.3.

Links van, althans onder de trap bevindt zich een watermeter, die eigendom is van Waterbedrijf Groningen.

3.4.

Waterbedrijf Groningen heeft [eiseres] bij brief van 23 januari 2018 medegedeeld dat een monteur van haar aannemer GISU, een installatiebedrijf, op 8 februari 2018 langskomt om de watermeter in de woning te vervangen. Op verzoek van [eiseres] is het bezoek van de monteur van GISU naar 5 maart 2018 verzet.

3.5.

Een monteur van GISU, de heer [werknemer] (hierna: [werknemer] ) is vervolgens op 5 maart 2018 bij [eiseres] in de woning langsgekomen om de watermeter te vervangen. Voorafgaand aan deze vervanging heeft [werknemer] een zogenoemde Last Minute Risico Analyse (hierna: LMRA) uitgevoerd, die inhoudt dat monteurs vlak vóór het verrichten van hun werkzaamheden beoordelen of de situatie ter plaatse veilig is. [werknemer] heeft de situatie in de woning van [eiseres] als veilig beoordeeld. [eiseres] was ten tijde van het bezoek van [werknemer] (als enige) in de woning aanwezig.

3.6.

Om de watermeter te kunnen vervangen, diende de trap naar de kelder (tijdelijk) te worden verwijderd, zodat de monteur ruimte had om te werken. [werknemer] heeft daartoe de windhaakjes uit de beide aan de keldertrap bevestigde oogjes gehaald en het keldertrapje buiten de kelderkast geplaatst. Na het verrichten van zijn werkzaamheden heeft [werknemer] het keldertrapje weer teruggeplaatst.

3.7.

[eiseres] heeft op 5 maart 2018 telefonisch contact gehad met haar huisarts, waarbij zij heeft aangegeven pijn in haar schouder te ondervinden na een val van een losstaand trapje. De huisarts heeft haar vervolgens pijnmedicatie voorgeschreven.

3.8.

Op 8 maart 2018 heeft [eiseres] haar huisarts bezocht in verband met pijn in haar onderrug en toenemende pijn in haar rechterschouder.

3.9.

Op 12 maart 2018 heeft [eiseres] de huisarts bezocht met het verzoek om te worden verwezen naar een fysiotherapeut. Vervolgens is [eiseres] een aantal keren door een fysiotherapeut behandeld.

3.10.

[eiseres] heeft GISU bij e-mail van 20 maart 2018 geschreven:

"(…) De monteur is op 5 maart bij mij gekomen. Ik heb hem aangewezen waar de kelderkast was waar de watermeter inzat. Ik heb hem gezegd dat hij zelf even de trap moest verplaatsen en terug moest zetten (vast) omdat ik met mijn schouder zat (slijmbeursontsteking).

De monteur heeft het gedaan en de meter geplaatst daarna ook alles terug gezet en vastgemaakt zei hij.

Ik kom even later in kelderkast. Ik zag dat hij wat had laten vallen, een mandje met spullen van de plank af. Die had hij opgepakt en op het trappetje gezet onderaan. Die wilde ik oppakken en terug zetten op de plank, maar ipv dat ik dat kon doen lag ik met trap en al onderuit. Mijn rug en schouder deden enorm veel pijn. (…)"

3.11.

GISU heeft [eiseres] in reactie hierop bij e-mail van 21 maart 2018 geschreven:

"(…) We snappen uw verhaal en vinden het erg jammer om te vernemen dat u er nog steeds hinder van ondervind.

Echter de monteur had dit niet kunnen voorzien omdat de trap op een wijze vast gemaakt moest worden die er niet solide uit ziet.

Ik wil u dan ook adviseren om de constructie aan te laten passen naar een veiligere. (…)"

3.12.

Op 25 mei 2018 heeft [eiseres] wederom de huisarts bezocht, die haar voor het laten maken van een röntgenfoto naar het Refaja Ziekenhuis te Stadskanaal (hierna: het ziekenhuis) heeft verwezen.

3.13.

Bij brief van 12 juni 2018 heeft de gemachtigde van [eiseres] GISU aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiseres] als gevolg van de genoemde val. Daartoe schrijft hij:

"Tot mij wendde zich [eiseres] , wonende [woonplaats] , ter zake van haar letselschade als gevolg van een ongeval bij haar thuis op 5 maart 2018: uw monteur had abusievelijk nagelaten een keldertrap vast te maken met haken. Cliënte viel als gevolg daarvan van de trap en liep letsel op. Cliënte heeft dit letsel al eerder zelf aan u gemeld, u hebt haar een bloemetje toegezonden.

Dat gebaar wordt zeker gewaardeerd, maar uit de bijgaande medische informatie d.d. 9 juni 2018 van haar huisarts (bijlage) wordt duidelijk dat het opgelopen letsel ernstig is en dat cliënte daar tot op heden nog niet van hersteld is.

