Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2862

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
127111 / HA RK 19-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

s exploitant van een kartbaan aansprakelijk op grond van 6:174 BW (opstal) of 6:162 BW (kelderluikcriteria) voor een ongeval waarbij de kart tegen een paal op de kartbaan is gereden? Als uitgangspunt moet gelden dat aan de verplichting van een exploitant van een kartbaan om maatregelen te treffen om de veiligheid van de gebruikers te waarborgen hoge eisen moeten worden gesteld. Om vast te kunnen stellen of de exploitant aan deze eisen heeft voldaan, is nader (deskundigen)onderzoek nodig. Zaak leent zich niet voor een deelgeschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: 127111 / HA RK 19-30

Beschikking in een deelgeschil van 26 augustus 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats]

verzoeker,

advocaat mr. S. Boer,

tegen

[verweerder] ,

h.o.d.n. [naam]
wonende en zaakdoende te [woonplaats] ,

verweerder,

advocaat mr. J. Doornbos.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als [verzoeker] en [verweerder] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] van 20 mei 2019;

- het verweerschrift van [verweerder] van 15 januari 2020;

- de mondelinge behandeling op 20 januari 2020;

- de op de mondelinge behandeling voorgedragen pleitnota van [verzoeker] ;

- de akte van [verzoeker] van 29 mei 2020;

- de fax van [verweerder] van 2 juni 2020, waarin bezwaar is gemaakt tegen de akte van [verzoeker] ;

- de brief van de griffier aan partijen van 4 juni 2020 waarin is meegedeeld dat de akte is toegelaten en [verweerder] in de gelegenheid wordt gesteld om een antwoordakte te nemen;

- de antwoordakte van [verweerder] van 22 juni 2020.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

1.3.

Ter toelichting op de beslissing van de rechtbank om de akte van [verzoeker] toe te laten, overweegt de rechtbank het volgende. [verweerder] heeft aangevoerd dat op de mondelinge behandeling is afgesproken dat partijen zich mochten uitlaten over het inwinnen van een (gezamenlijk) deskundigenbericht. De akte van [verzoeker] is geen mededeling maar kwalificeert naar omvang en inhoud als een conclusie van repliek. Dat is volgens [verweerder] niet alleen in strijd met de instructie van de rechtbank, maar ook met de goede procesorde en verhoudt zich niet tot het karakter van het deelgeschil. De rechtbank is het met [verweerder] eens dat de akte meer omvat dan volgens de instructie van de rechtbank was toegestaan. Uit een oogpunt van goede rechtsbedeling heeft de rechtbank de akte toch toegelaten, waarbij [verweerder] de gelegenheid heeft gekregen om inhoudelijk op de akte te kunnen reageren. De extra tijd die dit heeft gekost, is naar haar oordeel niet zodanig dat hierdoor de goede procesorde is geschaad.

2 De feiten

2.1.

Ten tijde van de gebeurtenissen waar het in deze zaak om gaat exploiteerde [verweerder] met zijn eenmanszaak [naam] een kartcentrum, Indoorkarting [plaats] , aan de [adres] in [plaats] .

2.2.

Op 7 november 2015 verscheen [verzoeker] , samen met zijn [naam stiefvader] en zijn [naam zwager] , bij het kartcentrum van [verweerder] om te gaan karten. Nadat zij zich aan de balie hadden gemeld hebben [verzoeker] , [naam stiefvader] en [naam zwager] alle drie een formulier ingevuld.

2.3.

Daarna hebben [verzoeker] , [naam stiefvader] en [naam zwager] overalls en helmen gekregen en is hun uitleg gegeven over de werking van de karts en regels voor het gebruik van de baan. Toen ze vervolgens aan hun eerste ronde op de baan wilden beginnen, bleek de kart van [verzoeker] in eerste instantie niet te starten. Uiteindelijk is de kart wel gestart. [verzoeker] heeft één volledige ronde over de baan afgelegd zonder problemen.

2.4.

Tijdens de tweede ronde is hij met zijn kart tegen een paal gebotst die in de splitsing stond tussen de pitstraat en de doorgaande rijbaan. Als gevolg van die botsing heeft hij breuken opgelopen in zijn beide enkels. Verder heeft hij aan de botsing klachten overgehouden aan zijn rug, heup, knie, handen en polsen. Hij is zijn baan kwijtgeraakt, heeft een opleiding waaraan hij was begonnen niet kunnen afmaken en is uiteindelijk in de ziektewet terechtgekomen, waardoor hij er in inkomen op achteruit is gegaan.

