Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3046

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
C/18/200720 / JE RK 20-662
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht. Wie mag een machtiging gesloten jeugdhulp verzoeken van een kind dat niet onder toezicht staat? Onwettelijk verzoek is in strijd met onder meer het EVRM. Niet-ontvankelijkheid van de GI, reparatie door de Raad met een VOTS en MUHP?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0235
RFR 2021/13
FJR 2021/24.18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/200720 / JE RK 20-662 en C/18/200914 / JE RK 20-691

datum uitspraak: 8 september 2020

beschikking machtiging gesloten jeugdhulp en voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie

in de zaak met het zaaknummer C/18/200720 / JE RK 20-662

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen,

die gevestigd is in Groningen,

en die hierna "de GI" wordt genoemd,

die betrekking heeft op

[minderjarige] ,

die is geboren [in] 2004 in [geboorteplaats] ,

en die hierna '' [minderjarige] '' wordt genoemd,

advocaat: mr. K.B. Spoelstra, die kantoor houdt in Groningen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

die woont in Groningen,

en die hierna ''de moeder'' wordt genoemd,

en

[de vader] ,

die woont in Groningen,

en die hierna ''de vader'' wordt genoemd.

en in de zaak met het zaaknummer C/18/200914 / JE RK 20-691

De Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord-Nederland, locatie Groningen,

die hierna "de Raad" wordt genoemd,

en

[de moeder] ,

die woont in Groningen,

en die hierna ''de moeder'' wordt genoemd,

en

[de vader] ,

die woont in Groningen,

en die hierna ''de vader'' wordt genoemd.

De kinderrechter wijst in deze zaak als informant aan:

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen,

die gevestigd is in Groningen,

en die hierna "de GI" wordt genoemd,

Het (verdere) procesverloop

In de zaak met het zaaknummer C/18/200720 / JE RK 20-662

Op 27 augustus 2020 heeft een kinderrechter in deze rechtbank een beschikking gegeven. In deze beschikking is voor [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van vier weken.

Op 31 augustus 2020 heeft de kinderrechter van de GI een nieuwe instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper ontvangen.

Op 8 september 2020 heeft de kinderrechter de verklaring van de gedragswetenschapper opnieuw ontvangen, voorzien van de handtekening van de gedragswetenschapper en van een ander.

In de zaak met het zaaknummer C/18/200914 / JE RK 20-691

De procedure is ingeleid met het mondelinge verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen en een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie te verlenen.

In beide zaken

Op 8 september 2020 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld. De kinderrechter heeft toen gesproken met mevrouw [naam 1] , die de GI vertegenwoordigt, mevrouw [naam 2] , die het WIJ-team Groningen vertegenwoordigt, de moeder, [minderjarige] , zijn advocaat en mevrouw [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigt.

De vader is behoorlijk opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar heeft van die uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Ten slotte heeft de kinderrechter bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.

Het verzoek

De GI heeft de kinderrechter verzocht om voor [minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden. De GI heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat [minderjarige] fors grensoverschrijdend gedrag vertoont, waarbij hij verbaal en fysiek geweld gebruikt. Verder zijn er zorgen zijn over het netwerk van [minderjarige] , politiecontacten, drugsgebruik en schoolverzuim. [minderjarige] glijdt volgens de GI steeds verder af en de veiligheid van hem en de andere gezinsleden kan in de thuissituatie bij de moeder niet langer geborgd worden. De GI heeft aan haar verzoekschrift een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper en een instemmingsverklaring van de ouders van [minderjarige] gehecht.

De beoordeling

Het gaat in deze zaak om de vraag of de kinderrechter het verzoek om een machtiging voor gesloten jeugdhulp kan behandelen. Hierover wordt als volgt overwogen.

De jeugdwet regelt in artikel 6.1.2 de rechterlijke machtiging die nodig is om een kind ongeacht of hij dit wil, op te nemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie.

Die machtiging kan worden verleend als er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van een kind naar volwassenheid ernstig belemmeren en die het noodzakelijk maken dat die opname plaatsvindt in een gesloten accommodatie.

Het behoeft geen nader betoog dat het opnemen van een kind in een gesloten accommodatie een inbreuk vormt op de vrijheid en het privéleven van een kind. De opname is een vrijheidsbenemende maatregel die is onderworpen aan de artikelen 5 en 8 EVRM, 9 en 10 IVBPR en 16 IVRK. Dit brengt met zich dat de maatregel alleen kan worden genomen als daarin bij de wet is voorzien en als dit in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid en vrijheden van anderen. In deze zaak, zoals hierna zal blijken, is niet bij wet voorzien in het verzoek dat de GI doet. De eerder gegeven spoedmachtiging had om die reden niet mogen worden verleend.

