Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3336

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
18/113206-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring leidt tot oplegging ISD-maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/113206-20

ter berechting gevoegd parketnummer 18/159268-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/920044-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 september 2020. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

113206-20

hij, op of omstreeks 23 april 2020, in de gemeente Emmen, [slachtoffer 1] (machinist bij [bedrijfsnaam] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik breek je nek. Ik schiet je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

159268-20

1.

hij op of omstreeks 17 juni 2020 te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 17 juni 2020 te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen;

3.

hij op of omstreeks 17 juni 2020 in de gemeente Emmen [slachtoffer 3] , zijnde hoofdagent van politie, eenheid Noord-Nederland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, door

- op korte afstand in en/of in de richting van het gezicht van die [slachtoffer 3] te kuchen en/of te

hoesten en/of

- die [slachtoffer 3] toe te voegen de woorden "Ik onthoud jullie gezichten wel. Als ik jullie in het

dorp tegen kom of erachter kom wie jullie vriendin of kinderen zijn, dan maak ik ze dood.

Reken daar maar op. Ik kom jullie nog wel een keer in jullie vrije tijd tegen. Hoor je mij.

Dat gaat nog wel gebeuren." en/of "Ik heb Corona en ik ga jullie ziek maken, zodat jullie

dood gaan.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft integrale veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aansluiting gezocht bij de woorden van verdachte, die ten aanzien van de feiten heeft aangevoerd dat hij het zich niet allemaal kan herinneren, maar dat hij de ten lastegelegde bedreigingen zou kunnen hebben geuit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit onder parketnummer 113206-20 en de feiten 1, 2 en 3 onder parketnummer 159268-20 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

113206-20

1. De door verdachte ter zitting van 15 september 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik wilde met de trein naar huis. Ik had al ingecheckt, maar de trein vertrok. Ik kan me niet herinneren dat ik heb gezegd 'ik breek je nek, ik schiet je dood.' Als zij dat zeggen, dan zal het wel zo zijn.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 23 april 2020, opgenomen op pagina 14 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020104686 van 27 april 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik ben machinist bij [bedrijfsnaam] en had vanmiddag dienst. Vanmiddag wilde een mij onbekende man in de trein stappen. Ik zag dat die man naar mij toe liep. Ik hoorde dat die man mij voor van alles en nog wat uitschold. Ik hoorde dat hij zei: "Ik breek je nek. Ik schiet je dood"! Ook hoorde ik dat die man zei dat hij een pistool bij zich had. Ik had sterk het gevoel dat deze man mij werkelijk wat aan wilde doen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 24 april 2020, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Ik zag dat de man bij [slachtoffer 1] ging staan op een afstand van ongeveer 30 centimeter. Ik hoorde en zag dat de man een dreigende houding aannam, waarbij hij zijn vuisten balde. Ik hoorde dat de man op luide toon tegen [slachtoffer 1] riep: "Ik maak je dood!" "Ik zie je nog wel!" en "Ik heb een pistool en ik ga je schieten!" [slachtoffer 1] was behoorlijk onder de indruk van het voorval.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 24 april 2020, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Ik hoorde de man tegen de machinist zeggen: "ik maak je nek kapot". Ik zag dat de man zijn woorden kracht bij zette door een stap naar voren richting de machinist te zetten en zijn linkerarm omhoog deed. Ik zei tegen de man dat hij weg moest wezen. Ik zag dat de man zich omdraaide en van ons vandaan liep in de richting van de trein. Ik zag dat de man in de loop zijn hoofd nog weer omdraaide en in de richting van de machinist riep: "Ik breek je nek nog!".

