Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3239

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
18/950068-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft verdachte veroordeeld voor doodslag op zijn destijds driejarige zoon. Daarnaast is verdachte veroordeeld voor onttrekking van zijn zoon aan het bevoegde opzicht en voor belaging van zijn ex-partner.

De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren opgelegd, alsmede een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. Voorts is een vordering tot schadevergoeding deels toegewezen.

Verdachte heeft zijn zoontje, zonder redelijk doel en in strijd met de geldende omgangsregeling, zonder hem vast te houden naar een donkere steile heling naast een kanaal gebracht. Nadat het kind door een zwaaiende beweging van verdachte in het koude water is geraakt, heeft verdachte nagelaten om tijdig noodzakelijke en adequate hulp te verlenen en in te roepen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 279
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0654
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950068-19

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/930043-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 september 2020 in de zaken van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

thans gedetineerd in [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 maart 2020, 28 mei 2020, 2 juli 2020, 24 augustus 2020 en 15 september 2020 (sluiting van het onderzoek).

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans-de Boer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd

in de zaak met parketnummer 18/950068-19, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 december 2019 tot en met 31 december 2019 te Taarlo, gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, opzettelijk (zijn driejarige zoon) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet op 18 december 2019

- die [slachtoffer 1], na het invallen van de duisternis, zonder redelijk doel en/of in strijd met de geldende omgangsregeling naar een afgelegen plek gebracht, en/of

- die [slachtoffer 1], terwijl hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] niet kon zwemmen, meegenomen op/naar een onverlichte en steile helling, gelegen naast het Noord-Willemskanaal, en/of

- die [slachtoffer 1] (aldaar) niet, althans onvoldoende, vast gehouden en/of steun geboden, en/of een (zwaaiende) beweging gemaakt waardoor die [slachtoffer 1] in het koude (ongeveer 5,5 graden Celcius) water van het Noord-Willemskanaal terecht is gekomen, althans onvoldoende gedaan om te voorkomen dat die [slachtoffer 1] in het koude (ongeveer 5,5 graden Celcius) water van het Noord-Willemskanaal terecht is gekomen, en/of

- in de periode (van tenminste 30 minuten) dat die [slachtoffer 1] in het water lag en van hem, verdachte, afhankelijk was, nagelaten om (tijdig) noodzakelijke en/of adequate hulp te verlenen en/of in te roepen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op 31 december 2019 is overleden;

artikel 287 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 december 2019, te Taarlo, gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, opzettelijk een persoon, te weten (zijn driejarige zoon) [slachtoffer 1], tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door

- die [slachtoffer 1] na het invallen van de duisternis, zonder redelijk doel en/of in strijd met de geldende omgangsregeling naar een afgelegen plek te brengen, en/of

- die [slachtoffer 1], terwijl hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] niet kon zwemmen, mee te nemen op/naar een onverlichte en steile helling, gelegen naast het Noord-Willemskanaal, en/of

- die [slachtoffer 1] (aldaar) niet, althans onvoldoende, vast te houden en/of steun te bieden, en/of een (zwaaiende) beweging te maken waardoor die [slachtoffer 1] in het koude (ongeveer 5,5 graden Celcius) water van het Noord-Willemskanaal terecht is gekomen, althans onvoldoende te doen om te voorkomen dat die [slachtoffer 1] in het koude (ongeveer 5,5 graden Celcius) water van het Noord-Willemskanaal terecht is gekomen, en/of

- in de periode (van tenminste 30 minuten) dat die [slachtoffer 1] in het water lag en van hem, verdachte, afhankelijk was, na te laten om (tijdig) noodzakelijke en/of adequate hulp te verlenen en/of in te roepen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op 31 december 2019 is overleden;

art 255 Wetboek van Strafrecht

art 257 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 december 2019, te Taarlo, gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

- ( zijn driejarige zoon) [slachtoffer 1] na het invallen van de duisternis, zonder redelijk doel en/of in strijd met de geldende omgangsregeling naar een afgelegen plek heeft gebracht, en/of

- die [slachtoffer 1], terwijl hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] niet kon zwemmen, heeft meegenomen op/naar een onverlichte en steile helling, gelegen naast het Noord-Willemskanaal, en/of

- die [slachtoffer 1] (aldaar) niet, althans onvoldoende, heeft vast gehouden en/of steun heeft geboden en/of een (zwaaiende) beweging heeft gemaakt waardoor die [slachtoffer 1] in het koude (ongeveer 5,5 graden Celcius) water van het Noord-Willemskanaal terecht is gekomen, althans onvoldoende heeft gedaan om te voorkomen dat die [slachtoffer 1] in het koude (ongeveer 5,5 graden Celcius) water van het Noord-Willemskanaal terecht is gekomen, en/of

