Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3034

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
18/129045-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/129045-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 augustus 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 april 2017 tot en met 14 april 2017, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een)
geldbedrag(en) van:
a) €275 (aangever [slachtoffer 1]), en/of
b) €58,35 (aangever [slachtoffer 2]), en/of
c) €120 (aangever [slachtoffer 3]), en/of
d) €106,50 (aangever [slachtoffer 4]), en/of
e) €100 (aangever [slachtoffer 5]), en/of
f) €308,60 (aangever [slachtoffer 6]), en/of
g) €456,50 (aangever [slachtoffer 7]), en/of
h) €106,50 (aangever [slachtoffer 8]), en/of
i) €106,50 (aangever [slachtoffer 9]), en/of
j) €151,50 (aangever [slachtoffer 10]), en/of
k) €156,50 (aangever [slachtoffer 11]), en/of
l) €256,95 (aangever [slachtoffer 12]), en/of
m) €156,50 (aangever [slachtoffer 13]), en/of
n) €308,60 (aangever [slachtoffer 14]), en/of
o) €180 (aangever [slachtoffer 15]), en/of
p) €340 (aangever [slachtoffer 16]), en/of
q) €186,95 (aangever [slachtoffer 17]), en/of
r) €250 (aangever [slachtoffer 18]), en/of
s) €166,50 (aangever [slachtoffer 19]),
althans (een) geldbedrag(en), welk(e) geldbedrag(en) door middel van Marktplaatsoplichting door genoemde aangevers was overgemaakt naar het bankrekeningnummer van verdachte,
door contante betalingen en/of contante geldopnames van het bankrekeningnummer van verdachte, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk -
onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair:

een onbekend gebleven perso(o)n(en), op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 april 2017 tot en met 14 april 2017, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van:
a) €275 (aangever [slachtoffer 1]), en/of
b) €58,35 (aangever [slachtoffer 2]), en/of
c) €120 (aangever [slachtoffer 3]), en/of
d) €106,50 (aangever [slachtoffer 4]), en/of
e) €100 (aangever [slachtoffer 5]), en/of
f) €308,60 (aangever [slachtoffer 6]), en/of
g) €456,50 (aangever [slachtoffer 7]), en/of
h) €106,50 (aangever [slachtoffer 8]), en/of
i) €106,50 (aangever [slachtoffer 9]), en/of
j) €151,50 (aangever [slachtoffer 10]), en/of
k) €156,50 (aangever [slachtoffer 11]), en/of
l) €256,95 (aangever [slachtoffer 12]), en/of
m) €156,50 (aangever [slachtoffer 13]), en/of
n) €308,60 (aangever [slachtoffer 14]), en/of
o) €180 (aangever [slachtoffer 15]), en/of
p) €340 (aangever [slachtoffer 16]), en/of
q) €186,95 (aangever [slachtoffer 17]), en/of
r) €250 (aangever [slachtoffer 18]), en/of
s) €166,50 (aangever [slachtoffer 19]),
althans (een) geldbedrag(en), welk(e) geldbedrag(en) door middel van Marktplaatsoplichting door genoemde aangevers was overgemaakt naar het bankrekeningnummer van verdachte,
door contante betalingen en/of contante geldopnames van het bankrekeningnummer van verdachte, heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet, en/of gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl die onbekend gebleven perso(o)n(en) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 10 april 2017 tot en met 14 april 2017, te Groningen en/of
Emmen, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door opzettelijk aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) zijn, verdachtes, bankpas en/of bijbehorende pincode en/of
bankrekeningnummer mee/af te geven en/of ter beschikking te stellen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 175 uren, subsidiair 82 dagen hechtenis en 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn bankpas ter beschikking heeft gesteld aan iemand die hij kende via een vriend, zodat degene daar zijn uitkering op kon laten storten. Het risico dat er vervolgens criminele handelingen kunnen worden gepleegd met de bankpas is een feit van algemene bekendheid. Op het moment dat verdachte zijn bankpas ter beschikking stelde heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er criminele handelingen zoals onderhavige mee zouden kunnen worden gepleegd. Het subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuiging bewezen worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte is de rekeninghouder van de bankrekening waarop de aangevers geld hebben gestort. Verdachte wist echter nergens van. Hij heeft zijn bankpas uitgeleend aan een vage bekende. Het dossier laat onvoldoende zien dat verdachte daarmee het voorwaardelijk opzet heeft gehad op een criminele handeling met zijn bankpas zoals het witwassen van gelden afkomstig van Marktplaats oplichting. Van medeplegen is geen sprake geweest nu verdachte geen geld heeft ontvangen en geen sprake is geweest van een inwisselbare rol. Voorts heeft verdachte geen opzet gehad op het gronddelict, zodat ook medeplichtigheid niet bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat vast is komen te staan dat de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen die in de periode van 10 april 2017 tot en met 14 april 2017 zijn gestort op bankrekening [rekeningnummer], uit misdrijf afkomstig zijn.

De verschillende bedragen zijn telkens gestort door aangevers die meenden aankopen via Marktplaats te hebben gedaan. Zij bleken echter allen de aangekochte producten nooit te hebben ontvangen. Aldus zijn de in de tenlastelegging genoemde personen opgelicht.