Ik ben derhalve genoodzaakt u bij deze aansprakelijk te stellen voor alle schade die zij geleden heeft, lijdt en nog zal lijden als rechtstreeks gevolg van haar val van de door uw monteur niet vastgemaakte keldertrap. Deze schade zal naar ik verwacht bestaan uit immateriële schade (smartengeld), kosten en reiskosten van medische behandelingen, redelijke kosten van rechtshulp. (…)"

3.14.

[eiseres] heeft op 3 juli 2018 het ziekenhuis bezocht, waarbij een CT-scan is gemaakt.

3.15.

In opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van GISU, Dutch Marine Insurance, heeft GRM Expertises Personenschade (hierna: GRM) te Roosendaal een rapport van expertise letselschade d.d. 26 september 2018 (definitieve versie d.d. 12 oktober 2018) opgesteld. In dit rapport is onder meer vermeld:

(…)

TOEDRACHT ONGEVAL EN AANSPRAKELIJKHEID:

[eiseres] gaf aan dat zij op 05-03-2018 thuis is gevallen. De keldertrap verschoof toen zij erop ging staan en daardoor kwam ze ten val. Die dag had een monteur van GiSu Service en Onderhoud te Assen een watermeter vervangen.

Volgens [eiseres] heeft de monteur twee aan de deurposten bevestigde haken uit de ogen van de keldertrap losgemaakt en de trap uit de kelderkast verwijderd om de watermeter te kunnen vervangen. Toen de monteur na het vervangen van de watermeter de keldertrap weer terugzette in de kelderkast, heeft de monteur volgens [eiseres] nagelaten de twee haken weer aan de ogen van de keldertrap te bevestigen. Doordat de trap volgens [eiseres] verschoof, c.q. losschoot van de wand, toen ze een door de monteur op een trede geplaatste mandje op wilde pakken, is ze gevallen. De monteur had een mandje om laten vallen en neergezet op een van de treden. Door de val heeft ze letsel opgelopen.

(…)

DMI Insurance heeft tot op heden nog geen standpunt met betrekking tot de aansprakelijkheid ingenomen. De aansprakelijkheid wordt vooralsnog afgewezen.

(…)

LETSELOMSCHRIJVING:

- kneuzing rechterschouder;

- kneuzingen onderrug.

(…)

Het rapport bevat een (ondertekende) schriftelijke verklaring van [eiseres] d.d. 12 september 2018, die onder meer vermeldt:

"(…) Ik kan omtrent het voorval dat plaatsvond d.d. 05-03-2018 in mijn woning aan de [woonplaats] het volgende verklaren:

Die dag was een monteur van GiSu bij mij langs geweest om een watermeter te vervangen. Hij moest het trapje uit de kelderkast verwijderen om bij de watermeter te kunnen komen. Hij moest daartoe de twee haakjes aan de deurposten bevestigde haakjes uit de aan het trapje bevestigde oogjes verwijderen.

Nadat de monteur de watermeter had vervangen, heeft hij het trapje teruggeplaatst. Hij heeft toen echter vergeten om de haakjes weer in de oogjes te doen, waardoor het trapje niet vastzat aan de deurposten. Toen ik later die dag op het trapje ging staan om iets uit de kelderkast te pakken, zakte het trapje weg en ben ik achterover gevallen."

Het rapport bevat tevens een (ondertekende) schriftelijke verklaring van [werknemer] d.d. 10 oktober 2018, die onder meer vermeldt:

"(…) Ik kan omtrent het voorval dat plaatsvond d.d. 05-03-2018 in de woning aan de [woonplaats] het volgende verklaren:

Ik was die dag in opdracht van mijn werkgever GiSu bezig om diverse watermeters in een aantal woningen te vervangen, zo ook in de woning aan de [woonplaats] . De watermeter bevond zich in de kelderkast. Om bij de te vervangen watermeter te kunnen komen, moest ik het aanwezige keldertrapje van 3 treden verwijderen. Ik haalde de aan beide deurposten bevestigde haakjes uit de beide aan het trapje bevestigde oogjes en ik zette het trapje buiten de kelderkast. Nadat ik de watermeter had vervangen en klaar was met mijn werkzaamheden, plaatste ik het trapje weer in de kelderkast en bevestigde ik beide haakjes weer aan beide oogjes.

Ik hoorde later van de heer Bolt dat de bewoonster van de woning, mevrouw [eiseres] , die dag was gevallen. Ze gaf aan dat ze was gevallen omdat ik de haakjes niet aan de oogjes zou hebben bevestigd. Het trapje was verschoven toen zij er op ging staan. Ik weet echter zeker dat ik de haakjes weer aan de oogjes heb bevestigd. Ik ben wel van mening dat de gebruikte constructie erg slap was.

