Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3155

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
18/095630-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft een 38-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens het stalken en bedreigen van zijn ex-vriendin. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan vernieling van een voordeur.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/095630-20

vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen parketnummers 18/148561-19 en 21/001950-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 september 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Özsaran, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 6 april 2020, in de gemeente Groningen, opzettelijk en wederrechtelijk een (voor)deur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft vernield en/of beschadigd;


2.
hij in of omstreeks de periode 24 juli 2019 tot en met 26 maart 2020, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door (onder meer):
- op Facebook tekstbericht(en) en/of (een) afbeelding(en)/filmpjes te plaatsen van die [slachtoffer] met daarbij (onder meer) de volgende teksten "ik sta open om in me kont geneukt te worden” en/of “ik ben zo labiel debiel dat ik mijn kinderen open en bloot stel aan mij verkeerde vriendjes/kinderverkrachters..", althans teksten van gelijke aard en/of strekking, en/of
- veelvuldig via e-mail en/of Facebook en/of WhatsApp berichten te sturen naar die [slachtoffer] , en/of
- zich in de directe omgeving, zoals de verblijfplaats en/of werk, van die [slachtoffer] te begeven, en/of
- berichten aan de moeder van die [slachtoffer] te sturen, (telkens) met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

3.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 26 maart 2020, in de gemeente Groningen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] (onder meer) e-mails en/of berichten met daarbij filmpjes te sturen waarbij verdachte die [slachtoffer] (onder meer) de volgende woorden heeft toegevoegd: "ik maak je kapot. Echt waar, ik maak jou kapot.... Moet daar 5 jaar voor zitten dat jij naar de kloten gaat of wat dan ook, ik heb er schijt aan. Ik daar schijt aan..." en/of "Ik maak jou dood en anders jouw familie", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1., 2. en 3. Met betrekking tot de vernieling van de deur bij de vrouwenopvang en de bedreiging van aangeefster heeft de officier van justitie verwezen naar de aangiften en de bekennende verklaring van verdachte. Het belagen van aangeefster kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen gezien de vele berichten die verdachte aangeefster heeft gestuurd via WhatsApp, e-mail en Facebook. Ook heeft hij foto's openbaar gemaakt via social media en daarbij beledigende teksten geplaatst. Deze vorm van communicatie was volstrekt ongewenst en moet gelet op de aard en ernst daarvan worden gekwalificeerd als stalking. Dat aangeefster af en toe contact opnam met verdachte doet hier niet aan af, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat een veroordeling kan volgen met betrekking tot de feiten 1. en 3. en dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Van belaging is geen sprake, omdat er door verdachte geen inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Er was sprake van een ongezonde relatie waarin over en weer contact werd opgenomen, ook op initiatief van aangeefster. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat het dossier geen bewijs bevat voor belaging over de periode van 24 juli 2019 tot en met 26 maart 2020. De aangifte dateert van 25 maart 2020 en het stopgesprek met verdachte heeft daarna plaatsgevonden, namelijk op 30 maart 2020. Dit betekent dat de periode bij een bewezenverklaring aanzienlijk moet worden ingeperkt.

Oordeel van de rechtbank

Feiten 1. en 3.

De rechtbank acht feiten 1. en 3. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 september 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 april 2020, opgenomen op pagina 47 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummers 2020075163 en 2020086781 d.d. 13 mei 2020, inhoudend de verklaring van [getuige 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen d.d. 25 maart 2020, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2020, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van [getuige 2] .

Feit 2.

