Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3447

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
C/18/197429 / HA ZA 20-44
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Informatieplicht van executeur ex artikel 4:78 BW. Geen rekening en verantwoording over periode voorafgaand aan het overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0238
FJR 2021/15.7
JERF Actueel 2020/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/197429 / HA ZA 20-44

Vonnis van 26 augustus 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te Muntendam,

eiseres,

advocaat mr. D. van der Wal te Drachten,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Bad Nieuweschans,

gedaagde,

advocaat mr. K.D. de Boer te Groningen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van 18 februari 2020

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn samen met hun zus [naam 1] , de kinderen van de heer [naam 2] (overleden op 9 maart 2008) en mevrouw [naam 3] (overleden op 15 april 2019). Deze zaak gaat uitsluitend over de nalatenschap van moeder. Moeder heeft [gedaagde] bij testament tot executeur benoemd. [eiseres] is onterfd; zij heeft (tijdig) aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.

2.2.

[gedaagde] heeft een boedelbeschrijving opgemaakt, bevattende een overzicht van de goederen en schulden die tot de nalatenschap van moeder behoren en een lijst van inboedelgoederen en hun waardes. Volgens deze boedelbeschrijving bedraagt het batig saldo van de nalatenschap € 92.126,65.

2.3.

[eiseres] heeft na het overlijden van moeder aan [gedaagde] verzocht om openheid van zaken over de nalatenschap van moeder te geven. Partijen hebben hierover vanaf medio 2019 veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd. [gedaagde] heeft aan [eiseres] de boedelbeschrijving en de bankafschriften over de jaren 2014 tot en met 2019 verstrekt.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

A. alle informatie aan [eiseres] te verstrekken die zij nodig heeft om haar legitieme portie te berekenen;

B. aan [eiseres] duidelijkheid te verschaffen omtrent de in de dagvaarding naar voren gebrachte geschilpunten; en

C. aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting de kosten van deze procedure te betalen, waaronder een bedrag aan salaris en noodzakelijke verschotten zulks met bepaling dat [gedaagde] over het bedrag van deze proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn na betekening van het in dezen te wijzen vonnis.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen - samengevat - ten grondslag dat [gedaagde] op grond van artikel 4:78 BW gehouden is om haar alle informatie te verschaffen die nodig is om haar legitieme portie te berekenen. De bankafschriften van 2014 tot en met 2019 geven volgens haar onvoldoende duidelijkheid over giften die [gedaagde] genoten heeft, althans deze tonen volgens haar aan dat tijdens de laatste levensjaren van moeder discutabele afschrijvingen ten gunste van [gedaagde] zijn gedaan zoals geldopnames van in totaal € 29.320, gepinde benzinekosten van in totaal € 1.898,91 en diverse aankopen. Deze financiële stroming past niet bij de behoefte en het uitgavenpatroon van moeder, zodat voldoende aannemelijk is dat er giften uit de legitimaire massa worden gehouden. Onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 februari 2018 (bedoeld zal zijn: ECLI:NL:GHARL:2018:1168) wenst [eiseres] inzage in die giften te verkrijgen.

3.3.

Daarnaast wenst [eiseres] een volledige inventarisatielijst van de inboedel met bewijsstukken van verkoop middels bonnen en nota's te ontvangen, omdat volgens haar de opgave van [gedaagde] niet alle goederen vermeldt en dus onvolledig en onbetrouwbaar is. Hiertoe heeft zij een overzicht van door [gedaagde] op Markplaats aangeboden goederen overgelegd. Er moet een waardebepaling door een onafhankelijke deskundige plaatsvinden om de werkelijke waardes vast te laten stellen, aldus nog steeds [eiseres] .

3.4.

[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling in de proceskosten.

3.5.

[gedaagde] voert - samengevat - het volgende verweer. Om te beginnen stelt zij zich op het standpunt dat zij alle beschikbare informatie al aan [eiseres] heeft verstrekt. Meer kan zij niet doen en het is haar niet duidelijk wat nu nog zou ontbreken. Daaraan voegt [gedaagde] toe dat zij zelf geen (in aanmerking te nemen) giften van moeder heeft ontvangen, ook niet vóór 2014, en dat haar ook geen andere giften bekend zijn.

Verder betwist [gedaagde] gehouden te zijn tot het afleggen van rekening en verantwoording over de periode voorafgaande aan het overlijden van moeder. [gedaagde] heeft moeder bij tijd en wijle geholpen met de financiën, maar van bewindvoering of curatele was geen sprake en evenmin van een volmacht of overeenkomst tot verantwoording. Alles wat voor het overlijden van moeder is geschied, is door haarzelf gedaan dan wel met haar instemming, aldus nog steeds [gedaagde] .

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft op grond van artikel 4:78 lid 1 BW tegenover [gedaagde] recht op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij voor de berekening van haar legitieme portie behoeft. [gedaagde] moet haar desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Inzage in de administratie van vóór het overlijden kan ook behoren tot deze verplichting om [eiseres] in staat te stellen te beoordelen in hoeverre er giften zijn gedaan die bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking moeten worden genomen. De kern van het geschil of [gedaagde] (voldoende) aan haar inlichtingenplicht jegens [eiseres] voldaan heeft.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat [eiseres] , om haar legitieme portie te kunnen berekenen, informatie nodig heeft over de waarde van de goederen van de nalatenschap, de schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW en de in aanmerking te nemen giften (vergelijk artikel 4:65 BW).

4.3.