- in de periode (van tenminste 30 minuten) dat die [slachtoffer 1] in het water lag en van hem, verdachte, afhankelijk was, heeft nagelaten om (tijdig) noodzakelijke en/of adequate hulp te verlenen en/of in te roepen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer 1] zodanig letsel, te weten uitgebreide vochtophoping in de hersenen en longen, uitgebreide hersenschade door zuurstoftekort en/of een bloeding in de hersenen heeft bekomen, dat deze op 31 december 2019 aan de gevolgen daarvan (te weten de verwikkelingen van te water geraken) is overleden;

artikel 307 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 18 december 2019, te Taarlo, gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten (zijn driejarige zoon) [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2016, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;

artikel 279 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht

en in de zaak met parketnummer 18/930043-20 dat:

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 25 april

2019 tot en met 31 oktober 2019, te Utrecht, althans in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders

persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2], door:

- via (de omschrijving bij) bankoverschrijvingen (alimentatieoverboekingen)

teksten naar die [slachtoffer 2] te sturen,

(terwijl hij wist dat die [slachtoffer 2] hier niet van gediend was gezien de door

haar gedane eerdere aangifte en/of gezien verdachtes eerdere veroordeling ter

zake van belaging van die [slachtoffer 2]),

met het oogmerk die [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en/of vrees aan te jagen;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde:

- in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 1 primair en 2;

- in de zaak met parketnummer 18/930043-20.

Zij heeft daartoe aangevoerd -kort weergegeven-:

- in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 1 primair (doodslag op zijn zoon [slachtoffer 1]), dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft door zijn handelen zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke of de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat een bepaald gevolg -in dit geval de dood van [slachtoffer 1]- zou intreden;

- in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 2 (onttrekking [slachtoffer 1] aan het wettig gezag), dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan onttrekking van [slachtoffer 1] aan het wettig gezag door hem niet terug te brengen op het in de omgangsregeling afgesproken tijdstip;

- in de zaak met parketnummer 18/930043-20 (belaging), dat verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2]. De door verdachte geschreven teksten bij de alimentatieoverboekingen die zij moest dulden, hebben een grote intensiteit en impact op haar persoonlijke levenssfeer gehad. Er is derhalve sprake van stalking.

Standpunt van de verdediging

Vrijspraken

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde:

- in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 1 primair en subsidiair en 2;

- in de zaak met parketnummer 18/930043-20.

Zij heeft daartoe aangevoerd -kort weergegeven-:

- in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 1 primair (doodslag op [slachtoffer 1]), dat er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1]. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich daadwerkelijk bewust is geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] in het water zou vallen. Als dat al op enig moment door zijn hoofd geschoten is (bijvoorbeeld toen ze in het zand stonden en daadwerkelijk begonnen weg te glijden), was het al te laat om daar iets tegen te doen en heeft hij die kans dan ook zeker niet bewust aanvaard. Van belang is dat, als toch aangenomen wordt dat hij zich bewust is geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] in het water zou vallen en die kans aanvaard heeft, hij daarmee nog niet de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat [slachtoffer 1] daardoor zou komen te overlijden. Daarom was er geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm en dient hij van de primair ten laste gelegde doodslag vrijgesproken te worden;

- in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 1 subsidiair (het in hulpeloze toestand brengen en/of laten van [slachtoffer 1]), dat verdachte geen opzet heeft gehad voor het in hulpeloze toestand brengen en/of laten van [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan hij is overleden. Daarbij kan uit de rapportage van professor Daanen, met betrekking tot de lichaamstemperatuur van [slachtoffer 1], niet worden geconcludeerd dat verdachte onnodig veel tijd verloren heeft laten gaan voordat hij de adequate hulp van 112 heeft ingeroepen;

- in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 2 (onttrekking [slachtoffer 1] aan het wettig gezag), dat verdachte weliswaar [slachtoffer 1] heeft onttrokken aan het gezag door hem niet tijdig terug te brengen, maar dat dat niet opzettelijk is gebeurd. Verdachte is in een file terechtgekomen. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken, dan wel in verband met overmacht te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Veroordeling

De raadsvrouw heeft in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 1 meer subsidiair (dood door schuld) geconcludeerd dat verdachte kan worden veroordeeld voor dood door schuld in de zin van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid. Hij dient echter te worden vrijgesproken voor roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm.