Ook al zou de trap loszitten dan nog is een dergelijke val in deze ruimte onmogelijk. (…)"

3.16.

GRM heeft de verzekeraar van GISU bij brief van 26 september 2018, gevoegd bij bovengenoemd rapport, geschreven:

"(…) Mevrouw [eiseres] blijft bij het verhaal dat monteur [werknemer] vergeten is om de twee haakjes weer vast te maken aan de oogjes en [werknemer] blijft erbij dat hij, nadat hij zijn werkzaamheden had afgerond, de haakjes weer heeft bevestigd aan de oogjes. Beide lezingen staan dus lijnrecht tegenover elkaar.

(…)

Ik vraag mij af of er sprake is van aansprakelijkheid aan de zijde van uw verzekerde en ik adviseer u dan ook om de aansprakelijkheid af te wijzen. Toen ik de woning binnenliep was de vloer van de gang gewoonweg glad; ik gleed bijna uit. De woning was niet schoon; deze was eerder vies te noemen. Ik vraag mij af of mevrouw [eiseres] niet 'gewoon' door de gladde vloer is gevallen in de gang. (…)"

3.17.

De fysiotherapeut bij wie [eiseres] in behandeling was, heeft in een behandelverslag van 3 oktober 2018, gericht aan de vertrouwensarts van [eiseres] , geschreven:

" [eiseres] is 14-03-2018 in behandeling gekomen met thoracolumbale rugklachten na een val van de trap. Ze had veel pijn en ADL en belastbaarheid waren duidelijk verminderd.

Verloop en resultaat:

Aanvankelijk de therapie gericht op pijnreductie. Het herstel ging erg langzaam.

Vervolgens de therapie meer gericht op verbeteren AD en belastbaarheid.

Ook dit gaf onvoldoende resultaat.

Op 24-05-18 i.o. gestopt met de therapie. (…)"

3.18.

[werknemer] heeft in een aanvullende schriftelijke verklaring van 28 januari 2019 onder meer gemeld:

"(…) Nadat ik de watermeter had vervangen heb ik het trapje weer op zijn plek gezet en de haken weer vastgemaakt zoals ik het had aangetroffen. Via hetzelfde trapje ben ik de kelder uitgeklommen. Ik weet heel zeker dat ik de haken weer heb vastgemaakt.

Van alle woningen in het blok van [eiseres] , ongeveer 10, heb ik de watermeter vervangen. Alle huizen hebben dezelfde indeling, met kelder en een identiek trapje met haken. Het trapje steunt tegen de muur, zelfs zonder de haken zal het niet zomaar verschuiven of omklappen. (…)"

3.19.

Op 26 februari 2019 is [eiseres] gezien door een anesthesioloog van het Martini Ziekenhuis te Groningen, die de huisarts van [eiseres] hierover bij brief van 15 april 2019 heeft geschreven:

"(…)

Lichamelijk onderzoek:

Adipositas permagna bij [eiseres] Loopt en beweegt zeer moeilijk, met veel pijn pijnuiting. Het hele gebied lumbosacraal is extreem drukpijnlijk, zowel de benige structuren (SIPS, proc. spinosi, bekkenkam) als spieren en weke delen. Tractus iliotibalis en feitelijke alle spiergroepen in de benen zijn in meer of mindere mate drukgevoelig. Provocatietests kunnen dus niet specifiek geïnterpreteerd worden.

(…)

Conclusie:

Op somatisch gebied forse lumbosacrale sensitisatie zonder overtuigende aanwijzingen voor een sigificante radiculaire prikkeling. Een psychosociale overbelasting is denkbaar. (…)'

3.20.

GRM heeft namens de aansprakelijkheidsverzekeraar van GISU de gemachtigde van [eiseres] bij e-mail van 2 april 2019 medegedeeld dat aansprakelijkheid wordt afgewezen:

"Opdrachtgever berichtte mij dat zij de aansprakelijkheid afwijst.

[eiseres] heeft niet het bewijs geleverd dat de monteur daadwerkelijk het trapje niet heeft gedemonteerd en/of heeft vastgemaakt met de haakjes, noch heeft ze het bewijs geleverd dat zij gevallen is door het - volgens haar - niet vastgemaakte trapje. De monteur heeft duidelijk aangegeven dat hij het trapje na het terugplaatsen weer met de haakjes heeft vastgemaakt aan het kozijn. (…)"

3.21.

