Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3026

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
18/154953-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens mishandeling. Geen ISD-maatregel opgelegd, hoewel verdachte voldoet aan de criteria die de wet stelt voor het opleggen van die maatregel. De reden daarvoor is gelegen in de voorwaardelijke ISD-maatregel die op 18 mei 2020 aan verdachte is opgelegd en waarvan de proeftijd is ingegaan op 2 juni 2020. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk geworden of het voor verdachte mogelijk is geweest om zich in de korte periode tussen 2 juni 2020, het moment waarop hij uit zijn vorige detentie is vrijgekomen, en 12 juni 2020, het moment waarop hij is aangehouden voor de onderhavige verdenking, te houden aan de voorwaarden die zijn gesteld aan die voorwaardelijke ISD-maatregel. Het opleggen van een (tweede) ISD-maatregel acht de rechtbank in het onderhavige geval buitenproportioneel. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/154953-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 september 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] aan het [straatnaam] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 augustus 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema. Namens de reclassering was de heer [naam] aanwezig.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 juni 2020 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] op/tegen het hoofd te stompen en/of te slaan, althans te treffen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 13 juni 2020, opgenomen op

pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-

2020155049 van 14 juni 2020, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 12 juni 2020 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het hoofd te stompen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde de maatregel wordt opgelegd tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

Een ISD-maatregel is niet passend, nu verdachte niet eerder voor een geweldsmisdrijf is veroordeeld. Daarnaast loopt verdachte sinds 18 mei 2020 in de proeftijd van een voorwaardelijke ISD-maatregel, die hem is opgelegd vanwege vermogensdelicten. Die proeftijd, die drie jaar duurt, zal niet lopen gedurende de tijd dat aan verdachte een andere vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Feitelijk betekent dit dat verdachte bij het thans opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar in totaal vijf jaar gebukt gaat onder het juk van een (dreigende) ISD-maatregel, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.

In het geval de rechtbank desondanks een ISD-maatregel oplegt, verzoekt de raadsman om de duur daarvan te beperken tot maximaal één jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 23 juni 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aangever tegen het hoofd gestompt. Uit getuigenverklaringen is gebleken dat verdachte plotseling, vanuit het niets, aangever heeft aangevallen. Ook blijkt uit de getuigenverklaringen dat aangever door dat op hem uitgeoefende geweld buiten bewustzijn is geraakt. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte met veel kracht heeft gestompt, en dat aangever zich op geen enkele wijze heeft kunnen verdedigen tegen deze plotse aanval. Het geweld vond bovendien in het openbaar plaats in het bijzijn van meerdere omstanders. Verdachte heeft hiermee een gevoel van onveiligheid in de maatschappij gecreëerd. De rechtbank neemt verdachte dit alles kwalijk en acht in deze situatie een vrijheidsstraf straf op zijn plaats.

De rechtbank zal niet overgaan tot oplegging van de gevorderde ISD-maatregel, ook al is voldaan aan de strafrechtelijke criteria om aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen. De reden daarvoor is gelegen in de voorwaardelijke ISD-maatregel die op 18 mei 2020 aan verdachte is opgelegd en waarvan de proeftijd is ingegaan op 2 juni 2020. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk geworden of het voor verdachte mogelijk is geweest om zich in de korte periode tussen 2 juni 2020, het moment waarop hij uit zijn vorige detentie is vrijgekomen, en 12 juni 2020, het moment waarop hij is aangehouden voor de onderhavige verdenking, te houden aan de voorwaarden die zijn gesteld aan die voorwaardelijke ISD-maatregel. Het opleggen van een (tweede) ISD-maatregel acht de rechtbank in het onderhavige geval buitenproportioneel.

De rechtbank zal aan verdachte om die reden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen; op die wijze krijgt verdachte na ommekomst van die gevangenisstraf (alsnog) de kans om zich te houden aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de eerder opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 127,70 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering is niet nader onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Primair voert de raadsman aan dat de bewindvoerder van verdachte niet is opgeroepen om verdachte te vertegenwoordigen. Subsidiair voert de raadsman aan dat de vordering niet is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, en wat de hoogte van die schade is. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak geldt.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 10 oktober 2020.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Veen, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 september 2020.

Mrs. Veen en Janssen zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.