Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3443

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
AWB LEE - 17 _ 2457, 17 _ 2458 en 17 _ 2459
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen van de premie volksverzekeringen door verweerder juist zijn vastgesteld voor de jaren 2009, 2011 en 2012. Op grond van de toepasselijke aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst is op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing van 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 en 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012. Niet in geschil is dat op eiser in de periode 1 januari 2009 tot en met 6 juli 2009 de Zwitserse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.

De rechtbank oordeelt dat uit het arrest de Hoge Raad van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1235) volgt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004, en het daarmee verband houdende procedurevoorschrift van artikel 18 van Vo 987/2009, niet hoeft te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht. Hetzelfde geldt voor artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag (voor de periode voor 1 mei 2010).

De rechtbank oordeelt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004 (regularisatie) niet hoeft toe te passen. Hij is daar ook niet toe bevoegd. Hetzelfde geldt voor artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag (voor de periode voor 1 mei 2010).

De rechtbank oordeelt dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding van zijn besluiten.

Uit voorgaande oordelen volgt dat verweerder van eiser terecht premie voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft geheven.

Eiser heeft vervolgens gesteld dat de door zijn Luxemburgse werkgever ingehouden premies als voorheffing verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing of dat deze premies in aftrek moeten worden gebracht op grond van artikel 3.16 van de Wet IB.

De rechtbank oordeelt alleen Nederlandse premies volksverzekeringen voor verrekening in aanmerking komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Luxemburgse werkgever premies voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft ingehouden.

Artikel 3.16 ziet op de bepaling van de fiscale winst. Er is geen grond om dit artikel ook toe te passen ter bepaling van het belastbaar loon. Er is geen grond voor verrekening van de door de Luxemburgse werkgever ingehouden premies.

De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt wel een immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding omdat de (beroeps)procedure te lang heeft geduurd.

De immateriële schadevergoeding bedraagt € 6.000. Enkel de instemming van gemachtigde van eiser met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de redelijke termijn wordt verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-10-2020
V-N Vandaag 2020/2519
FutD 2020-3132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/2457, LEE 17/2458 en LEE 17/2459

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde van eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1 van verweerder] , mr. [gemachtigde 2 van verweerder] en [gemachtigde 3 van verweerder] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister).

Procesverloop

Zaaknummer LEE 17/2457

Verweerder heeft voor het jaar 2009 met dagtekening 31 oktober 2012 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.282. Eiser is daarbij vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen verleend voor de periode 1 januari 2009 tot en met 23 juli 2009.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 319 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 17/2458

Verweerder heeft voor het jaar 2011 met dagtekening 22 februari 2014 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.219. Eiser is daarbij geen vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen verleend.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 421 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 17/2459

Verweerder heeft voor het jaar 2012 met dagtekening 14 april 2015 aan eiser een aanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.673. Eiser is daarbij geen vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen verleend.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 494 aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummers LEE 17/2457, LEE 17/2458 en LEE 17/2459

Bij uitspraken op bezwaar van 2 juni 2017 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft één verweerschrift dat op alle zaken ziet ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser woonde heel 2009, 2011 en 2012 in Nederland.

1.2.

Eiser was in 2009, 2011 en 2012 werkzaam in het internationaal vervoer over de Europese binnenwateren.

1.3.

Eiser werkte vanaf 1 januari 2009 tot 6 juli 2009 in loondienst voor [naam werkgever 1] , gevestigd te Zwitserland.

1.4.

Eiser voerde zijn werkzaamheden voor [naam werkgever 1] uit aan boord van het binnenvaartschip [naam schip 1] .

1.5.

Eiser werkte vanaf 6 juli 2009 tot en met 31 december 2012 in loondienst voor [naam werkgever 2] (hierna: [naam werkgever 2] ), gevestigd in Luxemburg.

1.6.

Eiser voerde zijn werkzaamheden voor [naam werkgever 2] uit aan boord van het binnenvaartschip [naam schip 2] dat hoofdzakelijk heeft gevaren in het stroomgebied van de Rijn.

1.7.

Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV 2009, 2011 en 2012 de volgende bedragen opgegeven aan buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid:

Jaar

Werkgever

Bruto loon

Pensioenpremie 8%

Aangegeven

2009

[naam werkgever 1]

€ 26.500

€ 26.500

2009

[naam werkgever 2]

€ 26.900

€ 26.900

2011

[naam werkgever 2]

€ 56.722

-/- € 4.537 =

€ 52.185

2012

[naam werkgever 2]

€ 58.139

-/- € 4.651 =

€ 53.488

1.8.

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2009 heeft verweerder bij het bepalen van de inkomsten uit eisers dienstbetrekking bij [naam werkgever 2] rekening gehouden met een aftrek van € 2.152 (8%) voor de pensioenpremie (caisse de pension). Verweerder heeft daardoor rekening gehouden met € 24.748 aan inkomsten van [naam werkgever 2] voor 2009. Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 is verweerder uitgegaan van de door eiser aangegeven inkomsten (zie 1.7.).

1.9.

Aan eiser is op 17 september 2009 door de Luxemburgse autoriteit een E‑106‑verklaring afgegeven. Volgens deze E‑106‑verklaring hebben eiser en zijn gezinsleden vanaf 6 juli 2009 in Luxemburg recht op verzekeringsprestaties uit hoofde van ziekte en moederschap.

Geschil

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen van de premie volksverzekeringen door verweerder juist zijn vastgesteld voor de jaren 2009, 2011 en 2012.

3. Meer specifiek is in geschil of verweerder van eiser voor de perioden 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 en 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 terecht premie voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft geheven.

4. Als de rechtbank beslist dat verweerder terecht premies heeft geheven is vervolgens in geschil of de op het Luxemburgse loon ingehouden premies verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing dan wel dat deze premies in mindering gebracht moeten worden bij de bepaling van het belastbaar loon van eiser.

5. Niet in geschil is dat op eiser in de periode 1 januari 2009 tot en met 6 juli 2009 – de periode dat hij voor [naam werkgever 1] op de [naam schip 1] werkte (zie 1.3. en 1.4.) – de Zwitserse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.

Juridisch kader

6. Bij de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving voor Rijnvarenden is onder meer de volgende regelgeving van belang:

  • -

    Het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna: het Rijnvarendenverdrag),

  • -

    Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (ook wel aangeduid als de basisverordening, hierna: Vo 883/2004)

  • -

    Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (ook wel aangeduid als de toepassingsverordening, hierna: Vo 987/2009)

  • -

    Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving (hierna: de Rijnvarendenovereenkomst);

  • -

    Besluit nr. A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: Besluit nr. A1)

7. Hierbij moet het volgende worden opgemerkt:

  • -

    In artikel 7, tweede lid, onder a, van Vo 1408/71 is bepaald dat, ongeacht het bepaalde in artikel 6 van Vo 1408/71, het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft. Ingevolge de regeling die is opgenomen in artikel 87, eerste lid, van Vo 883/2004 is artikel 7, tweede lid, onder a, van Vo 1408/71 van toepassing gebleven op tijdvakken gelegen vóór 1 mei 2010. Daarom is voor Rijnvarenden het Rijnvarendenverdrag tot 1 mei 2010 van toepassing.

  • -

    Partijen bij het Rijnvarendenverdrag zijn: Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zwitserland.

  • -

    Op grond van de Rijnvarendenovereenkomst gelden voor Rijnvarenden per 1 mei 2010 niet de aanwijsregels zoals opgenomen in titel II van Vo 883/2004 (artikelen 11 tot en met 15). In plaats daarvan gelden voor Rijnvarenden de in artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst opgenomen aanwijsregels.

  • -

    Partijen bij de Rijnvarendenovereenkomst zijn: Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Zwitserland (per 1 april 2012) en Liechtenstein (per 1 september 2018).

  • -

    Omdat Vo 883/2004 ten aanzien van Zwitserland pas per 1 april 2012 van toepassing is, geldt in de verhouding met Zwitserland voor Rijnvarenden het Rijnvarendenverdrag tot 1 april 2012. Zwitserland is eveneens toegetreden tot de Rijnvarendenovereenkomst zodat vanaf 1 april 2012 ook in de verhouding met Zwitserland voor Rijnvarenden de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst gelden.

