Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3184

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
18/083929-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld voor afpersing in vereniging en een poging tot afpersing in vereniging tot een jeugddetentie voor de duur van 88 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals die zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering. Daaronder valt ook het traject ITB Harde Kern en een contactverbod met medeverdachte en slachtoffers. Daarnaast wordt de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 480,01 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/083929-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 september 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans-De Boer.

Tevens zijn verschenen mevrouw [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming, mevrouw [naam 2], namens de jeugdreclassering, en benadeelde partij [slachtoffer 1].

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hhij op of omstreeks 23 februari 2020 te Assen, althans in de gemeente Assen op de (parkeerplaats behorende bij de) openbare weg de Maria in Campislaan, althans op een openbare weg/ plaats tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer €15,00) en/of Apple AirPods en/of handschoenen (merk: North Face), in elk geval
enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1], toebehoorde, door
- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te houden, althans te richten en/of te tonen;
- dreigend tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "pasjes, pasjes, geld, geld, geef geld”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2
hij op of omstreeks 15 maart 2020 te Assen, althans in de gemeente Assen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of diens mededader, voorgenomen misdrijf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van goederen en/of een goed toebehorende aan die [slachtoffer 2] voornoemd, met genoemd oogmerk:
met een scooter naast die [slachtoffer 2] is gaan rijden en/of een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, althans een (hard) voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gedrukt, althans dit voorwerp aan die [slachtoffer 2] heeft getoond, en/of (daarbij) heeft gezegd: “geef iets”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd, gelet op de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat bij de poging tot afpersing gedreigd is met een op een pistool gelijkend voorwerp, gelet op de verklaring van aangever en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte].

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet met een pistool of een op een pistool gelijkend voorwerp heeft gedreigd. Verdacht heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met zijn hand heeft gedaan alsof hij een pistool had, en dat hij met zijn vingers tegen het lichaam van aangever heeft gedrukt. De hand van verdachte kan volgens de raadsman niet worden gekwalificeerd als een op een pistool gelijkend voorwerp dan wel een hard voorwerp zoals dat is ten laste gelegd. De raadsman heeft daarom gesteld dat enkel een poging tot diefstal kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 september 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 februari 2020, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020172814 (onderzoeksnummer NN3R020028) d.d. 24 juni 2020, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 maart 2020, opgenomen op pagina 275 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten ten aanzien van het gebruik van een op een pistool gelijkend voorwerp bij het onder 2 ten laste gelegde, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte] bij het onder 2 ten laste gelegde feit gebruik hebben gemaakt van een pistool, een op een pistool gelijkend voorwerp, dan wel een hard voorwerp. Verdachte heeft gesteld dat hij zijn hand en vingers in de vorm van een pistool heeft gehouden en dat hij met zijn vingers tegen het lichaam van aangever heeft gedrukt. Zowel aangever als medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zij niet gezien hebben dat verdachte met een pistool heeft gedreigd. Zo heeft aangever verklaard dat hij tijdens het rijden iets tegen zijn borst voelde drukken, terwijl hetgeen tegen zijn borst drukte niet heel zwaar en echt aanvoelde. Gelet op deze verklaringen kan niet worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte waar is en dat hij dus geen gebruik heeft gemaakt van een pistool, een op een pistool gelijkend voorwerp dan wel een hard voorwerp. Verdachte zal derhalve van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Anders dan de raadsman heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat ook het tot twee keer toe met twee personen op een scooter naast aangever rijden en het daarbij zeggen: “Geef iets!”, onder de dreiging dat er anders zou worden geschoten, kan worden gekwalificeerd als 'bedreiging met geweld'. De rechtbank overweegt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] door aldus te handelen een zeer dreigende sfeer en situatie hebben opgeroepen die kennelijk door aangever ook als bedreigend is ervaren. Het oproepen van een dreigende sfeer is naar het oordeel van de rechtbank in deze situatie voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot afpersing.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1
hij op 23 februari 2020 te Assen, op de parkeerplaats behorende bij de openbare weg de Maria in Campislaan, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer €15,00) en Apple AirPods en handschoenen (merk: North Face), door
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de buik van die [slachtoffer 1] te houden;
- dreigend tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "pasjes, pasjes, geld, geld, geef geld”;

