Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3298

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
18/830041-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, veroordeelt een 39-jarige man uit Sappemeer tot een gevangenisstraf van acht jaren en legt aan hem een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op. De rechtbank acht bewezen dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan een gewelddadige woningoverval, een verkrachting, een tweetal brandstichtingen met gevaar voor goederen, een tweetal inbraken, een vernieling, een mishandeling, een openlijke geweldpleging in vereniging, vier diefstallen en dwang.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 284
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830041-20

ter terechtzitting gevoegd parketnummers 18/247078-19, 18/181934-20, 18/045579-20 en 18/177374-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/930180-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 augustus en (sluitingszitting) 7 september 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Slinkman, advocaat te Hoogezand en

mr. G.J.M. Grijmans, advocaat te Bolsward.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18-830041-20, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 september 2019 te Bourtange, in de gemeente Westerwolde, omstreeks 2:50 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in een woning, gelegen aan de [straatnaam] aldaar, een kistje met geld (te weten 1.072,45 euro) en/of een hoeveelheid sieraden en/of een (aantal) portemonnee(s) en/of op een besloten erf waarop voornoemde woning staat een (personen)auto (merk Opel Zafira, kenteken [kenteken] ) (met bijbehorende autosleutels),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers heeft hij, verdachte en/of (met) diens mededader(s):

- ( meermalen) in/tegen het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen de ribben en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen en/of gestompt, terwijl die [slachtoffer 1] in bed lag (waardoor die [slachtoffer 1] uit bed op de grond is gevallen) en/of

- tegen het been en/of de bil(len) en/of (elders) tegen het lichaam van die

[slachtoffer 1] getrapt en/of geschopt (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) en/of

- die [slachtoffer 1] bij de enkels gepakt en/of (vervolgens) over de grond (door glasscherven) gesleept,

terwijl bovengenoemd feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:

- oogletsel waardoor verminderd zicht is ontstaan en/of

- een gebroken neusbeen en/of

- een gebroken jukbeen,

althans zwaar lichamelijk letsel, ten gevolge heeft gehad.

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/247078-19, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 juli 2019 te Wedde, in de gemeente Westerwolde opzettelijk brand heeft gesticht in een caravan (gelegen op camping [naam camping] ), immers heeft hij, verdachte toen aldaar opzettelijk een brandbare stof over het bed in voornoemde caravan gesprenkeld en/of (vervolgens) open vuur in aanraking gebracht met een voornoemd(e)

bed/brandbare stof en/of met een hoeveelheid lijm (bij de meterkast), althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan voornoemde caravan en/of een nabijgelegen schuur geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die nabijgelegen schuur en/of in die schuur bevindende gereedschappen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 2 oktober 2019, te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, een ander, te weten [slachtoffer 2] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het afstaan van zijn scootersleutel en/of scooter, door:

- op de voordeur van die [slachtoffer 2] te bonken en/of (daarbij) te schreeuwen dat die [slachtoffer 2] de deur open moest doen en/of

- ( toen die [slachtoffer 2] de deur niet open deed) de woning van die [slachtoffer 2] via de balkondeur binnen te dringen, althans te betreden en/of

- tegen die [slachtoffer 2] te schreeuwen/zeggen dat hij de scootersleutel moest geven;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 2 oktober 2019, te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, scootersleutel en/of scooter, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2019 tot en met 14 oktober 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, een hoeveelheid halsbanden en/of riemen en/of muilkorven en/of clickers, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.

hij op of omstreeks 28 september 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;

5.

hij op of omstreeks 14 oktober 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kassalade en/of een fooienpot (met kleingeld), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/181934-20 ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 10 oktober 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand gelegen aan de [straatnaam] aldaar, immers heeft hij, verdachte en/of met diens mededader(s) toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een vlag, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan voornoemd pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor één of meer belendende pand(en) en/of zich in die belendende pand(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer perso(o)n(en), te duchten was;

2.
hij op of omstreeks 10 oktober 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk (de ruit van) een voordeur (van een woning, gelegen aan de [straatnaam] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten aan [benadeelde partij 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/045579-20 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 juli 2018 te Sappemeer, in de gemeente Midden-Groningen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4] , te weten:

- het brengen van zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 4] en/of

- het op de mond zoenen van die [slachtoffer 4]

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

- het duwen tegen het aanrecht van die [slachtoffer 4] en/of (vervolgens) onverhoeds zoenen en/of brengen van zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 4] en/of

- het tegen die [slachtoffer 4] zeggen: “Je moet mee naar de slaapkamer" en/of (vervolgens) het op bed duwen van die [slachtoffer 4] en/of het (nogmaals) brengen van zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 4] en/of

- het doorgaan met het plegen van voornoemde handelingen, terwijl die [slachtoffer 4] hem, verdachte, (meermalen) heeft weggeduwd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 juli 2018 te Sappemeer, in de gemeente Midden-Groningen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten:

- het betasten van de vagina van die [slachtoffer 4] en/of

- het op de mond zoenen van die [slachtoffer 4]

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

- het duwen tegen het aanrecht van die [slachtoffer 4] en/of (vervolgens) onverhoeds zoenen en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer 4] en/of

- het tegen die [slachtoffer 4] zeggen: “Je moet mee naar de slaapkamer" en/of (vervolgens) het op bed duwen van die [slachtoffer 4] en/of het (nogmaals) betasten van de vagina van die [slachtoffer 4] en/of

- het doorgaan met het plegen van voornoemde handelingen, terwijl die [slachtoffer 4] hem, verdachte, (meermalen) heeft weggeduwd.

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/177374-20 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 oktober 2019 te Vlagtwedde, althans in de gemeente Westerwolde, althans in Nederland, openlijk, te weten, op of aan de Spetsebrugweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging,

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] door:

[slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of dreigend met een mes op die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] af te lopen en/of een mes te tonen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 oktober 2019 te Vlagtwedde, gemeente Westerwolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/830041-20 ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweld, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen - waaronder de bekennende verklaring van verdachte - weliswaar volgt dat verdachte de enige is die geweld heeft gebruikt ten opzichte van aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), maar dat desondanks kan worden gesproken van medeplegen door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarvoor is vereist dat de medeverdachten ook (voorwaardelijk) opzet op het geweld hadden, hetgeen kan worden vastgesteld op grond van onder meer de omstandigheden dat de inbraak in de nacht plaatsvond, dat de medeverdachten (vanaf enig moment) wisten dat [slachtoffer 1] thuis was, zij hoorden en/of zagen dat [slachtoffer 1] was mishandeld en dat zij er desondanks voor kozen om spullen van [slachtoffer 1] weg te nemen.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/247078-19 onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft eveneens veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18-181934-20 onder 1 en 2 ten laste gelegde, met dien verstande dat ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde brandstichting het medeplegen en gevaar voor personen niet bewezen kunnen worden.

In de zaak met parketnummer 18/045579-20 heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor de primair ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ). De officier van justitie heeft - kort gezegd - aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 4] betrouwbaar zijn en worden ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 8] (hierna: [getuige 8] ).