De gemachtigde van [eiseres] heeft Lefier bij brief van 6 mei 2019 aansprakelijk gesteld voor de schade van zijn cliënte, waartoe hij onder meer schrijft:

"(…) Cliënte huurt van u de woning [woonplaats] en u verhuurt die woning aan [eiseres] . Op 5 maart 2018 kwam cliënte in deze woning ten val op het trapje in de kelderkast dat ondeugdelijk was bevestigd en daar beneden zakte toen zij daarop stond. Cliënte heeft daarbij letsel opgelopen waarvan zij tot op heden nog niet is hersteld.

Cliënte heeft aanvankelijk het bedrijf GiSu Service & Onderhoud B.V. te Assen aansprakelijk gesteld, werkgever van de monteur die op die dag het trapje had verwijderd op de watermeter te vervangen. Deze monteur stelt echter dat hij het trapje daarna weer aan het kozijn heeft bevestigd zoals dat voorheen bevestigd was, met twee haken die in schroefogen vallen.

Cliënte stelt zich derhalve op het standpunt dat deze bestaande bevestiging van het trapje ondeugdelijk was en dat de bevestiging met haken en schroefogen ongeschikt is voor bevestiging van een trapje. Namens cliënte stel ik u aansprakelijk voor de schade die zij geleden heeft, lijdt en nog zal lijden als gevolg van de val van het trapje.

(…)

Nu de oorzaak van de val een structureel gebrek is in de onveilige bevestiging van het trapje met daarvoor ongeschikte middelen, stel ik u als verhuurder van de woning hiervoor aansprakelijk. (…)"

3.22.

Lefier heeft de gemachtigde van [eiseres] bij brief van 17 juni 2019 medegedeeld dat zij aansprakelijkheid van de hand wijst:

"Enige tijd terug hebben wij van u mogen ontvangen een brief met daarin vermeld dat [eiseres] van het keldertrapje is gevallen. In uw brief stelt u dat [eiseres] Lefier aansprakelijk stelt omdat het trapje ondeugdelijk zou zijn bevestigd.

Wij zijn het niet eens met deze mening. Dit soort trapjes zijn bevestigd met haken die vallen in schroefogen. Dit is een goede en normale bevestiging van dit soort keldertrapjes en wordt op grote schaal op deze manier toegepast. (…)"

4 Het geschil

4.1.

[eiseres] vordert, verkort weergegeven, dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat GISU en Lefier geheel althans gedeeltelijk aansprakelijk zijn, in het laatste geval met vaststelling van het gedeelte van deze aansprakelijkheid, voor de schade die [eiseres] lijdt als rechtstreeks gevolg van het ongeval op 5 maart 2018, nader vast te stellen bij schadestaat, met veroordeling van GISU en Lefier in de proceskosten, althans in een gedeelte van deze kosten.

4.2.

GISU concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiseres]

- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.3.

Lefier concludeert eveneens tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiseres] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten.

5 Het standpunt van [eiseres]

5.1.

legt aan bovengenoemde vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.

5.2.

GISU is op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade van [eiseres] als gevolg van haar val van het keldertrapje. Daartoe voert [eiseres] aan dat ook als de monteur van GISU de keldertrap na zijn werkzaamheden aan de watermeter weer heeft vastgezet, het op zijn weg had gelegen om [eiseres] te waarschuwen voor de ondeugdelijkheid van de bevestiging van de keldertrap met windhaken en schroefogen. Dat de bevestiging van de keldertrap ondeugdelijk was, volgt uit de bepalingen van het Bouwbesluit 2012 (meer specifiek art. 1.1 lid 2 jo. art. 2.27 lid 1) op grond waarvan het hoogteverschil tussen de vloer van de gang en de keldervloer had moeten worden overbrugd met een vaste trap en niet, zoals hier, slechts met een losjes bevestigde trap. Het voorgaande klemt te meer nu de monteur in zijn schriftelijke verklaring van 3 oktober 2018 aangeeft dat de gebruikte constructie erg slap was. Hij had [eiseres] moeten waarschuwen dat zij niet meer op de keldertrap moest gaan staan, nu sprake was van een potentieel gevaarlijke situatie. De monteur van GISU heeft echter nagelaten om [eiseres] een dergelijke waarschuwing te geven. Hiermee heeft hij gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Het was zeer waarschijnlijk dat [eiseres] na de herbevestiging van de keldertrap hierop zou gaan staan zonder de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht te nemen. [eiseres] mocht ervan uitgaan dat de bevestiging van de keldertrap deugdelijk was en dat zij niet zou wegglijden bij gebruik van de keldertrap.

5.3.