2
hij op 15 maart 2020 te Assen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en diens mededader voorgenomen misdrijf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van goederen toebehorende aan die [slachtoffer 2] voornoemd, met genoemd oogmerk:
met een scooter naast die [slachtoffer 2] is gaan rijden en daarbij heeft gezegd: “geef iets”,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

2. poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 4 weken. Deze periode is gelijk aan de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Aan deze proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals deze zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering. De periode dat elektronisch toezicht kan worden toegepast dient daarbij gemaximaliseerd te worden tot 6 maanden. Tevens heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de straf gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijke werkstraf in plaats van een voorwaardelijke jeugddetentie. Verdachte is niet eerder in aanraking gekomen met politie en justitie en de raadsman heeft gesteld dat eerst andere strafmodaliteiten dan jeugddetentie benut dienen te worden. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat verdachte reeds een fors aantal dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten en dat er op dit moment al voor verdachte ingrijpende maatregelen binnen het jeugdstrafrecht worden ingezet in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Het advies van de jeugdreclassering is dat deze maatregelen zullen worden voortgezet in het kader van ITB Harde Kern. Verdachte wordt daarmee al ernstig in zijn vrijheid beknot en daar moet op een gegeven moment wel een einde aan komen. De raadsman heeft daarom, net als de officier van justitie, verzocht de periode voor het toepassen van elektronisch toezicht te maximaliseren tot 6 maanden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage door de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 13 augustus 2020, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing in vereniging en een poging tot afpersing in vereniging. Verdachte heeft op 23 februari 2020 op de openbare weg samen met een medeverdachte een jonge pizzakoerier overvallen. Hierbij is het slachtoffer door de medeverdachte bedreigd met een neppistool en is hij gedwongen tot het afgeven van geld, air pods en handschoenen. Daarnaast heeft verdachte zich op 15 maart 2020 schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing in vereniging. Op die dag heeft verdachte opnieuw samen met dezelfde medeverdachte geprobeerd een pizzakoerier te beroven. Ditmaal door met een scooter naast het slachtoffer te rijden, met zijn hand te doen alsof hij een pistool had en daarbij te zeggen: "Geef iets". Doordat de pizzakoerier hard is weggefietst en verdachte en medeverdachte hem niet meer konden bijhouden heeft het slachtoffer kunnen ontkomen. Hierdoor is het bij een poging tot afpersing gebleven.

Verdachte heeft zich bij het begaan van deze zeer ernstige feiten, louter laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen van deze, voor de slachtoffers, emotioneel zeer ingrijpende gebeurtenissen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen langdurig psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. In dit geval blijkt dit ook uit de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1], waaruit naar voren komt dat hij nog erg veel last heeft van hetgeen hem is overkomen en bang is om in het donker buiten te zijn. Daarnaast brengen misdrijven als deze ook in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

De rechtbank rekent dit verdachte aan en overweegt dat dergelijke feiten het opleggen van een jeugddetentie in beginsel zonder meer rechtvaardigen.

De rechtbank houdt echter ook rekening met de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het advies d.d. 13 augustus 2020 van de Raad voor de Kinderbescherming, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ten tijde van de verdenkingen was verdachte flink aan het afglijden op vrijwel alle levensgebieden. Hij was zelfbepalend en ging volledig zijn eigen gang, waarbij zijn omgeving/ouders geen enkel zicht en grip meer op hem hadden. Er was geen sprake van een dagbesteding en/of andere nuttige bezigheden. Verdachte was veel buitenshuis, begaf zich in een antisociaal netwerk en er was sprake van zorgelijke middelengebruik.