In de zaak met parketnummer 18/177374-20 heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, gelet op hetgeen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard, in combinatie met de (deels) bekennende verklaring van verdachte inhoudend dat hij klappen heeft uitgedeeld.

Standpunt van de verdediging

Mr. Grijmans heeft in de zaak met parketnummer 18/830041-20 bepleit dat het medeplegen van de woninginbraak bewezen kan worden verklaard, maar dat ten aanzien van het eveneens ten laste gelegde geweld geen sprake was van medeplegen. Verdachte was de enige die geweld heeft gepleegd en de medeverdachten hadden geen (voorwaardelijk) opzet op het door verdachte gepleegde geweld.

Mr. Slinkman heeft in de zaken met parketnummers 18-247078-19 en 18-181934-20 gewezen op de bekennende verklaring van verdachte en geen verweer gevoerd ten aanzien van deze feiten.

In de zaak met parketnummer 18-045579-20 heeft mr. Slinkman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer 4] , alsmede van de subsidiair ten laste gelegde aanranding van [slachtoffer 4] . Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 4] onvoldoende betrouwbaar is. [slachtoffer 4] heeft een verstandelijke beperking en is pas een maand na het voorval in een kindvriendelijke studio gehoord. Het is mogelijk dat [slachtoffer 4] het voorval heeft verzonnen als excuus voor het feit dat zij iemand op haar kamer had toegelaten, hetgeen niet mag volgens de regels van de instelling.

Mr. Grijmans heeft in de zaak met parketnummer 18-177374-20 bewezenverklaring van openlijk geweld in vereniging bepleit, met dien verstande dat alleen het schoppen niet bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

Parketnummer 18/830041-20 (woningoverval met geweld in Bourtange)

De rechtbank past in de zaak met parketnummer 18/830041-20 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2020, voor zover inhoudend:

Ik ben op 27 september 2019 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) naar een woning aan de [straatnaam] in Bourtange gegaan om in te breken. [medeverdachte 2] wist dat er geld te halen was. We hadden bivakmutsen en handschoenen mee. Ik ben door het raam naar binnen geklommen. Ik zei tegen [medeverdachte 2] dat ik de deur voor hen open zou doen. Toen ik naar binnen klom, viel er iets. Ik hoorde lawaai en hoorde dat er iemand aanwezig was. Ik schrok en ik heb de verkeerde keuze gemaakt. Ik ben op het bed gesprongen en ik heb die man hard geslagen met mijn vuisten, waardoor hij van het bed af is gevallen. Ik heb hem geschopt en daarna heb ik hem naar de deur gesleept. Dat deed ik zodat we het zouden zien als hij bij zou komen en we dan meteen weg konden gaan.

Ik heb in het nachtkastje gekeken en ik heb de deur voor de anderen opengedaan. Ik zag [medeverdachte 2] binnenkomen. Het ging heel snel. De autosleutel werd mij toegegooid en we zijn vertrokken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 30 september 2019, opgenomen op pagina 45 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland in het onderzoek NN2R019116/SINGAPORE d.d. 17 juni 2020, inhoudend als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :

Ik werd vannacht wakker omstreeks 02:30 uur. Er stond een grote gestalte over me heen gebogen. Ik kon mij niet verweren, want ik heb een zenuwziekte. Ik voelde dat ik een enorme dreun kreeg op mijn rechteroog. Hierna voelde ik dat ik uit bed geslagen werd en op de grond terecht kwam. Ik zag dat deze persoon van het bed afsprong. En toen begon diegene te trappen. Ik voelde dat ik getrapt werd op mijn linkerbil. Ik heb me toen doodstil gehouden en toen stopte hij met trappen. Hierna pakte hij mij bij mijn enkels beet en toen trok hij mij door het glas naar de andere kant van het bed. Dit glas lag op de grond en was afkomstig van flessen die in de vensterbank stonden. Ik hoorde dat hij even rommelde in het nachtkastje naast het bed.

Ik heb dus diverse tikken gehad. Op mijn linkerribben en op mijn linkerarm. Dit komt omdat ik mij met mijn linkerarm afweerde. Ik heb een dreun op mijn rechteroog gekregen. Ik voelde dat dit met de vuist was. Toen voelde ik een tweede dreun op de linkerkant van mijn hoofd en hierdoor viel ik van bed af. Dit was ook met de vuist en moet met kracht gebeurd zijn, want ik viel dus van bed af. Toen schopte hij mij op mijn linkerbeen. Dat ging zo hard en toen dacht ik: "nou ga ik eraan."

V: Wat mist u uit uw woning?

A: Een zwart geldkistje. Die stond op de keukentafel. De auto is ook weggenomen. Mijn auto stond daarvoor op de oprit. De sleutels hebben waarschijnlijk in de keuken gelegen.

V: Wie weet allemaal dat het raam ‘s nachts open staat?

A: Ik weet één iemand die het weet. [medeverdachte 2] . Hij kwam tot een week of vier geleden heel veel bij me.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 1 oktober 2019, opgenomen op pagina 58 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :

Ik houd in mijn PC precies bij hoeveel geld er in het geldkistje zit van de verkoop van mijn pompoenen. Het was € 1.072,45.

V: Welke goederen mist u nog meer uit uw woning?

Een sieradenkistje op een kast in de slaapkamer, die stond er niet meer na afgelopen vrijdag. Twee portemonnees met een paar oude pasjes.

V: Wat zat er precies in het sieradenkistje uit uw slaapkamer?

A: Sieraden van mijn overleden vrouw.

4. Een geneeskundige verklaring, op 11 mei 2020 opgemaakt en ondertekend door T. van Mesdag, forensisch arts, opgenomen op pagina 94 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, als verklaring:

Betrokkene: [slachtoffer 1] , geb. [geboortedatum] -1952

l. Wat is de locatie en aard van het letsel?

Letselbeschrijving rechter oog: Er is een zwelling zichtbaar van onder- en bovenooglid en het jukbeen, waarbij de huid rondom het oog over een gebied van 5 bij 4 centimeter paarsrood is verkleurd. De zwelling over het rechter jukbeen lijkt door te lopen tot aan de voorzijde van het rechter oor. De oogspleet is door de zwelling dichtgedrukt. Uit de oogspleet komt enig helderrood vocht passend bij bloed. In de binnenste ooghoek is ook enige rode vloeistof zichtbaar en donkerrode korstvorming.

Bij beeldvorming met röntgenfoto's en een CT scan zijn de volgende inwendige letsels

aangetroffen:

- gebroken neusbeen rechts zonder standsafwijking van de neus;

- gebroken jukbeen rechts, breuk doorlopend tot in de bodem van de oogkas;

- mogelijk een afgebroken botfragment rechter ellenboog.

