Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3027

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
18/170950-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 12 december 2018, als bestuurder van een auto, zodanig gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor aan het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Verdachte heeft onoplettend en met een te hoge snelheid, te weten ongeveer 80 kilometer per uur op een weg waar een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur gold, gereden. Hierdoor heeft hij de fietsster voor zich niet tijdig opgemerkt en een botsing niet kunnen voorkomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 175
Wetboek van Strafrecht 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/170950-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 augustus 2020.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Buitenhuis, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 december 2018 in de gemeente Smallingerland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, De Knobben, komende uit de richting van het Noorderend en gaande in de richting van de Alde Laweiswyk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een snelheid liggende tussen 79 en 81 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km per uur, in elk geval met een - gelet op de omstandigheden en/of de verkeerssituatie ter plaatse - te hoge snelheid, te rijden en/of bij de nadering van een fietsster, welke fietsster in dezelfde richting als verdachte reed en door verdachte van achteren werd genaderd, in plaats van die fietsster tijdig op te merken en/of voldoende snelheid te verminderen en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met die fietsster met het door verdachte bestuurde motorrijtuig tegen die fietsster en/of haar fiets aan te rijden en/of te botsen, waardoor die fietsster (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 december 2018 in de gemeente Smallingerland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, De Knobben, komende uit de richting van het Noorderend en gaande in de richting van de Alde Laweiswuk, met een snelheid liggende tussen 79 en 81 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km per uur, in elk geval met een - gelet op de omstandigheden en/of de verkeerssituatie ter plaatse - te hoge snelheid, heeft gereden en/of bij de nadering van een fietsster, welke fietsster in dezelfde richting als verdachte reed en door verdachte van achteren werd genaderd, in plaats van die fietsster tijdig op te merken en/of voldoende snelheid te verminderen en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met die fietsster met het door verdachte bestuurde motorrijtuig tegen die fietsster en/of haar fiets is aangereden en/of gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een veroordeling kan volgen voor het primair ten laste gelegde feit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 augustus 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer van 18 december 2018, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018325120-1 van 30 januari 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 december 2018, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verkeersongevallenanalyse van 18 januari 2019, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 mei 2019 met nummer PL0100-2018325120-11, inhoudend het relaas van verbalisant.

Bewijsoverweging rechtbank

Op 12 december 2018 heeft op de weg De Knobben in de gemeente Smallingerland een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte is daarbij met zijn auto tegen de voor hem fietsende [slachtoffer] gereden, waardoor zij is komen te vallen en een enkelbreuk heeft opgelopen.

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 moet vastgesteld worden dat verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van schuld gaat om het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld. Ook geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid.

De weg waar het ongeval heeft plaatsgevonden, De Knobben, is een klinkerweg. Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de ochtendspits. Verdachte heeft verklaard dat hem tegenliggers tegemoet kwamen, waardoor hij niet kon uitwijken voor het slachtoffer.

De toegestane maximumsnelheid op de plek van het verkeersongeval is 60 kilometer per uur.

Verdachte heeft verklaard dat hij op de teller 70 kilometer per uur reed, hetgeen in werkelijkheid 60 kilometer per uur zou zijn. De rechtbank heeft verdachte hierover ter terechtzitting ondervraagd en acht verdachte niet heel stellig over de snelheid waarmee hij heeft gereden. Daar komt bij dat uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat verdachte op het moment dat hij begon te remmen tussen de 79 en 81 kilometer per uur heeft gereden. Bij deze berekening is de botsfase niet meegenomen, waardoor de werkelijke snelheid volgens de analyse gering hoger heeft gelegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de berekeningen van de verkeersongevallenanalyse te twijfelen en neemt deze daarom over. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt ook dat het verkeersongeval vrijwel zeker niet had plaatsgevonden als verdachte zich aan de toegestane snelheid had gehouden.

Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat verdachte het slachtoffer niet tijdig heeft gezien, terwijl hij het slachtoffer eerder had kunnen en moeten opmerken. Getuige [getuige] die als bijrijder bij verdachte in de auto zat, heeft verklaard dat het dusdanig licht was dat hij het slachtoffer zag fietsen. Ook heeft hij verklaard dat hij dacht dat verdachte haar had gezien, maar hem een kreet hoorde slaan en daarna voelde dat er hard werd geremd.

Uit het hiervoor overwogene volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte te hard en aanmerkelijk onoplettend heeft gereden waardoor hij niet kon voorkomen dat een botsing ontstond met het slachtoffer en dat dit ongeval aan zijn schuld is te wijten. Verdachte is in aanmerkelijke mate tekort geschoten in de zorgvuldigheid die van hem, als bestuurder en ook als beginnend bestuurder, verwacht mocht worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

primair

hij op 12 december 2018 in de gemeente Smallingerland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmee rijdende over de weg, De Knobben, komende uit de richting van het Noorderend en gaande in de richting van de Alde Laweiswyk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend, met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km per uur te rijden en bij de nadering van een fietsster, welke fietsster in dezelfde richting als verdachte reed en door verdachte van achteren werd genaderd, in plaats van die fietsster tijdig op te merken en voldoende snelheid te verminderen en voldoende afstand te bewaren tot die fietsster met het door verdachte bestuurde motorrijtuig tegen die fietsster aan te rijden, waardoor die fietsster, genaamd [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primaire feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op het tijdsverloop, gepleit voor oplegging van een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen met een proeftijd van twee jaren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 12 december 2018, als bestuurder van een auto, zodanig gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor aan het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Verdachte heeft onoplettend en met een te hoge snelheid, te weten ongeveer 80 kilometer per uur op een weg waar een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur gold, gereden. Hierdoor heeft hij de fietsster voor zich niet tijdig opgemerkt en een botsing niet kunnen voorkomen. Verdachte heeft met zijn verkeersgedrag de verkeersveiligheid geschonden. Dit handelen heeft tot gevolg gehad dat het slachtoffer een gebroken enkel heeft opgelopen. Ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer nog altijd niet geheel hersteld is.

De rechtbank weegt voor verdachte in positieve zin mee dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor de gevolgen van zijn handelen en dat hij kort na het ongeval contact heeft gezocht met het slachtoffer en ook nadien nog verschillende malen contact met haar heeft gehad.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf verder in aanmerking genomen dat verdachte geen strafblad heeft. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop van de zaak, nu het feit dateert van ruim anderhalf jaar geleden. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de zaak niet eerder op zitting aangebracht kon worden. De raadsvrouw heeft bepleit om gelet op het tijdsverloop een geldboete op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is een geldboete, gelet op de ernst van het feit, niet passend. De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat verdachte voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn rijbewijs.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank als bijkomende straf een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden aan verdachte opleggen. De rechtbank stelt de proeftijd op drie jaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 60 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van feit primair voorts:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van zes maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 september 2020.