Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3122

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
18/740008-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling minderjarige verdachte voor bedreiging met de dood en mishandeling. Oplegging kale (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Raad voor de Kinderbescherming ziet geen mogelijkheid oplegging bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/740008-20

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/027778-20

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/153429-19 en 18/253483-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te Leeuwarden,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 augustus 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rosema, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/740008-20 (na wijziging van de tenlastelegging):

1. primair

hij op of omstreeks 24 februari 2020 te Harlingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes een stekende beweging naar de onderbuik en/of de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 24 februari 2020 te Harlingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met dat opzet met een mes een stekende beweging naar de onderbuik en/of de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiair

hij op of omstreeks 24 februari 2020 te Harlingen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een geheel of deels bedekt gezicht met een mes in zijn hand een stekende beweging te maken en/of die [slachtoffer 1] woordelijk toe te voegen ‘ik vermoord je’, althans woorden van gelijke aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 24 februari 2020 te Harlingen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een geheel of deels bedekt gezicht ten overstaan van die [slachtoffer 1] een mes en/of een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) (duidelijk zichtbaar) aanwezig te hebben en/of aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of daarmee bovenhandse en/of zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken en/of ermee op de (garage)deur te slaan en/of aan die [slachtoffer 1] toe te voegen; “Ik vermoord je!”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 24 februari 2020 te Harlingen opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur en/of een garagedeur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

in de zaak met parketnummer 18/027778-20:

hij op of omstreeks 29 september 2019 te Harlingen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem (met kracht) tegen zijn neus te slaan/stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in de zaak met parketnummer 18/740008-20 veroordeling gevorderd voor de feiten 1. primair, 2. en 3. en hij heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/027778-20.

In de zaak met parketnummer 18/7400008-20 heeft hij aangevoerd dat hij meer waarde hecht aan de verklaring van aangever dan aan de verklaring van verdachte. Op basis van de aangifte gaat de officier van justitie er vanuit dat verdachte met een flink mes, met een lemmet van 14 centimeter, een stekende beweging heeft gemaakt richting de buikstreek van aangever. In de buikstreek zitten veel vitale organen. Verdachte heeft hierbij de woorden gezegd: 'ik vermoord je'. De verklaring van aangever past bij de plek waar het mes is aangetroffen in de garage. Bovendien heeft aangever verklaard dat hij verdachte herkende aan zijn stem. Dit past bij zijn verklaring dat verdachte wel iets tegen hem heeft gezegd.

Het handelen van verdachte levert volgens de officier van justitie een poging doodslag op.

Op basis van de aangifte en de verklaring van verdachte kunnen eveneens de feiten 2. en 3. bewezen worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/740008-20 vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Verdachte is heel stellig in zijn ontkenning dat hij een stekende beweging heeft gemaakt. Verdachte had geen intentie om het mes, dat hij in zijn mouw bij zich droeg, te gebruiken. Het mes is uit zijn mouw gevallen toen aangever de deur dicht trok en deze deur tegen de arm van verdachte aan kwam. Het is bovendien niet uit te sluiten dat het mes nog verplaatst is nadat het op de grond gevallen is. Op basis van het dossier is de verklaring van verdachte niet onaannemelijk. Daarom kan niet bewezen worden dat verdachte een stekende beweging heeft gemaakt en opzet had op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het onder 2. ten laste gelegde wordt ook ontkend door verdachte. Ten aanzien van feit 3. heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Verdachte erkent dat hij tegen de voordeur heeft geschopt, maar daardoor is er geen schade ontstaan. Verdachte ontkent dat hij met een wapen tegen de deur van de garage heeft geslagen.

De ten laste gelegde mishandeling, in de zaak met parketnummer 18/027778-20, kan bewezen worden verklaard op grond van de aangifte en bekennende verklaring van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 18/740008-20:

Aan verdachte is onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde dat hij -voor zover hier van belang- met een mes een stekende beweging heeft gemaakt richting de onderbuik en/of de zij van [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft verklaard dat hij wel met een mes naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan, maar ontkent dat hij het mes uit zijn mouw heeft gehaald en een stekende beweging met het mes heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij het mes in zijn mouw vasthield en dat het mes uit zijn mouw viel doordat de deur, die aangever dicht trok, tegen zijn arm aan kwam. De raadsvrouw heeft bovendien bepleit dat het kan zijn dat het mes is verplaatst nadat het uit de mouw van verdachte is gevallen door het dichttrekken van de deur door [slachtoffer 1] en dat dit de reden kan zijn dat het mes in de garage is aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat dit door verdachte geschetste alternatieve scenario onvoldoende wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. Hierdoor kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte met het mes een stekende beweging heeft gemaakt. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde zal de rechtbank dan ook uitstrepen dat verdachte een stekende beweging heeft gemaakt met het mes. Wel acht de rechtbank, op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte die [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door in het donker, in aanwezigheid van een ander en met een bedekt gezicht tegen [slachtoffer 1] te zeggen 'ik vermoord je'.