Aanvullende informatie letsel rechter oog: Op 30-09-2020 geeft aangever aan alleen nog maar licht te kunnen zien met het rechter oog. Op 04-10-2019 werd door de oogarts OZG een loslating van de lens van het rechter oog gezien met een kneuzing van de iris en een verhoogde oogboldruk. Aangever had een sterk verminderd zicht met het rechter oog. Op 6-12-2019 werd aangever in het UMCG geopereerd aan het oog, waarbij een kunstlens in het oog werd geplaatst. Op 24-01-2020 trad als complicatie een netvliesloslating aan het rechter oog, waarna aangever op 27-01-2020 opnieuw een oogoperatie moest ondergaan.

3. Wat is de ernst van het letsel?

a. Wat is naar schatting de tijd die nodig zal zijn voor genezing?

De breuken aan neus, jukbeen en onderste oogkas rechts en de rechter ellenboog zullen naar alle waarschijnlijkheid binnen zes weken zijn genezen. De genezing van het letsel aan het rechter oog kende een gecompliceerd beloop waardoor opnieuw operatief ingrijpen noodzakelijk was. Genezing hiervan zal mogelijk een halfjaar duren.

b. Is de inschatting dat het letsel restloos zal genezen?

De breuken aan de neus, jukbeen, onderste oogkas rechts en rechter ellenboog zullen naar alle waarschijnlijkheid restloos genezen. Het letsel aan het rechter oog (losgelaten lens en later netvliesloslating) zal naar alle waarschijnlijkheid blijvend verminderd zicht met het rechter oog tot gevolg hebben.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 6 februari 2020, opgenomen op pagina 728 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] :

[medeverdachte 2] liep voorop, hij weet de weg daar en het was ook zijn ding. We zijn naar de woning toe gelopen. [medeverdachte 2] wees het slaapkamerraam aan. [medeverdachte 2] en ik zijn op een hoekje gaan staan en [verdachte] ging door een open raam naar binnen.

Ik hoorde dat de voordeur open werd gedaan. [medeverdachte 2] liep voorop, die wist de weg. [medeverdachte 2] liep gelijk naar de keuken en kwam gelijk met het geldkistje. Ik zag dat hij het geldkistje uit een hoog aanrechtkastje pakte en daarna gaf hij het geldkistje aan mij. Ik heb dat geldkistje aangepakt. Gelijk nadat we het geldkistje pakten zijn we weer richting de voordeur gelopen en iemand heeft een autosleutel gepakt. We zijn in de auto gestapt en weggegaan. De auto stond op de oprit.

V: Wat zat er in het geldkistje?

A: Geld.

V: Hoe is de verdeling ervan geweest?

A: Door drieën.

V: Hadden jullie vermomming of gezichtsbedekking op?

A: Ja, zo’n zelfgemaakte bivakmuts. Ik, [medeverdachte 2] en volgens mij [verdachte] ook.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 13 februari 2020, opgenomen op pagina 738 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :

V: Waarom ging [verdachte] door het raam naar binnen? Was dat afgesproken?

A: [verdachte] kwam er zelf mee toen we daar stonden, hij klom wel door het raam. Op het hoekje waar [medeverdachte 2] en ik stonden, daar waren we aan het overleggen, gaan we weg of wat?

We hadden wel gedacht dat hij thuis was.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 13 februari 2020, opgenomen op pagina 738 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] :

V: [slachtoffer 1] is zwaar toegetakeld, terwijl je er ook voor kon kiezen om uit de woning te vluchten. Waarom heb je dat niet gedaan?

A: Het ging zo snel. Ik hoorde wel wat gebonk. Maar de voordeur ging los, [medeverdachte 2] liep naar het geldkistje, ik liep achter [medeverdachte 2] aan en toen zijn we vertrokken.

V: Hoe wist jij dat [verdachte] [slachtoffer 1] zwaar mishandeld hadden?

A: Toen ik hem zag liggen. Je gaat niet vanzelf op de grond liggen. Ik wist wel dat er wat gebeurd was, maar niet precies wat.

We hadden wel gedacht dat hij thuis was.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 27 mei 2020, opgenomen op pagina 849 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] :

V: Wat deed jij op het moment dat [slachtoffer 1] werd mishandeld?

A: Ik heb dat allemaal gehoord. Ik had een heel kut gevoel daardoor.

V: Wat hoorde je dan [medeverdachte 2] ?

A: Gekrijs enzo.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot parketnummer 18/830041-20

De rechtbank constateert dat, gelet op de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, vaststaat dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de nachtelijke uren de woning van [slachtoffer 1] is binnengedrongen met de intentie daar geld weg te nemen. Verdachte heeft daarbij fors geweld op [slachtoffer 1] uitgeoefend, waarbij [slachtoffer 1] diverse botbreuken in het gezicht en ernstig, waarschijnlijk blijvend, oogletsel heeft opgelopen. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 1] dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of sprake was van medeplegen van het ten laste gelegde geweld. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De rechtbank stelt voorop dat niet noodzakelijk is dat

de medeverdachten een aandeel in het gepleegde geweld hebben gehad. Vast moet komen te staan dat de medeverdachten voorwaardelijk opzet op het geweld hebben gehad.1

Naar algemene ervaringsregels is de kans dat midden in de nacht bewoners thuis zijn en liggen te slapen aanzienlijk. Verdachten waren zich daarvan ook bewust, aldus de verklaring van [medeverdachte 1] dat ze er van uitgingen dat [slachtoffer 1] thuis was. Medeverdachte [medeverdachte 2] wist dat [slachtoffer 1] sliep met het slaapkamerraam open en heeft dit raam ter plekke aangewezen, waarna [verdachte] door dit raam naar binnen is geklommen. De rechtbank is van oordeel dat het op deze wijze binnendringen in een woning de kans op een gewelddadige confrontatie met de bewoner aanmerkelijk is. [medeverdachte 2] verklaart dat hij de mishandeling gehoord heeft. [medeverdachte 1] verklaart dat hij [slachtoffer 1] in de woning op de grond heeft zien liggen. Desondanks kozen de medeverdachten er vervolgens voor om door te gaan met het gezamenlijke plan om geld uit de woning te halen in plaats van zich te distantiëren van het gepleegde geweld. Uit deze gang van zaken leidt de rechtbank af dat de medeverdachten de aanmerkelijke kans op een gewelddadige confrontatie hebben aanvaard en dat hun opzet (in voorwaardelijke zin) zich mede heeft uitgestrekt tot het door [verdachte] gepleegde geweld.

De rechtbank acht het ten laste gelegde (medeplegen) dan ook op alle onderdelen bewezen.

Parketnummer 18/247078-19

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen kan worden. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 augustus 2019, opgenomen op pagina 73 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019274386 d.d. 13 maart 2020, inhoudend de verklaring van [getuige 4] (feit 1);

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 oktober 2019, opgenomen op pagina 110 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] (feit 2);

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 oktober 2019, opgenomen op pagina 118 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 5] (feit 3);

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 september 2019, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] (feit 4);

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 oktober 2019, opgenomen op pagina 160 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 6] (feit 5).

Parketnummer 18/181934-20

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen kan worden. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 november 2019, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland in het onderzoek NN2R019126/TERESINA d.d. 6 juni 2020, inhoudend de verklaring van [getuige 7] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 19 november 2019, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 28 mei 2019, opgenomen op pagina 168 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] .