Verdachte heeft niet bekend dat hij het onder 2. ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank acht dit feit evenwel wettig en overtuigend bewezen en past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de door verdachte ter zitting van 1 september 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb diverse keren contact opgenomen met [slachtoffer] , omdat ik mijn dochter wilde zien. Nadat [slachtoffer] haar telefoonnummer had gewijzigd, heb ik opnieuw contact met haar opgenomen. Ik heb op Facebook berichten en foto's geplaatst van [slachtoffer] en haar kinderen. De onderlinge afspraken heb ik ook op Facebook geplaatst.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen d.d. 25 maart 2020, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummers 2020075163 en 2020086781 d.d. 13 mei 2020, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van stalking door mijn ex [verdachte] . Ik voel mij bedreigd door hetgeen [verdachte] mij toestuurt. Ik krijg al vanaf januari 2020 berichten van [verdachte] . Omdat ik zoveel berichtjes van [verdachte] en vrienden van hem kreeg heb ik mijn telefoonnummer veranderd. De berichtjes en stalking van [verdachte] zijn sindsdien nog steeds gaande. [verdachte] is een keer onder een valse naam naar mijn opvang gekomen en hij heeft geprobeerd om zo binnen te komen. Nu probeert [verdachte] via de e-mail, Facebook en via familieleden van mij met mij in contact te komen. Via deze kanalen maakt hij mij zwart, bedreigt hij mij en stuurt hij vernederende berichten. [verdachte] zet bijvoorbeeld de afspraken die tussen ons zijn gemaakt, in samenwerking met [benadeelde partij] en de William Schikkergroep, op Facebook. Ook zet hij foto's van mij met mijn kinderen online en daarbij plaatst hij o.a. teksten 'dat ik een slechte moeder ben' en 'dat ik in de kont geneukt wil worden'. Ook stuurt [verdachte] e-mails met daarin de tekst: 'kom hier maar, dan zal ik een aanslag plegen op je leven'. Een deel van deze teksten heb ik bij de aangifte gevoegd. De berichten die bij dit proces-verbaal zijn gevoegd, zijn verstuurd tussen 20 maart 2020 en 23 maart 2020. Vandaag, 26 maart 2020, kreeg ik in de ochtend opnieuw berichten van [verdachte] . In deze berichten word ik voor 'kont neukende [slachtoffer] ' uitgemaakt. Deze berichten zijn bij het proces-verbaal gevoegd. Ook stuurde hij een foto met daarop het gebouw van mijn werk. Hij zei dat hij naar mijn werk zou gaan om mijn collega's lastig te vallen. Zolang [verdachte] doorgaat met de stalking en bedreiging kan ik niet terug naar mijn eigen woning. Dit heeft een grote impact op mijn leven en zoals eerder gezegd voel ik mij ernstig bedreigd. Ik denk dat [verdachte] in staat is om zijn dreigementen daadwerkelijk uit te voeren.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 8 april 2020, opgenomen op pagina 60 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van [verbalisant] :

Op woensdag 8 april 2020 heb ik een mondelinge klacht ontvangen terzake van stalking. De klacht werd gedaan door [slachtoffer] . De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 april 2020, opgenomen op pagina 49 e.v., inhoudend als verklaring van verdachte:

Op 13 januari 2020 is [slachtoffer] naar [benadeelde partij] gegaan. Vanaf die tijd heb ik nog steeds telefonisch contact met [slachtoffer] . Ondanks dat wij geen contact meer met elkaar mochten hebben, hadden wij toch contact met elkaar. In de periode na februari 2020 is het contact wat wij hadden via de telefoon behoorlijk verslechterd. Zij heeft een ander telefoonnummer gekregen. Via de mail heb ik toen contact met haar gezocht. U leest een deel uit de verklaring voor hetgeen ik gestuurd heb op 23 maart 2020, het klopt dat ik dat heb gedaan. Zij weet dat zij mij kan triggeren door geen contact meer met mij te hebben. Ik kan daar heel boos van worden en dat weet zij. Ik heb inderdaad meerdere mails gestuurd met als doel dat ik weer contact kon krijgen met haar.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op grond van de hierboven benoemde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte en aangeefster hebben begin 2019 een relatie met elkaar gekregen. Al na een paar maanden verslechterde de relatie en ontstond er strijd. Uit de relatie is op [geboortedatum] 2019 een dochter geboren: [naam] . Sinds 13 januari 2020 verblijft aangeefster samen met [naam] in de vrouwenopvang van [benadeelde partij] . Aangeefster heeft verklaard dat zij sindsdien door verdachte wordt gestalkt. Verdachte heeft haar meerdere bedreigende berichten via Facebook, e-mail en WhatsApp gestuurd. Ook nadat aangeefster haar telefoonnummer heeft veranderd, blijft verdachte contact met haar zoeken. Verder heeft verdachte foto's van aangeefster en haar kinderen openbaar gemaakt op Facebook en daarbij teksten geplaatst als: "Ik sta open om in mijn kont geneukt te worden" of "ik ben zo labiel debiel dat ik mijn kinderen open en bloot stel aan mijn verkeerde vriendjes/kinderverkrachters". Verdachte heeft ook de onderlinge afspraken, gemaakt in samenwerking met [benadeelde partij] en de William Schrikkergroep, integraal op Facebook geplaatst.