  • -

    Zowel het Rijnvarendenverdrag als de Rijnvarendenovereenkomst zijn van toepassing op alle personen die als Rijnvarenden aan de wetgeving van één of meer van de verdragsluitende partijen onderworpen zijn of zijn geweest (artikel 2, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 2, eerste lid, van de Rijnvarendenovereenkomst).

  • -

    Zowel onder het Rijnvarendenverdrag als onder de Rijnvarendenovereenkomst wordt onder het begrip “Rijnvarende” een werknemer of zelfstandige verstaan, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften (artikel 1, onderdeel m, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 1, onderdeel a, van de Rijnvarendenovereenkomst).

Beoordeling

Premieheffing volksverzekeringen

8. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser Rijnvarende in de zin van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst is, en dat op grond van de aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.

9. Eiser stelt dat voor zowel de periode 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 als heel 2011 en 2012 ten onrechte premie volksverzekeringen zijn geheven. Daartoe voert hij – kort weergegeven – de volgende gronden aan:

  1. Verweerder had bij het vaststellen van de verzekeringsplicht naast de aanwijsregels uit het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst ook de rechtstreeks werkende bepalingen van Vo 883/2004 en Vo 987/2009 moeten toepassen. Verweerder had voor 2009 artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag, en voor 2011 en 2012 artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 moeten toepassen.

  2. Bij het vaststellen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving dient het belang van eiser voorop te staan. Eisers belang vergt dat de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing wordt verklaard.

  3. Door geen bemiddelingsprocedure te volgen heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.

De rechtbank zal deze gronden hierna bespreken.

i. Vaststelling premieplicht door verweerder

10. Eiser stelt dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1151) verweerder alle toepasselijke regelgeving moet betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht van eiser. Onder de toepasselijke regels vallen voor het jaar 2009 ook artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag en voor de jaren 2011 en 2012 ook artikel 16 van de Basisverordening en artikel 18 van de Toepassingsverordening. In eisers geval had verweerder middels toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag (2009) en van artikel 16 van de Basisverordening (2011 en 2012) het Luxemburgse socialezekerheidsrecht van toepassing moeten verklaren, aldus eiser.

11. Verweerder stelt dat hij de regelgeving, in eisers geval voor 2009 het Rijnvarendenverdrag en voor de jaren 2011 en 2012 de Rijnvarendenovereenkomst, juist heeft toegepast. Het sluiten van een (regularisatie)overeenkomst als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag of artikel 16, eerste lid, van de Basisverordening ten behoeve van eiser is een bevoegdheid van de SVB en haar Luxemburgse tegenhanger. Verweerder is daarvoor niet de bevoegde autoriteit.

12. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn arrest van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1235) heeft de Hoge Raad als volgt beslist:

2.2.4 Het standpunt van belanghebbende dat er sprake is van dubbele heffing van socialeverzekeringspremies en daarom artikel 16 Basisverordening dient te worden toegepast in het belang van belanghebbende, heeft het Hof van de hand gewezen.

2.3.1

Het eerste middel bevat onder meer de klacht dat in het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel is miskend dat onder de Rijnvarendenovereenkomst de procedure van artikel 16 Toepassingsverordening moet worden nageleefd.

Het derde middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof. Volgens het middel dient de Inspecteur bij de vaststelling van de verzekerings- en premieplicht ook artikel 16 Basisverordening te betrekken.

2.3.2

In zoverre falen de middelen op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.10 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 19/04564 (ECLI:NL:HR:2020:1150) (...)”

De rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.10 van het arrest van de Hoge Raad waarnaar verwezen wordt luiden als volgt:

4.3.1 In cassatie is de vraag aan de orde of er een rechtsgrond is die inhoudt dat door Luxemburg geheven premies moeten worden verrekend met door de Inspecteur te heffen premies. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

4.3.2

Artikel 13 Basisverordening regelt dat het antwoord op de vraag welke nationale wetgeving geldt voor een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst verricht, afhankelijk is van de omstandigheden van de in die bepaling omschreven gevallen. Artikel 16 Basisverordening biedt mogelijkheden tot afwijking van artikel 13 Basisverordening.