Parketnummer 18/045579-20 (verkrachting / aanranding van de eerbaarheid van [slachtoffer 4] )

De rechtbank overweegt met betrekking tot het door de raadsman gevoerde verweer over de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 4] als volgt. De rechtbank constateert dat [slachtoffer 4] blijkens het dossier op drie momenten over het voorval heeft gesproken of verklaard:

- op 8 juli 2018 tegenover getuige [getuige 8] (zijnde de begeleidster van [slachtoffer 4] ), toen [getuige 8] [slachtoffer 4] en verdachte op [slachtoffer 4] ’s kamer aantrof;

- op 9 juli 2018 tijdens het informatief gesprek bij de politie;

- op 9 augustus 2018 tijdens het studioverhoor van [slachtoffer 4] .

De rechtbank constateert dat hetgeen [slachtoffer 4] heeft verteld consistent en gedetailleerd is.

Dat er een maand tussen het informatieve gesprek en het daadwerkelijke verhoor bij de politie zit, maakt niet dat de inhoud van de verklaringen onbetrouwbaar is. Hetgeen [slachtoffer 4] heeft verklaard komt telkens met elkaar overeen en vindt bovendien bevestiging in hetgeen getuige [getuige 8] heeft verklaard over het moment dat zij [slachtoffer 4] en verdachte aantrof op [slachtoffer 4] kamer. Het enkele feit dat [slachtoffer 4] een verstandelijke beperking heeft, maakt niet dat geen geloof kan worden gehecht aan hetgeen zij heeft verklaard.

Alles overwegend ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer 4] en zal de rechtbank haar verklaring bezigen tot het bewijs.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de primair ten laste gelegde verkrachting.

De rechtbank constateert dat [slachtoffer 4] - kort gezegd - heeft verklaard (hierna opgenomen onder bewijsmiddel 1) dat verdachte, die ten tijde van het ten laste gelegde in dezelfde begeleide woonvorm woonde als [slachtoffer 4] , op een avond op haar kamer kwam en de deur dichtdeed. Hij begon een gesprekje over onder meer de vogel van [slachtoffer 4] , waarna hij haar tegen het aanrecht duwde en haar zoende. [slachtoffer 4] duwde verdachte weg en ging een toetje eten zodat ze hem niet weer zou hoeven te zoenen. Vervolgens duwde verdachte haar weer tegen het aanrecht en zoende hij haar weer, waarop [slachtoffer 4] hem wederom wegduwde. Verdachte bleef aandringen en deed vervolgens zijn hand in haar broek en bracht zijn vinger in haar vagina. Ook deed hij haar hand in zijn broek. Vervolgens heeft verdachte tegen [slachtoffer 4] gezegd dat zij mee moest komen naar de slaapkamer. In de slaapkamer heeft verdachte [slachtoffer 4] op het bed geduwd en heeft wederom zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 4] gebracht.

Getuige [getuige 8] heeft - kort gezegd - verklaard (bewijsmiddel 2) dat zij bij het appartement van [slachtoffer 4] aanklopte en na openen van de deur door [slachtoffer 4] zag dat verdachte er ook was. Verdachte zei dat hij wist dat hij daar niet mocht zijn, maar dat hij naar de vogel kwam kijken. Toen verdachte weg was, vertelde [slachtoffer 4] dat verdachte haar om een kus had gevraagd en aan haar had gezeten bij haar kruis, “bij de broek in”. [slachtoffer 4] moest daarbij heel erg huilen en gaf aan dat ze bang voor verdachte was en geen nee had durven zegen.

Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend. Verdachte heeft verklaard dat hij niet bij [slachtoffer 4] op de kamer is geweest, maar enkel in de tuin, bij de achterdeur van [slachtoffer 4] kamer. Hij heeft niet met haar over vogels gesproken en vermoedt dat [slachtoffer 4] alles heeft verzonnen omdat ze hem niet mag.

Volgens het tweede lid van art. 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.2

De rechtbank is met of officier van justitie van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 4] voldoende worden ondersteund door de feiten en omstandigheden zoals opgenomen in de verklaring van [getuige 8] . De rechtbank wijst erop dat [getuige 8] heeft verklaard dat zij verdachte in de kamer van [slachtoffer 4] aantrof en dat verdachte zei dat hij daar was in verband met de vogel van [slachtoffer 4] - iets dat hij ook volgens [slachtoffer 4] had gebruikt als reden om op haar kamer te komen. Voorts heeft [getuige 8] verklaard dat [slachtoffer 4] heel erg moest huilen toen zij vertelde over wat verdachte bij haar had gedaan.

De rechtbank ziet niet in waarom [getuige 8] , een zorgverlener, in strijd met de waarheid zou verklaren over de aanwezigheid van verdachte op de kamer van [slachtoffer 4] .

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde verkrachting dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank past in de zaak met parketnummer 18/045579-20 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2019, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018175846 d.d. 19 februari 2020, inhoudend:

Op 9 augustus 2018 hoorde verbalisant in een kindvriendelijke studio de volgende persoon: [slachtoffer 4]

Adres: [straatnaam] , [plaats].

[slachtoffer 4] : Ik ben naar mijn kamer toe gegaan. Ik zou begeleiding later krijgen en toen is ie (de rechtbank begrijpt: verdachte) naar mij toe gekomen, de deur stond open. En toen zei die “mag ik je vogel wel even bekijken, want ik krijg ook een vogel, ik wil wel even zien wat voor vogel jij hebt”. Ik had mijn deur toch open, dus hij komt binnen, hij doet die deur dicht. Dus hij duwt mij tegen de aanrecht aan en uh hij gaat uh, tegen mij aan staan, en hij zegt dat ik hem moet zoenen en zo. En toen had ik hem in eerste instantie had ik hem weg gedrukt een beetje omdat ik dat niet wou. Ik dacht, ik pak maar een uh, ik ga mijn toetje maar eten. Want ik dacht dan hoef ik hem ook niet te zoenen. Dus ik had mijn toetje op. Ging die bij de bank staan, kwam die later weer naar mij toe, drukte hij mij weer tegen de kastje van de aanrecht aan. Toen begon hij mij te zoenen, begon hij mij kusje te geven, ik had hem weer weggeduwd. Hij wou niet luisteren omdat ik hem wegduwde, hij ging steeds aandringen dus toen deed die zijn hand bij mij in de broek en toen zat die aan mijn vagina, toen ging die daar met zijn vinger in en toen ging die daar met zijn vinger bewegen. Daarna wou hij mijn hand pakken, toen moest ik met mijn hand bij zijn broek, en toen had die mijn hand gepakt en bij zijn broek in gedaan en toen heb ik gelijk mijn hand weg getrokken en toen zei die dat ik met hem mee moest komen naar m'n slaapkamer, toen deed die precies hetzelfde weer. En toen kwam begeleiding gelukkig, die belde aan, dus ik deed die deur open. En toen zei de begeleiding tegen [verdachte] “wat doe jij hier? Je mag hier helemaal niet komen, dat weet jij zelf ook wel dat je hier niet komen mag?” “Ja maar ik wou alleen de vogel van [slachtoffer 4] bekijken en nu ga ik weer weg”.

