Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2841

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
18/730252-15 vord. verl. tbs
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

verlenging TBS 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer 18/730252-15

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 4 augustus 2020 op een vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling

in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de [instelling],

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling van de veroordeelde zal verlengen met twee jaren.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2020, waarbij aanwezig waren veroordeelde via een directe beeld- en geluidsverbinding, diens raadsman mr. G.R. Stoeten, de officier van justitie mr. P.M. van der Spek en J.J. Tamminga als deskundige via een directe beeld- en geluidsverbinding.

De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name het door het (plaatsvervangend) hoofd van de FPC Dr. S. van Mesdag ondertekende verlengingsadvies d.d. 5 juni 2020, alsmede de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.

De rechtbank heeft voorts gelet op de adviezen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv), opgemaakt door I. Maksimovic, psychiater, en L.M.L. Thung, klinisch psycholoog, beiden niet verbonden aan de instelling waar de veroordeelde wordt verpleegd.

Motivering

De opgelegde terbeschikkingstelling

Bij vonnis van 12 februari 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland veroordeelde ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege wegens poging tot verkrachting, mishandeling en feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

De terbeschikkingstelling is aangevangen op 4 augustus 2016 en laatstelijk op 15 augustus 2018 verlengd met twee jaren.

Het advies van de instelling

In het verlengingsadvies wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren. In het verlengingsadvies is – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende aangegeven.

Veroordeelde is een thans 37-jarige man met een verstandelijke beperking. Er is sprake van een beperkte sociaal-emotionele ontwikkeling. De zelfredzaamheid is matig waardoor hij op meerdere levensgebieden afhankelijk is van blijvende ondersteuning en structurering. Daarnaast is er sprake van beperkingen in het cognitief functioneren, welke passen bij het intelligentieniveau. Tezamen maakt dit dat veroordeelde regelmatig moeite heeft om (sociale) situaties te overzien en dat hij moeite heeft om de consequenties van zijn gedrag te overzien. Naast bovenstaande is er tevens sprake van een stoornis in alcoholgebruik, welke op dit moment al geruime tijd in remissie is onder toezicht.

Veroordeelde bevindt zich nog in de delictgerelateerde fase van de behandeling. Gezien de beperkte verstandelijke capaciteiten zal hij naar verwachting vrijwel alleen kunnen profiteren van behandelmodules die gericht zij op het versterken van de vaardigheden. Op dit moment bestaat de verwachting dat veroordeelde in de toekomst afhankelijk zal blijven van structurele begeleiding en ondersteuning om zich staande te kunnen houden en delictvrij te blijven.

Zonder een zorgvuldig en stapsgewijs behandel- en resocialisatietraject, waarbij veel aandacht wordt besteed aan het bieden van begeleiding en structuur en het opbouwen van een adequaat (hulpverlenings-)netwerk, zullen de risico’s snel toenemen. Bij beëindiging van de terbeschikkingstelling zal de huidige mate van toezicht, structuur en begeleiding wegvallen en wordt het risico op recidive hoog ingeschat. Deze inschatting komt tevens naar voren uit de risicotaxatie. Op dit moment heeft veroordeelde onvoldoende vaardigheden om in een setting te verblijven met een minder hoog beveiligingsniveau dan een FPC. De verwachting is dat het behandeltraject zeker twee jaar in beslag zal nemen. Geadviseerd is de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen met twee jaar.

De deskundige J.J. Tamminga, verpleegkundig specialist GGZ/behandelcoördinator van de kliniek, heeft ter zitting – zakelijk weergegeven – het advies als volgt bevestigd en toegelicht:

Er is een prettige samenwerking met veroordeelde. Hij is gemotiveerd en staat open voor feedback. Het gaat beter dan een aantal jaar geleden. Het vertrouwen van veroordeelde in de behandelaren/kliniek is gegroeid. Aanvankelijk was er weerstand en onzekerheid, maar nu kan het gesprek met veroordeelde worden aangegaan.