Oordeel van de rechtbank

Oordeel rechtbank in de zaak met parketnummer 18/950068-19

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1, die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

autorit verdachte en zoon [slachtoffer 1] tijdens contact in kader omgangsregeling

Het ouderlijk gezag over [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1]), geboren op [geboortedatum] 2016, werd uitgeoefend door zijn ouders (verdachte en verdachtes ex-echtgenote, [slachtoffer 2]). [slachtoffer 1] woonde bij zijn moeder. Bij beschikking van 9 mei 2019 was [slachtoffer 1] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland.2 Verdachte mocht zijn zoon op 18 december 2019, in het kader van de omgangsregeling, acht uur (onbegeleid) bij zich hebben en moest hem om 16:45 uur weer terugbrengen (bij het Buurtteam) in Utrecht, waarna de met het opzicht belaste moeder, [slachtoffer 1] om 17:00 uur zou ophalen.3

Verdachte is met [slachtoffer 1] die dag, 18 december 2019, met zijn auto vertrokken vanuit Utrecht richting Assen. De auto van verdachte reed om 13:05 uur4 langs de A-28 bij Amersfoort Noord in de richting van Assen. Om 17:00 uur bleek dat verdachte [slachtoffer 1] niet had teruggebracht.5

tijdstippen en route (auto) verdachte langs Noord-Willemskanaal

Uit de netwerkgegevens blijkt dat de telefoon van verdachte om 16:01 uur een zendmast van het GSM-netwerk te Hooghalen heeft aangestraald.6 Uit camerabeelden blijkt dat de auto van verdachte om 17:05:38 uur de Oude Molensebrug in de richting van Tynaarlo passeert.7 Dit betreft een autorit (vanuit de richting Assen) langs de oostkant van het Noord-Willemskanaal richting het noorden. Op een gegeven moment - 0,57 kilometer na het viaduct over het kanaal - houdt het pad aan de oostkant van het Noord-Willemskanaal op.8 Verdachte noemt dit punt, waar het pad ophoudt, “het einde van de wereld”.

Uit een “berekening gereden route”9 komt naar voren dat als verdachte, na zijn passage van de Oudemolensebrug, rijrichting noord, om 17:05:38 uur, met dezelfde snelheid is doorgereden naar - zoals hij heeft verklaard - “het einde van de wereld”, hij aldaar omstreeks 17:08:22 uur zal zijn aangekomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf “het einde van de wereld” (weer een stukje terug) naar (onder) het viaduct over het kanaal is gereden. Uitgaande van de laagst vastgestelde snelheid heeft verdachte over het rijden van dit stuk 1 minuut en 7 seconden gedaan. De start van het gesprek van verdachte met de meldkamer was om 17:31 uur. Uit al het voorgaande volgt dat verdachte in totaal ongeveer 21 minuten heeft gehad voor de handelingen bij “het einde van de wereld” en onder het viaduct.

Op 18 december 2019 omstreeks 17:31 uur komt de mobiele melding10 van verdachte bij 112 Driebergen binnen. Verdachte meldt zich met: “Hallo met [verdachte] uhh in Assen het is zo fucking koud en uhhh mijn zoon is in het water gevallen.” Op de vraag “En waar in Assen?”, antwoordt verdachte “Eh aan het kanaal bij een viaduct.” Op de vervolgvraag “Ja weet je ook hoe dat kanaal heet?” antwoordt verdachte “Nee vlakbij de Asser roeiclub, dan uhhh richting Vries ga je naar een uhhh.” Om 17:33:58 uur geeft de centralist aan dat “alles onderweg is”.

Op 18 december 2019 komt omstreeks 17:49 uur de politie ter plaatse, waarna [slachtoffer 1] uit het water van het Noord-Willemskanaal wordt gehaald. Hij wordt gereanimeerd en vervolgens op een brancard naar een ambulance gebracht.11

Door ter plaatse aanwezig ambulancepersoneel wordt in de ambulance vastgesteld dat [slachtoffer 1] klinisch dood is en dat zijn gemeten temperatuur 23,2 graden Celsius is.12

Uit het verslag van de deskundige prof. dr. H. Daanen13 blijkt als conclusie dat het vermoedelijke tijdstip van te-water-raking van [slachtoffer 1] op 18 december 2019 het tijdstip 17:06 uur is met een 95% betrouwbaarheidsinterval van 16:56 tot 17:18 uur. Daarbij is er van uitgegaan dat de slokdarmtemperatuur van het kind 23,2° Celsius was, direct gemeten door de ambulanceverpleegkundige nadat het uit het water was gehaald en dat de reanimatie is gestart om 17:59 uur. Daartoe is in samenwerking met dr. Dusan Fiala het model gebruikt dat is gebouwd van het lichaam met kleding in de thermische omgeving om de afkoeling te simuleren. Na 53 minuten is dan de slokdarmtemperatuur van 23,2° Celsius bereikt.

Uit de verklaring van de deskundige prof. dr. H. Daanen14 blijkt dat het het meest waarschijnlijk is dat [slachtoffer 1] 53 minuten in het water heeft gelegen. De rechtbank gaat bij haar beoordeling van de feiten hiervan uit.