Verbalisant: Dus voordat die zijn vinger in jouw vagina deed, heeft die jou gezoend.

[slachtoffer 4] : Ja en toen heeft die de.. Toen heeft die mijn vinger in mijn vagina gedaan en toen heeft die mij weer gezoend en toen had die gezegd “je moet mee naar je slaapkamer toe” en toen heeft die mij daar op het bed geduwd en toen deed hij weer met mijn vinger in mijn vagina en toen kwam begeleiding aan de deur.

Verbalisant: Oké. Dus twee keer, één keer voordat die je vinger in de vagina deed en één keer erna.

[slachtoffer 4] : één keer erna ja.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 augustus 2018, opgenomen op pagina 94 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 8] :

Ik ben [slachtoffer 4] begeleider van [instelling]. [slachtoffer 4] verblijft in een instelling aan de

[straatnaam] te [plaats].

V: Er is melding gemaakt bij de politie dat er seksueel misbruik zou hebben plaats

gevonden met [slachtoffer 4] . Wat kunt u daarover vertellen?

A: Ik ben naar haar appartement gegaan. Ze deed de deur open. Ik zag [verdachte] binnen staan. We hebben de afspraak dat je geen bezoekers op je appartement mag hebben. Ik was verbaasd, [verdachte] zei meteen dat hij wist dat hij daar niet mocht zijn maar dat hij naar de vogel kwam kijken. Hij begon over dat hij morgen ook een vogel zou krijgen en dat hij misschien de vogelkooi van [slachtoffer 4] over kon nemen. Hij is daarna vertrokken. Ik vroeg [slachtoffer 4] of ze [verdachte] zomaar binnen had gelaten. Ze vertelde dat hij aan de deur kwam en toen zij open deed dat hij zo naar binnen was gelopen. [verdachte] had tegen haar gezegd dat hij verliefd op haar was. [slachtoffer 4] vertelde dat [verdachte] haar om een kus had gevraagd, maar dat ze toen snel een toetje was gaan eten. [verdachte] had tegen haar gezegd dat zij om 21:30 naar zijn appartement moest komen. Dat had hij gezegd toen ze aan de picknicktafel zaten. Hij had zijn sleutels naar haar toegeschoven, die lagen nog op de tafel. Mijn collega [naam 2] heeft later gevraagd van wie die sleutels waren en toen heeft [verdachte] ze terug gepakt. Toen ik bij [slachtoffer 4] was heeft zij gezegde dat ze bang was voor [verdachte] , dat toen hij bij haar was ze aan vroeger moest denken. En dat ze geen nee durft te zeggen. Later gaf [slachtoffer 4] aan dat er nog iets was, maar dat durfde ze niet te vertellen want dan zou [verdachte] boos worden. Ze vertelde dat [verdachte] aan haar had gezeten. Ik vroeg haar waar hij aan had gezeten, hierbij wees ik naar mij hele torso. Ze zei bij mijn kruis. Ik vroeg haar of dat over de kleding was en ze zei nee dat was bij haar broek in. Ze moest toen heel erg huilen en zei dat ze geen nee durfde te zeggen.

Parketnummer 18/177374-20

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft gepleegd in vereniging met anderen.

Verdachte heeft bekend dat hij heeft geslagen, maar ontkent dat hij heeft geschopt. Nu het gaat om openlijke geweldpleging in vereniging is voor een bewezenverklaring niet noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat verdachte degene was die heeft geschopt, maar gelet op de verklaringen van aangevers [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] gaat de rechtbank daar wel van uit. [slachtoffer 8] , [getuige 2] en [getuige 3] behoorden nota bene tot de groep die de hulp van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] inriep en de rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan hun verklaringen.

De rechtbank past in de zaak met parketnummer 18/177374-20 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2020, voor zover inhoudend:

Ik heb op 11 oktober 2019 in Vlagtwedde klappen uitgedeeld. Ik word wel [naam 3] genoemd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 oktober 2019, opgenomen op pagina 4 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019321067 d.d. 4 juni 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :

Op 11 oktober 2019 in Vlagtwedde zag ik ineens een groep mannen op ons afkomen. Ze waren gelijk agressief. Ik werd geslagen en ik zag dat [slachtoffer 7] ook geslagen werd. Ook werd ik geschopt en ik ben even knock-out geweest. Ik bleek gekneusde ribben en een bult op mijn hoofd te hebben.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 oktober 2019, opgenomen op pagina 1 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5] :

Wij, [naam 4] en [naam 5] en ik, zijn daar naartoe gegaan en troffen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] . In Vlagtwedde aan de Spetsebrugweg troffen wij [naam 6] , [naam 7] , [getuige 2] en [getuige 3] . En toen wij daar bij de brug kwamen werden wij ineens ingehaald door de groep en zij blokkeerde ons doorgang. Ik hoorde [naam 7] roepen: "Nu!" en voor dat ik het wist, kwam er een groep op ons af. Ik hoorde een van die man vragen wie ze moesten hebben en [naam 6] wees ons stuk voor stuk aan. [slachtoffer 6] kreeg de eerste klap van een van deze vier personen. Ik heb een klap gekregen van [naam 6] op mijn kin en dat deed heel erg zeer. Ik zag dat de anderen ondertussen ook geslagen en geschopt werden door die onbekende personen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 oktober 2019, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 7] :

Ik, [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [naam 5] troffen [naam 6] , [getuige 2] , [getuige 3] , [naam 7] en Aaron Frans op 11 oktober 2019 in Vlagtwedde. Toen we bij de brug kwamen haalde deze groep ons in en blokkeerde ons de doorgang. Ineens kwamen er volgens mij vier man tevoorschijn en die schreeuwde naar [naam 6] wie het waren en [naam 6] wees ons allemaal aan. Voor dat ik het wist kreeg ik klappen. Ik zag dat [slachtoffer 6] een high kick kreeg en werd neergeslagen. Ik zag nog dat hij trappen kreeg. Ik had ook klappen gekregen en voelde pijn aan mijn hoofd.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 5 november 2019, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

A: Ik zag dat er 3 mannen onder de brug vandaan kwamen die sloegen [slachtoffer 6]

, [slachtoffer 7] en [naam 5] in elkaar.
V: Wie waren deze 3 mannen?
A: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en ene [naam 3] (de rechtbank begrijpt: verdachte).
Ze zijn gebeld door [getuige 3] en ik zag dat ze er op sloegen. Ik zag dat de groep op het moment dat de mannen onder de brug vandaan kwamen uit een spatte. Ze sloegen op de vlucht maar de drie die ik net noemde waren niet snel genoeg weg en kregen enkele vuistslagen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 3] . Ik heb gezien dat ze alle drie klappen uitdeelden. Ik heb gezien dat [naam 3] geschopt heeft, ik dacht dat hij [slachtoffer 6] schopte.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 6 november 2019, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

[naam 3] (de rechtbank begrijpt: verdachte) sloeg [slachtoffer 7] . Toen deze op de grond lag sloeg hij hem nog in het gezicht. Hij sloeg hem vier keer in het gezicht. Ik heb gezien dat [slachtoffer 6] op de grond lag en dat [naam 3] hem schopte in het gezicht.