159268-20

feiten 1 en 2

1. De door verdachte ter zitting van 15 september 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het gebeurde op een druk kruispunt. Een automobilist reed over mijn teen, waarop ik tegen zijn auto tikte. Ik had een ring om mijn vinger. De automobilist stapte uit en er ontstond een handgemeen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 juni 2020, opgenomen op pagina 7 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020164785 van 22 juni 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik wilde de brug oprijden en zag een man voor mij de straat oversteken. Ik zag dat de man in het midden van de straat bleef lopen. Ik kon er niet langs. De man bleef op de weg lopen maar ging een beetje naar rechts. Ik ben toen langzaam en ruim om de man gaan rijden. Toen ik naast de man reed zag ik dat de man een stap in de richting van mijn auto deed en ik hoorde een krassend geluid aan mijn auto. Ik stopte de auto. Ik zag in de rechter spiegel en over mijn rechter schouder de man weer in de richting van mijn auto lopen. Ik zag dat de man met zijn hand een beweging langs de auto maakte. Ik hoorde gelijk weer het zelfde krassende geluid. De man heeft dus de rechterzijde van mijn auto bekrast. Ik ben uit de auto gestapt omdat ik de schade aan mijn auto wilde bekijken.

Ik zag de man direct weer om mij af komen lopen. Hij riep: "Wat wil je, wat wil je?" Hij pakte mij gelijk bij de keel vast. De man sloeg meerdere keren tegen mijn hoofd. Ik rukte zijn hand los van mijn keel. De man begon gelijk weer te schoppen. Hij schopte meerdere keren tegen mijn schenen aan, van beide benen. Ik heb nu verwondingen aan mijn scheenbenen. De man liep weg alsof er niets gebeurd was. Ik heb gezegd dat de man moest blijven staan. De man draaide zich weer om en liep weer op mij af. De man begon mij direct weer te slaan en te schoppen. Hij sloeg mij tegen mij hoofd. Door de klappen in mijn gezicht heb ik nu pijn en letsel. Er is een stukje van mijn tand geslagen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 juni 2020, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Voor mij zag ik op de brug een man over de weg heen 'swalken' alsof hij dronken was of iets dergelijks. Er reed een blauwe auto voor mij. De bestuurder claxonneerde naar de naar de voetganger die gevaarlijk op de weg liep. De man stak zijn middelvinger op naar de bestuurder en liep naar zijn auto. De bestuurder stapte uit en werd direct aangevallen. De man begon op de bestuurder in te slaan op het hoofd. De bestuurder was zichtbaar hier niet op voorbereid. Hij viel op zijn rug. Toen heb ik samen met een andere omstander de man van de bestuurder afgetrokken. De man ging steeds terug en opnieuw te slaan op de bestuurder.

feit 3

1. De door verdachte ter zitting van 15 september 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Mij is veel onrecht aangedaan in het leven. Dan is dit de manier waarop ik reageer.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 juni 2020, opgenomen op pagina 15 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020164785 van 22 juni 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Wij brachten de door ons aangehouden verdachte [verdachte] over naar het politiebureau. Onderweg werd de verdachte erg agressief. Ik hoorde hem zeggen "Ik onthoud jullie gezichten wel. Als ik jullie in het dorp tegenkom of erachter kom wie jullie vriendin of kinderen zijn, dan maak ik ze dood. Reken daar maar op. Ik kom jullie nog wel een keer in jullie vrije tijd tegen. Hoor je mij? Dat gaat nog wel gebeuren." Ik hoorde en zag de verdachte 'hoesten' in mijn richting en hoorde hem zeggen: "Ik heb Corona en ik ga jullie ziek maken, zodat jullie dood gaan."

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit onder parketnummer 113206-20 en de feiten 1, 2 en 3 onder parketnummer 159268-20 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

113206-20

hij op 23 april 2020 in de gemeente Emmen [slachtoffer 1] (machinist bij [bedrijfsnaam] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik breek je nek. Ik schiet je dood";

159268-20

1.

hij op 17 juni 2020 te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen opzettelijk en wederrechtelijk een auto die aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft beschadigd;

2

hij op 17 juni 2020 te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] te stompen en te slaan en te schoppen en te trappen;

3

hij op 17 juni 2020 in de gemeente Emmen [slachtoffer 3] , zijnde hoofdagent van politie, eenheid Noord-Nederland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door

- op korte afstand in de richting van het gezicht van die [slachtoffer 3] te hoesten en

- die [slachtoffer 3] toe te voegen de woorden "Ik onthoud jullie gezichten wel. Als ik jullie in het

dorp tegen kom of erachter kom wie jullie vriendin of kinderen zijn, dan maak ik ze dood.