Doodsoorzaak [slachtoffer 1]

Uit het rapport pathologie onderzoek15 blijkt dat [slachtoffer 1] op 18 december 2019 in het water van een kanaal te Tynaarlo is aangetroffen. Vervolgens is hij overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum Groningen. Er was sprake van een verdrinkingsbeeld met een hartstilstand en ernstige onderkoeling. De neurologische toestand was vanaf het begin van de reanimatie al zorgelijk. Er was uitgebreide hersenschade door zuurstoftekort en een bloeding in de grote hersenen. Vanwege zicht op zeer slechte prognose is op 31 december 2019 de behandeling gestaakt waarop de dood intrad. Geconcludeerd wordt dat het overlijden wordt verklaard door uitgebreide verwikkelingen van te water geraken (verdrinkingseffecten), waardoor noodzaak was tot staken van een langdurige intensieve medische behandeling 13 dagen later.

situatie ter plaatse

Onder het viaduct over het Noord-Willemskanaal te Tynaarlo zijn schoensporen aangetroffen van een volwassen persoon en een kind. Het gangspoor van beide schoensporen ging richting de waterkant. De breedte van de berm was 1.75 à 2 meter. Hierna wordt de berm een helling richting het water (walkant). De helling/walkant is steil en ongeveer 1 à 1.15 meter breed en stopt bij de damwandrand. De op 20 december 2019 gemeten watertemperatuur was 5.5° Celsius.16

Een wandelaarster17 die ter plaatse langskwam zag dat een auto rechts van het fietspad stond geparkeerd. Naast de auto stond een man te bellen. Zij hoorde hem zeggen: "Ik weet niet waar ik ben" en "Er is een ongeluk gebeurd". De auto stond net vóór, net onder het viaduct. Zij heeft gevraagd of zij kon helpen maar daar reageerde de man niet op. Hij zei: "Ik bel de politie, ik bel de politie". De getuige heeft nog gezegd: "Dit is het Noord- Willemskanaal en daar is het viaduct" en "Daar is Tynaarlo".

Verklaringen van verdachte 18

Verdachte is op 18 december 2019 met zijn zoon [slachtoffer 1] rond 12:00 uur naar Assen gereden. Hij moest hem in het kader van de omgangsregeling die dag vóór 17:00 uur weer terug brengen in Utrecht. Op de heenweg (bij Hoogeveen) werd hem duidelijk dat hij niet op tijd terug zou kunnen zijn vanwege files als gevolg van boerenprotesten waarna hij besloot door te rijden naar Assen. Hij reed voorbij de roeivereniging in Assen richting Vries. Daar waar de weg ophield, is hij gestopt. Op dat moment was het schemerig. Hij is teruggereden tot aan de driesprong en uiteindelijk naar het viaduct onder de A28. Daar is hij gestopt omdat [slachtoffer 1] in het water wilde plassen. Hij is met [slachtoffer 1] naar de waterkant gelopen. [slachtoffer 1] hobbelde daarbij achter hem aan. Verdachte of [slachtoffer 1] gleed uit. Hij probeerde [slachtoffer 1] met een beweging te corrigeren en door zijn duw verstoorde hij het evenwicht van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] kwam los van verdachte en hij voelde [slachtoffer 1] niet meer. Het was heel donker. Hij zag [slachtoffer 1] niet. Hij heeft zichzelf achterover in het zand laten vallen en heeft daar enige tijd gelegen. Hij is vervolgens naar de auto gelopen en heeft enige tijd naar zijn telefoon gezocht. Daarna is verdachte naar de waterkant gegaan en heeft zich in het water laten zakken onder het viaduct. Het water was erg koud. Hij is even in het water geweest. Nadat hij op de walkant geklommen is, is hij teruggelopen naar zijn auto en heeft opnieuw zijn telefoon gezocht en toen wel gevonden. Het heeft vrij lang geduurd voordat hij 112 heeft gebeld. Hij heeft niet met een zaklamp geschenen of met de lampen van de auto.

Toen hij en [slachtoffer 1] naar het kanaal liepen, liep het wat schuin af. Zij zakten allebei wat af naar het water. [slachtoffer 1] verloor zijn evenwicht en gleed uit. Verdachte sloeg zijn arm om [slachtoffer 1] om hem met een zwaaiende beweging weer omhoog te duwen. Hierdoor gleed [slachtoffer 1] eigenlijk nog verder weg en viel hij in het water. Onder het viaduct was het heel donker. Verdachte verklaart dat hij geen idee had hoe steil het was.

Bewijsoverwegingen in de zaak met parketnummer 18/950068-19

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Feit 1 primair

Op grond van de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden en de daarbij in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1].