Uit onderzoek is gebleken dat het voornoemde bankrekeningnummer op naam staat van verdachte. Al de bovenomschreven overboekingen zijn terug te vinden op de in het dossier opgenomen bankrekeningafschriften van aangevers en het proces-verbaal van bevindingen met vermelding van de gestorte geldbedragen op bankrekeningnummer [rekeningnummer]. Uit dit proces-verbaal van bevindingen blijkt tevens dat er in de ten laste gelegde periode verschillende malen pinopnames hebben plaatsgevonden bij geldautomaten onder meer in Hoogeveen, Coevorden, Emmen en Groningen.

De rechtbank stelt daarbij vast dat nergens uit het dossier blijkt dat het verdachte zelf zou zijn geweest die gepind heeft. Dit betekent dat het primair ten laste gelegde enkel in de vorm van ‘medeplegen’ zou kunnen worden bewezen, dat wil zeggen: verdachte heeft bij het witwassen nauw en bewust – opzettelijk - samengewerkt met een ander of anderen. Ook voor de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid moet in elk geval opzet op het medeplichtig zijn bestaan.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [naam], een bekende van een vriend, hem vroeg of hij zijn bankpas mocht lenen, zodat hij een uitkering kon aanvragen. Verdachte verklaart dat hij uit eigen ervaring weet dat je zonder bankrekening geen uitkering kunt aanvragen en dat hij wilde helpen. De afspraak was dat de uitkering op verdachtes rekening zou worden gestort, zodat [naam] zijn uitkering vervolgens met de pinpas van de rekening kon halen. Verdachte heeft toen zijn bankpas met pincode ter beschikking gesteld, maar hij heeft de bankpas nooit teruggekregen en enkele dagen daarna ook aangifte gedaan. Hij weet niets van de Marktplaats advertenties en ook niets van de geldbedragen die op zijn bankrekening zijn gestort.

Verdachte heeft met bovenstaande verklaring een alternatief scenario geschetst, waarin verdachtes opzet op elke vorm van samenwerking met de witwasser ontbreekt. Op basis van het dossier valt niet uit te sluiten dat het door verdachte geschetste scenario klopt. Er is immers slechts zeer summier onderzoek gedaan naar de door verdachte genoemde [naam], hoewel het dossier wel meer aanknopingspunten voor onderzoek biedt. Tevens is van geen enkele pinopname uitgezocht, bijvoorbeeld door camerabeelden op te vragen wie deze opnames heeft gedaan. Daarbij is ook het dagelijks gebruik van de bankrekening niet onderzocht. Ook zijn de IP-adressen behorende bij de Marktplaats advertenties en/of de door de verkoper verzonden e-mailberichten niet getraceerd. Zonder deze informatie bevat het dossier geen bewijsmiddelen die de verklaring van verdachte weerleggen. Het gegeven dat het in het algemeen onverstandig is je bankpas aan een vage kennis uit te lenen kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat verdachte dit deed om met de witwasser samen te werken of om hem behulpzaam te zijn. Hierom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van hetgeen hem – primair en subsidiair - ten laste is gelegd.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 7], tot een bedrag van € 456,50 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 13], tot een bedrag van € 156,50 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 4], tot een bedrag van € 106,50 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 15], tot een bedrag van € 180,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

5. [slachtoffer 14], tot een bedrag van € 308,60 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

6. [slachtoffer 10], tot een bedrag van € 151,50 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

7. [slachtoffer 17], tot een bedrag van € 86,95 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

8. [slachtoffer 9], tot een bedrag van € 100,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

9. [slachtoffer 11], tot een bedrag van € 156,50 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

10. [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 275,00 ter vergoeding van materiële schade en € 550,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

11. [slachtoffer 6], tot een bedrag van € 308,60 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

12.. [slachtoffer 12], tot een bedrag van € 250,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

13. [slachtoffer 2], tot een bedrag van € 58,35 ter vergoeding van materiële schade en € 50,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

14. [slachtoffer 5], tot een bedrag van € 140,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

15. [slachtoffer 16], tot een bedrag van € 340,00 ter vergoeding van materiële schade en € 60,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

16. [slachtoffer 18], tot een bedrag van € 250,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

17. [slachtoffer 19], tot een bedrag van € 166,50 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De benadeelde partij [slachtoffer 19] heeft een bedrag gevorderd van € 166,50, terwijl uit de aangifte blijkt van een bedrag van € 160,00. De gevorderde materiële schade kan worden toegewezen tot €160,00. Het resterende bedrag kan worden afgewezen.

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft € 140,00 gevorderd voor een schommelstoel, terwijl uit de aangifte blijkt van een Nijntje lamp. Dot komt niet overeen, zodat de vordering kan worden afgewezen.

De door de overige voornoemde vorderingen van benadeelde partijen gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd en is voor toewijzing vatbaar. De witwasser draagt bij aan het financiële nadeel dat is ontstaan. De gevorderde immateriële schade is niet voor toewijzing vatbaar en kan worden afgewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, zodat de voornoemde vorderingen van benadeelde partijen moeten worden afgewezen.

Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, kan de raadsman zich vinden in de eis van de officier van justitie. Hij merkt daarbij op dat halvering van de gevorderde bedragen op zijn plaats is, nu onduidelijk is welk aandeel het witwassen aan schade heeft veroorzaakt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen. De voornoemde benadeelde partijen zullen daarom niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

1.Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

2. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 13] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

3. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

4. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 15] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

5. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 14] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

6. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 10] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

7. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 17] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

8. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 9] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

9. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 11] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

10. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

11. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

12. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 12] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

13. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

14. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

15. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 16] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

16. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 18] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

17. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 19] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. S. Timmermans en mr. J.H.S Kroeze, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 september 2020.