Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2835

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
18-750058-15 en 18-069245-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

gedeeltelijke herroeping v.i.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

v.i.-zaaknummer: 99-00430-36

parketnummers: 18-750058-15 en 18-069245-15

Beslissing van de meervoudige kamer van 18 augustus 2020 op een vordering van de officier van justitie tot achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidsstelling

in de zaak tegen veroordeelde

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

thans verblijven in de [instelling],

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

Veroordeelde is onherroepelijk veroordeeld door de rechtbank Noord-Nederland op 6 juli 2015 tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, respectievelijk de rechtbank Noord-Nederland op 7 juni 2016 tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

De begindatum van de detentie was 17 juli 2015. De aanvankelijke datum van voorwaardelijke invrijheidstelling was 12 augustus 2018 en de feitelijke invrijheidstelling op 19 augustus 2019.

Bij beslissing van deze rechtbank is op 10 april 2020 besloten tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met 150 dagen.

De voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling is thans vastgesteld op 15 augustus 2020.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 9 juli 2020 gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege zal blijven, omdat

1. veroordeelde verklaart dat hij niet bereid is de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden voorwaarden na te leven;

2. het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor het plegen van misdrijven onvoldoende kan inperken, nu de weigerende houding van veroordeelde zoals onder punt 1 omschreven ervoor zorgt dat er geen plan van aanpak met noodzakelijke voorwaarden kan worden opgesteld.

De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2020. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek. Tevens is verschenen de deskundige [naam 1], reclasseringswerker.

Beoordeling

Het rapport

Uit het rapport van de Reclassering Nederland van 29 juni 2020, opgesteld door dhr. [naam 2], reclasseringswerker te Leeuwarden, blijkt onder meer het volgende.

De grootste risico’s op herhaling van ernstige geweldsdelicten zijn het netwerk waarin veroordeelde zich bevindt, de confrontaties en conflicten met anderen niet uit de weg gaan en zijn eergevoel en trots. Als hij zich vernederd, gekrenkt of zich als klein kind behandeld voelt, kan hij om het minste of geringste exploderen en fysiek gewelddadig worden en daarbij het gebruik van wapens niet schuwen. Hij vraagt zich op die momenten niet af of het verstandig is wat hij doet, maar doet wat in hem op komt. Zowel de Agressie Regulatie Trainingen als de Agressie Regulatie Therapie hebben dit patroon niet kunnen doorbreken, hetgeen de vraag rechtvaardigt of behandeling überhaupt van toegevoegde waarde is.

Een minstens zo groot risico is dat veroordeelde gaandeweg het vorige traject gedemotiveerd raakte en niet in staat is geweest zich te herpakken gedurende zijn huidige detentie. Sinds hij in de P.I. Leeuwarden zit stelt hij zich ontoegankelijk op, heeft hij aangegeven zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling net zo lief uit te zitten dan zich aan allerlei regeltjes van de reclassering te moeten houden. Duidelijk is in ieder geval dat veroordeelde zijn eigen leven wil leiden en daarbij niet gehinderd wil worden door de reclassering. Daarbij is zijn gedrag in de P.I. ten opzichte van andere Antilliaanse gedetineerden bij tijd en wijle intimiderend.

Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als hoog. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog gemiddeld.

Geadviseerd is uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor minimaal drie maanden, maar mogelijk langer, omdat veroordeelde niet gemotiveerd is mee te werken aan een reclasseringstoezicht, hij zich in de P.I. ‘op het randje’ heeft gedragen en hij van mening is dat hij zich lang genoeg aan allerlei regels heeft gehouden. Op dit moment acht de reclassering de risico’s te groot.