De delictgerelateerde fase is een middenfase. De beginfase is vooral observatie en diagnostiek. Dan wordt beoordeeld wat iemand kan en welke therapie nodig is. In de middenfase worden de delictfactoren behandeld. Het gaat bij veroordeelde onder meer om het omgaan met spanningen. Hij volgt gemotiveerd zijn trainingen en krijgt vertrouwen. Er volgt nog uitbreiding van de therapie (psycho motorisch) over afstand en nabijheid, zodat veroordeelde leert om te gaan met de persoonlijke ruimte van anderen. Veroordeelde heeft eenmaal een collega achtervolgd en meermalen een collega begluurd. Met veroordeelde is dan besproken hoe hij op een normale manier contact kan maken met anderen.

Veroordeelde heeft begeleid verlof. Het is nog onduidelijk wanneer onbegeleid verlof kan aanvangen, vanwege de risico’s.

De adviezen van de deskundigen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid Sv

Het door de deskundige I. Maksimovic, psychiater, op 27 mei 2020 opgemaakte rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij veroordeelde is sprake van een matige verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van alcohol, in remissie in een gereguleerde omgeving. Het risico op recidive vloeit voort uit veroordeeldes stoornissen. Vanwege zijn matige verstandelijke beperking heeft veroordeelde onvoldoende copingvaardigheden ontwikkeld (of geïnternaliseerd in de loop van de behandeling) om met stress, spanning en onduidelijkheid om te gaan. Ook heeft hij zeer beperkt inzicht in zijn emoties en gedachten. Hij beschikt evenmin over een goed empathisch vermogen of een goede impulsregulatie. Dit geldt des te meer wanneer hij alcohol heeft gebruikt. Het functioneren van veroordeelde is contextafhankelijk. Bij onvoldoende ondersteuning en structuur raakt hij snel het overzicht kwijt. Hij is thans nog onvoldoende in staat problemen en stressfactoren zelfstandig op adequate wijze het hoofd te bieden.

De kans op delictgedrag wordt als hoog ingeschat wanneer veroordeelde zich in een onvoldoende ondersteunende en controlerende omgeving bevindt. Binnen het huidige kader wordt het risico op terugval in delictgedrag als laag ingeschat. Hij heeft een redelijk hoge mate van zorg nodig. Bij het plotselinge wegvallen van het huidige kader, en de daarmee gegarandeerde beschermende setting, wordt het risico als hoog ingeschat. Hij is onvoldoende in staat om op eigen kracht vorm te geven aan zijn leven. Het oplopen van spanningen en een terugval in alcoholgebruik is dan te verwachten, wat kan leiden tot delictgedrag.

Om het recidiverisico laag te houden is het nodig dat de huidige vorm van behandeling, begeleiding en het hanteren van het signaleringsplan worden voortgezet. Het huidige risicomanagement wordt als adequaat beoordeeld.

Het door de deskundige L.M.L. Thung, klinisch psycholoog, op 11 mei 2020 opgemaakte rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij veroordeelde is sprake van een licht verstandelijke beperking en stoornis in alcoholgebruik (onder toezicht in remissie). Op basis van risicotaxatie wordt het risico op een seksueel delict in de situatie van terbeschikkingstelling (begeleid verlof) als ‘laag’ ingeschat. Zonder terbeschikkingstelling wordt de kans op een nieuw zedendelict als ‘hoog’ ingeschat, reeds op de korte termijn, zeker bij een terugval in buitensporig alcoholgebruik.

Voor het afdekken van het recidiverisico is veroordeelde blijvend aangewezen op beschermd wonen of mogelijk een 24-uurs woonvoorzichting, met intensieve begeleiding, structuur en controle, en expertise t.a.v. LVB (licht verstandelijke beperking). Er is consensus over het risicomanagement met de kliniek.

Beide deskundigen hebben geadviseerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaren.

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

Veroordeelde en zijn raadsman hebben zich niet verzet tegen een verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de in het onderliggende vonnis voorkomende bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de opgelegde straf en maatregel, in onderling verband en samenhang bezien vast, dat het evident is dat de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Op grond van de inhoud van voormelde adviezen, de door de deskundige gegeven toelichting en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist dat de termijn van de dwangmaatregel wordt verlengd. De rechtbank zal de terbeschikkingstelling, overeenkomstig de vordering en het verlengingsadvies, met twee jaren verlengen.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van veroordeelde met twee jaren.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2020.

Mr. R.B. Maring is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.