Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3460

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2437, AWB - 20_2613, AWB - 20_2614
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten dwangbevel. Eiseres betwist verzending aanslag en aanmaning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-10-2020
V-N Vandaag 2020/2447
FutD 2020-3045
V-N 2020/57.31.30
NTFR 2020/2985
NLF 2020/2279 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/2437, LEE 20/2613 en LEE 20/2614

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

de ontvanger van de Belastingdienst/kantoor Enschede, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft een dwangbevel met dagtekening 13 maart 2019 aan eiseres betekend, strekkende tot voldoening van de aan eiseres opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente ten bedrage van in totaal € 30.474. De betekeningskosten van het dwangbevel bedragen € 2.746.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand verweerder] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1. Eiseres is woonachtig op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] . Zij staat in ieder geval sinds 1984 onafgebroken op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).

1.2. Met dagtekening 9 november 2018 heeft de inspecteur van de Belastingdienst een voorlopige aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd. Deze voorlopige aanslag moest uiterlijk 21 december 2018 worden betaald.

1.3. Verweerder heeft geconstateerd dat de onder 1.2. genoemde voorlopige aanslag niet binnen de gestelde termijn was betaald. Verweerder heeft in dat verband met dagtekening 15 januari 2019 een betalingsherinnering verzonden met het verzoek om binnen twee weken te betalen, waarvan eiseres stelt dat zij die niet heeft ontvangen.

1.4. Vervolgens heeft verweerder met dagtekening 19 februari 2019 een aanmaning verzonden, waarvan eiseres stelt dat zij die niet heeft ontvangen. Bij deze aanmaning heeft verweerder een bedrag van € 16 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. In deze aanmaning wordt eiseres verzocht om binnen twee weken te betalen.

1.5. Na het verstrijken van de onder 1.4. genoemde termijn heeft verweerder geconstateerd dat de betaling van de onder 1.2. genoemde voorlopige aanslag nog niet ontvangen was. Verweerder heeft met dagtekening 13 maart 2019 aan eiseres een dwangbevel betekend. Hierbij is een bedrag van € 2.746 aan betekeningskosten in rekening gebracht.

1.6. Eiseres heeft het bedrag van de voorlopige aanslag en de belastingrente op 16 maart 2019 betaald. Het bedrag van € 30.474 is op 18 maart 2019 op rekening van verweerder bijgeschreven. Eiseres heeft de bedragen van de in rekening gebrachte aanmaningskosten en betekeningskosten niet betaald.

1.7. Verweerder heeft met dagtekening 28 maart 2019 in verband met de onder 1.6. genoemde betaling een rentebeschikking genomen ten bedrage van € 265.

1.8. Ter onderbouwing van de verzending van de onder 1.2. genoemde voorlopige aanslag heeft verweerder een verzendrapportage met dagtekening 17 april 2020 overgelegd. Het rapport is opgemaakt en ondertekend door [medewerker verweerder] , medewerker van verweerder. In dit rapport wordt over het onderzoek naar de verzending van de voorlopige aanslag IB/PVV 2017 – voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd:

4. Betrokkene

Naam: [achternaam]

Voorletters: [voorletters]

Adres: [adres]

Woonplaats: [postcode] [woonplaats]

Nummer beschikking: [BSN] H.70.01

5 Onderzoek

Ik heb op 17 april 2020, in het kader van het hiervoor genoemde verzoek, de volgende systemen geraadpleegd:

- ABS (Aanslag Belastingen Systeem)

- DOSHISTORIE (DOS Excel Archief)

- COA/DACAS (COA-Archiefgegevens)

- KTA (Klantbeeld)

- BBA (Belastingdienst brede Berichten Administratie)

- AWP (Agent Werkplek/Mijn Belastingdienst)

- DAS (Digitaal Archief Systeem)

- ZPO5 (SAP Dispositielijst)

- VAO3 (SAP Verkooporderoverzicht)

- INL (lnvordering Lokaal)

Ik heb in ABS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat onder BSN/sofinummer [BSN] een Voorlopige aanslag BIN, middel IB/PV, met einddatum 26-10-2018, is opgelegd en er een uitgaand bericht ten behoeve van een Voorlopige vastellingsmededeling IB/PV met aanslagnummer [BSN] H.70.01 met dagtekening 09-1 1-2018, is geregistreerd.

Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat deze op 29-10-2018, in de partij documenten, applid VDA1O7, systeem IB en dagtekening 09-11-2018, onder het RUNID N0312916, in een aantal van 12191 stuks, is opgemaakt.

Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat op 29-10-2018, de partij documenten, applid VDA1O7, systeem IB met het RUNID N0312916, is samengevoegd in een samengestelde partij, in een aantal van 16623 stuks, met het RUNID S0046344.

Ik heb in een outputcontrole ten aanzien van het RUNID N0312916, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat op 31-10-2018 de partij documenten, SP IB VDA1O7 N0312916 AL781 AL798, in een aantal van 12.191 stuks, steekproefsgewijs is gecontroleerd in het outputdossier 20181031-039 / Voorl Aanslag IBPV Vz. met het verzenddatum 01-11-2018 en deze is verwerkt in een samengestelde partij, in een aantal van 16.623 stuks, onder het eindproductnummer 902801 en het RUNID S0046344.

Ik heb in KTA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat er met betrekking tot het BSN [BSN] en Naam [voorletters] [achternaam] , een VA met aanslagnummer H170010 en dagtekening 09-11-2018, Verloop aanslagen 1H 2017, is geregistreerd.

Ik heb in BBA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat er op 01-11-2018 een bericht, code BVA26 is ontvangen betreffende een Papieren_Formulier, dagtekening 09-1 1-2018, kenmerk [BSN] H7001 , ter verwerking van Appl. MHS.

Ik heb in een query vanuit TSOP/DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat deze op 01 -11-201 8, in een partij met het RUNID N0312916, t.b.v. het BSN [BSN] en parameters Groep G02, Partitie P00083, Archiefdatum 02-11-2018 en Volgn. 386, is geregistreerd in de applicatie DAS.

Ik heb in AWP/Mijn Belastingdienst ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat er op 01-11-2018 met betrekking tot het BSN [BSN] , [voorletters] [achternaam] , een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2017, dagtekening 09-11-2018, afzender Belastingdienst (per post), is geregistreerd.

Ik heb in ZPO5 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende geconstateerd:

Dat dit document is opgenomen in de samengestelde partij documenten genaamd, VDA1O7 Voorl Aanslag IBPV Vz met het RUNID S0046344 met eindproductnummer 902801 in een aantal van 15.000 en 1.623 stuks.

Ik heb in ZPO5 waargenomen dat de partij documenten met RUNID S0046344 met eindproductnummer 902801 op 01-11-2018 is aangeboden aan POSTNL en SANDD ter postbezorging.

Ik heb in VAO3 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat de partij documenten (VDA1O7 Voorl Aanslag IBPV Vz), met het RUNID S0046344 en eindproductnummer 902801, onder het verkoopordernummer 7005030389 in een aantal van 16.623, tijdig en zonder problemen is aangeboden aan de postleverancier ter verzending.

Met postbedrijf POSTNL heeft de Belastingdienst in het kalenderjaar 2018 contractueel vastgelegd dat partijen documenten van het soort als het RUNID S0046344 en eindproductnummer 902801 worden bezorgd binnen 48 uren na aanbieding.

Met postbedrijf SANDD heeft de Belastingdienst in het kalenderjaar 2018 contractueel vastgelegd dat partijen documenten van het soort als het RUNID S0046344 en eindproductnummer 902801 worden bezorgd binnen 72 uren na aanbieding.

Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IlB/PV het volgende waargenomen:

Dat er op 02-1 1-2018, onder zoeksleutel [BSN] 7, sjabloon BVA28, een Voorlopige aanslag 2017 IB/PV met aanslagnummer [BSN] .H.70.01 en dagtekening 09-11-2018, t.n.v. [voorletters] [achternaam] , adressering [adres] [postcode] [woonplaats] , is gearchiveerd.