Ik zag [medeverdachte 2] toen pas aankomen lopen. Ik zag een mes in zijn rechter hand. Hij liet het mes aan mij zien.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 13 november 2019, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Direct als we bij de groep aankomen zegt [naam 6] jullie moeten even blijven staan” en komen er drie man onder de brug uit. Ik herkende [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [naam 3] .

Ik heb gezien dat [naam 6] een klap gaf met zijn vuist richting het hoofd van [naam 5] . [medeverdachte 1] sloeg volgens mij [naam 8] of [slachtoffer 7] . [naam 3] sloeg [slachtoffer 7] en [naam 6] heeft ook nog een keer geslagen tegen [slachtoffer 7] . Ik heb gezien dat [slachtoffer 6] door [naam 3] is geschopt. [slachtoffer 6] wilde weglopen en ik hoorde [naam 6] roepen: "die moet je ook hebben". Ik zag toen dat [naam 3] [slachtoffer 6] een schop in zijn gezicht gaf. Ik zag [slachtoffer 6] naar de grond gaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de volgende feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18-830041-20

hij op 27 september 2019 te Bourtange, in de gemeente Westerwolde, omstreeks 2:50 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, in een woning, gelegen aan de [straatnaam] aldaar, een kistje met geld, te weten 1.072,45 euro, en een hoeveelheid sieraden en een aantal portemonnees en op een besloten erf waarop voornoemde woning staat een personenauto, merk Opel Zafira, kenteken [kenteken] , met bijbehorende autosleutels, toebehorend aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, immers heeft hij, verdachte en/of diens mededaders:

- meermalen tegen het gezicht en op het hoofd en tegen de ribben en elders tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen en gestompt, terwijl die [slachtoffer 1] in bed lag, waardoor die [slachtoffer 1] uit bed op de grond is gevallen en

- tegen de billen van die [slachtoffer 1] geschopt terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en

- die [slachtoffer 1] bij de enkels gepakt en vervolgens over de grond door glasscherven gesleept,

terwijl bovengenoemd feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:

- oogletsel waardoor verminderd zicht is ontstaan en

- een gebroken neusbeen en

- een gebroken jukbeen

ten gevolge heeft gehad.

Parketnummer 18-247078-19

1.

hij op 1 juli 2019 te Wedde, in de gemeente Westerwolde opzettelijk brand heeft gesticht in een caravan op camping [naam camping] , immers heeft hij, verdachte toen aldaar opzettelijk een brandbare stof over het bed in voornoemde caravan gesprenkeld en open vuur in aanraking gebracht met een hoeveelheid lijm bij de meterkast, ten gevolge waarvan voornoemde caravan en een nabijgelegen schuur gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor die nabijgelegen schuur en in die schuur bevindende gereedschappen te duchten was;

2.

hij op 2 oktober 2019, te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, een ander, te weten [slachtoffer 2] , door enige feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten het afstaan van zijn scootersleutel en scooter, door:

- op de voordeur van die [slachtoffer 2] te bonken en daarbij te schreeuwen dat die [slachtoffer 2] de deur open moest doen en

- toen die [slachtoffer 2] de deur niet open deed de woning van die [slachtoffer 2] via de balkondeur binnen te dringen en

- tegen die [slachtoffer 2] te schreeuwen dat hij de scootersleutel moest geven;

3.

hij in de periode van 13 oktober 2019 tot en met 14 oktober 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, een hoeveelheid halsbanden en riemen en muilkorven en clickers, die toebehoorden aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

4.

hij op 28 september 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] in het gezicht te slaan;

5.

hij op 14 oktober 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde, tezamen en in vereniging met een ander een kassalade, die toebehoorde aan [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Parketnummer 18-181934-20

1.

hij op 10 oktober 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde opzettelijk brand heeft gesticht in een pand gelegen aan de [straatnaam] aldaar, immers heeft hij, verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een vlag ten gevolge waarvan voornoemd pand gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor belendende panden te duchten was;

2

hij op 10 oktober 2019 te Vlagtwedde, in de gemeente Westerwolde tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van een voordeur van een woning, gelegen aan de [straatnaam] , die aan [benadeelde partij 3] toebehoorde, heeft vernield.

Parketnummer 18/045579-20, primair

hij op 8 juli 2018 te Sappemeer, in de gemeente Midden-Groningen door een feitelijkheid [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4] , te weten:

- het brengen van zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 4] en

- het op de mond zoenen van die [slachtoffer 4]

en bestaande die feitelijkheid uit:

- het duwen tegen het aanrecht van die [slachtoffer 4] en vervolgens onverhoeds zoenen en brengen van zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 4] en

- het tegen die [slachtoffer 4] zeggen: “Je moet mee naar de slaapkamer" en/of vervolgens het op bed duwen van die [slachtoffer 4] en het nogmaals brengen van zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 4] en

- het doorgaan met het plegen van voornoemde handelingen, terwijl die [slachtoffer 4] hem, verdachte, meermalen heeft weggeduwd.

Parketnummer 18-177374-20

hij op 11 oktober 2019 te Vlagtwedde, althans in de gemeente Westerwolde, althans in Nederland, openlijk, te weten, op of aan de Spetsebrugweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging,

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] door:

[slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of dreigend met een mes op die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] af te lopen en/of een mes te tonen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18-830041-20

primair Diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Parketnummer 18-247078-19

1. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

2. primair Een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen

3. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

4. Mishandeling.

5. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Parketnummer 18/181934-20

1. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

2. Medeplegen van vernieling.

Parketnummer 18-045579-20

primair Verkrachting.

Parketnummer 18/177374-20

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering straf en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging. Ondanks dat dit niet wordt geadviseerd door de deskundigen die over verdachte hebben gerapporteerd, is er voldaan aan alle criteria voor oplegging van die maatregel en volgens de officier van justitie biedt enkel de maatregel van TBS met dwangverpleging op lange termijn voldoende bescherming voor de maatschappij.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren in combinatie met de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: de GBM). Zij hebben zich aangesloten bij de conclusies en het advies uit de over verdachte opgemaakte rapportages. Zij hebben erop gewezen dat vrijheidsbeneming niet het enige doel van de TBS-maatregel mag zijn. Het zou moeten gaan om vermindering van het recidiverisico en daarvoor biedt de GBM blijkens de rapportages de beste kans.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de psychiatrische rapportage d.d. 19 juni 2020, de psychologische rapportage d.d. 17 juni 2020, het trajectconsult d.d. 5 november 2019, het reclasseringsadvies d.d. 6 augustus 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 augustus 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, die hiermee zijn afgedaan. Deze feiten zien op vier brandstofdiefstallen.