2.5.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 21 juni 2017 [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de schade die [verzoeker] door het ongeluk heeft geleden. De advocaat van [verweerder] heeft daarop gereageerd bij brief van 2 oktober 2017, waarin aansprakelijkheid voor de schade werd afgewezen.

2.6.

Op 5 april 2018 is brand uitgebroken op de kartbaan, die daardoor geheel is verwoest.

2.7.

Op verschillende data in 2018 en 2019 zijn [verzoeker] , [naam stiefvader] , [naam zwager] en [verweerder] door de rechtbank als getuigen gehoord in een voorlopig getuigenverhoor.

2.8.

[verweerder] heeft als productie 2 bij het verweerschrift twee formulieren meegestuurd. Op het eerste formulier staat:

"INSCHRIJFFORMULIER INDOOR FUN CITY HOOGEVEEN KARTING

ALGEMENE VOORWAARDEN: *Ondergetekende

Heat

Kart

Race-naam:

Verklaart door ondertekening van dit formulier akkoord te gaan met:
1. De hem/haar voor ondertekening van dit formulier uitgereikte voorwaarden en spelregels van [naam] [plaats] in het pand aan de [adres] , [postcode] te [plaats] .

2. Alle mondelinge en schriftelijke aanwijzingen van personeel en deze direct op te volgen.

3. Het vertonen van zodanig gedrag, dat orde, veiligheid en sportiviteit worden bevorderd."

Verder is er ruimte voor het invullen van naam, adres en woonplaats. Onder aan het formulier staat "Voor akkoord: (Handtekening)". Het formulier is niet ingevuld.

2.9.

Het tweede formulier dat [verweerder] heeft meegestuurd vermeldt onder meer:

"[…] 3. AANSPRAKELIJKHEID

3.1

[naam] is tegenover ondertekenaar en derden op generlei wijze aansprakelijk voor

- schade aan personen: letsel of aantasting van de gezondheid al dan niet de dood ten gevolge hebbend en de daaruit voortvloeiende schade;

- schade aan zaken: vernietiging, beschadiging, vermissing of verontreiniging van zaken en de daaruit voortvloeiende schade;

- vermogensschade, anders dan schade aan personen en schade aan zaken in verband met geleverde goederen of diensten, tenzij de schade zijn oorzaak vindt in grove schuld of nalatigheid bij de uitvoering van de overeenkomst.

3.2

[naam] is met name niet aansprakelijk voor schade indien deze schade (mede) zijn oorzaak vindt in het niet nakomen van gestelde regels door of gegeven aanwijzingen van Indoor Kartracing Hoogeveen.

3.3

Indoor Kartracing Hoogeveen is met name niet aansprakelijk voor schade als gevolg van eigen rijgedrag of rijgedrag van anderen op de kartbaan. Ondertekenaar is bekend met de risico's van deelname aan de indoorkartsport en verklaart hiervoor in voldoende lichamelijke conditie te zijn […]".

3 Het geschil
3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om tussen partijen voor recht te verklaren dat [verweerder] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] op 7 november 2015 is overkomen, en dat [verweerder] daarom gehouden is de schade van [verzoeker] te vergoeden. Verder verzoekt hij de rechtbank de kosten van de procedure te begroten en [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] die kosten, en het griffierecht dat [verzoeker] heeft moeten betalen, te vergoeden.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek primair ten grondslag dat de kartbaan moet worden aangemerkt als een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens hem voldeed de kartbaan niet aan de eisen die daaraan onder de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld. Hij brengt daarbij in de eerste plaats naar voren dat rond de betrokken paal geen voldoende stootwerend of stootabsorberend materiaal was aangebracht, maar alleen een kunststof mat, die de klap klaarblijkelijk niet of niet voldoende heeft kunnen opvangen. In de tweede plaats had een andere inrichting van de baan een ongeval zoals dit kunnen voorkomen, aldus [verzoeker] . De paal stond direct na een bocht, zodat te voorzien was dat iemand die de bocht niet goed zou nemen met de paal in botsing zou kunnen komen. Subsidiair baseert [verzoeker] zijn verzoek op artikel 6:162, eerste lid, BW. Hij betoogt dat [verweerder] onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld. Naast de zojuist genoemde omstandigheden hebben volgens hem [verzoeker] , [naam stiefvader] en [naam zwager] voorafgaand aan het karten slechts gebrekkige instructies gekregen en werd er onvoldoende toezicht gehouden op de baan. Ook ontbrak ten onrechte een veiligheidsgordel in de kart.