Ik heb in COAJDACAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat er op 02-11-2018, een aanslag met het aanslagnummer [BSN] .H.70.01 en dagtekening 09-11-2018, ten name van [achternaam] , is geregistreerd.

Ik heb in INL ten aanzien van betrokkene, inzake het document Voorlopige aanslag 2017 IB/PV het volgende waargenomen:

Dat er met betrekking tot het BSN [BSN] , [voorletters] [achternaam] , een aanslag, tijdvak 2017, met het aanslagnummer [BSN] .H7001 en dagtekening 09-11-2018, is geregistreerd.

1.9.

Het onder 1.8. genoemde rapport bevat een schermafbeelding van de (adressering van de) voorlopige aanslag IB/PVV 2017 en (onder meer) schermafbeeldingen van de systemen ABS, BBA, DOSHISTORIE RUNID, DOSHISTORIE RELATIE RUNID, SAP en een dispositielijst. Daarnaast is een interne e-mail van verweerder onderdeel van het rapport.

1.10.

Ter onderbouwing van de verzending van de onder 1.4. genoemde aanmaning heeft verweerder een verzendrapportage met dagtekening 17 april 2020 overgelegd. Dit rapport is eveneens opgemaakt en ondertekend door [medewerker verweerder] . In dit rapport wordt over het onderzoek naar de verzending van de aanmaning – voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd:

4. Betrokkene

Naam: [achternaam]

Voorletters: [voorletters]

Adres: [adres]

Woonplaats: [postcode] [woonplaats]

Nummer beschikking: [BSN] H.70.01

5 Onderzoek

Ik heb op 17 april 2020, in het kader van het hiervoor genoemde verzoek, de volgende systemen geraadpleegd:

- - DACAS (COA-Archiefgegevens)

- - DOSHISTORIE (DOS Excel Archief)

- - ZPO5 (SAP Dispositielijst)

- - VAO3 (SAP Verkooporderoverzicht)

Ik heb in DACAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning tot betalen H.70.01 het volgende waargenomen:

Dat op 12-02-2019 een aanmaning, ten behoeve van het aanslagnummer [BSN] .H.70.01 en dagtekening 19-02-2019, op naam van [achternaam] , is geregistreerd.

Ik heb in een overzicht vanuit DMI/IPPS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning tot betalen H.70.01 het volgende waargenomen:

Dat er op 12-02-2019 een Aanmaning tot betalen met dagtekening 19-02-2019, is aangemaakt in het verwerkingsbestand Aanmaning tot betalen Invordering, in een aantal van 40.616 stuks, ter verwerking.

Ik heb in een overzicht vanuit DMI/IPPS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning tot betalen H.70.01 het volgende waargenomen:

Dat deze op 13-02-2019 is aangenomen in het printbestand DOS/DOC Aanmaning tot betalen Invordering, in een aantal van 40.616 stuks, ter verwerking.

Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning tot betalen H.70.01 het volgende waargenomen:

Dat op 13-02-2019 een partij documenten (systeem COA 06) met dagtekening 19-02-2019, met het RUNID N0326397 en het GENNO 07576, in een aantal van 40616 stuks, is opgemaakt.

Ik heb in een outputcontrole ten aanzien van RUNID N0326397, inzake het document Aanmaning tot betalen H.70.01 het volgende waargenomen:

Dat op 15-02-2019 de partij documenten SP COA 06 C17093 N0326397 07576 AL690, in een aantal van 40.616 stuks, steekproefsgewijs is gecontroleerd in het outputdossier 20190215-003/ CAV 6 Aanmaningen COA VA met verzenddatum 15-02-2019, onder het eindproductnummer 900042 en het RUNID N0326397.

Ik heb in ZPO5 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning tot betalen H.7001 het volgende geconstateerd:

Dat dit document is opgenomen in de partij documenten, genaamd C17093BL CAV 6 Aanmaningen met het RUNID N0326397 en eindproductnummer 90042, in een aantal van 40.616 stuks.”

1.11.