Ernst van de feiten

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een korte periode van drie maanden tijd schuldig gemaakt aan een veelvoud van strafbare feiten, te weten een gewelddadige woningoverval een tweetal brandstichtingen , een tweetal inbraken, een vernieling, een mishandeling, een openlijke geweldpleging in vereniging, vier diefstallen en dwang. Bovendien heeft hij zich schuldig gemaakt aan een verkrachting, een jaar eerder.

De woningoverval vond plaats midden in de nacht. Verdachte ging met twee medeverdachten naar de woning van een kwetsbare oudere man, waar volgens een van de medeverdachten makkelijk geld te halen zou zijn. Verdachte klom de woning in via het slaapkamerraam en heeft vervolgens fors geweld uitgeoefend op het slachtoffer dat - gelet op zijn medische toestand - compleet weerloos in bed lag. Verdachte gaf diverse vuistslagen in het gezicht van het slachtoffer en schopte het slachtoffer nadat hij uit bed gevallen was. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer door glasscherven versleept waarna hij zijn mededaders heeft binnengelaten. Zonder zich ook maar een seconde om het slachtoffer te bekommeren, hebben verdachte en zijn medeverdachten hem in hulpeloze toestand achtergelaten, terwijl ze zijn geld, sieraden en auto meenamen.

Verdachte heeft zich compleet laten leiden door zijn eigen financiële gewin en heeft het slachtoffer verschrikkelijk toegetakeld met alle gevolgen van dien. Uit de stukken en uit de uitoefening van het spreekrecht ter zitting blijkt dat de impact van het voorval op het slachtoffer enorm is, zowel fysiek als mentaal. Het slachtoffer liep oogletsel en botbreuken in zijn gezicht op, en heeft zelfs na diverse operaties nog maar 25% zicht met zijn rechteroog. Hij is zijn hobby’s en zelfstandigheid kwijtgeraakt en voelt zich niet meer veilig in zijn eigen woning. Het slachtoffer is dusdanig beperkt geraakt in zijn dagelijkse leven dat hij gaat verhuizen naar een mantelzorgwoning op zijn eigen terrein, terwijl zijn dochter naar zijn woning verhuist om voor hem te kunnen zorgen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich de dag na de overval alweer schuldig heeft gemaakt aan opnieuw een geweldsdelict, te weten de mishandeling van [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] werd in zijn eigen kamer, onder de ogen van twee begeleiders, uit het niets geslagen door verdachte, die naar eigen zeggen geleend geld kwam terughalen bij [slachtoffer 3] . Enkele dagen later is verdachte op agressieve wijze de woning van aangever [slachtoffer 2] binnengedrongen, waarna hij heeft deze [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van zijn scootersleutels. Twee weken na de gewelddadige overval op [slachtoffer 1] , heeft verdachte zich met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , wederom schuldig gemaakt aan een geweldsdelict, toen zij een groep jongeren in Vlagtwedde hebben op straat hebben aangevallen en mishandeld. Het gaat hier telkens om agressieve, gewelddadige feiten, die blijkens de getuigenverklaringen veel angst hebben veroorzaakt en grote impact hebben gehad op de slachtoffers.

Verdachte heeft in diezelfde periode bovendien twee inbraken gepleegd en heeft in het tijdsbestek van ruim een week maar liefst vier keer brandstof getankt zonder te betalen. Daarnaast heeft hij twee keer brand gesticht: in een caravan en in een woning. Verdachte stichtte de brand in de caravan omdat hij aanspraak meende te kunnen maken op een deel van het eventueel uit te keren verzekeringsgeld. De brand in de woning stichtte hij omdat hij boos was op de bewoner. Dat deze brand in de woning niet is overgeslagen naar de andere woningen in het complex, is louter te danken aan het snelle optreden van de brandweer. Beide branden hebben forse schade veroorzaakt. Ook brengen brandstichtingen doorgaans gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Wat langer geleden heeft verdachte zich ten slotte schuldig gemaakt aan verkrachting in de instelling waar hij destijds verbleef. Het slachtoffer was een kwetsbare medebewoonster. Verdachte gebruikte een smoes om haar kamer in te mogen, waarna hij haar tegen het aanrecht duwde, zoende en met zijn vinger haar vagina binnen ging. Het slachtoffer was overrompeld en bang en wist niet hoe ze de situatie moest beëindigen.

Verdachte heeft op uitermate nare wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het kwetsbare slachtoffer. Er was sprake van een voor het slachtoffer beangstigende situatie die nota bene plaatsvond op haar eigen kamer, waar ze zich bij uitstek veilig had moeten voelen.

Uit de aard van de strafbare feiten blijkt dat verdachte alleen zijn eigen (financiële) belang voorop zet en zich niets aantrekt van de impact van zijn - vaak agressieve - handelen op anderen. Dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee, evenals zijn omvangrijke strafblad. Verdachte is in het verleden herhaaldelijk veroordeeld voor het plegen van - met name - vermogensdelicten. In 2015 is aan hem de maatregel TBS met voorwaarden opgelegd. Ten tijde van het plegen van onderhavige feiten liep hij nog in een proeftijd.

De over verdachte opgemaakte deskundigenrapportages

Wat betreft de persoon en de strafbaarheid van verdachte neemt de rechtbank onder meer in ogenschouw de bevindingen en conclusies van het Pro Justitia rapport van psychiater drs. K.N. Broek d.d. 19 juni 2020 en het Pro Justitia rapport van psycholoog drs. M. van Tongeren d.d. 17 juni 2020, dat is opgemaakt naar aanleiding van de woningoverval, brandstichting, de inbraken en de diefstallen. De rapportages houden onder meer in dat bij verdachte sprake is van psychische stoornis in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, zwakbegaafdheid, een matige stoornis in het gebruik van cannabis en een trauma- of stress gerelateerde stoornis op basis van het overlijden van zijn broer. De deskundigen concluderen dat deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van de feiten (parketnummers 18/830041-20 en 18/247078-19) waarop de opgemaakte rapportages zagen. Desondanks adviseren zij om de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen. De deskundigen geven in dit verband aan dat het gaat om welbewust uit financieel gewin geplande feiten, waarvan verdachte mede gelet op zijn eerdere veroordelingen, wist dat het niet mocht.

Bij de woningoverval had verdachte diverse keuzemomenten om anders te handelen. Vanuit het onderzoek is geen deugdelijke verklaring te geven voor het extreme geweld dat is toegepast. De deskundigen geven aan dat het mogelijk is dat verdachte uit een schrikreactie is overgegaan tot het plegen van buitensporig geweld tegen het slachtoffer.

De rechtbank kan de conclusies van de deskundigen met betrekking tot de toerekenbaarheid van verdachte volgen. Temeer nu beide rapporteurs het daarover eens zijn, ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om - tegen de onderbouwde visie van de deskundigen in - toch uit te gaan van een verband tussen de stoornissen van verdachte en de door hem gepleegde delicten. De rechtbank acht verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar voor alle bewezen verklaarde feiten, en is van oordeel dat ook ten aanzien van de feiten die niet in de deskundigenrapportages zijn betrokken geldt dat verdachte zich bewust is geweest van de ongeoorloofdheid van zijn gedrag en dat hij desondanks de keuze heeft gemaakt strafbaar te handelen.