3.3.

[verweerder] is van mening dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen. Volgens hem leent deze zaak zich niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Zo'n procedure is namelijk bedoeld om afhandeling van letselschadeclaims buiten de rechter om te bevorderen en impasses in de buitengerechtelijke onderhandelingen te doorbreken, maar daarvan is hier geen sprake. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat nog nadere bewijsvoering of een deskundigenbericht nodig is, waar de deelgeschilprocedure niet geschikt voor is. Verder betwist [verweerder] dat de baan niet voldeed aan de eisen die daaraan konden worden gesteld, of dat hij anderszins onrechtmatig heeft gehandeld. De betrokken paal lag volgens hem buiten de normale rijlijn van de karts op de baan en was afgeschermd met rubberbanden en een vangrail. [verzoeker] heeft verder voldoende instructie gekregen over de kart, de baan en de manier waarop gereden zou moeten worden. Ook werd voldoende toezicht gehouden. Veiligheidsgordels ontbraken, maar die zijn niet verplicht op banen zoals deze, en zouden het letsel dat [verzoeker] heeft opgelopen ook niet hebben kunnen voorkomen. Ten slotte doet [verweerder] een beroep op de algemene voorwaarden, waarin een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen. Voor zover de rechtbank wel aansprakelijkheid van [verweerder] zou aannemen, doet [verweerder] een beroep op eigen schuld aan de kant van [verzoeker] .

4 De beoordeling

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van [verweerder] is zijn beroep op beperking van aansprakelijkheid in de algemene voorwaarden. Als dat beroep slaagt zou dat eraan in de weg kunnen staan dat aansprakelijkheid van [verweerder] voor de schade van [verzoeker] wordt aangenomen, en in dat geval zal het verzoek van [verzoeker] alleen al om die reden moeten worden afgewezen. Dit verweer bespreekt de rechtbank daarom als eerste.

4.2.

Het verweer slaagt niet. Ten eerste kan niet worden vastgesteld dat de algemene voorwaarden die als productie 2 bij het verweerschrift zijn overgelegd deel uitmaakten van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [verweerder] heeft immers geen onderbouwde feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [verzoeker] heeft ingestemd met de toepasselijkheid daarvan, terwijl [verzoeker] heeft verklaard dat hij dacht dat het formulier dat hij invulde diende om de rondetijden bij te houden. Daarnaast heeft [verzoeker] tijdens zijn verhoor als getuige verklaard dat hij niet meer weet of het formulier dat als productie 2 bij het verweerschrift zit (en waar de verwijzing naar de voorwaarden op staat) hetzelfde formulier is dat hij heeft ingevuld bij de inschrijving, en ook niet of hij het formulier dat hij heeft ingevuld überhaupt heeft ondertekend. Maar zelfs als de rechtbank ervan uit zou gaan dat de overgelegde voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen, kan het beroep daarop [verweerder] niet baten, nu [verzoeker] de vernietigbaarheid van die voorwaarden heeft ingeroepen op de grond dat de voorwaarden hem niet ter hand zijn gesteld. Bij een dergelijk beroep is het aan de gebruiker van de voorwaarden, in dit geval dus [verweerder] , om voldoende te onderbouwen dat de voorwaarden inderdaad aan de wederpartij, in dit geval [verzoeker] , ter hand zijn gesteld (arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394). [verweerder] heeft weliswaar verklaard dat er op de balie A4'tjes lagen met daarop de voorwaarden, maar [verzoeker] heeft verklaard dat hij geen algemene voorwaarden heeft zien liggen. Bovendien is de enkele omstandigheid dat er A4'tjes met daarop algemene voorwaarden op de balie liggen niet voldoende om te kunnen zeggen dat die voorwaarden aan de wederpartij ter hand zijn gesteld. [verweerder] heeft geen nadere onderbouwing gegeven van zijn betoog op dit punt. Voor zover de bedoelde voorwaarden al deel zouden uitmaken van de overeenkomst tussen partijen, doet [verzoeker] dus terecht een beroep op vernietiging daarvan. De algemene voorwaarden, en de beperking van de aansprakelijkheid die daarin is opgenomen, staan dan ook niet in de weg aan het aannemen van aansprakelijkheid voor de schade van [verzoeker] .