Reken daar maar op. Ik kom jullie nog wel een keer in jullie vrije tijd tegen. Hoor je mij.

Dat gaat nog wel gebeuren," en "Ik heb Corona en ik ga jullie ziek maken, zodat jullie

dood gaan."

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

113206-20

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

159268-20

1. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort beschadigen

2. mishandeling

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd, zonder tussentijdse beoordeling.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ervoor gepleit om een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Bij verdachte is een (goedaardig) kankergezwel in zijn slokdarm ontdekt, hetgeen verdachte met de neus op de feiten heeft gedrukt: het leven is eindig, en hij wil dat einde zo lang mogelijk uitstellen. De intenties van verdachte om zijn leven een positieve wending te geven zijn oprecht. Verdachte heeft een sociaal netwerk opgebouwd, dat onder andere bestaat uit twee vriendinnen bij wie hij inwoont. Het is de bedoeling dat verdachte op enig moment een eigen woning zal betrekken en via de reclassering een dagbesteding zal krijgen.

In het geval een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, verzoekt de raadsvrouw om een tussentijdse beoordeling te laten plaatsvinden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 4 september 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een viertal strafbare feiten begaan, waarbij hij de mensen die zich in zijn nabijheid bevonden op een bedreigende en gewelddadige manier heeft bejegend. Eén van die mensen heeft fysieke, psychische en vermogensschade geleden door toedoen van verdachte. Verdachte heeft bovendien door te hoesten in de richting van een politieagent en daarbij te roepen dat hij drager is van het coronavirus geen enkel respect getoond voor het gezag van de politie. Verdachte kampt met een alcoholverslaving, onder invloed waarvan hij de delicten heeft gepleegd.

Verdachte is bekend bij de reclassering. Die meldt in haar rapport dat de zucht naar alcohol bij verdachte wordt versterkt op het moment dat hij emotioneel uit balans raakt. De alcoholconsumptie leidt tot delictgedrag. Op het gebied van huisvesting heerst voortdurend onrust: verdachte heeft bij meerdere woonvoorzieningen gewoond en stelt zich telkens dusdanig op dat hij niet meer welkom bij hen is. Zijn toezichthouder moest telkens opnieuw een nieuwe woonvoorziening zoeken. Er is voortdurend sprake van onrust en instabiliteit

rondom verdachte. De ambulante behandeling komt hierdoor niet van de grond. Verdachte stelt zich niet begeleidbaar op en trekt veelal zijn eigen plan. Hij bagatelliseert zijn eigen rol en legt de verantwoordelijkheden buiten zichzelf. Indien hij hierop wordt aangesproken, belooft hij beterschap om kort daarop terug te vallen in oud gedrag. De afgelopen jaren is veel geprobeerd om verdachte de stabiliteit te brengen die hij nodig heeft, waardoor hij aan zijn doelen kan werken. Hij speelt het echter telkens klaar om de uitgestippelde trajecten te saboteren door middel van wangedrag (zoals het afdwingen van vrijheden bij hulpverleners of het overtreden van huis- en afdelingsregels van instellingen) en alcoholmisbruik. Naar de mening van de reclassering lijkt alleen een ISD-maatregel nog uitkomst te bieden.

De rechtbank neemt de bevindingen van de reclassering over en maakt die tot de hare.

De rechtbank stelt voorts vast dat de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en dat de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast zijn ten aanzien van verdachte de afgelopen vijf jaar processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven. De vordering van de officier van justitie voldoet daarmee aan de vereisten die de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers hiervoor aan hem stelt.