Verdachte heeft voornoemde gedragingen erkend, maar betwist dat hij daarmee een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de gedragingen van verdachte gekwalificeerd kunnen worden als belaging. Bij de beoordeling van die vraag zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.1

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er al lange tijd sprake was van ernstige problematiek in de relationele sfeer tussen verdachte en aangeefster waarbij er regelmatig escalaties plaatsvonden. Zo blijkt uit de mutaties van het politiesysteem dat verdachte 138 incidenten en 27 antecedenten op zijn naam heeft staan. Dit is voor aangeefster uiteindelijk de reden geweest verdachte te verlaten en begin januari 2020 te verhuizen naar de vrouwenopvang van [benadeelde partij] . In de periode daarna heeft verdachte op indringende wijze contact gezocht met aangeefster. Aan de afspraak dat zij onderling geen contact meer mochten hebben, heeft verdachte geen gehoor gegeven. Verdachte heeft haar langs verschillende wegen bedreigende berichten gestuurd, heeft foto's van aangeefster en haar kinderen op Facebook geplaatst en ook zijn de met aangeefster gemaakte afspraken door hem op Facebook gepubliceerd. Daarbij zijn door verdachte uiterst beledigende en vernederende teksten geplaatst waarin aangeefster, kortgezegd, zwart wordt gemaakt.

Ondanks dat verdachte de wederrechtelijkheid van zijn handelen betwist, is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zodanig zijn geweest dat er sprake is van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Er was zonder meer sprake van ongewenst contact waaraan aangeefster zich niet kon onttrekken. Zij werd immers ongewild geconfronteerd met de talloze en vaak beledigende berichten en bedreigingen die verdachte haar toestuurde. Dat er op bepaalde momenten ook door aangeefster contact is gezocht met verdachte, maakt het voorgaande niet anders en rechtvaardigt geenszins de wijze waarop verdachte heeft gehandeld. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.

Wat betreft de periode waarin de belaging heeft plaatsgevonden is de rechtbank, evenals de verdediging, van oordeel dat het moment waarop aangeefster is verhuisd naar de vrouwenopvang als uitganspunt moet worden genomen. Hoewel er in de maanden daarvoor al sprake was van een verstoorde verhouding, is de relatie na januari 2020 aanzienlijk verslechterd. Aangeefster heeft op 25 maart 2020 aangifte gedaan en het zogenaamde 'stopgesprek' heeft op 30 maart 2020 plaatsgevonden. De gedragingen van verdachte zijn een paar weken voor het stopgesprek gepleegd. Dit maakt dat de rechtbank een kortere periode bewezen acht, zoals hierna is opgenomen in de bewezenverklaring.

Voorts acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich in de directe omgeving van aangeefster heeft opgehouden en berichten aan de moeder van aangeefster heeft gestuurd. Daarvoor biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten. Verdachte zal daarom van de gedragingen die in de tenlastelegging onder de laatste twee gedachtestreepjes zijn opgenomen, worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1., 2. en 3. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.
hij op 6 april 2020 in de gemeente Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur dat aan een ander, te weten aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft vernield.


2.
hij in de periode 13 januari 2020 tot en met 26 maart 2020 in de gemeente Groningen wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door onder meer:
- op Facebook tekstberichten en afbeeldingen/filmpjes te plaatsen van die [slachtoffer] met daarbij onder meer de volgende teksten "ik sta open om in me kont geneukt te worden” en “ik ben zo labiel debiel dat ik mijn kinderen open en bloot stel aan mij verkeerde vriendjes/kinderverkrachters..", en
- veelvuldig via e-mail en Facebook en WhatsApp berichten te sturen naar die [slachtoffer] ,
telkens met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

3.
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 26 maart 2020 in de gemeente Groningen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] onder meer e-mails en berichten met daarbij filmpjes te sturen waarbij verdachte die [slachtoffer] onder meer de volgende woorden heeft toegevoegd: "ik maak je kapot. Echt waar, ik maak jou kapot.... Moet daar 5 jaar voor zitten dat jij naar de kloten gaat of wat dan ook, ik heb er schijt aan. Ik daar schijt aan..." en "Ik maak jou dood en anders jouw familie".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

