Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3327

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
C/18/196027 / FA RK 19-3244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kan een minderjarig kind zelfstandig aanspraak maken op een bijdrage in de kosten van verzorging en levensonderhoud? Kan een jong-meerderjarig kind slechts één van zijn ouders aanspreken tot betaling van een bijdrage?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/196027 / FA RK 19-3244

alimentatiebeschikking van 29 september 2020

in de zaak van

['de dochter] ,

die woont in [woonplaats] ,

en die hierna "de dochter" wordt genoemd,

advocaat mr. N. Groeneveld, die kantoor houdt in Hoogezand,

en

[de moeder]

die woont in [woonplaats] ,

en die hierna "de moeder" wordt genoemd,

advocaat mr. L.G. Mellens-Schrage, die kantoor houdt in Stadskanaal.

De procedure

De procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de dochter, dat de rechtbank op 11 december 2019 heeft ontvangen. Daarin verzoekt zij de rechtbank om ten laste van haar moeder voor de duur van haar minderjarigheid een bijdrage vast te stellen in de kosten van haar verzorging en opvoeding en voor de duur van haar jong-meerderjarigheid een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.

Op 22 januari 2020 heeft de rechtbank een verweerschrift van de moeder ontvangen. Daarin concludeert de moeder tot niet-ontvankelijkheid van de dochter en voor zover zij in haar verzoek wel kan worden ontvangen, tot afwijzing van haar verzoeken.

Op 17 april 2020 heeft de rechtbank van de moeder een brief met bijlagen ontvangen.

Op 8 september 2020 is de zaak mondeling behandeld. De rechter heeft toen gesproken met partijen en hun advocaten.

De feiten

De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.

Op [geboortedatum] is de dochter geboren uit een inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van haar ouders. Na de echtscheiding van haar ouders heeft zij haar hoofdverblijfplaats gekregen bij haar moeder. Zij woont sinds [datum] niet meer bij haar moeder, maar bij haar vriend en zijn ouders.

De dochter wil dat haar moeder kinderalimentatie aan haar betaalt en zij heeft daarom door tussenkomst van haar advocaat een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend.

De beoordeling

Wat wil de dochter dat de rechtbank beslist?

De dochter wil dat de rechtbank haar moeder veroordeelt om voor de periode van 1 juni 2019 tot en met 31 december 2019 een bijdrage te betalen van € 742,-- per maand en met ingang van 1 januari 2020 een bijdrage van € 179,-- per maand.

Wat vindt de moeder dat de rechtbank moet beslissen?

De moeder vindt dat het verzoek niet kan worden behandeld, omdat haar dochter nog minderjarig was haar verzoek bij de rechtbank werd ingediend. De moeder meent dat daarom alleen haar ouders als haar wettelijke vertegenwoordigers het verzoek hadden kunnen doen. De moeder vindt bovendien dat niet alleen zij, maar ook de vader had moeten worden aangesproken tot betaling van een bijdrage. De moeder vindt verder dat de dochter niet de door haar gestelde behoefte heeft aan een bijdrage en dat zij zelf hoe dan ook de financiële draagkracht mist om de verzochte bijdragen te betalen.

Wat staat er in de wet?

Uit artikel 1:233 BW volgt dat degene die nog geen achttien jaren is en niet meerderjarig is verklaard, minderjarig is. Het gevolg van die minderjarigheid is "handelingsonbekwaamheid", wat met zich brengt dat behoudens bepaalde wettelijke uitzonderingen, een minderjarige niet in staat is om rechtshandelingen te verrichten en niet zelf in rechte kan optreden. De minderjarige moet daartoe worden vertegenwoordigd door degenen die het gezag over de minderjarige uitoefenen.

De wet kent uitzonderingen op deze regels. Zo kan een ouder die het gezag uitoefent, toestemming geven om een rechtshandeling te verrichten. Er zijn bovendien wettelijke bepalingen die een uitzondering geven op de procesrechtelijke onbekwaamheid. Die uitzonderingen zijn echter niet van toepassing op het verzoek aan de rechtbank om een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding.