Vast staat dat [eiseres] over de boedelbeschrijving beschikt. Daarmee heeft [gedaagde] haar een overzicht verstrekt van goederen en schulden die die tot de nalatenschap van moeder behoren. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de lijst van inboedelgoederen incompleet is, waartoe zij verwijst naar een overzicht van door [gedaagde] op Marktplaats aangeboden goederen. [gedaagde] heeft in reactie hierop gesteld dat de eikentafel van haarzelf is en dat de overige goederen óf voor een gering bedrag zijn verkocht (rode stoel en staartklok) óf onverkocht zijn (lampetset, hallamp, schilderij, beelden in stolp, dienblad, oud servies en rolstoeltje). Zelfs al zouden de op Marktplaats aangeboden goederen op de boedelbeschrijving hebben ontbroken (wat niet zonder meer het geval lijkt te zijn), met de door [gedaagde] gegeven toelichting heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank inmiddels voldoende informatie over welke inboedelgoederen tot de nalatenschap behoren. Dat de boedelbeschrijving op andere onderdelen incompleet zou zijn, heeft [eiseres] niet gesteld. Wel stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de in de boedelbeschrijving opgenomen waardes van de inboedelgoederen niet betrouwbaar zijn, maar zij heeft verder niet toegelicht dat/waarom de waardebepalingen door [gedaagde] als (aanmerkelijk) te laag zouden moeten worden beschouwd en de in de boedelbeschrijving vermelde waardes komen de rechtbank op zichzelf niet onwaarschijnlijk voor. De rechtbank acht het daarom niet geïndiceerd om [gedaagde] (ter voldoening aan haar inlichtingenplicht) alsnog taxatierapporten op te laten stellen en deze vervolgens aan [eiseres] te verstrekken. Voor benoeming van een deskundige is in het kader van deze procedure geen plaats.

4.4.

Het belangrijkste geschilpunt ziet op afschrijvingen die tijdens de laatste levensjaren van moeder zijn gedaan. Zoals zijdelings uit het door [eiseres] genoemde arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgt, is het mogelijk dat (omvangrijke) geldstromen van een erflater aan een afstammeling als (voor de berekening van de legitieme portie in aanmerking te nemen) giften worden aangemerkt. Maar zoals [eiseres] in punt 23 van haar conclusie van repliek zelf ook benadrukt, strekken haar vorderingen alleen tot het verkrijgen van informatie over mogelijk in aanmerking te nemen giften. De rechtbank zal dus niet in de onderhavige procedure een oordeel vellen in hoeverre de door [eiseres] aangewezen afschrijvingen als in aanmerking te nemen giften kunnen worden beschouwd.

4.5.

[gedaagde] stelt dat zij zelf geen (in aanmerking te nemen) giften van moeder heeft ontvangen, ook niet vóór 2014 en dat haar ook geen andere giften bekend zijn. Vast staat dat [eiseres] de bankafschriften over de jaren 2014 tot en met 2019 heeft verkregen, zodat zij heeft kunnen controleren in hoeverre deze opgave van [eiseres] juist is, in elk geval voor wat betreft de afgelopen vijf jaren. Bij die controle heeft [eiseres] (volgens haar) discutabele afschrijvingen aangetroffen waarvan zij vermoedt dat [gedaagde] geprofiteerd heeft, zoals geldopnames van in totaal € 29.320, gepinde benzinekosten van in totaal € 1.898,91 en diverse aankopen. [gedaagde] heeft in haar processtukken een nadere toelichting gegeven over die afschrijvingen (de auto, de dagelijkse uitgaven, de huisdieren, de reparatie van de caravan, de tassendragers, de ruitersportartikelen, de grasmaaier, het vloerkleed, de televisie, het voetmassageapparaat en het tuingereedschap) en daarmee zijn de belangrijkste bij [eiseres] gerezen vragen over mogelijke giften het oordeel van de rechtbank afdoende beantwoord.

4.6.

Het moge zo zijn dat [eiseres] het niet eens is met de besteding van de betreffende gelden en de mening is toegedaan dat giften buiten de legitimaire massa zijn gehouden, maar zoals hiervoor onder r.o. 4.4 al is overwogen gaat deze procedure daar niet over. De inlichtingenplicht op grond van artikel 4:78 BW gaat niet zo ver dat [gedaagde] rekening en verantwoording dient te geven het vermogensverloop voorafgaande aan het overlijden van moeder. Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (zie HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089). [eiseres] is legitimaris, maar geen erfgenaam. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsverhouding tussen de legitimaris als bijzondere schuldeiser van de nalatenschap en de erfgenamen die de bevoegdheid rekening en verantwoording te vragen insluit (zie Gerechtshof Den Haag 5 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2987).

4.7.

De slotsom is dat [gedaagde] aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan, in die zin dat [eiseres] beschikt over de informatie die zij nodig heeft om haar legitieme portie te kunnen berekenen (vergelijk r.o. 4.2). [eiseres] heeft niet nader geconcretiseerd dat/welke stukken zij naast de boedelbeschrijving en de bankafschriften nog meer nodig heeft voor de berekening van haar legitieme portie. De vorderingen van [eiseres] liggen daarmee voor integrale afwijzing gereed.

4.8.

In de familierelatie tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, op de wijze zoals hierna zal worden beslist.

4.9.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Partijen zijn in hun processtukken uitvoerig ingegaan op wat er in het verleden binnen de familie heeft gespeeld. [eiseres] en [gedaagde] hebben zo hun eigen visie hierover. In dit soort zaken is de persoonlijke kant voor de betrokkenen doorgaans ook belangrijk, misschien wel belangrijker dan de geldkwestie, maar daarover kan de rechtbank niet oordelen. In die zin kan de rechtbank het gebrek aan onderling vertrouwen niet oplossen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.1

1 750