4.3.

Met betrekking tot de vraag of deze zaak zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.

Doel van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van dergelijke schade. Artikel 1019w, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt, kort gezegd, dat iemand die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de rechter kan verzoeken te beslissen over een geschil over wat tussen hen rechtens geldt. Het moet daarbij volgens dat artikel gaan om een geschil waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering van de benadeelde. De wetgever heeft bij het ontwerp van deze wet de situatie voor ogen gehad dat onderhandelingen tussen de betrokken partijen zijn vastgelopen, maar dat deze na beslechting van een deelgeschil door de partijen succesvol kunnen worden afgesloten. Blijkt ‘dat naast het deelgeschil over wezenlijke andere geschilpunten ook nog geen overeenstemming is bereikt, dan is de zaak (nog) niet geschikt voor een deelgeschilprocedure’, aldus de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 518 nr. 8, p. 18). Artikel 1019z van het Rv bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij geldt dat de investering in tijd, geld en moeite moet worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

4.5.

Op basis van het hiervoor geschetste karakter van een deelgeschilprocedure, komt de rechtbank tot het oordeel dat het voorliggende verzoek van [verzoeker] niet geschikt is om in een dergelijke procedure te worden behandeld. Daarvoor is niet per se bepalend dat, zoals [verweerder] aanvoert, [verzoeker] na de verschillende voorlopige getuigenverhoren geen contact meer met hem heeft gezocht om te proberen tot een minnelijke regeling te komen. De hiervoor genoemde artikelen stellen immers niet de eis dat er al daadwerkelijk is of wordt onderhandeld tussen partijen, maar vereisen alleen dat de beslissing op het verzoek voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Ook het feit dat het geschil tussen partijen met name gaat over de vraag of [verweerder] überhaupt aansprakelijk is, betekent op zichzelf – zoals partijen ook erkennen – nog niet dat alleen al om die reden behandeling in een deelgeschil is uitgesloten. Wel zal de rechter zich ook in dat geval op grond van artikel 1019z Rv moeten afvragen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan te verwachten is dat de behandeling daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zal nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zullen zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518 nr. 3, p. 10).

4.6.

Voor een inhoudelijke beoordeling van de vraag of [verweerder] als exploitant van de kartbaan aansprakelijk is op grond van artikel 6:174, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:181, eerste lid, BW, zou de rechtbank zich een oordeel moeten vormen over de vraag of de baan al dan niet voldeed aan daaraan redelijkerwijs te stellen eisen. Daarbij komt het, zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 (Dijkdoorbraak Wilnis), aan op de naar objectieve maatstaven te beantwoorden vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Of de baan aan de daaraan te stellen eisen voldeed kan de rechtbank echter, aan de hand van de gegevens die partijen tot nu toe hebben verschaft, niet zonder meer vaststellen. Partijen zijn het uitdrukkelijk niet eens over een aantal feiten die in dit verband essentieel zijn, zoals op wat voor manier de betrokken paal was afgeschermd, de precieze plaats van de paal ten opzichte van de normale rijlijn van de karts, en de plaats van de paal voor, in of na een al dan niet flauwe bocht. Maar ook de vraag welke eisen redelijkerwijs aan de inrichting van een kartbaan als deze kunnen worden gesteld kan de rechtbank niet zonder meer beantwoorden aan de hand van wat partijen tot nu toe naar voren hebben gebracht. Op beide punten zal naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek nodig zijn, al dan niet in de vorm van verdere bewijslevering of onderzoek door een deskundige.