Het onder 1.10 genoemde rapport bevat daarnaast schermafbeeldingen van de systemen COA/DACAS, DMI/IPPS, DOSHISTORIE RUNID en een dispositielijst. Daarnaast is een interne e-mail van verweerder onderdeel van het rapport.

Geschil en beoordeling

Vooraf

2. De rechtbank begrijpt uit hetgeen eiseres gesteld heeft in haar bezwaarschrift en hetgeen is besproken ter zitting, dat eiseres zowel tegen de betekeningkosten van het dwangbevel als de aanmaningskosten bezwaar wenste te maken en dat haar beroep zich als zodanig dan ook tegen beide beschikkingen richt. Verweerder heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot de aanmaningskosten. Partijen hebben ter zitting ingestemd om met betrekking tot de aanmaningskosten de bezwaarfase over te slaan en rechtstreeks beroep in te stellen (artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De rechtbank heeft voor dit beroep een nieuw zaaknummer aangemaakt: LEE 20/2613. Nu het bezwaarschrift van eiseres van 13 maart 2019, waarin eiseres dus ook bezwaar heeft gemaakt tegen de aanmaningskosten, binnen de daarvoor wettelijk gestelde termijn door verweerder is ontvangen, is het (rechtstreekse) beroep van eiseres tegen de beschikking waarbij de aanmaningskosten zijn vastgesteld ontvankelijk.

3. Eiseres heeft daarnaast voor het eerst ter zitting aangegeven dat haar beroep zich ook richt tegen de beschikking invorderingsrente van 28 maart 2019. De rechtbank heeft ook voor dit beroep een nieuw zaaknummer aangemaakt: LEE 20/2614. Partijen hebben ter zitting ingestemd om ook ten aanzien van deze beschikking invorderingsrente de bezwaarfase over te slaan en rechtstreeks beroep in te stellen. Eiseres heeft echter geen afzonderlijk bezwaarschrift ingediend bij verweerder tegen deze beschikking, zodat het door eiseres ingediende beroepschrift in dit geval als zodanig heeft te gelden. De beschikking invorderingsrente is gedagtekend op 28 maart 2019. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, verklaart de rechtbank in geval van een rechtstreeks beroep het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is (artikel 6:7, 6:9 en 6:11 van de Awb en artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)). De rechtbank heeft het beroepschrift van eiseres op 9 juli 2019 ontvangen. Dat is buiten de termijn van zes weken. Feiten of omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is, zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank verklaart het rechtstreekse beroep tegen de beschikking invorderingsrente daarom niet-ontvankelijk.

Geschil

4. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanmaningskosten en de kosten van betekening van het dwangbevel terecht in rekening zijn gebracht. Eiseres stelt dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Verweerder stelt dat de kosten terecht in rekening zijn gebracht. Het geschil concentreert zich daarbij op de vraag of verweerder de voorlopige aanslag heeft verzonden en eiseres op de correcte wijze heeft aangemaand. Niet in geschil is dat de aanmaningskosten en betekeningkosten volgens de relevante wettelijke bepalingen tot de juiste hoogte zijn vastgesteld.

5. De rechtbank overweegt dat de ontvanger een belastingschuldige die niet binnen de gestelde termijn betaalt, schriftelijk aanmaant om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van die aanmaning te betalen (artikel 11 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW)). Een dwangbevel kan slechts worden uitgevaardigd als de belastingschuldige correct is aangemaand en daarna in gebreke blijft (artikel 12 IW). Ingevolge artikel 1 van de Kostenwet worden kosten in rekening gebracht ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen op grond van de bepalingen van de IW aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen. De hoogte van deze kosten is opgenomen in artikelen 2 en 3 van de Kostenwet.