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels en uiterlijke verschijningsvorm aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte zijn zoon [slachtoffer 1], die drie jaar oud was en niet kon zwemmen, zonder redelijk doel in de namiddag, terwijl het al donker was en na 17:00 uur, en dus in strijd met de omgangsregeling, naar een donkere afgelegen plek heeft gebracht, te weten een plek onder een viaduct over het Noord-Willemskanaal in Tynaarlo. Volgens de verklaring van verdachte wilde [slachtoffer 1] in het water plassen. Verdachte heeft [slachtoffer 1] bij diens gang naar de walkant - een steile helling - niet vastgehouden en ook overigens geen steun geboden. Het onder deze omstandigheden willen laten plassen van [slachtoffer 1] op een steile instabiele helling, zonder hem vast te houden en te begeleiden, valt naar het oordeel van de rechtbank te kwalificeren als handelen zonder redelijk doel. Op enig moment heeft verdachte [slachtoffer 1] vastgepakt en vervolgens is [slachtoffer 1] door een (zwaaiende) beweging van verdachte in het koude water (ongeveer 5,5 graden Celcius) van het Noord-Willemskanaal terechtgekomen. Verdachte heeft nagelaten om tijdig noodzakelijke en adequate hulp te bieden teneinde [slachtoffer 1] uit het water te krijgen en heeft vervolgens nagelaten om tijdig noodzakelijke en adequate hulp in te roepen. Verdachte heeft, nadat [slachtoffer 1] in het water geraakte, eerst in het zand gelegen en is daarna naar zijn auto gelopen. Verdachte heeft in zijn auto naar zijn telefoon gezocht. Vervolgens is hij weer naar de walkant gelopen en heeft hij zich in het water laten glijden en is weer op de wal geklommen en wel uit vrees door het koude water bevangen te worden. Hij heeft pas daarna en derhalve ontijdig 112 gebeld, waarbij hij geen duidelijke plaatsbepaling heeft doorgegeven. Hij heeft ook nagelaten hulp te vragen aan een passerende wandelaarster. Door de gevolgen van de (langdurige) te water raking is [slachtoffer 1] op 31 december 2019 overleden.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden en de gebleken uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Het onder 1 primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Op grond van de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden en de daarbij in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten lastegelegde (onttrekking van een minderjarige aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende) wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte niet heeft voldaan aan de omgangsregeling met [slachtoffer 1], in zoverre dat verdachte was gehouden om [slachtoffer 1] om 16:45 uur weer terug te brengen in Utrecht, waarna om 17:00 uur [slachtoffer 1] door zijn (met het opzicht belaste) moeder kon worden opgehaald. Ook blijkt niet dat verdachte, gelet op het tijdstip en de locatie waar hij zich bevond ná 17:00 uur - te weten bij het Noord-Willemskanaal in Drenthe - voornemens was om aan de omgangsregeling te voldoen. Verdachte heeft over de door hem gestelde, opgelopen vertraging (vanwege files als gevolg van acties van protesterende boeren) geen contact opgenomen met de betrokken instelling - Samen Veilig Midden-Nederland -. Daarnaast was verdachte telefonisch niet bereikbaar, nu hij zijn telefoon had uitgezet. Door aldus te handelen heeft verdachte zijn zoon [slachtoffer 1] onttrokken aan het opzicht van Samen Veilig Midden Nederland en de moeder.

De rechtbank is -anders dan de raadsvrouw stelt- van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld en dat er geen sprake is van overmacht. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij wist van geplande acties van boeren en dat het hem op de heenweg (door files als gevolg van die acties) bij Hoogeveen al duidelijk werd dat hij niet op tijd terug zou kunnen zijn in Utrecht waarna hij niettemin besloot om door te rijden naar Assen. Door deze handelwijze van verdachte is er sprake van opzettelijk handelen. Tevens komt verdachte geen beroep op overmacht toe nu verdachte zichzelf voorzienbaar en verwijtbaar in de ontstane situatie heeft gebracht.

Oordeel rechtbank in de zaak met parketnummer 18/930043-20

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen19, die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft op 26 november 2019 aangifte20 tegen verdachte gedaan van stalking in de periode van 25 april 2019 tot en met 31 oktober 2019 te Utrecht. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij eerder aangifte tegen verdachte heeft gedaan van stalking, waarvoor verdachte is veroordeeld. Verdachte is echter niet gestopt met stalken. Verdachte vermeldt indringende teksten bij zijn maandelijkse overboekingen aan haar van de kinderalimentatie ten behoeve van hun zoon [slachtoffer 1]. Deze teksten geven haar het gevoel dat verdachte haar wil laten weten dat hij nog steeds invloed heeft op haar leven.

