Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3127

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
LEE 20/2273
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek om schorsing ontheffing voor GAE voor het doden van vogels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/2273

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Fauna4life, te Amstelveen,

Animal Rights, te Arnhem,

verzoeksters

(gemachtigde: mr. M. van Duijn),

en

het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe, verweerder

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Groningen Airport Eelde N.V., te Paterswolde (gemachtigde: [naam 3] ).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Groningen Airport Eelde N.V. (GAE) tot 31 december 2022 een ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het beheer van vogels en dieren ten behoeve van de luchtvaartveiligheid op Groningen Airport Eelde. Voor de uitvoering van deze ontheffing zijn de volgende middelen aangewezen: geweren, honden (niet zijnde lange honden), kastvallen, vangkooien, vangnetten, balchatri, en slag- snij- of steekwapens.

Bij uitspraak van 11 mei 2020, kenmerk LEE 20/685, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorziening te treffen hangende bezwaar afgewezen. De voorzieningenrechter heeft verweerder daarbij gelast binnen vier weken na verzending van de uitspraak een beslissing op het bezwaarschrift te nemen. Naar aanleiding van een wijzigingsverzoek van verzoeksters van 22 mei 2020 heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 15 juni 2020, kenmerk LEE 20/1612, verweerder gelast uiterlijk 8 juli 2020 een besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 14 juli 2020 heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard en het besluit tot ontheffing nader gemotiveerd en gewijzigd, in die zin dat de ontheffing niet langer ziet op enkele nader genoemde diersoorten.

Bij brief van 3 augustus 2020 hebben verzoeksters beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening gevraagd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2020. Voor verzoekster is verschenen mr. M. van Duijn, gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . Voor derde-belanghebbende is verschenen [naam 3] .

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

Aangezien tijdig beroep is ingediend tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd is, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. GAE heeft op 22 oktober 2019 een ontheffing op grond van artikel 3.3 en artikel 3.8 van de Wnb aangevraagd voor het vangen en doden van meerdere diersoorten in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.

3.1.

Verweerder heeft op basis van de in het door GAE opgestelde Faunabeheerplan 2018-2022 (FBP) genoemde maatregelen en conclusies in het primaire besluit een ontheffing verleend. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder voor verschillende diersoorten de ontheffing gehandhaafd. Volgens verweerder is de ontheffing voor het beheer van vogels en dieren nodig in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, bestaat er geen andere bevredigende oplossing en leidt de ontheffing niet tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de soorten genoemd op bijlage 2 van de beslissing op bezwaar. De verleende ontheffing vormt een voortzetting van het in de jaren 2007 tot en met 2019 gevoerde beheer, aldus verweerder.

4. Verzoeksters kunnen zich niet met het primaire besluit verenigen. Verzoeksters hebben in dit verband onder meer aangevoerd dat het besluit is genomen in strijd met de beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe, dat niet is aangetoond dat de ontheffing noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, dat een bevredigende oplossing, namelijk langgrasbeheer, bestaat en dat het verlenen van een ontheffing op voorhand onmogelijk is.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beantwoording van bovenstaande grieven een nadere beoordeling vergt, waarvoor de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de behandeling van de aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connexe beroep te verwijzen naar de meervoudige kamer. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld.

6. Verweerder en belanghebbende hebben gewezen op het grote belang waarmee de ontheffing is gediend, namelijk de veiligheid van de luchtvaart en ook de voorzieningenrechter is zich bewust van dit grote belang. Hoewel aan het belang van natuurbescherming in beginsel ook een groot gewicht dient te worden toegekend, is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat in dit geval aan het belang van de veiligheid van de luchtvaart een groter gewicht dient te worden toegekend. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat door GAE ter zitting is aangegeven dat er dit jaar tot nu toe slechts 6 vogels zijn afgeschoten en voorts dat de bodemprocedure op afzienbare termijn zal worden behandeld, namelijk op de zitting van 15 december 2020 bij deze rechtbank. Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

11 september 2020.

De griffier is buiten staat de voorzieningenrechter

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.