6. Een bezwaar- of beroepschrift tegen de aanmaningskosten en betekeningskosten van het dwangbevel kan niet gegrond zijn op de stelling dat het aanslagbiljet of de aanmaning niet is ontvangen, tenzij degene van wie de kosten worden gevorderd aannemelijk maakt dat de ontvangst daarvan redelijkerwijs moet worden betwijfeld (artikel 7, tweede lid, van de Kostenwet). De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres.1 Het is vervolgens aan eiseres om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat zij aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op haar adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen zij aanvoert aan de ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld.2

7. Eiseres stelt dat zij de voorlopige aanslag, de betalingsherinnering en de aanmaning niet heeft ontvangen. Zij voert aan dat zij in de desbetreffende periode wel andere poststukken, waaronder post van de Belastingdienst, heeft ontvangen en dat zij vrijwel dagelijks aanwezig was op haar adres om post in ontvangst te nemen. Eiseres betwijfelt of de aanmaning wel naar het juiste adres is gestuurd. Tevens voert zij aan dat zij tot aan het dwangbevel altijd haar belastingaanslagen tijdig heeft betaald. Ten slotte vindt eiser dat de in rekening gebrachte kosten op zijn minst gematigd moeten worden, vanwege overmacht. Verweerder stelt dat de voorlopige aanslag en aanmaning naar het juiste adres zijn verstuurd. Hij heeft ter onderbouwing van dit standpunt twee verzendrapporten overgelegd (zie 1.8. en 1.10.), waarop hij ter zitting een nadere stapsgewijze toelichting heeft gegeven.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de voorlopige aanslag is verzonden naar het adres van eiseres zoals dat in het BRP is opgenomen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel het onder 1.8. genoemde rapport en de uitgebreide, stapsgewijze toelichting van verweerder daarop ter zitting, waarmee aannemelijk is geworden dat de voorlopige aanslag op 26 oktober 2018 is aangemaakt met het juiste adres en dat deze tot de partij behoorde die op 1 november 2018 ter post is aangeboden.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook aannemelijk gemaakt dat de aanmaning naar het juiste adres is verzonden. De rechtbank acht het op grond van het onder 1.9. genoemde rapport en de uitgebreide, stapsgewijze toelichting van verweerder daarop ter zitting, aannemelijk de aanmaning is aangemaakt op 12 februari 2019 en dat deze is opgenomen in de batch die op 15 februari 2019 ter post is bezorgd. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de aanmaning juist was geadresseerd. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder weliswaar geen kopie van de aanmaning kan overleggen en dat ook in het onder 1.9 genoemde rapport geen adres van de aanmaning staat vermeld, maar dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat vanwege de koppeling van de verschillende systemen van verweerder de aanmaning naar het op dat moment in de BRP bekende adres van eiseres is verzonden. Eiseres staat al jarenlang op hetzelfde adres in de BRP ingeschreven. Verder heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting verklaard dat eiseres geen ander postadres heeft opgegeven aan de Belastingdienst en dat alle post van de Belastingdienst altijd op het adres waarop eiseres in de BRP is ingeschreven wordt ontvangen.

10. Nu eiseres, behalve de enkele ontkenning, geen omstandigheden heeft aangevoerd die aan de ontvangst van de voorlopige aanslag en aanmaning doen twijfelen, moet worden aangenomen dat deze ook door eiseres zijn ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de kosten voor de aanmaning en de betekeningskosten van het dwangbevel dan ook terecht in rekening gebracht.

11. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de kosten voor de aanmaning en het dwangbevel tot de juiste hoogte berekend zijn, in overeenstemming met de bepalingen in de Kostenwet. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de kosten voor eiseres voelen als een sanctie, is dit formeel niet het geval. De hoogte van de betekeningskosten volgt rechtstreeks uit de bepalingen in de Kostenwet en de rechtbank kan deze daarom niet matigen. Daarnaast zijn de kosten geen strafmaatregel in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waardoor de rechtbank ook op deze grond de kosten niet kan matigen.3

12. De beroepen gericht tegen de beschikking aanmaningskosten en beschikking betekeningskosten zijn ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de beschikking invorderingsrente niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen tegen de beschikking aanmaningskosten en de beschikking betekeningskosten ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van Eijk, griffier, op 11 september 2020. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416.

2 Zie Hoge Raad 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354.

3 Zie Hoge Raad 23 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0896.