Als bijlage bij de aangifte is een overzicht gevoegd van bankoverschrijvingen in genoemde periode die betrekking hebben op de alimentatiebetaling aan [slachtoffer 2]. Bij die bankoverschrijvingen heeft verdachte teksten vermeld.21

Er is met verdachte al in maart 2018 door de politie een STOP-gesprek gevoerd, waarbij het verdachte duidelijk werd dat het contact dat verdachte met [slachtoffer 2] zocht niet werd gewaardeerd.22

[slachtoffer 2] heeft op 20 augustus 2018 aangifte tegen verdachte gedaan, waarna op 17 juni 2019 op tegenspraak een veroordeling van verdachte ter zake van belaging is gevolgd. Deze veroordeling heeft als pleegperiode 1 juni 2017 tot en met 20 augustus 2018.23

Uit een gesprek van verdachte met zijn moeder24 blijkt dat zij meerdere malen tegen hem heeft gezegd dat hij er mee moest stoppen, maar dat hij bleef doorgaan met contact zoeken en teksten sturen. Verdachte erkent dat dan en zegt dat hij er nu echt mee gaat stoppen.

Bewijsoverwegingen in de zaak met parketnummer 18/930043-20

Op grond van de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden en de daarbij in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde belaging in de periode van 30 juni 2019 tot en met 31 oktober 2019 wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank gaat daarbij uit van de eerste bankoverschrijving na zijn veroordeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank stelt op grond van de tot het bewijs gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft gedurende enkele maanden - ook na een eerdere veroordeling ter zake van belaging - bij bankoverschrijvingen die betrekking hadden op de alimentatiebetaling aan het slachtoffer [slachtoffer 2] ten behoeve van hun zoon [slachtoffer 1], indringende teksten vermeld. [slachtoffer 2] werd aldus gedwongen die teksten te dulden.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer - naar objectieve maatstaven bezien mede in de context van de hierboven vermelde veroordeling door de politierechter - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in die periode sprake is geweest.

Verdachte heeft op indringende en obsessieve wijze het slachtoffer gedwongen iets te dulden. Het slachtoffer heeft herhaaldelijk aan de verdachte te kennen gegeven van zijn (schriftelijke) toenaderingen niet gediend te zijn. Die aanhoudende gedragingen van de verdachte hebben in het persoonlijk leven en op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer grote inbreuk gemaakt, zoals blijkt uit haar aangifte en haar civiele vordering.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/950068-19 feiten 1 primair en 2 en het onder parketnummer 18/930043-20 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/950068-19:

1. primair

hij in de periode van 18 december 2019 tot en met 31 december 2019 in Nederland, opzettelijk zijn driejarige zoon [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet op 18 december 2019

- die [slachtoffer 1], na het invallen van de duisternis, zonder redelijk doel en in strijd met de geldende omgangsregeling naar een afgelegen plek gebracht en

- die [slachtoffer 1], terwijl hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] niet kon zwemmen, meegenomen op/naar een onverlichte en steile helling, gelegen naast het Noord-Willemskanaal en

- die [slachtoffer 1] aldaar niet vast gehouden en steun geboden en een zwaaiende beweging gemaakt waardoor die [slachtoffer 1] in het koude (ongeveer 5,5 graden Celcius) water van het Noord-Willemskanaal terecht is gekomen en

- in de periode dat die [slachtoffer 1] in het water lag en van hem, verdachte, afhankelijk was, nagelaten om tijdig noodzakelijke en adequate hulp te verlenen en in te roepen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op 31 december 2019 is overleden;

2.

hij op 18 december 2019 in Nederland opzettelijk een minderjarige, te weten zijn driejarige zoon [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2016, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;

en in de zaak met parketnummer 18/930043-20:

hij, op meerdere tijdstippen, in de periode van 30 juni 2019 tot en met 31 oktober 2019, te Utrecht, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2], door:

- via de omschrijving bij bankoverschrijvingen (alimentatieoverboekingen) teksten naar die [slachtoffer 2] te sturen,

terwijl hij wist dat die [slachtoffer 2] hier niet van gediend was gezien de door haar gedane eerdere aangifte en gezien verdachtes eerdere veroordeling ter zake van belaging van die [slachtoffer 2],

met het oogmerk die [slachtoffer 2] te dwingen iets te dulden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 18/950068-19:

1. primair: doodslag;

2. opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is;

ten aanzien van parketnummer 18/930043-20:

belaging.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de Pro Justitia-onderzoeksrapportage d.d. 29 juni 2020, opgemaakt door J. Marx, psychiater, B. Koudstaal, klinisch psycholoog en [naam], forensisch milieuonderzoeker. Voornoemde deskundigen Marx en Koudstaal hebben ter terechtzitting de rapportage nader toegelicht en hun conclusies herhaald.