Lefier is allereerst op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de schade van [eiseres] als gevolg van haar val, nu de opstal (de woning) vanwege de ondeugdelijke bevestiging van de keldertrap niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, daardoor gevaar voor personen oplevert en dit gevaar zich in het voorliggende geval heeft verwezenlijkt. Dat de bevestiging van de keldertrap ondeugdelijk was, volgt uit de hiervoor reeds genoemde bepalingen van het Bouwbesluit 2012 op grond waarvan het hoogteverschil tussen de vloer van de gang en de keldervloer had moeten worden overbrugd met een vaste trap en niet, zoals hier, slechts met een losjes bevestigde trap. Ook is Lefier jegens [eiseres] aansprakelijk op grond van artikel 7:208 BW, waaruit volgt dat Lefier als verhuurder verplicht is om een gebrek aan de verhuurde woning - zoals hier de ondeugdelijke constructie van de keldertrap - te verhelpen en dat, wanneer zij deze verplichting niet nakomt, zij gehouden is om de door het betreffende gebrek veroorzaakte schade aan [eiseres] als huurder te vergoeden.

6 Het standpunt van GISU

6.1.

GISU acht zich niet aansprakelijk voor de schade van [eiseres] . Daartoe voert GISU, samengevat, het volgende aan.

6.2.

De toedracht van de gestelde val is onvoldoende duidelijk. [eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij van de keldertrap is gevallen. Niet uit te sluiten valt dat [eiseres] , als zij al is gevallen, op een andere plek in de woning ten val is gekomen. De expert heeft immers verklaard dat de woning bij zijn bezoek vies was en dat de vloer in de gang bijzonder glad was. Ook is denkbaar dat [eiseres] in de kelder ten val is gekomen als gevolg van het feit dat zij zich op het trapje verstapte. Niemand anders dan [eiseres] was aanwezig bij haar val. Diverse feitelijke scenario's rond de val zijn aldus denkbaar. [eiseres] heeft ook niet aangetoond dat de monteur na diens bezoek de keldertrap niet weer heeft vastgehaakt. De verklaring van [eiseres] op dit punt wordt uitdrukkelijk tegengesproken door de verklaring van de monteur. Ook is niet duidelijk welk letsel [eiseres] heeft opgelopen bij de gestelde val. Enig inzicht in de klachten van [eiseres] na de val ontbreekt, terwijl er bovendien sprake was van pre-existente klachten. Daarmee kan het causaal verband tussen het incident en de gestelde schade niet worden vastgesteld.

6.3.

Aansprakelijkheid krachtens artikel 6:162 BW is niet aan de orde, aldus GISU. Het verwijt dat [eiseres] aan GISU maakt, impliceert dat ten aanzien van de keldertrap sprake was van een gevaarlijke situatie. Daarvan was echter geen sprake. Het betreft hier een alledaags trapje met dito bevestiging. Het trapje leunt bovendien tegen de muur, zodat het trapje op zichzelf al vast staat. De bevestiging met windhaken in ogen aan het deurkozijn komt vaker bij hetzelfde type woningen voor. Als de constructie - zoals de monteur van GISU heeft verklaard - te slap was, hadden zich wel eerder problemen daarmee voorgedaan bij [eiseres] of bij haar buren. Bovendien deed dit niet af aan de veiligheid van de keldertrap. Indien toch sprake was van een gevaarzettende situatie, dan hoefde de monteur [eiseres] niet te waarschuwen, nu hij zich hiervan niet bewust was. De keldertrap kon hier ook zonder de bevestiging met de windhaken al stabiel staan, zo was de inschatting van de monteur. Deze bevestiging was dus niet nodig om de keldertrap op zijn plaats te houden. Bovendien was de monteur geen specialist op het gebied van (bevestiging van) trapjes. Ook was [eiseres] zelf al geruime tijd bekend met de constructie van de keldertrap. Er hoeft niet te worden gewaarschuwd voor (eventuele) gevaren die reeds bij de benadeelde bekend zijn.

7 Het standpunt van Lefier

7.1.

Ook Lefier acht zich niet aansprakelijk voor de schade van [eiseres] . Daartoe voert Lefier, samengevat, het volgende aan.

7.2.

Opstalaansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW is niet aan de orde. [eiseres] heeft hiervoor ten eerste onvoldoende gesteld. Lefier betwist overigens ook dat de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. [eiseres] gebruikte de keldertrap al ruim vijf jaar vóór de vermeende val en sindsdien ook nog steeds. Bij Lefier is nooit een klacht van [eiseres] hierover binnengekomen. Dergelijke trapjes voor een kelder die slechts als opslagruimte fungeert, zijn gebruikelijk. De keldertrap is niet in strijd met het Bouwbesluit 2012 bevestigd. Het artikel uit het Bouwbesluit 2012 (art. 2.27 lid 1) waarnaar [eiseres] verwijst, ziet allereerst op brandveiligheid - die hier niet speelt - én is slechts op verblijfsruimten van toepassing, maar niet op een kelderruimte als de onderhavige die voor opslag van spullen wordt gebruikt.

7.3.