4.3.3

Het bestreden oordeel berust op het uitgangspunt dat op belanghebbende vanaf 1 april 2012 de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is. De Rijnvarendenovereenkomst is getiteld “Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004”. De EU-Rijnoeverstaten hebben met het sluiten van de Rijnvarendenovereenkomst dus gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 16 Basisverordening.

4.3.4

In de Rijnvarendenovereenkomst zijn de EU-Rijnoeverstaten voor de positie van rijnvarenden ter zake van sociale zekerheid afgeweken van het stelsel van artikel 13 Basisverordening. In die overeenkomst is geregeld dat op een rijnvarende als bedoeld in de Rijnvarendenovereenkomst slechts de wetgeving van één enkele Rijnoeverstaat van toepassing is (artikel 4, lid 1, Rijnvarendenovereenkomst). Voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving bevat de Rijnvarendenovereenkomst in de artikelen 4 en 5 eigen regels, in afwijking van regels van de Basisverordening. Het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst laat, anders dan het stelsel van artikel 13 Basisverordening, geen ruimte voor het standpunt dat op een rijnvarende de wetgeving van meer dan één Rijnoeverstaat van toepassing zou kunnen zijn.

4.3.5

Artikel 16 Toepassingsverordening, onderdeel van Titel II, Vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bevat een procedure voor de toepassing van artikel 13 Basisverordening. De tekst van artikel 16 Toepassingsverordening (zie de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.30) laat zien dat die procedure erop is gericht eventuele onzekerheid in een geval waarin op grond van artikel 13 Basisverordening de wetgeving van meer dan één lidstaat van toepassing zou kunnen zijn, te beëindigen teneinde te waarborgen dat overeenkomstig de algemene regel van artikel 11, lid 1, Basisverordening slechts de wetgeving van één lidstaat van toepassing is.

4.3.6

Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kan bij beantwoording van de vraag of er een rechtsgrond is voor verrekening van de in Luxemburg geheven premies, die rechtsgrond niet worden gevonden in artikel 16 Toepassingsverordening. Deze bepaling bevat immers een procedure om bij de uitvoering van artikel 13 Basisverordening te waarborgen dat slechts de wetgeving van één lidstaat van toepassing zal zijn. Uit het voorgaande vloeit evenwel voort dat reeds op grond van de Rijnvarendenovereenkomst op een rijnvarende de wetgeving van slechts één Rijnoeverstaat van toepassing kan zijn.

4.3.7

Artikel 6 Toepassingsverordening bevat een rangorderegeling voor de periode waarin twee of meer lidstaten van mening verschillen over de vraag wiens socialezekerheidswetgeving van toepassing is en wetgeving van een lidstaat voorlopig wordt toegepast (zie onderdeel 4.35 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal). Artikel 73 Toepassingsverordening bevat een regeling voor verrekening van in het ene land voorlopig betaalde premies met in het andere land verschuldigde premies (zie onderdeel 4.38 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal).

4.3.8

Aangezien het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst belet dat op een rijnvarende de wetgeving van meer dan één Rijnoeverstaat van toepassing zou kunnen zijn en niet voorziet in voorlopige toepassing van wetgeving van een Rijnoeverstaat, bieden de artikelen 6 en 73 Toepassingsverordening geen grondslag voor verrekening in een geval waarin op grond van de Rijnvarendenovereenkomst de wetgeving van slechts één Rijnoeverstaat van toepassing is en in de uitvoeringspraktijk desondanks in meer dan één Rijnoeverstaat premies worden geheven.