De conclusies van deze rapportage luiden, zakelijk weergegeven, dat er bij verdachte sprake is van autistische en narcistische trekken. Daarbij voldoet hij niet aan een classificatie voor een stoornis volgens de DSM-5. De beschreven pathologische trekken vormen wel een ‘achilleshiel’ die leiden tot een psychische kwetsbaarheid en die kunnen worden gezien als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Een ziekelijke stoornis van de geestvermogens (zoals een stemmings-, angst-, dwang- en/of psychotische stoornis) is niet aangetoond.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde (doodslag) onthouden de deskundigen zich van een advies over de mate van toerekenen. Verdachte ontkent dat er sprake is geweest van het opzettelijk doden van zijn zoon. Hierdoor is het niet mogelijk om een delictscenario te schetsen en te bespreken. Het blijft zodoende ongewis of (en zo ja in welke mate) verdachte was aangetast in zijn vermogen zijn handelen in vrije wil te bepalen.

Bij bewezenverklaring van het onttrekken van [slachtoffer 1] aan zorg (de rechtbank begrijpt: het onttrekken van [slachtoffer 1] aan het wettig gezag/het bevoegde opzicht) adviseren de deskundigen aan verdachte het feit volledig toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met laatstgenoemde conclusie ten aanzien van onttrekken van [slachtoffer 1] aan het bevoegde opzicht, verenigen en neemt deze over.

De rechtbank is voorts van oordeel dat in de opgestelde rapportage van de deskundigen geen gronden of aanknopingspunten zijn gelegen om aan verdachte de bewezenverklaarde doodslag op [slachtoffer 1] niet of in verminderde mate toe te rekenen.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De rechtbank acht verdachte voor alle bewezenverklaarde feiten strafbaar.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/950068-19 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 18/930043-20 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. Daarnaast wordt oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 2] gevorderd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht voor de duur van 5 jaren, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid ervan.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - voor de thans door de rechtbank bewezenverklaarde feiten - gepleit voor een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van verdachtes voorarrest op het moment van de uitspraak. Daarnaast ziet zij geen noodzaak voor oplegging van een gedragsbeïnvloedende (de rechtbank begrijpt: een vrijheidsbeperkende) maatregel, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 2].

Oordeel van de rechtbank

strafmotivering

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn destijds driejarige zoontje [slachtoffer 1].

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de onttrekking van [slachtoffer 1] aan het bevoegde opzicht en (wederom) aan belaging van zijn ex-partner [slachtoffer 2].

De rechtbank rekent verdachte met name de doodslag op zijn zoon, die aan hem die dag in het kader van de omgangsregeling was toevertrouwd, in hoge mate aan. Verdachte heeft door zijn handelen zijn zoon - een nog zeer jong en weerloos kind- zijn prille leven ontnomen. Het menselijk leven is het hoogste door het recht te beschermen goed; verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van zijn zoon op de meest verregaande wijze geschonden.

Hij heeft daardoor intens en onherstelbaar leed aan de moeder van [slachtoffer 1], mevrouw [slachtoffer 2], toegebracht. Dat zij heeft moeten besluiten de intensieve medische behandeling van haar zoon [slachtoffer 1] te staken, ziet de rechtbank als het meest verschrikkelijke wat een moeder kan overkomen. Zij moet verder leven met het gemis van haar zoon.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de over verdachte uitgebrachte rapportages, waaronder die van eerder genoemde gedragsdeskundigen en van de reclassering. Ook slaat de rechtbank acht op het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Reeds uit de aard en ernst van de bewezenverklaarde doodslag, volgt dat uit het oogpunt van normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren passend en geboden en zal deze aan verdachte opleggen.

motivering maatregel

De rechtbank zal, gelet op de eerdere veroordeling van verdachte ter voorkoming van (herhaalde) strafbare feiten een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opleggen. Verdachte dient zich te onthouden van elk contact - direct of indirect - met [slachtoffer 2], gedurende een periode van 5 jaren, zoals ook door mevrouw [slachtoffer 2] is gevorderd.

De rechtbank zal bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een persoon (in casu [slachtoffer 2]). Verdachte is namelijk reeds eerder terzake van belaging ten opzichte van die [slachtoffer 2] veroordeeld, hetgeen hem er niet van weerhouden heeft haar wederom te belagen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Gevorderd wordt vergoeding van:

- een bedrag van € 20.000 aan affectieschade (dood [slachtoffer 1]);

- een bedrag van € 25.000 aan shockschade (dood [slachtoffer 1]);

- een bedrag van € 1.500 aan immateriële schade (belaging),

telkens vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Daarnaast heeft de benadeelde partij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de totale vordering van de benadeelde partij, ten bedrage van € 46.500, kan worden toegewezen.

Daarnaast dient de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de gevorderde vergoeding terzake affectieschade ten bedrage van € 20.000.