Gelet op het reclasseringsrapport en de eerdere veroordelingen moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan, terwijl de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist. Aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel is naar het oordeel van de rechtbank dus voldaan; de rechtbank zal daartoe dan ook overgaan.

De bevindingen van de reclassering geven de rechtbank geen aanleiding om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen of om te beslissen dat een tussentijdse beoordeling over de noodzaak van de voortzetting van de uitvoering van de ISD-maatregel moet plaatsvinden. Verdachte heeft blijkbaar een langdurig dwingend traject nodig om de door hem gewenste wending te bereiken. Het door de verdediging aangevoerde sociale vangnet is volstrekt ontoereikend en uiterst fragiel, en biedt geen enkel uitzicht op het terugdringen van recidive en het beschermen van de veiligheid van personen of goederen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.779,70 ter vergoeding van materiële schade en € 750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een voorschot op de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.250,00, bestaande uit

€ 750,00 aan immateriële schadevergoeding en € 4.500,00 aan materiële schadevergoeding. Het bedrag aan materiële schadevergoeding dat kan worden toegewezen bestaat uit:

- schade aan de auto € 1.489,81

- eigen risico € 173,75

- schade aan kleding € 209,94

- schade aan bril € 229,76

- tandartskosten € 2.396,74

[slachtoffer 2] dient in zijn vordering, voor zover deze ziet op de verhuiskosten en de telefoon, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

[slachtoffer 2] dient in de vordering, voor zover deze ziet op schade aan de auto, de kleding en de tandartskoste, niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de schade niet is hersteld en (dus) niet vaststaat wat de omvang van de schade is. Het causaal verband tussen de strafbare feiten en de verhuiskosten ontbreekt, zodat ook hier niet-ontvankelijkheid moet volgen. Ten aanzien van de overige materiële schadeposten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De vordering voor zover die ziet op de immateriële schade moet worden gematigd, nu in de uitspraak die ter onderbouwing van de hoogte van de vordering is overgelegd sprake was van het belagen van het slachtoffer met een scherp voorwerp. Van een scherp voorwerp in onderhavige casus is niet gebleken.

Oordeel van de rechtbank

schade aan de auto, telefoon en bril, eigen risico, tandartskosten

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade aan de auto, de telefoon, de bril, het eigen risico aan ziektekosten en het gebit heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 159268-20 (feiten 1 en 2) bewezen verklaarde. Op de benadeelde partij rust anders dan de raadsvrouw meent geen herstelplicht. De vordering, waarvan de hoogte niet, althans onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2020. Dit betreft een totaal van € 5.492,86.

verhuiskosten

De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om de hoogte van de verhuiskosten te kunnen beoordelen. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering onderbouwd met een factuur van een groothandel in witgoed, en niet van een verhuisbedrijf. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de juistheid en de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal daarom niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de verhuiskosten dan ook niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

kleding

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat verdachte schade aan zijn kleding heeft geleden door toedoen van verdachte. De overgelegde onderbouwing volstaat niet, nu daaruit geen (omvang van de) schade blijkt. De benadeelde partij heeft daarmee niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat de vordering voor zover die ziet op schade aan kleding wordt afgewezen.

immaterieel

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de immateriële schade voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, groot € 750,00, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 juni 2020. De rechtbank ziet geen aanleiding om te matigen, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 28 november 2018 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 43 dagen, waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 13 december 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 28 augustus 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Ter zitting heeft hij zich niet nader uitgelaten over deze vordering, de raadsvrouw evenmin.

Gelet op de oplegging van de ISD-maatregel zal de rechtbank de vordering na voorwaardelijke veroordeling afwijzen; de rechtbank acht een gevangenisstraf hiernaast niet zinvol.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 285, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18/113206-20 en het onder parketnummer 18/159268-20, feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Ten aanzien van 18/159268-20, feiten 1 en 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 6.242,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2020.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor zover die ziet op de schade aan kleding ter grootte van € 209,94.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 6.242,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2020, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 124 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 5.492,86 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/920044-18:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 28 november 2018.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2020.