Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3321

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
17/173911
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek van de moeder om de GI te vervangen. De samenwerking tussen GI en de moeder, die met gezag is belast, is onmogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/173911 / FJ RK 20-690

datum uitspraak: 2 september 2020

beschikking vervanging gecertificeerde instelling


in de zaak van

[naam] , hierna te noemen de moeder,

verblijvende in [detentie] .

betreffende

[naam] , geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna te noemen: GI (gecertificeerde instelling).

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het verzoek met bijlagen van de moeder van 14 juli 2020, ingekomen bij de griffie op 20 juli 2020;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van de GI, ingekomen bij de griffie op 11 augustus 2020;

  • -

    een brief met bijlagen van de moeder, van 18 augustus 2020;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Nijenhuis, op de zitting overgelegd.

1.2.

Op 19 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. J.D. Nijenhuis;

- mr. [naam] , [naam] en [naam] , namens de GI.

1.3.

De heer [naam] is namens het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: LJ&R) als toehoorder bij de zitting aanwezig geweest.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

Bij beschikking van 1 juli 2020 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 juli 2021.

3 Het verzoek

3.1.

De moeder heeft de kinderrechter verzocht om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door het LJ&R, vestiging Leeuwarden.

4 De verkorte weergave van de standpunten

4.1.

De moeder is het niet eens met de handelwijze van de GI met betrekking tot de overplaatsing van [minderjarige] naar een ander pleeggezin en de positie die de GI inneemt in het uitoefenen van haar taak als uitvoerder van de ondertoezichtstelling. Volgens de moeder is het niet de GI die de regie voert, maar de familie [familienaam vaderszijde] . De GI wist al sinds december 2019 van de problemen die het pleeggezin [naam] ervoer met deze familie, maar lichtte de moeder daar niet over in. Volgens de moeder verschuilt de GI zich nu achter de mening van het pleeggezin [naam] en voelt de GI zich niet verantwoordelijk voor het feit dat het pleeggezin niet langer voor [minderjarige] wil zorgen. De moeder is verbijsterd dat de GI niet eerder heeft ingegrepen bij de eerdere signalen van het pleeggezin over de druk die de familie uitoefent. Ook heeft de GI cruciale informatie van de behandelaars van [minderjarige] bij Fier achtergehouden voor de moeder en de rechtbank, waardoor dit niet is meegenomen bij de beslissing om [minderjarige] over te plaatsen. De moeder stelt dat de belangen van [minderjarige] niet langer gewaarborgd zijn, omdat de GI grove steken heeft laten vallen en ernstige fouten heeft gemaakt bij de uitoefening van haar taak als uitvoerder van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Dit alles maakt dat de moeder geen enkel vertrouwen meer heeft in de GI.

4.2.

De GI betwist dat zij onvoldoende regie heeft in deze zaak. Volgens de GI kan de moeder zich vanaf het begin van de ondertoezichtstelling nergens in vinden. De realiteit is dat het pleeggezin [naam] niet langer voor [minderjarige] kan zorgen en daar heeft de GI geen invloed op. De GI verzet zich tegen de verzochte wijziging. Zij acht dat niet in het belang van [minderjarige] en de andere twee kinderen, die ook onder toezicht van de GI zijn gesteld. De kinderen hebben een band opgebouwd met de gezinsvoogd en het is niet wenselijk dat er een andere gezinsvoogdij-instelling wordt aangewezen voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] .

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van de gezaghebbende ouder de huidige gecertificeerde instelling, die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Dit kan wanneer de verhoudingen tussen de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert en de betrokkenen dermate slecht zijn dat het belang van het kind vereist dat een andere gecertificeerde instelling met het toezicht wordt belast.

5.2.

Op grond van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging. Dat betekent dat de kinderrechter bij elke beslissing allereerst naar het belang van het kind dient te kijken.

5.3.

De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat een onbelaste uitoefening van de ondertoezichtstelling kan plaatsvinden. De GI heeft gesteld dat [minderjarige] gewend is aan de gezinsvoogden en dat het niet in zijn belang is dat deze vervangen worden. De kinderrechter kan de GI hierin wel volgen, maar is van oordeel dat dit belang van [minderjarige] niet dusdanig zwaarwegend is dat dit zonder meer in de weg staat aan vervanging van de GI. In dit opzicht is naar het oordeel van de kinderrechter tevens van belang dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de GI in samenwerking met de moeder - zijnde de gezaghebbende ouder - mogelijk moet zijn.

5.4.

Ter zitting is onder meer naar voren gekomen dat er sporadisch contact is tussen de gezinsvoogden en de moeder. De GI heeft verklaard dat er contact opgenomen wordt met de moeder als er belangrijke zaken te melden zijn over [minderjarige] . De detentie van de moeder maakt het echter lastig om de moeder rechtstreeks te bereiken, omdat er een terugbelverzoek moet worden achtergelaten, aldus de GI. Bovendien zou de moeder tijdens de gesprekken die wel plaatsvinden weinig over [minderjarige] vragen.

De moeder is van mening dat zij te weinig geïnformeerd wordt over [minderjarige] en niet actief betrokken wordt door de GI. Volgens haar is het geen probleem om haar te bereiken en belt zij zo snel mogelijk terug als de GI een terugbelverzoek heeft gedaan. Zij wordt echter wel belemmerd in haar mogelijkheden vanwege het feit dat zij in detentie zit. Zij vindt dat de GI daar onvoldoende rekening mee houdt en meer moeite zou moeten doen om haar te informeren. Zij voelt zich op achterstand staan.