Er is geen sprake van een gebrek aan het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW). [eiseres] heeft zulks niet onderbouwd. Zij heeft niet concreet gesteld dat sprake is van een staat of eigenschap waardoor zij niet het genot van het gehuurde had dat zij mocht verwachten. [eiseres] heeft ruim vijf jaar in de woning gewoond voordat de vermeende val heeft plaatsgevonden, in welke periode zij nooit over de betreffende keldertrap heeft geklaagd. Als de keldertrap al gebrekkig zou zijn, dan heeft [eiseres] de op grond van artikel 7:222 BW op haar rustende klachtplicht geschonden. Lefier heeft pas veertien maanden na het incident hierover voor het eerst van [eiseres] vernomen. Vanwege dit verzuim is [eiseres] zelf aansprakelijk voor de door het vermeende gebrek veroorzaakte schade.

8 De beoordeling van het geschil

De feitelijke toedracht

8.1.

De kantonrechter overweegt dat [eiseres] omtrent de feitelijke toedracht van haar val heeft gesteld dat zij op 5 maart 2018, staande op de keldertrap in de woning, ten val is gekomen doordat de keldertrap onder haar weggleed. De gestelde toedracht van de val berust slechts op haar eigen verklaring hierover, maar wordt niet door enige getuigenverklaring bevestigd en is door GISU bovendien uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. Daarmee staat de gestelde feitelijke toedracht van de val naar het oordeel van de kantonrechter voorshands onvoldoende vast. In beginsel zou [eiseres] dan ook - conform de hoofdregel van artikel 150 Rv - bewijs dienen te leveren van de gestelde feitelijke toedracht van de val. Dergelijke bewijslevering kan in dit geval echter achterwege blijven, nu de kantonrechter van oordeel is dat zelfs indien de door [eiseres] gestelde feitelijke toedracht van de val zou komen vast te staan, GISU noch Lefier hiervoor in dit geval aansprakelijk kan worden gehouden. Hiertoe overweegt de kantonrechter als volgt.

De aansprakelijkheid van GISU

8.2.

De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] aanvankelijk, bij dagvaarding, aan de aansprakelijkheid van GISU mede ten grondslag heeft gelegd dat de monteur van GISU de keldertrap na het verwijderen daarvan niet weer zou hebben vastgemaakt. Dit verwijt heeft [eiseres] - na de uitdrukkelijke betwisting hiervan door GISU bij conclusie van antwoord - bij conclusie van repliek niet meer gemotiveerd gehandhaafd. Daarom zal in het vervolg van dit vonnis ervan worden uitgegaan dat de monteur van GISU de keldertrap na het verrichten van zijn werkzaamheden aan de watermeter in de kelderruimte weer heeft vastgemaakt, door de aan de keldertrap bevestigde windhaken in de oogjes aan weerszijden van de keldertrap te hangen. In de conclusie van repliek baseert [eiseres] de aansprakelijkheid van GISU nog slechts op de stelling dat de monteur van GISU heeft nagelaten om haar te waarschuwen voor het gevaar dat schuilde in de ondeugdelijke bevestiging van de keldertrap, in die zin dat zij om die reden niet meer op de keldertrap zou moeten gaan staan, waarmee sprake is van een (aan GISU toerekenbare) onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW, aldus [eiseres] . De kantonrechter zal de aansprakelijkheid van GISU dan ook slechts aan de hand van dit (resterende) verwijt beoordelen.

8.3.

Op grond van artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die aan hem kan worden toegerekend, verplicht om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Een onrechtmatige daad kan er onder meer in bestaan dat iemand een andere persoon niet waarschuwt voor een gevaarlijke situatie terwijl hij zelf met dat gevaar bekend is. Onder 'gevaarzetting' in de zin van artikel 6:162 BW wordt verstaan het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar voor personen of zaken, waaronder begrepen het achterwege laten van voldoende voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van de verwezenlijking van dat gevaar.

8.4.

Een eventuele ondeugdelijke bevestiging van de keldertrap betreft naar het oordeel van de kantonrechter niet een situatie die GISU in het leven heeft geroepen althans laat voortbestaan. Zij is - als eenmalig langskomende installateur - immers niet verantwoordelijk voor de staat/eigenschappen van de woning. Van een rechtsplicht om een waargenomen gevaarlijke situatie voor het ontstaan waarvan men niet verantwoordelijk is op te heffen of anderen daarvoor te waarschuwen kan in het algemeen slechts sprake zijn, wanneer de ernst van het gevaar dat die situatie voor anderen meebrengt, tot het bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen, zulks behoudens het bestaan van bijzondere verplichtingen tot zorg en oplettendheid zoals die kunnen voortvloeien uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de plaats waar de gevaarlijke situatie zich voordoet (vgl. HR 22 november 1974, NJ 1975, 149 en HR 2 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9766). In dit verband moeten hoge eisen worden gesteld aan de concrete kennis van de waarnemer.