[minderjarige] staat niet onder toezicht en dit brengt met zich dat het college van burgemeester en wethouders (hierna "het college") van de gemeente waar het kind zijn woonplaats heeft, zelf het verzoek had moeten doen, of een instelling die krachtens mandaat de bevoegdheid heeft om in naam van het college dat verzoek te doen. Artikel 6.1.8 van de Jeugdwet bepaalt immers dat een verzoek gericht op het verkrijgen van een (spoed)machtiging moet worden ingediend door het college als het kind niet onder toezicht staat. Dit brengt met zich dat de GI in haar verzoek niet kan worden ontvangen.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat als het verzoek wel door het college of een gemandateerde instelling zou zijn gedaan, het verzoek niet had kunnen worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.

De kinderrechter kan niet vaststellen dat de beide ouders van [minderjarige] als zijn wettelijke vertegenwoordigers, met de opneming en het verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie instemmen. De aan het verzoekschrift van de GI gehechte instemmingsverklaring is niet door beide ouders ondertekend. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat die twee maal was getekend door de moeder van [minderjarige] en dus niet óók door de vader van [minderjarige] . Om dit verzuim te herstellen, is op de dag van de mondelinge behandeling opnieuw de verklaring van de gedragswetenschapper aan de kinderrechter toegestuurd, nu voorzien van niet alleen de handtekening van de gedragswetenschapper, maar ook van een ander. Dat die handtekening door de vader van [minderjarige] is gezet kan de kinderrechter niet vaststellen en hij kan evenmin door ondertekening van de verklaring van de gedragswetenschapper vaststellen of een ouder instemt met de verzochte maatregel. Ook dit zou aan toewijzing van het verzoek in de weg hebben gestaan.

Een en ander betekent dat de verzochte machtiging niet wordt verleend. Betekent dat ook dat [minderjarige] zijn opname in de gesloten accommodatie waar hij nu verblijft wordt beëindigd?

De kinderrechter heeft tijdens de voorbereiding van de mondelinge behandeling rekening gehouden met de kans dat hij de machtiging niet zou verlenen en daarom ook gekeken wat dit zou betekenen voor [minderjarige] , die - zoveel blijkt uit de stukken - kampt met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig lijken te belemmeren en die waarschijnlijk een intensieve vorm van jeugdhulp met verblijf in een gesloten accommodatie nodig heeft om veilig op te kunnen groeien en om te borgen dat hij door het afbreken van school en zijn persoonlijke problemen door perspectiefverlies, als volwassene niet volwaardig maatschappelijk kan participeren. De kinderrechter heeft daarom van zijn bevoegdheid gebruik gemaakt om de Raad te vragen om de mondelinge behandeling bij te wonen en hem te adviseren.

De Raad heeft, nadat tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de verzochte machtiging niet zou worden verleend, de kinderrechter gevraagd de behandeling kort te schorsen. Nadat de behandeling is hervat, heeft de Raad de kinderrechter verzocht om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI en aan de GI een voorlopige machtiging te verlenen om hem te plaatsen in de gesloten accommodatie waar hij nu verblijft. De Raad heeft daartoe aangevoerd, dat die kinderbeschermingsmaatregelen in de gegeven omstandigheden in het belang van [minderjarige] moeten worden genomen, ter overbrugging van een nieuwe machtiging die het WIJ-team krachtens mandaat van het college wel kan verzoeken en waarvan de vertegenwoordigster van het WIJ-team ook tijdens de mondelinge behandeling heeft aangekondigd dat die zal worden verzocht.

De kinderrechter heeft op grond van de stukken en wat aan hem tijdens de mondelinge behandeling is verteld, het ernstige vermoeden van de aanwezigheid van de gronden die artikel 1:255 lid 1 BW geeft en vindt dat de door de Raad verzochte kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om acute en ernstige bedreigingen zoals in voormeld artikel bedoeld, weg te nemen. Hij zal daarom de verzoeken van de Raad toewijzen.

Omdat niet alle belanghebbenden op het verzoek van de Raad konden worden gehoord, zal de kinderrechter op de voet van de artikelen 800, derde lid en 809, derde lid Rv een mondelinge behandeling van de verzoeken van de Raad moeten bepalen, om alle belanghebbenden in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.

Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt met zich dat de volgende beslissingen moeten worden genomen.

De beslissing


De kinderrechter:

in de zaak met het zaaknummer C/18/200720 / JE RK 20-662:

verklaart de GI in haar verzoek om een (spoed)machtiging te geven voor gesloten jeugdhulp niet-ontvankelijk;

In de zaak met het zaaknummer C/18/200914 / JE RK 20-691:

stelt [minderjarige] voorlopig en daarom voor de duur van vier weken, of zoveel korter of langer als hij nader bepaalt, onder toezicht van de GI;

verleent aan de GI een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling;

verklaart de beslissingen over de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de verzoeken van de Raad opnieuw mondeling worden behandeld op vrijdag 18 september om 13:00 uur;

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de Raad en alle belanghebbenden om voor die mondelinge behandeling te verschijnen; een nadere oproep zal niet worden verzonden.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, op 8 september 2020. De schriftelijke uitwerking daarvan in deze beschikking is door hem gegeven en door hem in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020

RG