5.5.

Het feit dat de moeder in detentie zit neemt naar het oordeel van de kinderrechter niet weg dat de GI gehouden is de moeder actief te betrekken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Wat er ook zij van de achtergrond van de detentie en het tot nu toe gevoerde strafproces, de moeder is de enige gezaghebbende ouder van [minderjarige] en heeft nog steeds zeggenschap over [minderjarige] . De GI dient de moeder daarom niet alleen te betrekken bij belangrijke beslissingen over [minderjarige] , maar haar ook op de hoogte te houden van het wel en wee van [minderjarige] . Dat geldt juist temeer nu de moeder is gedetineerd, en zij daardoor minder mogelijkheden heeft om zelf actie te ondernemen richting de GI.

5.6.

Voor de kinderrechter staat verder voldoende vast dat de moeder pas achteraf op de hoogte is gesteld van de extra hulp die is ingezet om de pleegzorgplaatsing van [minderjarige] bij de familie [naam] te kunnen waarborgen. De moeder was ook niet uitgenodigd bij of geïnformeerd over gesprekken in dit kader. De kinderrechter benadrukt nogmaals dat de moeder gezag heeft over [minderjarige] en alleen al om die reden recht heeft op informatie over dergelijke belangrijke ontwikkelingen. Dat - zoals de GI heeft betoogd - op dat moment nog helemaal niet in beeld was dat het pleeggezin [naam] de zorg voor [minderjarige] zou willen beëindigen vanwege de door hen ervaren problemen met de familie [familienaam vaderszijde] , maakt dat niet anders. Het feit dat extra hulpverlening werd ingezet in het pleeggezin, waarmee een belangrijke beslissing werd genomen in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] , had met de moeder gedeeld kunnen worden. Nu dat niet is gebeurd en pas achteraf bij de moeder bekend is geworden, acht de kinderrechter het niet onbegrijpelijk dat de moeder het gevoel heeft dat zij bewust buitenspel werd gezet bij de beslissingen rondom de pleegzorgplaatsing van [minderjarige] en dat dit haar vertrouwen in de GI verder heeft geschaad.

5.7.

Ten aanzien van de brief van Fier van 17 juni 2020, waarin wordt geadviseerd over de plaatsing van [minderjarige] , is de kinderrechter van oordeel dat deze brief voor de moeder belangrijke informatie bevat. De moeder is niet actief door de GI geïnformeerd over deze brief. De kinderrechter heeft in de beschikking van 15 juli 2020 geconstateerd dat de GI de genoemde brief van Fier en de brief van de pleegouders waarin zij aangeven niet langer voor [minderjarige] te kunnen zorgen, niet heeft overgelegd. Hoewel deze brief uiteindelijk wel is betrokken bij de beslissing van de kinderrechter van 15 juli 2020, blijkt niet dat de brief daadwerkelijk is betrokken bij het proces binnen de GI dat heeft geleid tot het verzoek van de GI van 3 juli 2020. In de beschikking van 15 juli 2020 is vermeld dat de kinderrechter van oordeel was dat de GI de feiten volledig en naar waarheid had moeten aanvoeren. Dat de GI de brief van Fier niet heeft overgelegd achtte de kinderrechter kwalijk.

5.8.

Al het voorgaande bij elkaar en in onderlinge samenhang bezien, maakt dat de kinderrechter het niet onbegrijpelijk acht dat de moeder geen vertrouwen meer heeft in de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] door de GI. Het mag dan zo zijn dat de moeder vanaf het begin van de beschermingsmaatregelen weinig vertrouwen heeft gehad in de GI, maar dat maakt naar het oordeel van de kinderrechter juist dat de GI zich had moeten inspannen om de moeder nauw te betrekken bij alle ontwikkelingen rond en beslissingen over [minderjarige] en haar daarover actief had moeten informeren. Terwijl de GI zich ervoor had moeten inzetten om het vertrouwen bij de moeder te vergroten, is juist het wantrouwen van de moeder door de handelwijze van de GI steeds groter geworden. De kinderrechter ziet onder de huidige omstandigheden geen mogelijkheid meer om het vertrouwen van de moeder in de GI te herstellen.

Naar het oordeel van de kinderrechter is voldoende vast komen te staan dat de verhouding tussen de moeder en de GI dermate slecht is dat het belang van [minderjarige] vereist dat de GI wordt vervangen. Nu bovendien - zoals hiervoor is overwogen - het vervangen van de gezinsvoogden niet zodanig in strijd is met het belang van [minderjarige] dat dit aan de vervanging van de GI in de weg zou moeten staan, ziet de kinderrechter voldoende aanleiding het verzoek van de moeder toe te wijzen.

5.9.

De heer [naam] heeft tijdens de zitting verklaard dat het LJ&R, indien de rechter vervanging van de GI noodzakelijk acht, bereid is om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] over te nemen. De kinderrechter zal de GI vervangen door het LJ&R, gevestigd te Leeuwarden.

5.10.

De kinderrechter zal de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren aangezien op grond van het bepaalde in artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beslissing tot vervanging van de GI enkel cassatie in het belang der wet openstaat. Gelet hierop heeft de moeder geen belang bij toewijzing van dit onderdeel van haar verzoek.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

vervangt de GI door Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Leeuwarden;

6.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I. Zetstra, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.

fn: 31