2. Belaging.

3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1., 2. en 3. wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar. Aan de proeftijd dienen de volgende bijzondere voorwaarden te worden verbonden: een meldplicht, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod en een locatieverbod voor de gemeente Emmen. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan te gelasten. Deze maatregel behelst een contact- en gebiedsverbod. Bij overtreding van voornoemde verboden dient vervangende hechtenis toegepast te worden voor de duur van twee weken met een maximum van zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, een gevangenisstraf bepleit die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Voorts heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte zich kan vinden in een voorwaardelijk strafdeel met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden in de vorm van een ambulante behandeling, een straat- en contactverbod en een meldplicht. De raadsvrouw heeft daarbij opgemerkt dat het locatieverbod moet worden beperkt tot Nieuw Weerdinge gelet op de woon-, werk- en leefomgeving van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van onbekende datum, het psychologisch onderzoeksrapport van 17 juni 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de vernieling van de voordeur van een vrouwenopvang en het stalken en bedreigen van zijn voormalige vriendin. Verdachte kon niet verkroppen dat de relatie met aangeefster was verbroken en dat hij zijn dochter niet meer mocht zien.

Verdachte heeft aangeefster stelselmatig lastig gevallen door zich op verschillende manieren aan haar op te dringen, ondanks het feit dat hij wist dat contact met haar niet was toegestaan. Aangeefster was hier niet van gediend en heeft onder meer haar telefoonnummer veranderd. Verdachte had daar echter geen boodschap aan. Hij stuurde haar frequent berichten via e-mail, WhatsApp en Facebook met de bedoeling contact met zijn dochter af te dwingen en zijn ex-partner neer te zetten als een slechte moeder. Zo zijn er door verdachte foto's van aangeefster en haar kinderen met daarbij beledigende onderschriften op Facebook geplaatst. Daarnaast heeft verdachte videoboodschappen gestuurd waarin hij aangeefster en haar familie met de dood bedreigd. Hiermee heeft verdachte gevoelens van angst bij aangeefster teweeg gebracht en de privacy van haar, en die van haar kinderen op grove wijze geschonden. De belaging is uiteindelijk geëscaleerd toen verdachte naar de vrouwenopvang is gereden waar aangeefster met hun jonge dochtertje verbleef. Daar aangekomen heeft verdachte een klauwhamer gekocht en de voordeur van de vrouwenopvang vernield. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zijn frustraties op deze plek, die een veilige haven voor kwetsbare vrouwen en hun kinderen moet zijn, heeft botgevierd. Verder brengen feiten als deze de nodige overlast en (financiële) schade met zich mee. Dit wordt verdachte eveneens kwalijk genomen.

De rechtbank overweegt dat het geheel van gedragingen voor aangeefster zeer belastend en ingrijpend is geweest. Verdachte heeft door zijn handelswijze een forse inbreuk gemaakt op de privacy en integriteit van zijn voormalige vriendin. Dit is volstrekt onacceptabel en respectloos gedrag. Stelselmatige inbreuk op de privacy en integriteit van iemand raakt immers direct aan de persoonlijkheid en het welbevinden van de belaagde en kan tot ernstige psychische problemen leiden. Verdachte heeft dit miskend en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen belangen en emoties zonder daarbij rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op deze feiten enkel gereageerd kan worden met oplegging van een straf die vrijheidsbeneming met zich mee brengt. Gezien de aard en ernst van de door verdachte gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank een andere strafmodaliteit niet passend. Daarbij is in aanmerking genomen dat verdachte eerder is veroordeeld voor vernieling en bedreiging. Met betrekking tot de persoon van verdachte is een reclasseringsrapport opgemaakt en heeft er een psychologisch onderzoek naar het forensisch risicoprofiel en de interventiemogelijkheden plaatsgevonden. Uit het psychologisch onderzoek volgt dat de kans op recidive van verbaal geweld en vernieling gericht tegen aangeefster en instanties die met haar te maken hebben als gemiddeld wordt ingeschat. Het risico op terugval wordt tevens als gemiddeld ingeschat. Hierbij wordt het ontbreken van een goede omgangsregeling als voornaamste risicofactor aangemerkt. Ook zijn er een aantal persoonlijkheidstrekken die verdachte kwetsbaar maken voor een terugval. Verdachte is snel getergd en niet goed in staat te reflecteren op zijn eigen gedrag en rol in de ontstane situatie. Dit maakt ook dat verdachte zijn gedrag op de voor hem stressvolle momenten niet onder controle kan houden en niet goed nadenkt over de gevolgen van zijn handelen. Deze beperkte agressieregulatie leidt tot delictgedrag met alle gevolgen van dien. In het kader van een (verplichte) behandeling kan nadere diagnostiek plaatsvinden en moet aandacht worden besteed aan het aanleren van adequate probleemoplossingsvaardigheden in situaties waarin de emoties bij verdachte hoog oplopen. De reclassering schat het recidiverisico gemiddeld tot hoog in, mede vanwege het patroon van problemen in de relationele sfeer. Het risico op onttrekking aan de voorwaarden schat de reclassering in als hoog.