8.5.

Aldus dient te worden onderzocht (i) óf ten aanzien van de keldertrap sprake was van een gevaarzettende situatie, (ii) zo ja, of dit gevaar de monteur van GISU bekend was en (iii) of laatstgenoemde gehouden was om [eiseres] hiervoor te waarschuwen.

8.6.

Vast staat dat de keldertrap die vanuit de gang in de woning naar de kelderruimte voert aan weerszijden is bevestigd met twee windhaken die vallen in schroefogen in de beide deurkozijnen, het een keldertrap van slechts drie treden betreft, dat de keldertrap op de vloer van de kelderruimte rust én in zijn geheel tegen de achterliggende muur aan staat. In het verweer is voldoende toegelicht dat de keldertrap hieraan voldoende stabiliteit ontleent. Vervolgens had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [eiseres] gelegen om (nader) te onderbouwen dat en waarom (niettemin) sprake was van een gevaarzettende situatie. Daartoe heeft zij echter onvoldoende gesteld. Feiten en omstandigheden die - in weerwil van het voorgaande - wijzen op een gevaarlijke trapconstructie, heeft zij onvoldoende aangevoerd. Zoals hierna onder r.o. 8.12. en 8.13. nader zal worden toegelicht, is de onderhavige trapconstructie niet in strijd met het Bouwbesluit 2012. Het vorenstaande wordt naar het oordeel van de kantonrechter ook niet anders doordat de monteur (schriftelijk) heeft verklaard dat hij de bevestiging van de keldertrap slap vond. Zonder nadere toelichting van [eiseres] als hiervoor aangegeven, die ontbreekt, volgt uit deze verklaring op zichzelf nog niet dat sprake van een gevaarzettende situatie ten aanzien van de bevestiging van de keldertrap. Aldus staat naar het oordeel van de kantonrechter niet vast dat sprake was van een (potentieel) gevaarlijke situatie.

8.7.

Nu [eiseres] onvoldoende aan haar stelplicht inzake de (vermeend) gevaarlijke constructie van de keldertrap heeft voldaan, is nadere bewijslevering op dit punt niet aan de orde. Daarmee is in deze procedure niet komen vast te staan dat in zoverre sprake was van een gevaarlijke situatie. Dus had de monteur naar het oordeel van de kantonrechter ook geen aanleiding om te voorzien dat er gevaar dreigde. Een waarschuwingsplicht voor de monteur van GISU tegenover [eiseres] aangaande de staat van de keldertrap was daarmee niet aan de orde. De kantonrechter laat bij de beoordeling in het midden dat [eiseres] van de situatie met betrekking tot de keldertrap als bewoner van de woning goed op de hoogte was. De conclusie moet dan ook zijn dat van enig onrechtmatig handelen van GISU tegenover [eiseres] niet is gebleken, zodat aansprakelijkheid van GISU jegens [eiseres] niet aan de orde is. De daartoe strekkende vordering van [eiseres] jegens GISU is dus niet toewijsbaar.

De aansprakelijkheid van Lefier

8.8.

[eiseres] baseert de aansprakelijkheid van Lefier, haar verhuurder, zowel op artikel 6:174 BW als op artikel 7:208 BW. De kantonrechter stelt voorop dat een huurder een aansprakelijkheidsvordering voor gebreken aan de gehuurde opstal op beide wetsartikelen (tegelijk) kan baseren (vgl. gerechtshof 's-Hertogenbosch 18 juni 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2632 en rechtbank Noord-Nederland 18 juni 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2571).

6:174 BW

8.9.

Artikel 6:174 BW lid 1 BW bepaalt dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen oplevert, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk is jegens de gelaedeerde. Bestanddelen van een opstal vallen hier ook onder.

8.10.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de vraag of een opstal voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overigens overeen met de welbekende 'Kelderluikcriteria' (vgl. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283).

8.11.

Voor aansprakelijkheid van Lefier op grond van dit wetsartikel is in het voorliggende geval nodig dat [eiseres] feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt (i) dat de keldertrap niet voldeed aan de eisen die men daaraan vanuit een oogpunt van veiligheid in de gegeven omstandigheden mag stellen ofwel "gebrekkig" was, (ii) dat de keldertrap daardoor gevaar voor personen of zaken opleverde, en (iii) dat dit gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt.

8.12.

