Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2929

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
C/18/200335 / JE RK 20-624
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek uithuisplaatsing door GI van jongste kind bij de vader wederom afgewezen in verband met ontoereikende motivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/200335 / JE RK 20-624

datum uitspraak: 25 augustus 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

gevestigd in Groningen,

hierna te noemen de GI,

die betrekking heeft op

[naam 1] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[naam 2] ,

geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. M. Schlepers, kantoorhoudende in Groningen,

[naam vader] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de vader.

Het procesverloop


Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift met bijlagen van de GI van 5 augustus 2020, dat door de griffie van de rechtbank is ontvangen op 6 augustus 2020.

Op 19 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, waarbij zijn verschenen en gehoord:

  • -

    [minderjarige 1] , die apart is gehoord, in het bijzijn van haar hulpverlener;

  • -

    [minderjarige 2] , die apart is gehoord;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van 18 september 2019 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 26 september 2020.

Het verzoek


De GI verzoekt de kinderrechter om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, alsook om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader te verlenen voor de duur van een jaar.

De standpunten

Het standpunt van de moeder

De moeder voert verweer tegen het gehele verzoek van de GI. De moeder stelt, samengevat weergegeven, het volgende.

Het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling is, gelet op het procesreglement, te laat ingediend. Daarbij is het gehele verzoek niet met de moeder en de kinderen besproken. De GI heeft vrijwel geen contact met de kinderen, waardoor de moeder zich afvraagt of de GI wel in staat is om hun belangen in deze te behartigen. Daarnaast bevat het dossier veel onjuiste en verouderde informatie ten aanzien van de moeder en lijken de incidenten ten aanzien van de vader in het dossier te ontbreken dan wel te zijn gebagatelliseerd. De moeder loopt er voortdurend tegenaan dat de GI de vader blind lijkt te volgen.

De moeder ziet dat er problemen zijn, maar die kunnen niet allemaal worden afgeschoven op de verhouding tussen de ouders. Zo is [minderjarige 1] gediagnosticeerd met PTSS, wat volgens de moeder is gelegen in de mishandeling door de vader. Interpsy gaat echter voorbij aan deze mishandeling en concludeert dat er bij [minderjarige 1] (vermoedelijk) sprake is van ouderafwijzing. Interpsy gaat daarbij volledig af op de informatie van de GI, zonder met [minderjarige 1] te spreken. De schuld van de ouderverstoting wordt vervolgens - onterecht - bij de moeder neergelegd.

De moeder heeft meer last dan profijt van de betrokkenheid van de GI. De GI regelt zaken niet, waardoor de moeder overal achteraan moet gaan. Door de betrokkenheid van de GI heeft de moeder echter geen ingang meer bij de instanties en loopt alles enorme vertraging op. Het contact tussen de moeder en de gezinsvoogd verloopt stroef.

Het is duidelijk dat de kinderen hulp moeten krijgen, maar de moeder is in staat om dit zelf, binnen het vrijwillig kader, op te pakken. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom niet nodig.

Het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader is onbegrijpelijk. Het wordt ook niet onderschreven door Accare. Toewijzing van dit verzoek heeft schadelijke gevolgen voor [minderjarige 2] , omdat zij dan uit haar vertrouwde omgeving, netwerk en bij haar vrienden weg wordt gehaald. Daarbij is de moeder fulltime beschikbaar en regelt zij alle zaken, in tegenstelling tot de vader. Bovendien geeft de GI aan, hier ook ter zitting, dat het momenteel goed gaat met [minderjarige 2] , ook op school. De verzochte uithuisplaatsing is daarom niet in het belang van [minderjarige 2] .

De moeder verzoekt de kinderrechter primair om het gehele verzoek af te wijzen en subsidiair om de machtiging tot uithuisplaatsing (bij toewijzing) niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het standpunt van de vader

De vader staat achter het gehele verzoek van GI.