De rechtbank neemt deze adviezen over met die opmerking dat de rechtbank zich voor wat het recidiverisico betreft aansluit bij de conclusies van de reclassering. De rechtbank ziet in verdachte een getergde man zonder zelfinzicht die meermalen dezelfde fouten heeft gemaakt en niet de indruk wekt dat hij weet hoe hij met zichzelf en zijn problematiek om moet gaan. De rechtbank ziet de meerwaarde van het opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden gezien de grote zorgen die er zijn over de persoon en het gedrag van verdachte. Hierbij is in aanmerking genomen dat verdachte de bereidheid heeft uitgesproken mee te zullen werken aan een behandeling en ook heeft erkend dat hij hulp nodig heeft. Het voorwaardelijk strafdeel dient tevens te voorkomen dat verdachte wederom strafbare feiten zal plegen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een meldplicht en een verplichte ambulante behandeling verbinden. De overige geadviseerde voorwaarden neemt de rechtbank niet over, althans niet in de vorm van bijzondere voorwaarden voor zover het een locatie- en contactverbod betreft.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel wordt een meldplicht en een ambulante behandeling verbonden.

Oplegging van de maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht

Gelet op de ernst en hardnekkigheid van de belaging en om te voorkomen dat het slachtoffer opnieuw met verdachte wordt geconfronteerd, zal aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en zijn dochter [naam] . Het contactverbod met [naam] geldt zolang er geen door de hulpverlening en/of door de familierechter geaccordeerde omgangsregeling is vastgesteld. Daarnaast wordt verdachte een locatieverbod opgelegd voor Nieuw Weerdinge, de huidige woonplaats van het slachtoffer. De maatregel zal worden opgelegd voor de duur van twaalf maanden op straffe van twee weken hechtenis bij overtreding van deze verboden met een maximum van zes maanden.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt

voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer, zal worden bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Redengevend voor de rechtbank is het hoge recidiverisico waarvan sprake is en het feit dat er bij verdachte sprake is van zorgwekkende problematiek waaraan gewerkt moet worden als verdachte op vrije voeten komt.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen

Parketnummer 18-148561-19

Bij onherroepelijk vonnis van 11 november 2019 van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland te Groningen is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 25 november 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 7 augustus 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Parketnummer 21-001950-17

Bij onherroepelijk arrest van 20 juni 2018 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 5 juli 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 7 augustus 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk straf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straffen, met dien verstande dat de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, reeds twee weken gevangenisstraf ten uitvoer heeft gelegd in de zaak met parketnummer 18-148561-19.

Dit maakt dat er in totaal nog zes weken gevangenisstraf ten uitvoer zullen worden gelegd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 285, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot zes maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen na zijn invrijheidsstelling meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres] . Veroordeelde blijft zich daarna melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra het reclasseringstoezicht opgestart zal worden. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft in het kader van de behandeling.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Legt op de maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel omvat:

- dat de veroordeelde voor de duur van twaalf maanden zich niet zal ophouden in het gebied Nieuw Weerdinge;

- dat de veroordeelde voor de duur van twaalf maanden op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , en [naam], geboren op [geboortedatum] 2019, zolang er geen door de hulpverlening en/of familierechter geaccordeerde omgangsregeling is vastgesteld.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen onder parketnummers 18-148561-19 en 21-001950-17

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 11 november 2019 die, na eerdere gedeeltelijke tenuitvoerlegging, bestaat uit twee weken gevangenisstraf.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2018 die bestaat uit vier weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. S. Timmermans, rechters, bijgestaan door mr. M. Postma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 september 2020.

1 zie hiervoor o.m. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en HR 4 november 2004, ECLI:NL:HR:2014:3095.