Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3309

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
C18/199359 PR RK 20-174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking wegens processuele beslissing.

Verzoek ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen

128933 / HA RK 11-30516 september 2018

Meervoudige wrakingskamer

Zaaknummer / rekestnummer: C18/199359 PR RK 20-174

Datum beslissing: 22 juni 2020

Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna [verzoeker] te noemen,

in persoon procederende.

1 Het procesverloop

1.1

Bij ongedateerde brief, door de rechtbank ontvangen op 13 juni 2020, heeft [verzoeker] mr. R. Bootsma, als rechter in de zaak met zaak\rolnummer 8498408 CV EXPL 20-3017, gewraakt.

1.2

Bij brief van 16 juni 2020 heeft mr. Bootsma kenbaar gemaakt dat zij niet in het wrakingsverzoek berust.

1.3

De rechtbank heeft bepaald dat deze beslissing vandaag wordt uitgesproken.

2 Het standpunt van [verzoeker]

2.1

heeft, naar aanleiding van een brief van 10 juni 2020 van de griffier, mr. Bootsma gewraakt. In deze brief staat vermeld dat [verzoeker] op de rolzitting niet heeft gereageerd in zijn procedure tegen OHRA en dat er vonnis zal worden gewezen. [verzoeker] bestrijdt de inhoud van die brief stellende dat hij wel een reactie heeft gegeven op de stellingen van OHRA. Hij wraakt dan ook mr. Bootsma nu zij voornemens is om vonnis te wijzen in zijn zaak.

3 Het standpunt van mr. Bootsma

3.1

Mr. Bootsma voert aan - samengevat - dat bij brief van 12 mei 2020 van de griffier aan [verzoeker] kenbaar is gemaakt dat aan hem uitstel is verleend tot de rolzitting van 9 juni 2020 om 9.30 uur. In die brief is verder aangegeven dat de reactie, in verband met de Corona-crisis, alleen schriftelijk kan worden ingediend en wel uiterlijk één dag voor de zitting op 9 juni 2020. Op 10 juni 2020 heeft de griffier een brief aan [verzoeker] verzonden dat door hem niet is gereageerd en dat er op 23 juni 2020 vonnis zal worden gewezen. Tot slot is aangegeven dat er geen stukken aan het procesdossier kunnen worden toegevoegd. De reactie van [verzoeker] , gedateerd op 12 juni 2020, is op 12 juni 2020 door de griffier ontvangen. Omdat dit te laat was, is de reactie naar hem teruggestuurd. Deze handelwijze is conform het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton. Mr. Bootsma voert aan dat er dan ook geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die ertoe kunnen leiden dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

4 De beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat de beslissing van mr. Bootsma om de stukken te retourneren die [verzoeker] heeft ingediend na de termijn die aan hem was gesteld (en deze dus niet bij de beslissing te gaan betrekken), een processuele beslissing is. Voor dergelijke beslissingen geldt dat onvrede over de genomen beslissing op zichzelf onvoldoende grond is voor wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] hiertoe evenwel geen feiten of omstandigheden gesteld. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De mondelinge behandeling kan om die reden achterwege blijven (vgl. artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a van het Wrakingsprotocol van de Hoge Raad).

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart het verzoek tot wraking ongegron;

bepaalt dat de hoofdzaak (zaak/rolnummer 8498408 CV EXPL 20-3017) wordt voorgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indenen van het verzoek tot wraking bevond;

beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en mr. Bootsma.

Deze beslissing is gegeven door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, en mrs. P.J. Duinkerken en L.T. de Jonge, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2020.

c402