Daar waar de kinderen centraal zouden moeten staan, staat de moeder centraal. Haar gedrag is allesbepalend geweest in hoe de afgelopen twee jaren zijn verlopen. Ze heeft structureel niet meegewerkt aan het uitvoeren van de opdrachten van de rechter en gedraagt zich als een alleenheerser die geen tegenstand of tegenspraak duldt. Degenen die dat wel deden, kregen allemaal een officiële klacht aan hun broek. In de afgelopen twee jaren is er bij de moeder dan ook weinig blijk geweest van zelfreflectie, van het herkennen en erkennen van haar aandeel in de ontstane situatie. Er is daardoor geen positieve ontwikkeling in haar gedrag geweest. De moeder heeft met haar gedrag alle initiatieven getraineerd die zijn ontplooid om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen te verminderen. Hierdoor is er geen enkel doel van de ondertoezichtstelling behaald. Zo is er geen contactherstel tussen [minderjarige 1] en de vader gerealiseerd en hebben de kinderen nog steeds geen psycho-educatie gehad. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet daarom worden verlengd.

Het is verdrietig dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien in een opvoedingssituatie waarin sprake is van eenzijdige negatieve beeldvorming over de vader en waarin zij leren om op provocerende wijze over hem te denken en te praten. [minderjarige 2] heeft het goed bij de vader; ze is vrolijk en ontspannen en gedijt goed op de structuur die de vader biedt. Desondanks zal [minderjarige 2] uiteindelijk de vader de rug toekeren, uit loyaliteit richting de moeder. Als er niet ingegrepen wordt, is de vader straks niet alleen [minderjarige 1] maar ook [minderjarige 2] kwijt.

De GI behartigt de belangen van de kinderen en voorziet de rechtbank van advies over de te nemen stappen. De GI adviseert nu voor de tweede keer, in samenspraak met verschillende experts, een uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader. De vader hoopt dat de rechtbank dit advies ter harte neemt.

Het standpunt van de GI

Er is sprake van langdurige en complexe echtscheidingsproblematiek tussen de ouders, waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een loyaliteitsconflict zitten.

[minderjarige 1] heeft geen andere uitweg gezien dan het contact met de vader helemaal af te wijzen. Er is sprake van eenzijdige negatieve beeldvorming over de vader. De moeder zegt begrip te hebben voor het afwijzen van de vader door [minderjarige 1] , waarmee zij dit in feite ondersteund. De zorg bestaat dat [minderjarige 1] niet openstaat voor behandeling vanuit Accare, met als risico dat haar negatieve gevoelens over zichzelf verder versterken, ze depressief wordt en weer een suïcidepoging zal doen. De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor een jaar verlengd moet worden, om de behandeling vanuit Accare te blijven volgen.

[minderjarige 2] probeert haar veiligheid te ontlenen door zich in het contact met de moeder niet te laten begrenzen en zich niet te laten aanspreken, waarbij ze fysiek en verbaal geweld laat zien richting spullen en anderen. Het risico is groot dat als de huidige situatie blijft bestaan, [minderjarige 2] steeds verder verhard in dit gedrag, een antisociale persoonlijkheid ontwikkelt en van niemand meer affectie kan ontvangen en toelaten. Dit brengt ernstige (gedrags)risico's met zich mee. De persoonlijke problematiek van de moeder blijkt van invloed te zijn op de opvoedingssituatie. De moeder laat patronen zien waarbij haar draagkracht regelmatig wordt overschreden, waardoor zij de opvoeding van [minderjarige 2] niet meer aankan en een beroep doet op de GI, de vader en/of de hulpverlening. [minderjarige 2] is gevoelig voor stress en spanning en reageert dan gedragsmatig, wat regelmatig leidt tot conflicten in de opvoedingssituatie bij de moeder. [minderjarige 2] reageert goed op de rust en structuur die in de opvoedingssituatie bij de vader wordt geboden. De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor een jaar verlengd moet worden en dat het in [minderjarige 2] ´s belang is dat zij bij de vader gaat wonen, zodat er vanuit die rust en stabiliteit kan worden bekeken of haar gedrag functioneel en/of situationeel gedrag is en er kan worden bepaald wat zij nodig heeft van haar ouders.

De beoordeling

De kinderrechter dient thans te beoordelen of de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd moet worden en of een uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is.