De deskundigen schatten het recidiverisico op het gebied van vermogensdelicten hoog in, zowel op de korte als de lange termijn. De deskundigen schatten het recidiverisico op geweldsfeiten in als laag, maar sluiten niet uit dat verdachte onder bepaalde omstandigheden toch fysiek agressief kan worden. Ter terechtzitting heeft de psycholoog aangegeven dat de bekendwording met twee andere geweldsfeiten (de mishandeling en openlijke geweldpleging) niet zonder meer tot een andere conclusie leidt. Daarvoor zou nadere risicotaxatie nodig zijn, maar het is mogelijk dat het recidiverisico op geweldsdelicten op langere termijn hoger dan uitvalt dan eerder ingeschat.

Om de recidiverisico’s te beperken, adviseren de deskundigen om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GBM) ex artikel 38z Sr aan verdachte op te leggen. Ook de reclassering komt tot dit advies. Met de GBM kan verdachte na een gevangenisstraf ook in een forensisch kader worden ondersteund voor langere tijd. Daarbij kan ingestoken worden op beschermende factoren zoals wonen, dagbesteding en een netwerk. Ook behoort een agressieregulatie-training tot de mogelijkheden. Oplegging van de TBS-maatregel met voorwaarden achten de deskundigen niet aangewezen omdat dat dit minder behandelmogelijkheden biedt. Verdachte functioneert niet goed in groepen en werd door in het verleden betrokken hulpverleners omschreven als een solist, wat verband kan houden met zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis. Van een adequate begeleiding in het kader van de GBM wordt meer verwacht. Volgens de reclassering is de GBM de enige manier om bij verdachte te komen tot gedragsverandering. De maatregel van TBS met dwangverpleging is door de deskundigen in het geheel niet genoemd.

Overwegingen rechtbank met betrekking tot de straf/maatregel

Alleen al gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde woningoverval, verkrachting en brandstichtingen volgt dat uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstaf.

Volgens de oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor een woningoverval met (meer dan licht) geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Als uitgangspunt voor een verkrachting geldt 24 maanden gevangenisstraf en als uitgangspunt voor bedrijfsinbraken (bij recidive, waarvan sprake is) een gevangenisstraf van 10 weken.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden.

Daarnaast zal de rechtbank conform het advies van de deskundigen de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opleggen. Zo kan verdachte gedurende een mogelijk langere periode na zijn detentie en voorwaardelijke invrijheidstelling gemonitord worden en worden verplicht om mee te werken aan behandeling of begeleiding als dat nodig wordt geacht om het recidiverisico te beperken - en daarmee de maatschappij te beschermen tegen verdachte.

De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de detentie en voorwaardelijke invrijheidstelling plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van deze maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door de officier van justitie geëiste maatregel van TBS met dwangverpleging aan verdachte op te leggen. De rechtbank acht het van belang - in het kader van de beveiliging van de maatschappij - dat het recidivegevaar wordt verminderd en de deskundigen achten de kans op recidivevermindering het grootst bij begeleiding buiten het kader van de TBS in het kader van de GBM.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 5.079,55 ter vergoeding van materiële schade en

€ 3.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

2. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 540,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

3. [benadeelde partij 4] , tot een bedrag van € 68,39 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
4. [benadeelde partij 5] , tot een bedrag van € 172,08 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

1. Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de volledige toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Mr. Grijmans heeft met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] toewijzing van de vordering bepleit met uitzondering van de gevorderde kosten voor de beveiliging van de woning van [slachtoffer 1] , nu het causale verband met het ten laste gelegde ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde kosten voor het beveiligen van de woning van de benadeelde partij dat deze kosten blijkens de toelichting zijn gemaakt omdat de benadeelde partij sinds het bewezen verklaarde feit bang is in zijn eigen woning. Zonder de beveiliging durft hij niet meer thuis te slapen. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat het rechtstreekse verband met deze gevorderde schade is gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/830041-20 primair bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 september 2019.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. Benadeelde partij [slachtoffer 3]

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] aangevoerd dat [slachtoffer 3] weliswaar geen bedrag op het formulier heeft ingevuld, maar dat zij zijn immateriële schade ten gevolge van de mishandeling schat op € 200,00 en dat zij vordert dat dit bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Mr. Slinkman heeft aangevoerd dat er geen bedrag is gevorderd door [slachtoffer 3] en dat de benadeelde partij derhalve niet ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 3] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans niet is komen vast te staan dat de materiële schade waarvan vergoeding wordt gevorderd (laptop, Samsung smartphone, Gucci nektasje en ID-kaart) ook maar enig rechtstreeks verband houdt met het onder parketnummer 18/247078-19 onder 4 bewezen verklaarde feit en de vordering ook overigens niet voldoende is onderbouwd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een bedrag aan immateriële schade toe te wijzen nu dit niet is gevorderd.

3. [benadeelde partij 4]

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering wordt verklaard, nu er geen machtiging is toegevoegd waaruit blijkt dat de indiener van de vordering bevoegd is om de benadeelde partij [benadeelde partij 4] te vertegenwoordigen.

Standpunt van de verdediging

Mr. Slinkman heeft zich aangesloten bij de standpunt van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de indiener van de vordering namens [benadeelde partij 4] , [naam 1] , eveneens de aangifte van de brandstofdiefstal heeft gedaan. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [naam 1] (ook) bevoegd is om een vordering in te dienen namens benadeelde partij [benadeelde partij 4] De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/247078-19 door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 september 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

4. [benadeelde partij 5]

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 72,08 (voor gestolen benzine) kan worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2019.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade tot dit bedrag heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/247078-19 door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit.

De overige gevorderde € 100,00 aan “camera- en onderzoekskosten” zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 8 december 2016 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 15 januari 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de in de zaak met parketnummer 18/247078-19 bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38z, 47, 57, 141, 157, 242, 284, 300, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-247078-19 onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/181934-20 onder 1 en 2 ten laste gelegde,

het in de zaak met parketnummer 18-045579-20 primair ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/177374-20 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18-830041-20 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt veroordeelde tevens op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking (artikel 38z Sr).

Ten aanzien van 18/830041-20:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 8.579,55 (zegge: achtduizendvijfhonderdnegenenzeventig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 8.579,55 (zegge: achtduizendvijfhonderdnegenenzeventig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 77 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 5.079,55 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/247078-19, feit 4:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van 18/247078-19, ad info:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 68,39 (zegge: achtenzestig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2019.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] , te betalen een bedrag van € 68,39 (zegge: achtenzestig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van een dag worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/247078-19, ad info:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 72,08 (zegge: tweeënzeventig euro en acht eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2019.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5] , te betalen een bedrag van € 72,08 (zegge: tweeënzeventig euro en acht eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van een dag wordt toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/930180-16:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 8 december 2016, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 september 2020.

Mrs. Van Capelle en Spooren zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0267.

2 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.