4.7.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat nader onderzoek door een deskundige niet nodig is. Hij merkt op dat een relatief onervaren, recreatieve bezoeker van een kartbaan zoals [verzoeker] , die niet roekeloos heeft gereden, niet hoeft te verwachten dat op het moment dat hij de controle over het stuur enigszins verliest in een bocht, hem als gevolg daarvan ernstig letsel overkomt. De rechtbank merkt op dat uit het arrest over de dijkdoorbraak in Wilnis blijkt dat de Hoge Raad met name de aard, de bestemming en de waarborgfunctie van – in dat geval – de doorgebroken dijk zag als zwaarwegende factoren. In het hier voorliggende geval gaat het niet om een dijk, maar om een baan bestemd om te karten. Karten is een gemotoriseerde snelheidssport met een zeker wedstrijdelement, die, zoals beide partijen ook onderkennen, de nodige risico's op mogelijk ernstig letsel oplevert. Daar komt bij dat veelal niet alleen ervaren karters, maar ook bezoekers zonder of met vrijwel geen kartervaring van een dergelijke baan gebruikmaken. Bij de uiteindelijke bepaling of de exploitant voldoende maatregelen heeft getroffen om schade bij de gebruikers te voorkomen, zal aan deze aard en bestemming van de kartbaan op grond van het aangehaalde arrest van de Hoge Raad een bijzonder gewicht toekomen. Dat betekent dat als uitgangspunt moet gelden dat aan de verplichting van de exploitant van een kartbaan om maatregelen te treffen om de veiligheid van de gebruikers te waarborgen hoge eisen moeten worden gesteld. De enkele omstandigheid dat [verzoeker] , zonder duidelijk aanwijsbare reden, een ongeval op de kartbaan is overkomen, brengt echter nog niet met zich dat zonder meer vastgesteld kan worden dat [verweerder] als exploitant niet aan deze verplichting heeft voldaan. Om vast te stellen of [verweerder] al dan niet aan deze verplichtingen heeft voldaan, is anders dan [verzoeker] stelt, nader onderzoek door een deskundige nodig. In dat onderzoek zullen gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad ook moeten worden betrokken de fysieke toestand van de kartbaan, de kenbaarheid van eventuele gebreken, de daaraan verbonden gevaren en de technische mogelijkheden tot het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen.

4.8.

Voor de vraag of artikel 6:162, eerste lid, BW een voldoende grondslag biedt voor aansprakelijkheid van [verweerder] geldt in grote lijnen hetzelfde. Of – zoals [verzoeker] betoogt – sprake is van onrechtmatige gevaarzetting, hangt af van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (arrest van de Hoge Raad van 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, Kelderluik). Ook in dit kader doen zich de hiervoor geschetste problemen voor met betrekking tot het vaststellen van de precieze feitelijke situatie en de meer normatieve vragen naar de maatregelen die redelijkerwijs genomen hadden kunnen worden. Dat geldt niet alleen voor de (fysieke) inrichting van de baan en de manier waarop de paal was afgeschermd, maar ook voor de gegeven instructies, de manier waarop toezicht is gehouden en de aanwezigheid van veiligheidsgordels in de karts. Welke instructies en welke mate van toezicht nodig zijn, en of het nodig is dat de karts zijn uitgerust met veiligheidsgordels, is immers onder meer afhankelijk van de manier waarop de baan feitelijk is ingericht. Dit alles betekent dat ook bij de beoordeling van de aansprakelijkheid op deze grondslag nader onderzoek is aangewezen.

4.9.

Dergelijk onderzoek vergt uiteraard tijd en brengt mogelijk aanzienlijke kosten met zich en leent zich daarom niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Dat betekent dat het verzoek moet worden afgewezen.

4.10.

Op grond van artikel 1019aa, eerste lid, Rv begroot de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt in de beschikking en neemt daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, BW in aanmerking. [verzoeker] heeft de kosten begroot op € 4.713,56, uitgaande van 15 uur à € 245,00, 6 procent kantoorkosten en 21 procent BTW. De tijd voor bestudering van het verweerschrift, de voorbereiding van de zitting en de zitting zelf heeft [verzoeker] begroot op € 2.450,00, exclusief 6 procent kantoorkosten en 21 procent BTW, uitgaande van 10 uur à € 245,00. Gezien de aard en de complexiteit van de zaak, en het feit dat [verweerder] deze begroting niet gemotiveerd heeft betwist, acht de rechtbank zowel het feit dat de kosten zijn gemaakt als de hoogte ervan redelijk. Met inbegrip van het griffierecht dat [verzoeker] voor de behandeling van het verzoek heeft moeten voldoen, komen de totale begrote kosten aan de kant van [verzoeker] uit op € 8.152,93.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

begroot de kosten van het deelgeschil, als bedoeld in artikel 1019aa, eerste lid, Rv, op € 8.152,93;

5.2.

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, en mr. J. Wichers en mr. T.A. Oudenaarden, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.