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling

De kinderrechter stelt allereerst vast dat de GI ontvankelijk is in het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling, nu de termijnoverschrijding slechts één (werk)dag betreft en het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat het verzoek inhoudelijk wordt behandeld. Ten aanzien van de inhoud van het verzoek overweegt de kinderrechter het volgende.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er al langdurig ernstige zorgen over de ontwikkeling en het welbevinden van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bestaan, welke zorgen onder meer zijn gelegen in de problematische verstandhouding tussen de ouders. Deze zorgen zijn vorig jaar ook uitgesproken en zijn toen voor de GI aanleiding geweest om eenzelfde verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in te dienen. De kinderrechter heeft dit verzoek destijds afgewezen, omdat er nog mogelijkheden werden gezien om de zorgen binnen de opvoedingssituatie bij de moeder weg te nemen. Het traject Ouderschap na Scheiding van Elker is toen aan de orde gekomen. De ouders hebben uiteindelijk een traject bij Interpsy gevolgd, maar hebben dit niet met het gewenste resultaat afgerond. Interpsy heeft moeten concluderen dat een parallel-ouderschap, waarbij de ouders geen contact meer met elkaar hebben, het hoogst haalbare is in deze situatie. Dit betekent dat de situatie ten opzichte van vorig jaar vrijwel onveranderd is gebleven en dat de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds aanwezig zijn.

Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:

  • -

    de voortdurende strijd tussen de ouders;

  • -

    het gebrek aan een gestructureerde, stabiele, veilige en duidelijke opvoedingssituatie;

  • -

    hun gedragsproblematiek en het gebrek aan passende hulpverlening hiervoor;

  • -

    het gebrek aan (onbelast) contact met beide ouders;

  • -

    de persoonlijke problematiek van de moeder.

Ondanks dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot op heden niet heeft geleid tot structurele, positieve veranderingen, acht de kinderrechter het wel van belang dat de gezinsvoogd nog een periode betrokken blijft. Dit heeft met name te maken met het parallel-ouderschap, waar nog vorm aan moet worden gegeven. Hierdoor zal de als eerst genoemde bedreiging uiteindelijk (moeten) verdwijnen Hulpverlening in het vrijwillig kader wordt hiervoor onvoldoende toereikend geacht, gelet op de verstandhouding tussen de ouders. Ook de overige bedreigingen zullen in het kader van het parallel ouderschap grotendeels ondervangen moeten en kunnen worden. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar.

Ten aanzien van de uithuisplaatsing

Door de GI is aangegeven dat er na de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader kan worden gekeken of haar gedrag functioneel is. Of er sprake is van functioneel gedrag, zou uit onderzoek moeten blijken en niet uit een nieuwe woonomgeving waarin [minderjarige 2] wordt gescheiden van haar vertrouwde omgeving, haar zus, haar school en haar vriendjes en vriendinnetjes. Dit brengt onnodige en onwenselijke onrust met zich mee, terwijl de uitkomst van een dergelijke wijziging in het hoofdverblijf ongewis is. Dit acht de kinderrechter dan ook niet in het belang van [minderjarige 2] .

De moeder en de GI geven verschillende lezingen van de gebeurtenissen, zoals de vader dit ook doet. Wat de waarheid is, is voor de kinderrechter op basis van het dossier en het besprokene niet te verifiëren. Wel is het duidelijk dat de moeder veel tijd en energie steekt in het corrigeren van - in haar ogen - foute beslissingen en uitlatingen, door klachtprocedures aanhangig te maken. Deze tijd en energie zou beter kunnen worden besteed aan de begeleiding en ondersteuning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de geconstateerde problematiek. De kinderrechter wil hiermee de moeder niet diskwalificeren, maar gezien de beslissing die hierna volgt, zal er meer aandacht en tijd aan systeemtherapie moeten worden besteed. Dit in het kader van parallel-ouderschap, zoals door Interpsy is geadviseerd.

De kinderrechter geeft de GI in overweging, naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige 1] en om [minderjarige 1] wellicht weer te kunnen bereiken, een andere gezinsvoogd te benoemen, overigens zonder dat de kinderrechter van oordeel is dat de huidige gezinsvoogd niet haar uiterste best heeft gedaan om in deze zaak een ieder op het juiste spoor te krijgen.

De beslissing


De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 26 september 2021;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. Stuiver, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

MMvR