Verdachte heeft na het schorsen van de voorlopige hechtenis een positieve kentering gemaakt in zijn situatie en functioneren. Hij is de afgelopen periode veel thuis en ouders ervaren weer voldoende grip en zicht op hem. Er is verder door hem afstand genomen van de vrienden die een negatieve invloed op hem hadden. Verdachte stelt zich tevens meewerkend op ten aanzien van de hulpverlening en de jeugdreclassering en hij lijkt hiervan te profiteren. Accare is recent gestart met het uitvoeren van diagnostiek en zal hierop aansluitend starten met behandeling. De Raad voor de Kinderbescherming is positief over het feit dat er grote stappen gezet zijn op meerdere levensgebieden door verdachte, maar ziet ook nog risicofactoren. Verdachte beschikt nog over weinig inzicht en vaardigheden om situaties te kunnen overzien en deze op een adequate manier aan te vliegen. Hij is geneigd om impulsief te reageren, niet stil te staan bij eventuele gevolgen en is zeer gevoelig voor groepsdruk, waardoor hij makkelijk in de problemen komt en overgaat tot het overschrijden van grenzen. Er is daarnaast nog sprake van softdrugsgebruik wat aannemelijk invloed heeft op zijn functioneren.

Verdachte heeft positieve intenties en wil graag iets maken van zijn toekomst, echter zal dit nog veel van hem vragen en dit lijkt hij zelf nog onvoldoende te beseffen. De Raad voor de Kinderbescherming schat de kans op opnieuw afglijden groot in als het huidige toezicht en de huidige begeleiding zal wegvallen, de situatie moet dan eerst ook nog meer bestendigen en worden uitgebouwd. Het langdurig monitoren van zijn situatie, om indien nodig bij te kunnen sturen, is daarbij sterk aan te raden.

De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat verdachte met zijn handelen een forse grens heeft overschreden en vindt hiervoor een strafrechtelijke consequentie passend.

Verdachte is voorlopig gebaat bij intensief jeugdreclasseringstoezicht alvorens hij kan toewerken naar meer vrijheden, alhoewel het ook met deze kaders een proces is van 'vallen en opstaan'. Het is gebleken dat hij een 'stok achter de deur' nodig heeft om zich aan de voorwaarden te houden en uit de problemen te blijven. De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat voorlopig nog ITB Harde Kern en EC nodig is en dat dit dient te worden afgebouwd op het moment dat verdachte hier aan toe is. Verdachte is op dit moment nog aan veel verandering onderhevig (dagbesteding, volgen van behandeling). De Raad van de Kinderbescherming acht een forse voorwaardelijke straf in de vorm van jeugddetentie van

belang, om te zorgen dat verdachte gemotiveerd blijft om mee te werken aan de voorwaarden en zich positief blijft inzetten voor zijn toekomst. De Raad voor de Kinderbescherming ziet, net als de jeugdreclassering, geen meerwaarde in het opleggen van een onvoorwaardelijke straf. Verdachte heeft positieve stappen gezet, is door zijn verblijf in de JJI en de schorsing al gewezen op de consequenties en een onvoorwaardelijke straf zou daarbij zijn dagbesteding en behandeling onnodig kunnen doorkruisen.

Ter terechtzitting heeft mevrouw [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming het advies bevestigd. Namens de jeugdreclassering heeft mevrouw [naam 2] aangevoerd dat verdachte open is over zijn middelengebruik. Het is daarom wat haar betreft niet nodig om een bijzondere voorwaarde op te leggen die ziet op (controle van) het middelengebruik van verdachte. Verder heeft zij aangegeven dat het niet wenselijk is een (voorwaardelijke) werkstraf op te leggen, aangezien met name wordt ingezet op behandeling en scholing van verdachte. Een eventuele werkstraf zou dit traject doorkruisen. Voor het overige sluit zij zich aan bij het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Alles afwegende en de adviezen in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie passend is, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet net als de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering geen meerwaarde in het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van langere duur dan de periode die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte de twee bewezenverklaarde feiten kort na elkaar heeft gepleegd acht de rechtbank daarnaast wel een voorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats. Enerzijds om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen, en anderzijds om daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank acht het van belang dat verdachte de positieve lijn die hij heeft ingezet kan doorzetten en de rechtbank zal daarom geen onvoorwaardelijke werkstraf opleggen, nu een werkstraf dit traject zou kunnen doorkruisen. Met betrekking tot het middelengebruik van verdachte acht de rechtbank het wenselijk dat de jeugdreclassering de mogelijkheid heeft om het middelengebruik te kunnen controleren wanneer daar aanleiding toe bestaat, zodat ook deze bijzondere voorwaarde zal worden opgelegd.