De vordering betreffende de shockschade dient volgens haar niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu door de summiere onderbouwing van dit deel van de vordering, niet vaststaat dat door de confrontatie van de benadeelde partij met [slachtoffer 1] in het ziekenhuis, dusdanig geestelijk letsel is ontstaan, dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De gevorderde immateriële schade dient bij een vrijspraak van belaging niet-ontvankelijk te

worden verklaard. Bij veroordeling dient een aanzienlijk lager bedrag toegewezen te worden.

Oordeel van de rechtbank

Affectieschade

Uit artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat naasten, als bedoeld in het vierde lid, aanspraak kunnen maken op bij Algemene Maatregel van Bestuur vast te stellen forfaitaire bedragen voor kort gezegd immateriële schadevergoeding bij overlijden . Die bedragen zijn vastgesteld bij het Besluit vergoeding affectieschade.

In artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder c BW zijn ouders van de overledene aangemerkt als naaste. Het Besluit vergoeding affectieschade geeft ouders van de overledene (in casu de moeder) aanspraak op een bedrag van € 20.000.

De rechtbank zal dit deel van de vordering - dat niet is betwist - dan ook toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Shockschade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het bewezenverklaarde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij en uit de daarbij overgelegde stukken kan niet een bij de benadeelde partij ontstaan, in de psychiatrie erkend ziektebeeld worden afgeleid. Het is naar de rechtbank begrijpt een welbewuste keuze van de benadeelde partij om geen nadere details over haar psychische situatie te willen prijsgeven, nu deze dan ook ter kennis van verdachte zouden worden gebracht.

Onder deze omstandigheden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Immateriële schade ten gevolge van belaging

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De vordering ter hoogte van € 1500 zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 36f, 38v, 38w, 57, 279, 285b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18/950068-19 feiten 1 primair en 2, en het onder parketnummer 18/930043-20 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1979.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat deze opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 21.500 (zegge: éénentwintigduizendvijfhonderd euro), waarvan een gedeelte, groot € 20.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2019 en een gedeelte, groot € 1500, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 21.500, (zegge: éénentwintigduizendvijfhonderd euro), waarvan een gedeelte, groot € 20.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2019 en een gedeelte, groot € 1500, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 142 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 20.000 aan affectieschade en € 1.500 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter,

mr. R. Depping en mr. M.A.A. van Capelle, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummer aangeduide processen-verbaal en andere stukken betreft dit in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Noord-Nederland, onderzoek BRICKLIN/NN3R019125 met het dossiernummer PL0100-2019335399, met als sluitingsdatum 18 mei 2020.

2 beschikking rechtbank Midden-Nederland van 27 december 2019, pag. 911 e.v.

3 proces-verbaal bevindingen met als bijlage opbouwschema omgang [slachtoffer 1] en zijn vader, pag. 630 e.v.

4 proces-verbaal bevindingen, pag. 566 e.v.

5 proces-verbaal bevindingen, pag. 485

6 proces-verbaal bevindingen, pag. 566 e.v.

7 proces-verbaal bevindingen, pag. 618 e.v. en aanvullend proces-verbaal bevindingen d.d. 25 juni 2020

8 proces-verbaal bevindingen, pag. 648 e.v.

9 proces-verbaal bevindingen, pag. 648 e.v.

10 processen-verbaal bevindingen, pag. 497 e.v. en pag. 501A e.v.

11 proces-verbaal bevindingen, pag. 473 e.v.

12 processen-verbaal van verhoor getuige, pag. 397 en pag. 411

13 verslag prof. dr. H. Daanen, Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen Vrije Universiteit Amsterdam en dr. Dusan Fiala, ERGONSIM Human Thermal Modelling, Marxzell, Germany d.d. 29 mei 2020

14 afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2020

15 opgemaakt op 26 mei 2020 door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisch partholoog, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut. Zie ook forensisch overlijdensonderzoek UMCG d.d. 10 januari 2020

16 forensisch dossier d.d. 8 mei 2020, onderzoek Bricklin, bijlage A, behorend als bijlage bij het proces-verbaal Bricklin

17 verklaring [getuige], pag. 290 e.v.

18 verklaringen verdachte bij de rechter-commissaris op 24 december 2019 en bij de politie op pag. 70 e.v. en 84 e.v.

19 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummer aangeduide processen-verbaal en andere stukken betreft dit in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Noord-Nederland, met het dossiernummer PL0100-2020074549, met als sluitingsdatum 19 mei 2020.

20 aangifte [slachtoffer 2], pag.7 e.v.

21 bijlage bij aangifte, pag. 12 e.v. en verklaring verdachte, pag. 82 e.v.

22 proces-verbaal bevindingen, pag. 47

23 proces-verbaal met aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland d.d. 17 juni 2019, pag. 59 e.v. en verklaring verdachte, pag. 82 e.v.

24 telefoontap d.d. 8 februari 2020 van gesprek tussen verdachte en zijn moeder