4.3.9

De Rijnvarendenovereenkomst voorziet voor een geval waarin een rijnvarende ondanks het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst gevolgen van dubbele heffing ondervindt, niet in een procedure om te waarborgen dat dubbele heffing achterwege blijft. In het oordeel van het Hof is onderkend dat dit de Inspecteur en de belastingrechter voor een dilemma kan plaatsen in een geschil over premieheffing waarin een belanghebbende stelt dat sprake is van dubbele heffing en een beroep doet op verrekening. Uit al het voorgaande vloeit echter voort dat de belastingrechter slechts kan vaststellen of er een rechtsgrond is die de Inspecteur verplicht tot verrekening ingeval in meer dan één Rijnoeverstaat premieheffing plaatsvindt en dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, de artikelen 16 en 73 Toepassingsverordening die rechtsgrond niet bieden in een geval waarin de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is.

4.3.10

Anders dan in het oordeel van het Hof besloten ligt, valt die rechtsgrond voor een geval als hier aan de orde niet te lezen in het arrest Sante Pasquini van het Hof van Justitie3 of in het Besluit A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. 2010/C 106/01) van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (zie onderdeel 4.39 e.v. van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal en onderdeel 6.4 van die conclusie).”

13. Uit het voorgaande volgt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004, en het daarmee verband houdende procedurevoorschrift van artikel 18 van Vo 987/2009, niet hoeft te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht voor de jaren 2011 en 2012.

14. Artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag bevat een uitzonderingsmogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen om in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de betrokken rijnvarenden, uitzonderingen vast te stellen op de aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag. Het doel en de strekking van dit artikel is daarmee gelijk aan dat van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004. Gelet op het hiervoor bij 12. aangehaalde arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1235) hoeft verweerder artikel 16 van Vo 883/2004 niet te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft verweerder dan ook artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag niet te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht voor het jaar 2009.

ii. Belang van eiser vergt toepassing Luxemburgse sociaalzekerheidsrecht

15. Eiser stelt dat voor de jaren 2011 en 2012 op grond van artikel 16 van Vo 883/2004 het Luxemburgse socialezekerheidsrecht op hem toegepast moet worden nu zijn belang dat uitdrukkelijk vergt. Dat bij het aanwijzen van een toepasselijk sociaalzekerheidsrecht zijn belang voorop dient te staan volgt volgens eiser uit onder meer artikel 16 van Vo 883/2004, de door de Commissie voor Verzekeringsaangelegenheden opgestelde Toelichting op de Europese basisverordening sociale zekerheid, de door de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels opgestelde Praktische gids over de toepasselijke wetgeving, en de preambule bij Vo 987/2009. Eiser stelt dat hij in Luxemburg premie heeft betaald, die hij onmogelijk terug kan krijgen. Zijn belang vergt daarom dat het Luxemburgse socialezekerheidsrecht op hem toegepast wordt. Voor 2009 geldt het voorstaande ook, maar dan op grond van artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag. Eiser wijst hierbij op de aan hem afgegeven E-106-verklaring (zie 1.9.). Die heeft weliswaar geen gelding, maar dient wel betrokken te worden bij de beslissing om te regulariseren. De Nederlandse premieheffing kan niet in stand blijven, aldus eiser. Tot slot stelt eiser dat door de inwerkingtreding van de Rijnvarendenovereenkomst met terugwerkende kracht tot 1 mei 2010 ten aanzien van hem andere aanwijsregels dan die van Vo 883/2004 zijn gaan gelden. Als die terugwerkende kracht al toegestaan is, dan is dat temeer reden om ten aanzien van eiser regularisatie toe te passen.

16. Verweerder stelt dat artikel 16 van Vo 883/2004 de mogelijkheid schept voor bevoegde autoriteiten om in overleg te treden. Het betreft geen aanwijsregel. Verweerder stelt dat voor Nederland de SVB hiervoor de bevoegde autoriteit is. De SVB heeft in het geval van eiser geen gebruik gemaakt van die overlegmogelijkheid. Gelet daarop heeft artikel 16 van Vo 883/2004 geen betekenis in deze procedure. Verweerder stelt voorts dat artikel 16 van Vo 883/2004 niet het individuele belang dient, maar dat van een hele beroepsgroep. Daar is de Rijnvarendenovereenkomst voor gesloten. Verweerder wijst hierbij op onderdeel 5.1 van de conclusie van A-G Wattel van 7 mei 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:499).

17. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat volgens de op eiser van toepassing zijnde aanwijsregels (voor 2009: artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag, voor 2011 en 2012: artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst) op hem de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Als eiser het dan in zijn belang acht dat op grond van artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 de socialezekerheidswetgeving van een andere lidstaat op hem van toepassing wordt verklaard zal hij (of zijn werkgever) daartoe een verzoek moeten doen bij de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat (zie artikel 13, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 18 van Vo 987/2009). Voor Nederland is de SVB als bevoegde autoriteit aangewezen (zie artikel 1, onderdeel e, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 1, onderdeel m, van Vo 883/2004 in samenhang met de Regeling mandaat, volmacht en machtiging internationale taken Sociale verzekeringsbank, Stcrt. 2018, 56044) en komt deze bevoegdheid, anders dan eiser lijkt te stellen, niet toe aan verweerder. Een dergelijk verzoek zou kunnen leiden tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van (in dit geval) Luxemburg en Nederland waarin alsnog het Luxemburgse socialezekerheidsrecht van toepassing wordt verklaard. Het sluiten van een dergelijke overeenkomst betreft echter een discretionaire bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten, zodat de uitkomst op voorhand niet zeker is.

18. Niet is gebleken dat eiser en/of zijn werkgever een dergelijk verzoek hebben gedaan, laat staan dat er een regularisatieovereenkomst is gesloten. Gelet daarop, en gelet op hetgeen hiervoor overwogen over de werking van artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004, faalt eisers beroepsgrond. De rechtbank verwijst in dit kader ook nog naar de hiervoor bij 12. vermelde overwegingen uit het arrest van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1235). Uit deze overwegingen volgt eveneens dat het belang van eiser er niet toe leidt dat verweerder artikel 16 van de Vo 883/2004 zou moeten toepassen.

iii. Onzorgvuldig handelen van verweerder

19. Eiser stelt dat een zorgvuldige voorbereiding van het besluit van verweerder om premie volksverzekeringen te heffen had meegebracht dat verweerder zich had gewend tot de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (de Administratieve Commissie). Eiser wijst daarbij op de dialoog- en bemiddelingsprocedure zoals beschreven in Besluit Nr. A1 van de Administratieve Commissie. Nu verweerder dit niet gedaan heeft, en vaststaat dat eiser ook al in Luxemburg premies heeft betaald, kan de heffing niet in stand blijven.

20. Verweerder stelt dat er geen sprake is van onzorgvuldige voorbereiding van zijn besluiten. Verweerder verwijst naar de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6785). Uit deze uitspraak volgt dat hij niet verplicht is om voor het opleggen van de aanslag contact op te nemen met de Luxemburgse autoriteiten. Verweerder wijst verder op de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 16 augustus 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:4291) waarin de rechtbank in soortgelijke zin heeft geoordeeld.

21. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eisers beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel niet. Verweerder is niet bevoegd om in het kader van Besluit nr. A1 een zaak aan de Administratieve Commissie voor te leggen (zie onderdeel 17. van Besluit nr. A1). Reeds daarom faalt eisers beroepsgrond.

Verrekening of aftrek van ingehouden premies

Verrekening van ingehouden premies als voorheffingen

22. Eiser heeft ter zitting gesteld dat uit vaste jurisprudentie volgt dat loonheffingen die door de werkgever op het loon zijn ingehouden door de werknemer verrekend mogen worden zelfs indien de werkgever de ingehouden loonheffing niet afdraagt. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 mei 2020, rechtsoverweging 4.31 (ECLI:NL:GHSHE:2020:1472). Eiser is daarbij van mening dat de in Luxemburg ingehouden premies als te verrekenen loonheffingen dienen te worden aangemerkt. Het gaat volgens eiser om de volgende bedragen:

2009: € 2.945,58

2011: € 5.311,65

2012: € 6.424,50

23. Verweerder stelt dat er geen voorheffingen ten bate van de Nederlandse staat zijn geweest. Artikel 9.2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) – op grond waarvan voorheffingen verrekend worden – gaat dan niet op.

24. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen in de belastingwet aangewezen voorheffingen verrekend te worden met de aanslag. Op grond van artikel 9.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB behoren tot de voorheffingen van de inkomstenbelasting de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting. Als op grond van artikel 9.1, derde lid, van de Wet IB de inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen door middel van één aanslag geheven worden, behoren op grond van artikel 9.2, zesde lid, van de Wet IB de bij wijze van inhouding geheven premies voor de volksverzekeringen ook tot de voorheffingen.

25. Met het in de hiervoor genoemde bepalingen gebruikte begrip ‘premie voor de volksverkeringen’ wordt naar het oordeel van de rechtbank enkel gedoeld op de Nederlandse volksverzekeringen. Immers, slechts premies voor de Nederlandse volksverzekeringen kunnen met de heffing van inkomstenbelasting door middel van één belastingaanslag geheven worden. Deze opvatting is eveneens af te leiden uit bijvoorbeeld artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB. In onderdeel a van dat artikellid wordt het begrip ‘premie voor de volksverzekeringen’ gebruikt. In onderdeel b wordt vervolgens genoemd ‘premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de volksverzekeringen’.

26. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen enkel Nederlandse premies volksverzekeringen als voorheffing in aanmerking worden genomen en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Luxemburgse werkgever dergelijke premies heeft ingehouden. Reeds daarom faalt eisers beroepsgrond.

27. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat (ook) verrekening moet plaatsvinden van de bij zijn voormalig werkgever [naam werkgever 2] nageheven (Nederlandse) premies overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende gesteld om ten aanzien van eiser voorheffingen in aanmerking te nemen. Eiser heeft niet gesubstantieerd welk gedeelte van de aan [naam werkgever 2] opgelegde naheffingsaanslagen premie volksverzekeringen betreft, noch welk gedeelte daarvan betrekking heeft op eiser.

Aftrek van ingehouden premies

28. Eiser heeft ter zitting voorts gesteld dat – als de premies niet verrekend kunnen worden – op grond van artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB de in Luxemburg betaalde premies in aftrek moeten worden gebracht bij de bepaling van het belastbaar loon. Het is op geen enkele wijze te verdedigen dat in het kader van het bepalen van de belastbare winst de in Luxemburg betaalde verzekeringspremies wel in aftrek worden genomen, maar dit niet het geval zou zijn bij bepaling van het belastbaar loon, aldus eiser.

29. Verweerder stelt dat artikel 3.16 van de Wet IB alleen ziet op de bepaling van de fiscale winst, en niet op de bepaling van het belastbaar loon.

30. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3.16 van de Wet IB ziet enkel op de bepaling van de fiscale winst. De Wet IB bevat geen schakelbepaling op grond waarvan artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB ook van toepassing is bij de bepaling van het belastbaar loon. Gelet daarop biedt artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB geen grond voor verrekening van de in Luxemburg betaalde premies en slaagt eisers beroepsgrond niet.

Belastingrente

31. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikkingen belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente de bedragen van de aanslagen volgt.

Conclusie

32. De beroepen zijn ongegrond.

Immateriële schadevergoeding

33. Eiser heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn.

34. De rechtbank is van oordeel dat de zaken waar deze uitspraak op ziet, en die in beroep gezamenlijk zijn behandeld, in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat zij samenhangen. Dit brengt mee dat een eventuele schadevergoeding één keer, voor alle drie de zaken samen, wordt toegekend. Ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient verder te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.

35. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Als de redelijke termijn is overschreden, dan moet de rechtbank beoordelen in hoeverre die overschrijding is toe te rekenen aan verweerder en in hoeverre aan de rechtbank. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De ISV bedraagt forfaitair € 500 per half jaar (of deel daarvan) van overschrijding (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

36. In elk van de bezwaarprocedures is gemachtigde van eiser akkoord gegaan met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar. In zaak LEE 17/2457 gaat het om ondertekening door de gemachtigde van eiser van verweerders brief van 26 februari 2013. In zaak LEE 17/2458 gaat het om ondertekening door de gemachtigde van eiser van verweerders brief van 23 juni 2014. In zaak LEE 17/2459 gaat het om ondertekening door de gemachtigde van eiser van verweerders brief van 15 juni 2015.

37. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de conclusies van A-G Wattel van 7 mei 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:237, ECLI:NL:PHR:2020:238, ECLI:NL:PHR:2020:239 en ECLI:NL:PHR:2020:511) en de corresponderende arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1244, ECLI:NL:HR:2020:1236, ECLI:NL:HR:2020:1238 en ECLI:NL:HR:2020: 1237). Hieruit volgt volgens verweerder dat wanneer akkoord gegaan wordt met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar, de termijn van het uitstel niet meetelt bij de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn.

38. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1574) volgt dat de enkele instemming met verder uitstel, zonder dat een bijzondere omstandigheid daarvoor een rechtvaardiging biedt, de redelijke termijn niet verlengt. Verweerder heeft (naast eisers instemming met uitstel) geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan in eisers geval de redelijke termijn verlengd moet worden. Gelet daarop is er naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen.

39. Verweerder heeft het bezwaarschrift ten aanzien van de IB/PVV 2009 (het eerst aangewende rechtsmiddel) op 7 december 2012 ontvangen. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn er afgerond 7 jaren en 10 maanden verstreken, zodat de redelijke termijn voor geschilbeslechting met (afgerond naar boven) 71 maanden is overschreden. Dit leidt tot een ISV van € 6.000 (12 maal een half jaar à € 500).

40. Voor wat betreft de toerekening van de ISV aan verweerder en de rechtbank overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraak op bezwaar ten aanzien van de IB/PVV 2009 is op 2 juni 2017 gedagtekend. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar zijn afgerond 54 maanden verstreken, terwijl de redelijke beslistermijn voor verweerder 6 maanden bedraagt. Gelet daarop is de overschrijding voor 48/71 aan verweerder toe te rekenen en voor 23/71 aan de rechtbank. Gelet daarop zal verweerder veroordeeld worden tot een vergoeding van afgerond € 4.056 en de Minister tot een vergoeding van € 1.944.

41. Omdat het bedrag van de ISV waarvoor de Minister wordt veroordeeld minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op de beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, alsmede de regeling van 27 oktober 2017, Stcrt. 2017, nr. 62751, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Proceskosten en griffierecht

42. De rechtbank ziet aanleiding tot toekenning aan eiser van een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsprocedure. Reden daarvoor is de aan eiser toegekende ISV (zie 39.). De rechtbank gaat daarbij uit van samenhang tussen alle zaken waar deze uitspraak op ziet. Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven. Gelet daarop stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding in de beroepsfase op grond van het Bpb vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5). Wat betreft de in bezwaar gemaakte proceskosten en de wegingsfactor verwijst de rechtbank naar respectievelijk overweging 2.3.1 en 2.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660. De rechtbank zal aan elke zaak 1/3 van de proceskosten toerekenen.

43. Ook het griffierecht van € 138 (3 x € 46) moet, gelet op hetgeen bij 39. is overwogen, aan eiser vergoed worden.

44. Nu zowel verweerder als de Minister worden veroordeeld tot het betalen van een deel van de ISV moeten het griffierecht en de proceskostenvergoeding door ieder voor de helft worden vergoed (zie overwegingen 3.14.1 en 3.14.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Dit betekent dat verweerder en de Minister aan proceskostenvergoeding elk € 262,50 (per zaak € 87,50) verschuldigd zijn. Aan griffierecht zijn verweerder en de Minister elk € 69 (per zaak € 23) verschuldigd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.056;

- veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.944;

- veroordeelt verweerder in elk van de zaken in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 87,50 per zaak en

- veroordeelt de Minister in elk van de zaken in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 87,50 per zaak en

- draagt verweerder in elk van de zaken op € 23 aan eiser te vergoeden voor het betaalde griffierecht.

- draagt de Minister in elk van de zaken op € 23 aan eiser te vergoeden voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier, op 15 oktober 2020. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.