Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3281

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
18/105638-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ontucht wegens onvoldoende steunbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/105638-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 september 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1966 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

1 september 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.
hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 19 tot en met 25 juli 2010 te [pleegplaats 1] , in de gemeente Stadskanaal en/of (elders) in het arrondissement Groningen, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1996, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit
- het betasten en/of wrijven, althans aanraken, van de (blote) huid van haar buik en/of benen (nadat zij bij hem, verdachte, op schoot moest plaatsnemen, althans was gaan zitten)
- het haar op de mond zoenen/kussen, en/of
- (nadat hij, verdachte, haar t-shirt en/of BH omhoog had gedaan) het betasten, althans aanraken, en/of knijpen van/in haar borsten
terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 19 tot en met 25 juli 2010 te [pleegplaats 1] , in de gemeente Stadskanaal en/of (elders) in het arrondissement Groningen, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1996, door
- het betasten en/of wrijven, althans aanraken, van de (blote) huid van haar buik en/of benen (nadat zij bij hem, verdachte, op schoot moest plaatsnemen, althans was gaan zitten)
- het haar op de mond zoenen/kussen, en/of
- (nadat hij, verdachte, haar t-shirt en/of BH omhoog had gedaan) het betasten, althans aanraken, en/of knijpen van/in haar borsten;
2.
hij in of omstreeks de periode van augustus tot en met oktober 2010 te [pleegplaats 2] , met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1996), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte
- die [slachtoffer] uitgekleed en/of laten uitkleden en/of op (een) bed laten gaan liggen en/of haar vagina gewassen en/of (vervolgens) met zijn tong in en/of aan haar vagina gelikt, en/of
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze haar mond moest open doen en/of (vervolgens) zijn penis haar mond heeft geduwd/gestopt en/of heen en weer bewogen, en/of (vervolgens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 1 primair. Hij heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 subsidiair en feit 2 tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De aangifte van [slachtoffer] is als betrouwbaar aan te merken. Deze verklaring is concreet en gedetailleerd en komt op veel punten overeen met de verklaring van verdachte. De ontkennende verklaring van verdachte roept daarentegen veel vragen op en is ongeloofwaardig. Er is sprake van voldoende steunbewijs ten aanzien van beide feiten, gelet op de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het door verdachte ingebrachte MSN-bericht waarin verdachte tegen aangeefster zegt dat zij hoog scoort op uiterlijk. Daarnaast ondersteunt de verklaring van verdachte de aangifte in die zin, dat hij heeft verklaard dat hij een arm om haar middel heeft gedaan tijdens de autorit om haar vast te houden en dat het zou kunnen dat het shirt van aangeefster daarbij omhoog kwam.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe (samengevat) aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en niet bruikbaar voor het bewijs, gelet op de discrepanties en onjuistheden in deze verklaringen. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende steunbewijs is, omdat de getuigenverklaringen allemaal zijn terug te voeren op hetgeen aangeefster hen heeft verteld.

Oordeel van de rechtbank

Op 28 september 2017 heeft bij de politie een zogeheten ‘informatief gesprek zeden’ plaatsgevonden met [slachtoffer] . Zij heeft in dit gesprek verklaard dat verdachte in 2010, toen zij 14 jaar was, bij haar op meerdere momenten ontuchtige handelingen heeft gepleegd. In juli 2010 heeft [slachtoffer] met vriendinnen enkele dagen gekampeerd in de tuin van verdachte, een oom van een van de vriendinnen, en diens partner in [pleegplaats 1] . [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte tijdens deze week onder meer haar blote buik en benen heeft betast, terwijl zij op de schoot van verdachte een ritje in zijn sportwagen heeft gemaakt. Verdachte zou haar op dat moment en op andere momenten op haar mond hebben gekust/gezoend. Daarnaast zou verdachte in het gastenverblijf haar blote borsten hebben betast. [slachtoffer] heeft verklaard dat na deze logeerweek een ontmoeting tussen haar en verdachte heeft plaatsgevonden in Roosendaal. Zij zou met verdachte in diens auto naar zijn hotelkamer in [pleegplaats 2] zijn gegaan, waar de onder 2 ten laste gelegde ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden die (mede) seksueel binnendringen omvatten. Op 22 oktober 2017 heeft [slachtoffer] hiervan aangifte gedaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting en bij de politie ontkend dat hij de ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

De rechtbank stelt voorop dat volgens het tweede lid van art. 342 van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (vergelijk Hoge Raad 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2049).

