Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3100

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
18/099570-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 16 maart 2018 schuldig gemaakt aan een poging tot schennis van de eerbaarheid door met ontbloot onderlichaam voor een raam van een woning te gaan staan, alsmede tot schennis van de eerbaarheid door op de openbare weg met ontbloot onderlichaam te gaan staan

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 239
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/099570-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 augustus 2020.

De verdachte is verschenen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lubbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 16 maart 2018 en 17 maart 2018, in elk geval in de maand maart 2018, te Kootstertille, in elk geval in de gemeente Achtkarspelen, aan of bij de [straatnaam], een of meer perso(o)n(en) van wie hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze/die de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2003) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2004), met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft verdachte in voornoemde periode aldaar met voornoemd oogmerk
- zich begeven naar de woning op perceel [straatnaam] en/of
- een Thermolegging over zijn hoofd getrokken (kennelijke met de bedoeling herkenning te voorkomen) en/of
- de door hem gedragen broek en/of onderbroek naar beneden getrokken en zodoende zijn onderlichaam ontbloot en/of
- bij die woning aan of bij de [straatnaam] aangebeld en/of
- zich met ontbloot (half stijf) geslachtsdeel voor de/een (voor)ruit van die woning aan of bij de [straatnaam] bevonden,
welke seksuele handeling(en) en/of gedraging(en) van verdachte toen aldaar door een aan of bij de woning geïnstalleerde camera met bijbehorende apparatuur zijn/is opgenomen en/of vastgelegd en/of welke opgenomen en/of vastgelegde opnames van die seksuele handeling(en) en/of gedraging(en) van verdachte vervolgens in voornoemde periode door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn bekeken, en/of/althans dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van de aard en/of strekking en/of inhoud van die vastgelegde opnames van die seksuele handeling(en) en/of gedraging(en) van verdachte op de hoogte zijn/is gebracht;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 maart 2018, te Kootstertille, in elk geval in de gemeente Achtkarspelen, bij de [straatnaam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer perso(o)n(en) van wie hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze/die de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2003) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2004), met ontuchtig oogmerk ertoe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, in voornoemde periode aldaar met voornoemd oogmerk
- zich heeft begeven naar de woning aan of bij de [straatnaam] en/of
- een Thermolegging over zijn hoofd heeft getrokken (kennelijke met de bedoeling herkenning te voorkomen) en/of
- de door hem gedragen broek en/of onderbroek naar beneden heeft getrokken en zodoende zijn onderlichaam heeft ontbloot en/of
- bij die woning aan of bij de [straatnaam] heeft aangebeld, althans op de bel heeft gedrukt en/of
- zich met ontbloot (half stijf) geslachtsdeel voor de/een (voor)ruit van die woning aan of bij de [straatnaam] heeft bevonden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 16 maart 2018 en 17 maart 2018, in elk geval in de maand maart 2018, te Kootstertille, in elk geval in de gemeente Achtkarspelen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten voor de/een (voor)ruit van een woning (nummer 6) gelegen aan of bij de (openbare weg de) [straatnaam], door zich toen met ontbloot (half stijf) geslachtsdeel aldaar te bevinden en welke seksuele gedraging(en) van verdachte toen aldaar door een aan of bij die woning geïnstalleerde camera met bijbehorende apparatuur zijn/is opgenomen en/of vastgelegd en/of welke opgenomen en/of vastgelegde opnames van die seksuele gedraging(en) van verdachte vervolgens in voornoemde periode door een of meer in die woning aanwezige perso(o)n(en) zijn/is bekeken en/of dat een of meer in die woning aanwezige perso(o)n(en)van de aard en/of strekking en/of inhoud van die vastgelegde opnames van die seksuele handeling(en) en/of gedraging(en) van verdachte op de hoogte zijn/is gebracht;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 maart 2018, te Kootstertille, in elk geval in de gemeente Achtkarspelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de eerbaarheid te schenden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten voor de/een (voor)ruit van een woning (nummer 6) gelegen aan of bij de (openbare weg de) [straatnaam], toen met ontbloot (half stijf) geslachtsdeel zich aldaar heeft bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op of omstreeks 16 maart 2018 te Kootstertille, in elk geval in de gemeente Achtkarspelen, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op en/of aan (de openbare weg) de [straatnaam], door zich toen aldaar met ontbloot onderlichaam te bevinden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 1. primair en heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1. subsidiair en 2.