De rechtbank acht tevens op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen het onder 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt daarbij dat de schade aan de garagedeur die te zien is op de foto op pagina 78 duidt op 'verse' schade mede doordat er geen roest is te zien bij de beschadiging.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 28 augustus 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben op 24 februari 2020, toen het buiten al donker was, met iemand anders naar de woning van [slachtoffer 1] in Harlingen gegaan. Ik ging daarheen om hem te bedreigen. Ik had mijn gezicht deels bedekt met een sjaal. Dit deed ik om [slachtoffer 1] te intimideren. Ook had degene met wie ik naar de woning ging een sjaal voor zijn mond.

Bij de woning van [slachtoffer 1] heb ik mijn balletjespistool, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, uit mijn broekzak gepakt.

Ook heb ik tegen de voordeur van het huis van [slachtoffer 1] geschopt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 25 februari 2020, opgenomen op pagina 63 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020071936 d.d. 21 maart 2020, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 24 februari 2020 omstreeks 22:45 uur hoorde ik de deurbel van mij thuis adres te [plaats] , gaan. Toen ik de garagedeur opende zag ik ineens twee personen staan met sjaals voor hun mond. Ik hoorde de ene persoon naar mij roepen, "ik vermoord je". Ik herkende deze stem en wist toen dat het ging om [verdachte] . Dit ook in combinatie met zijn postuur en het zichtbare gedeelte van zijn gezicht. Dit weet ik 100% zeker. Deze [verdachte] stond recht voor mij en de andere persoon stond rechts gezien vanuit de garagedeur. Ik heb [verdachte] naar buiten gewerkt en vervolgens de deur dichtgedaan en op slot gedraaid.

Nadat ik de deur had dicht gedaan ben ik naar de hal gelopen en heb via het zij raam van de voordeur naar buiten gekeken. Ik zag en hoorde dat deze [verdachte] met een pistool op de garagedeur aan het slaan was. Ik kon dit goed zien door de straatverlichting welke branden. Ik zag echt dat het om een zwart pistool ging en hoorde het geluid van metaal op metaal.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2020 met fotobijlage, opgenomen op pagina 74 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Ik werd belast met het maken van foto's van de locatie, woning aan de [straatnaam] te [plaats] , en mogelijke sporen die door de verdachte [verdachte] zijn achtergelaten.

Door het slaan met een vuurwapen tegen de garagedeur waren enkele beschadigingen zichtbaar op deze deur.

Pagina 78: foto met tekst 'lakschade ontstaan door slaan met wapen op garagedeur'.

in de zaak met parketnummer 18/027778-20:

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder […] bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 augustus 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 oktober 2019, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019259856 d.d. 2 februari 2020, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/740008-20 onder 1. meer subsidiair, 2. en 3. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/027778-20 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/740008-20:

1. meer subsidiair

hij op 24 februari 2020 te Harlingen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een deels bedekt gezicht die [slachtoffer 1] woordelijk toe te voegen ‘ik vermoord je’;

2.

hij op 24 februari 2020 te Harlingen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een deels bedekt gezicht ten overstaan van die [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp duidelijk zichtbaar aanwezig te hebben en daarmee op de garagedeur te slaan;

3.

hij op 24 februari 2020 te Harlingen opzettelijk en wederrechtelijk een garagedeur, toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft beschadigd;

in de zaak met parketnummer 18/027778-20:

hij op 29 september 2019 te Harlingen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem met kracht tegen zijn neus te slaan/stompen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/740008-20:

1. meer subsidiair bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

in de zaak met parketnummer 18/027778-20:

Mishandeling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 250 dagen waarvan 117 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder de algemene voorwaarde dat verdachte tijdens de proeftijd geen strafbare feiten pleegt.

De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat volgens zijn berekening van de voorlopige hechtenis verdachte bij deze eis vrij komt op de dag van de uitspraak.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd bepleit om aan te sluiten bij de eis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een bedreiging met de dood van een man. Verdachte ging met een ander naar de woning van de man met het doel om hem te bedreigen. Het was donker, verdachte droeg een sjaal voor zijn gezicht, had iemand mee genomen die ook een sjaal voor zijn gezicht droeg en had een mes en een balletjespistool bij zich. Bij die woning is een zeer dreigende situatie voor de man ontstaan waarbij verdachte hem niet alleen met woorden heeft bedreigd met de dood, maar ook nog meerdere keren met zijn wapen op de garagedeur heeft geslagen, waardoor de garagedeur beschadigd is.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan mishandeling van een persoon, door hem een gebroken neus te slaan. Daarbij is ook een stuk van een tand afgebroken. Verdachte bemoeide zich met een ruzie tussen een jongen en een meisje en heeft daarbij de jongen flink hard in zijn gezicht geslagen.

Ten tijde van de feiten was verdachte nog maar 17 jaar oud. De rechtbank vindt de gepleegde feiten ernstig. Verdachte bemoeide zich op beide data met ruzies waar hij zelf niet direct bij betrokken was. Uit de stukken blijkt dat met name de gevolgen groot zijn geweest voor de mishandelde jongen. Hij moest in het ziekenhuis geopereerd worden aan zijn neus en zijn tand moest hersteld worden door de tandarts. Ook heeft de jongen naar aanleiding van het voorval psychologische hulp nodig.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de toelichting hierop ter zitting blijkt dat er zorgen zijn over de toekomst van de inmiddels achttienjarige verdachte, omdat hij zichzelf lijkt te overschatten als hij aangeeft dat hij zelfstandig zijn zaken kan regelen en uitvoeren. Verdachte functioneert op moeilijk lerend/zwakbegaafd niveau. Het is voor verdachte moeilijk hoe hij moet handelen als de emoties oplopen. Hij is daardoor al vaker in beeld gekomen vanwege geweldsdelicten.