De rechtbank ziet op grond van de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen aanleiding om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen van kortere duur dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen voor de duur van 88 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke jeugddetentie worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd. Deze voorwaarden houden in dat verdachte onderwijs volgt of een andere vorm van dagbesteding heeft, meewerkt aan diagnostiek en behandeling bij Accare of een soortgelijke instelling, meewerkt aan ambulante begeleiding vanuit Cura XL, meewerkt aan urinecontroles ter controle van zijn middelengebruik, zich ter controle van het locatiegebod onder elektronische controle zal stellen voor een periode van maximaal 6 maanden en meewerkt aan de maatregel van ITB Harde Kern. Daarnaast acht de rechtbank ook een contactverbod met aangevers en medeverdachte [medeverdachte] aangewezen en zal dit daarom ook als bijzondere voorwaarde opnemen.

De rechtbank zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 210,02 ter vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde materiële schade voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is. De immateriële schade dient, gelet op de immateriële schade die in vergelijkbare zaken is toegewezen, volgens de officier van justitie gematigd te worden tot een bedrag van € 1.000,00. Aangezien er sprake is van twee minderjarige verdachten die geen contact meer met elkaar hebben, heeft de officier van justitie verzocht om de vordering benadeelde partij voor de helft toe te wijzen in de zaak van verdachte en geen hoofdelijkheid toe te passen. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel toe te passen en de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de hoogte van de vordering benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ook de raadsman heeft benadrukt dat het wenselijk is dat betaling van de vordering benadeelde partij in twee gelijke delen wordt opgelegd aan verdachte en aan medeverdachte [medeverdachte], zodat er geen hoofdelijkheid hoeft te worden toegepast.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

De hoogte van de vordering die ziet op de materiële schade is door de verdediging niet betwist. Deze vordering kan daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 210,02.

Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank heeft daarbij gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Gelet daarop schat de rechtbank de immateriële schade op een bedrag van

€ 750,00. Daarmee is een totaalbedrag van (€ 750,00 + € 210,02 =) € 960,02 voor toewijzing vatbaar.

Aangezien er sprake is van twee minderjarige verdachten, tussen wie onderling contact niet gewenst is, zal de rechtbank dit bedrag pondspondsgewijs toewijzen en geen hoofdelijkheid toepassen. De rechtbank zal de vordering daarom in de zaak van verdachte toewijzen tot een bedrag van (€ 960,02 ÷ 2 =) € 480,01, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2020.

De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 88 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 60 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde onderwijs volgt of een andere vorm van dagbesteding heeft;

2. dat veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en behandeling bij Accare of een soortgelijke instelling;

3. dat veroordeelde meewerkt aan ambulante begeleiding vanuit Cura XL;

4. dat veroordeelde meewerkt aan urinecontroles ter controle van zijn middelengebruik zo vaak en lang als de jeugdreclassering dat nodig acht;

5. dat veroordeelde zich ter controle van het locatiegebod onder elektronische controle zal stellen, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht, maar voor een periode van maximaal 6 maanden;

6. dat veroordeelde zich in het kader van de maatregel van Toezicht en Begeleiding, waarvan 3 maanden zullen bestaan uit de maatregel van ITB Harde Kern, zal melden gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen perioden en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;

7. dat veroordeelde gedurende de proeftijd van twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met medeverdachte [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], slachtoffer [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] en slachtoffer [slachtoffer 2], geboren op

[geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], of zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt, dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van 18/083929-20, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 480,01 (zegge: vierhonderdtachtig euro en één eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2020.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 480,01 (zegge: vierhonderdtachtig euro en één eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 0 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 105,01 aan materiële schade en € 375,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M. van den Steenhoven en mr. T.P. Hoekstra, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2020.

Mr. H.H.A. Fransen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.