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of naast de verklaringen van aangeefster in het onderhavig procesdossier, waarin de verklaringen van aangeefster en verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan, ondersteunende bewijsmiddelen aanwezig zijn die redengevend zijn voor het ten laste gelegde en voldoende inhoudelijk verband hebben met de verklaringen van aangeefster. De rechtbank hecht er aan op te merken dat de verklaring van aangeefster op zichzelf consistent is en geen evidente ongerijmdheden bevat.

Uit het dossier blijkt dat twee getuigen van aangeefster hebben gehoord wat haar zou zijn overkomen. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster haar ongeveer een half jaar na de logeerweek in [pleegplaats 1] heeft verteld dat verdachte aangeefster had meegenomen naar een hotel en vervolgens heeft verkracht. Aangeefster was overstuur en zij moest huilen toen zij dit vertelde. Getuige [getuige 2] , de partner van aangeefster ten tijde van de aangifte, heeft verklaard dat hij sinds november 2016 een relatie heeft met aangeefster en dat zij meerdere malen heeft verteld over de ontuchtige handelingen die verdachte zou hebben verricht in [pleegplaats 1] en [pleegplaats 2] . Daarnaast spreekt getuige [getuige 2] over ‘ongewoon gedrag’ van aangeefster tijdens het vrijen: zij verstijfde soms en zij werd soms emotioneel. Aangeefster zou tegen getuige [getuige 2] hebben gezegd dat dit te maken had met het misbruik door verdachte.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van zowel getuige [getuige 1] als getuige [getuige 2] over de ten laste gelegde handelingen zogenaamde de auditu-verklaringen zijn. Nu deze verklaringen afkomstig zijn van een en dezelfde bron, te weten aangeefster, kunnen zij enkel de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster ondersteunen en in dit verband niet als voldoende ondersteunend bewijsmiddel voor de ten laste gelegde handelingen worden gebruikt. De emoties die getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben waargenomen bij aangeefster bieden evenmin voldoende steun voor de ten laste gelegde ontuchtige handelingen. Nu deze emoties pas zes maanden respectievelijk enkele jaren na de pleegperiodes van de ten laste gelegde feiten zijn waargenomen, houden zij onvoldoende verband met de handelingen als zodanig.

Anders dan wat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard over de vermeende ontuchtige handelingen, waarover aangeefster hen heeft verteld, bevat het dossier geen concrete aanknopingspunten die duiden op een verdergaande relatie tussen verdachte en aangeefster dan verdachte heeft gesteld. Hoewel de rechtbank vaststelt dat uit diverse verklaringen volgt dat verdachte zich vrijpostig zou hebben gedragen, ook in het bijzijn van anderen, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen in een te ver verwijderd verband staan tot de ten laste gelegde gedragingen.

De MSN- en e-mailberichten die door verdachte aan het dossier zijn toegevoegd, acht de rechtbank voor meerderlei uitleg vatbaar. Uit deze berichten blijkt dat ook aangeefster contact zoekt met verdachte en dat over verliefdheid bij aangeefster wordt gesproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze berichten onvoldoende steun geven aan het ten laste gelegde. Dat geldt evenzeer voor het feit dat verdachte heeft erkend dat aangeefster op een zeker moment bij hem op een hotelkamer is geweest. Zijn verklaring over de aanleiding daarvoor en wat daar vervolgens is gebeurd staat ook in dit geval lijnrecht tegenover de verklaring van aangeefster, zonder dat het dossier aanwijzingen bevat die de ene of de andere lezing ondersteunen.

Ook de overige inhoud van het dossier biedt onvoldoende concreet steunbewijs om, gelezen in samenhang met de aangifte, tot het wettig en overtuigend bewijs te komen van het ten laste gelegde.

Gelet op het voorgaande zal verdachte worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 15.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijkheid dient te volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van feiten 1 en 2:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Timmermans, voorzitter, mr. J. Edgar en

mr. J. van Bruggen, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 september 2020.