De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst geweest, maar hij kon de schorsingsvoorwaarden niet volhouden. Daarom zit verdachte sinds 20 mei 2020 weer in [instelling] . Het gaat daar goed met hem.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben aangegeven dat verdachte zich tijdens zijn detentie goed voorbereid op de dag dat hij vrij komt: hij is op zoek naar huisvesting, een opleiding en verdere dagbesteding. Hij wil bewijzen dat hij het nu zelf kan en wil daarbij geen hulp van een hulpverleningsinstantie.

De Raad heeft ter zitting gezegd dat zij verdachte er niet van hebben kunnen overtuigen dat het beter is dat hij nog hulp ontvangt om het recidiverisico te verlagen. Ze zien dan ook geen mogelijkheid tot het uitvoeren van hulp en begeleiding en adviseren een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

De rechtbank zal -zoals gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de raadsvrouw- verdachte een kans geven zelf zijn leven op te bouwen omdat hij niet aan hulpverlening wil meewerken. De rechtbank ziet geen mogelijkheid tot het opleggen van bijzondere voorwaarden.

De rechtbank zal niet zoals is gevorderd verdachte op de dag van de uitspraak in vrijheid stellen, omdat hij dan mogelijk op straat komt te staan zonder woonplek en dagbesteding. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen waarbij verdachte een week na de uitspraak vrij komt. Dit past naar het oordeel van de rechtbank bij de ernst van de gepleegde feiten en is in het belang van verdachte, zodat hij tijd krijgt om het een en ander te regelen.

Volgens de berekening heeft verdachte een week na de uitspraak, op 18 september 2020, 139 dagen in voorarrest gezeten. Zij legt dit deel dan ook onvoorwaardelijk op met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen als stok achter de deur. Gelet op de duur van de opgelegde onvoorwaardelijke jeugddetentie en het feit dat de rechtbank tot een lichtere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met een proeftijd van 2 jaren opleggen en daaraan de algemene voorwaarde verbinden dat verdachte geen strafbare feiten pleegt.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 235,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2], tot een bedrag van € 675,02 bestaande uit € 25,02 materiële schade en

€ 650,00 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat beide vorderingen in hun geheel worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering van [slachtoffer 1] afgewezen moet worden, dan wel niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze vordering niet onderbouwd is.

De vordering van [slachtoffer 2] kan wat betreft de materiële schade worden toegewezen, maar de gevorderde immateriële schade dient gematigd te worden, omdat uit de stukken blijkt dat [slachtoffer 2] al psychische problemen had en niet vast staat dat de gestelde schade volledig het rechtstreeks gevolg is van het handelen van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

1. [slachtoffer 1]

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/740008-20 onder 3. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

2. [slachtoffer 2]

Ten aanzien van het gevoerde verweer van de raadsvrouw met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Algemeen beginsel in het schadevergoedingsrecht is onder meer dat de dader het slachtoffer heeft te nemen zoals hij die aantreft bij zijn onrechtmatige handelen. Dit beginsel geldt ook voor vergoeding van immateriële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/027778-20 bewezen verklaarde.

De vordering zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 september 2020.

Omdat vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Gelet op de leeftijd van verdachte zal de rechtbank het maximum aantal dagen gijzeling op nul bepalen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

18/153429-19

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 1 oktober 2019, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 oktober 2019.

18/253483-17

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 26 juni 2018, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 11 juli 2018.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering de tenuitvoerlegging gevorderd van beide voorwaardelijk opgelegde straffen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte zijn verantwoordelijkheid wil nemen en zich niet verzet tegen het uitvoeren van beide eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraffen.

Oordeel rechtbank

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormelde vonnissen gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormelde vonnissen gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten beide eerder voorwaardelijke opgelegde taakstraffen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/740008-20 onder 1. primair en 1. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/740008-20 onder 1. meer subsidiair, 2. en 3. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/027778-20 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 199 dagen

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 60 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, te weten 18 september 2020.

Ten aanzien van 18/740008-20:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van 18/027778-20:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 675,02 (zegge: zeshonderdvijfenzeventig euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 september 2019. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 675,02 (zegge: zeshonderdvijfenzeventig euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 september 2019, bij gebreke aan betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie. Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 dagen.

Dit bedrag bestaat uit € 25,02 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/153429-19:

Gelast de tenuitvoerlegging van de taakstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 1 oktober 2019, te weten: een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/253483-17:

Gelast de tenuitvoerlegging van de taakstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 26 juni 2019, te weten: een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. B.F. Hammerle en mr. E.P. van Sloten, rechters,

bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 september 2020.

Mrs. Hammerle en Van Sloten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.