Ten aanzien van feit 1. subsidiair heeft zij daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de meisjes nog geen 16 jaar oud waren, omdat zij er volgens kalenderleeftijd uit zien. Het ontuchtig oogmerk is aanwezig. Verdachte heeft immers verklaard dat hij zijn geslachtsdeel wilde laten zien. 'Ertoe bewegen' vraagt om een actieve gedraging. De jeugdige dient te worden uitgenodigd door verdachte. 'Ertoe bewegen' vereist ook dat verdachte de aanwezigheid van de jeugdige beoogde en willens en wetens handelde. Het enkel tonen van het geslachtsdeel is al voldoende om seksuele handelingen aan te nemen, zie ook HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1328. Verdachte was op zoek naar een woning, hij zag door het raam twee personen zitten en is voor het raam gaan staan. Hij heeft vervolgens zijn broek en onderbroek laten zakken en heeft zijn half stijve geslachtsdeel naar hen gericht. Verdachte wilde daarmee een reactie ontlokken. Het laten zakken van zijn broek en het voor het raam gaan staan, zijn seksuele handelingen. Op het betreffende moment zijn de slachtoffers niet bewogen. Verdachte heeft daartoe echter wel een poging ondernomen. Er is sprake van een begin van uitvoering, omdat hij heeft gekeken of er meisjes waren en voor het raam is gaan staan. Tevens heeft hij bij de voordeur gestaan en later ook aangebeld. Het is een feit buiten zijn macht dat de meisjes niet hebben gekeken en het feit niet is voltooid.

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feiten 1. primair, 1. subsidiair en 1. meer subsidiair

De rechtbank acht feiten 1. primair, 1. subsidiair en 1. meer subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feiten 1. primair en 1. meer subsidiair overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen volgt dat niemand direct getuige is geweest van de handelingen die verdachte heeft uitgevoerd. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een voltooid delict, spreekt de rechtbank verdachte ten aanzien van deze feiten vrij.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de feitelijkheden zoals deze door verdachte zijn gepleegd geen poging tot seksueel corrumperen, zoals onder feit 1. subsidiair is ten laste gelegd, opleveren. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte heeft gepoogd de minderjarige slachtoffers ertoe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen. Het enkele voor het raam staan met ontbloot onderlichaam acht de rechtbank in onderhavige zaak daarvoor onvoldoende. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat, terwijl verdachte met ontbloot onderlichaam voor het raam stond, hij niet op het raam heeft geklopt of op andere wijze de aandacht van de meisjes heeft proberen te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hiermee niet gepoogd de meisjes ertoe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen. Voor het ertoe bewegen getuige te zijn, zijn immers actieve handelingen vereist die erop zijn gericht om de minderjarige getuige te laten zijn van seksuele handelingen. Hiervan is geen sprake. Gelet hierop acht de rechtbank geen sprake van een poging tot seksueel corrumperen.

Bewezenverklaring ten aanzien van feiten 1. meest subsidiair en 2.

De rechtbank acht de feiten 1. meest subsidiair en 2. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van feit 1. meest subsidiair

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 augustus 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster van 26 maart 2018, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018064368 van 22 juni 2018, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij];

Ten aanzien van feit 2.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 augustus 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster van 23 maart 2018, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018064368 van 22 juni 2018, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1].

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 16 maart 2018 binnen korte tijd tweemaal met ontbloot onderlichaam op/aan de openbare weg heeft gestaan met de bedoeling zijn geslachtsdeel te tonen. Allereerst is verdachte met ontbloot onderlichaam voor het raam van een woning aan de [straatnaam] gaan staan. De meisjes die verdachte in de woning zag zitten, hebben hem niet voor het raam zien staan. Verdachte is vervolgens bij deze woning vertrokken. Nadat kort hierna uit deze woning één van de minderjarige meisjes vertrok, heeft verdachte op de openbare weg, in het zicht van het slachtoffer, opnieuw zijn onderlichaam ontbloot. Bij de betreffende woning hing een camera en de woningeigenaren en de meisjes hebben later op de beelden gezien dat verdachte met ontbloot onderlichaam voor het raam is gaan staan.

Artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht ziet op een ongewenste respectievelijk onwenselijk geachte confrontatie met (een deel van) het menselijk lichaam. Het moet gaan om handelen dat kwetsend is voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel. Niet elk seksueel gedrag levert schennis van de eerbaarheid op. Dit moet worden bepaald aan de hand van de publieke moraal. Het is een feit van algemene bekendheid dat het ontdoen van de kleding en het (proberen te laten) tonen van het geslachtsdeel op of aan de openbare weg in de samenleving als ongewenst wordt beschouwd. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten 1. meest subsidiair en 2.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1. meest subsidiair en 2. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. meest subsidiair
hij op 16 maart 2018, te Kootstertille, in de gemeente Achtkarspelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de eerbaarheid te schenden op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten voor de voorruit van een woning, nummer 6, gelegen aan de openbare weg de [straatnaam], toen met ontbloot, half stijf, geslachtsdeel zich aldaar heeft bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.
hij op 16 maart 2018 te Kootstertille, in de gemeente Achtkarspelen, de eerbaarheid heeft geschonden op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op de openbare weg de [straatnaam], door zich toen aldaar met ontbloot onderlichaam te bevinden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. meest subsidiair Poging tot schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

2. Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1. subsidiair en 2. wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een alcoholverbod.

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft bepleit enkel een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich op 16 maart 2018 schuldig gemaakt aan een poging tot schennis van de eerbaarheid door met ontbloot onderlichaam voor een raam van een woning te gaan staan, alsmede tot schennis van de eerbaarheid door op de openbare weg met ontbloot onderlichaam te gaan staan. Verdachte heeft verklaard dat hij de bewuste avond een aandrang voelde om zijn geslachtsdeel aan vrouwen te tonen. Bij de voltooide schennis is het minderjarige slachtoffer aanwezig geweest. Voor haar was het gedrag van verdachte beangstigend.

Het door verdachte vertoonde gedrag wordt in het algemeen als grensoverschrijdend en aanstootgevend beschouwd en zorgt bovendien voor onrust in de maatschappij. Verdachte heeft met zijn handelen geen rekening gehouden met de gevoelens van anderen. Het was hem alleen te doen om de spanning dat iemand hem zou zien.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij ongeveer tien jaar geleden eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Aangezien dit geen recente recidive betreft, zal de rechtbank deze veroordelingen niet meewegen bij de bepaling van de hoogte van de straf. Verder houdt de rechtbank in straf verminderende zin rekening met het tijdsverloop van de zaak, nu de feiten dateren van tweeëneenhalf jaar geleden. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de zaak niet eerder op zitting aangebracht kon worden.

De reclassering heeft geen contact gehad met verdachte, maar heeft desondanks tot een advies kunnen komen. Uit eerdere reclasseringsadviezen blijkt dat verdachte goed functioneerde binnen de tijd dat hij reclasseringstoezicht had. De reclassering heeft geadviseerd om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een alcoholverbod. Verdachte heeft tijdens de zitting aangegeven akkoord te gaan met oplegging van deze voorwaarden.

Ter bescherming van de maatschappij acht de rechtbank het belangrijk dat verdachte zich in de toekomst niet opnieuw aan dit soort misdrijven schuldig zal maken. De rechtbank ziet daarom aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een alcoholverbod, passend en geboden.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1.

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 34,80 ter vergoeding van materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft aangevoerd bereid te zijn de schade te vergoeden.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. meest subsidiair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2018.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57 en 239 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair, 1. subsidiair en 1. meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. meest subsidiair en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Verslavingszorg Noord Nederland op het adres Oostergoweg 6 te Leeuwarden;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van GGZ Friesland of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven en waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener voor de behandeling zal geven;

3. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan ademonderzoek of urineonderzoek.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Benadeelde partij, ten aanzien van feit 1.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 34,80 (zegge: vierendertig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 34,80 (zegge: vierendertig euro en tachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 1 dag worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 34,80 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 september 2020.

Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.