De wet voorzien daarom met art. 1:406 BW in een bijzondere regeling voor het geval dat ouder of stiefouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind niet nakomt. In dat geval kan de andere ouder of de voogd een verzoek doen. Deze regeling is gegeven omdat de minderjarige als procespartij te dezer zake niet zelf kan optreden.

Uit art. 1:395a BW volgt dat ouders jegens hun jong meerderjarige kinderen van achttien tot eenentwintig jaar verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie.

Uit art. 1:397, tweede lid BW volgt dat als er meerdere onderhoudsplichtigen zijn, ieder van hen gehouden is voor een deel in de behoefte van de onderhoudsgerechtigde te voorzien en dat voor de bepaling van dat deel rekening wordt gehouden met ieders draagkracht en de verhouding waarin een ieder tot de onderhoudsgerechtigde staat.

Wat vindt de rechtbank van het verzoek van de dochter?

Op het moment dat de rechtbank het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie van de dochter heeft ontvangen, was zij minderjarig. Als minderjarige was zij op dat moment niet in staat om rechtshandelingen te verrichten en in rechte op te treden. De dochter is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende. Als de dochter haar verzoek hebben gedaan op het moment dat zij meerderjarig was, dan zou haar verzoek ook zijn afgewezen. Daarvoor is het navolgende redengevend.

Voor de periode dat de dochter nog minderjarig was, kan zij als meerderjarige aanspraak maken op een bijdrage, maar alleen wanneer blijkt dat zij zelf in de kosten van haar eigen levensonderhoud heeft moeten voorzien, omdat haar ouders dat niet hebben gedaan (vgl. HR 11 december 1987, NJ 1988/723, m.nt. E.A.A. Luijten). De dochter heeft niet gesteld dat zij dat heeft moeten doen; zij heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat de ouders van haar vriend steeds in haar kosten hebben voorzien.

Ook het verzoek met betrekking tot een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud en de studie als bedoeld in artikel 1:395a BW zou zijn afgewezen. De onderhoudsverplichting van de ouders ten opzichte van hun kinderen is, zo volgt uit art. 1:397, tweede lid BW, immers geen "hoofdelijke aansprakelijkheid", in die zin dat ieder van de ouders voor het geheel van de kosten van levensonderhoud en studie kan worden aangesproken. Het had daarom op de weg van de dochter gelegen om niet alleen de moeder, maar ook de vader aan te spreken, of in ieder geval concrete informatie te verstrekken met betrekking tot zijn draagkracht.

De vader is echter ondanks het daarop gerichte verweer van de moeder niet in de procedure betrokken en over zijn draagkracht zijn door de dochter evenmin gegevens verstrekt. Dit brengt met zich dat niet berekend kan worden, zoals op grond van de wet en de toepasselijke rekenregels wel zou moeten, wie van de ouders welk deel van de kosten van levensonderhoud en studie voor zijn of haar rekening moet nemen. Die rekenregels die ook wel de Tremanormen worden genoemd, worden gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en worden door de rechtbank gevolgd, behoudens voor zover er bijzondere feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om in een concrete zaak daarvan af te wijken.

Die rekenregels geven onder meer als aanbeveling dat aan de hand van de tabel en het netto besteedbaar inkomen de draagkracht van iedere onderhoudsplichtige per kind wordt vastgesteld. Nu de daarvoor relevante gegevens ontbreken, kan dit niet worden vastgesteld met als gevolg dat het verzoek, wanneer het inhoudelijk zou kunnen worden behandeld, door de rechtbank zou zijn afgewezen.

Een en ander betekent dat de volgende beslissing moet worden genomen.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart de dochter in haar verzoek niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven te Groningen door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

fn: bpt