De kantonrechter herhaalt hier (deels) hetgeen zij in r.o. 8.6. reeds heeft overwogen over de vermeend gevaarzettende bevestiging van de keldertrap. Vast staat dat de keldertrap aan weerszijden vastgemaakt was met winkelhaken die in oogjes in de deurposten bevestigd zaten, het een keldertrap van slechts drie treden betreft, de keldertrap op de vloer van de kelderruimte rustte én in zijn geheel tegen de achterliggende muur aan stond, en dat in het verweer genoegzaam is toegelicht dat de keldertrap hiermee voldoende stabiliteit had. Vervolgens had het op de weg van [eiseres] gelegen om (nader) te onderbouwen dat en waarom sprake was van een gebrekkige keldertrap. Daartoe heeft zij echter onvoldoende gesteld. Redengevende feiten en omstandigheden die wijzen op een gebrekkige constructie heeft zij onvoldoende aangevoerd. In dit verband merkt de kantonrechter op dat de verwijzing van [eiseres] naar schending van artikel 2.27 lid 1 Bouwbesluit 2012 bij de onderhavige trapconstructie niet opgaat.

Dit artikel(lid) uit het Bouwbesluit luidt als volgt:

Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert en tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten, of voor bezoekers bestemde vloeren, vloeren van een verkeersroute die deze ruimten met elkaar verbindt of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.

8.13.

De constructie van de onderhavige keldertrap wordt - anders dan [eiseres] meent - niet bestreken door artikel 2.27 lid 1 Bouwbesluit 2012, nu er weliswaar sprake is van een hoogteverschil van meer dan 0,21 m tussen de vloer van de gang en de vloer van de kelderruimte, maar tussen gang en kelderruimte géén sprake is van vloeren waarover een vluchtroute voert of die als vloeren tussen verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten of voor bezoekers bestemde vloeren moeten worden beschouwd. In de Nota van Toelichting bij artikel 2.27 van het Bouwbesluit 2012 wordt ook expliciet bepaald dat dit voorschrift niet geldt voor ruimten zoals kruipruimten, bergzolders en vlieringen. Hieronder valt ook een kelderruimte als de onderhavige. De eis van een vaste trap geldt hier dus niet (vgl. rechtbank Den Haag 18 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:5699).

8.14.

Nu [eiseres] onvoldoende heeft gesteld, is nadere bewijslevering niet aan de orde. Daarmee is in deze procedure niet komen vast te staan dat ten aanzien van de keldertrap sprake is van een gebrekkige zaak ("opstal") als bedoeld in artikel 6:174 BW, zodat deze grond voor aansprakelijkheid van Lefier faalt.

7:208 BW

8.15.

Artikel 7:208 BW bepaalt - voor zover hier relevant - dat de verhuurder tot vergoeding van de door een gebrek aan het gehuurde veroorzaakte schade verplicht is, indien het gebrek na het aangaan van de huurovereenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het gebrek bij het aangaan van de huurovereenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen.

8.16.

Onder een "gebrek" als hiervoor bedoeld moet op grond van artikel 7:204 lid 2 BW

worden verstaan een staat of eigenschap van de zaak, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft en die niet aan de huurder kan worden toegerekend. Het begrip "gebrek" moet ruim worden geïnterpreteerd. Hieronder vallen bijvoorbeeld ook een slechte staat van onderhoud of constructiefouten in of aan het gehuurde. Een gebrekkige constructie van een trap in het gehuurde valt zodoende ook onder het toepassingsbereik van de hiervoor genoemde wetsartikelen.

8.17.

De kantonrechter verwijst naar hetgeen zij hiervoor in r.o. 8.12. e.v. ten aanzien van de gestelde gebrekkigheid van de opstal heeft overwogen. De inhoud van die rechtsoverwegingen moet als herhaald en ingelast worden beschouwd. Hieruit volgt dat dat de constructie van de onderhavige keldertrap, gelet op de staat en eigenschappen hiervan, naar het oordeel van de kantonrechter niet als een gebrek aan het gehuurde kan worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. Om die reden is aansprakelijkheid van Lefier krachtens artikel 7:208 BW niet aan de orde. Deze grondslag van de vordering faalt dus eveneens.

9 De slotsom

9.1.

De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

9.2.

[eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van zowel GISU als Lefier vast te stellen op € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00).

9.3.

De door GISU gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing te melden, waarbij de kantonrechter opmerkt dat ter zake de nakosten in kantonzaken toewijsbaar is een bedrag gelijk aan ½ punt van het toepasselijke salaristarief met een maximum van - zoals hier - € 120,00 en derhalve niet de door GISU genoemde (hogere) bedragen aan nakosten, die van toepassing zijn in handelszaken.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vorderingen van [eiseres] af;

II. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van GISU, vastgesteld op € 720,00, alsmede in de nakosten ten bedrage van € 120,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van Lefier, vastgesteld op € 720,00;

IV. verklaart het vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder II. en III. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen, kantonrechter, en op 13 oktober 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: MP