De reclassering overweegt voorts dat afstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling een mogelijkheid is in het geval veroordeelde ook tijdens de zitting aangeeft niet mee te willen werken aan voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Ook uit het ‘v.i.-advies’ vanuit de P.I. Leeuwarden met informatie per 16 juni 2020 blijkt dat veroordeelde niet gemotiveerd is om mee te werken aan programma’s om het recidiverisico omlaag te brengen. Sinds zijn verblijf in de P.I. stelt hij zich nors en ongemotiveerd op. Hij heeft al laten doorschemeren dat hij net zo lief zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling uitzit dan dat hij zich aan allerlei regels moet houden. In overleg met de reclassering komt ook de P.I. tot het advies tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De deskundige [naam 1] heeft ter terechtzitting de inhoud van het rapport bevestigd en nader toegelicht, zakelijk weergegeven:

Uit het rapport blijkt dat mijn collega, opsteller van het rapport dhr. [naam 2], contact heeft gehad met de casemanager van de P.I. Inhoudelijk kan ik niets over het rapport meedelen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering mondeling gewijzigd in die zin dat is gevorderd tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor de duur van 90 dagen. Anders dan bij het indienen van de vordering tot achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling blijkt thans dat uitstel (conform het rapport) mogelijk is, omdat veroordeelde gemotiveerd is om mee te werken aan voorwaarden. De officier van justitie acht de motivatie van veroordeelde geloofwaardig en stelt dat hij een kans verdient.

Het standpunt van de verdediging

De veroordeelde heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij, na de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met 150 dagen, geen contact heeft gehad met de reclassering. Daarna werd hem door dhr. [naam 2] medegedeeld dat er een verzoek tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is gedaan. Hierop werd veroordeelde boos en heeft hij gezegd dat hij niet meer met de reclassering wil meewerken. Voorts is door veroordeelde betwist dat zijn gedrag in de P.I. intimiderend is geweest en heeft hij gesteld dat hij wel initiatief heeft getoond. De veroordeelde heeft aangegeven dat hij gemotiveerd is om zijn medewerking te verlenen aan de reclassering en te stellen voorwaarden.

De raadsman heeft ter terechtzitting primair bepleit de vordering af te wijzen. Het rapport komt niet overeen met de gegevens over veroordeelde uit de P.I. Veroordeelde heeft alles groen en in de plus, dus er zijn geen klachten, maatregelen of officiële waarschuwingen geweest.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering gedeeltelijk toe te wijzen, te weten voor de duur van 30 dagen, aangezien er voldoende rapporten voorhanden zijn en veroordeelde gemotiveerd is om aan voorwaarden mee te werken.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de voorwaarden tot het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is voldaan. Uit het rapport van de reclassering blijkt immers dat door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt en de veroordeelde zich niet bereid heeft verklaard de voorwaarden na te leven (artikel 6:2:12 Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv).

De rechtbank heeft, anders dan de ontkenning daarvan door de veroordeelde, geen tegenstrijdigheden in het rapport van de reclassering en het advies v.i. van de P.I. geconstateerd. Veroordeelde heeft zijn boosheid jegens de reclassering erkend en ook dat hij heeft gezegd niet mee te willen meewerken aan voorwaarden. Op grond van het in het rapport gestelde gedrag concludeert de rechtbank dat is voldaan aan het gestelde in artikel 6:2:12 onder d Sv.

De veroordeelde heeft ter zitting gemotiveerd aangegeven dat hij wel zijn medewerking wil verlenen aan het opstellen van voorwaarden, zodat het recidiverisico voor misdrijven voldoende kan worden ingeperkt.

De rechtbank ziet – gelet op het voorgaande – aanleiding de vordering toe te wijzen en zal bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling met 90 dagen wordt uitgesteld conform het rapport en het gevorderde door de officier van justitie. Uitstel met 30 dagen, zoals bepleit door de raadsman, acht de rechtbank een te korte tijd voor de reclassering voor het zorgvuldig opstellen van voorwaarden voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling nu er thans geen indicaties zijn voor dergelijke voorwaarden. Daarbij is het tevens van belang dat voor veroordeelde de benodigde praktische zaken worden geregeld, zoals een woonplaats en dagbesteding.

Beslissing

De rechtbank:

Wijst de vordering toe.

Stelt de voorwaardelijke invrijheidsstelling uit voor de duur van 90 dagen.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2020.