Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2783

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
18/940016-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De minderjarige verdachte heeft de parcshop van Landal Greenparcs Aelderholt overvallen. Hij droeg daarbij een bivakmuts en heeft gedreigd met een mes. De buit was 121 euro.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie, met bijzondere voorwaarden. Eén van die bijzondere voorwaarden is dat verdachte geen alcohol mag drinken, gelet op zijn verslavingsgevoeligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/940016-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 augustus 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans verblijvende te [straatnaam], [verblijfsplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van

30 juli 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Lok, advocaat te Hoogeveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2019 te Aalden, (althans) in de gemeente Coevorden,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld ((ongeveer) 121 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte met een (door een bivakmuts) bedekt gezicht en/of een (op een) mes (gelijkend voorwerp) de winkel/parkshop is binnen gegaan en/of een/dat (op een) mes (gelijkend voorwerp) naar voren en/of in de richting van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en/of (in ieder geval) zichtbaar ten overstaan of aanzien van die [slachtoffer 1] aanwezig heeft gehad en/of aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft toegevoegd; "Overval" en/of "Geld" en/of "kassa('s)", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 september 2019, opgenomen op pagina 60 van het dossier van Politie Noord-Nederland met onderzoeksnummer NN3R019090/Louisiana d.d. 13 januari 2020, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 september 2019, opgenomen op pagina 85 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige];

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2019, opgenomen op pagina 92 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

21 september 2019, opgenomen op pagina 93 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 21 september 2019 te Aalden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (121 euro) toebehorende aan [benadeelde partij], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte met een door een bivakmuts bedekt gezicht en een mes de parkshop is binnen gegaan en dat mes naar voren in de richting van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft toegevoegd: "Overval" en "Geld" en "kassa".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen waarvan 101 dagen voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de jeugdreclassering, aangevuld met de maatregel ITB Harde Kern voor de duur van 3 maanden waarbij sprake is van een afbouwregeling. De officier van justitie ziet geen aanleiding om het meewerken aan bewindvoering als bijzondere voorwaarde op te nemen. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie naast de ernst van het feit meegewogen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten is, verdachte een first offender is en hij gelet op zijn persoonlijke problematiek gebaat is bij strakke kaders.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte volgens het psychologisch Pro Justitia rapport verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat kan worden volstaan met de oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie (waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest) met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de jeugdreclassering van 9 juli 2020, met uitzondering van de oplegging van de maatregel ITB Harde Kern en het meewerken aan bewindvoering. De raadsvrouw ziet voor de verlenging van de ITB Harde Kern geen gronden nu aan verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis ITB Harde Kern is opgelegd en hij dit traject met strakke kaders

inmiddels heeft afgerond. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om ten aanzien van het middelenverbod in het vonnis op te nemen dat verdachte geen alcohol mag drinken, tenzij dit onder toezicht plaatsvindt en de jeugdreclassering voorafgaand toestemming heeft gegeven. Verdachte is bereid om zich aan de voorwaarden te houden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 21 september 2019 de parkshop van [benadeelde partij] overvallen, waarbij hij onder bedreiging van geweld geld heeft weggenomen. Daarbij droeg verdachte een vermomming en heeft hij een mes in de richting van aangeefster gehouden.

Een collega van aangeefster is getuige geweest van dit incident. Uit het dossier volgt dat zij beiden heel bang zijn geweest en dat het incident een grote impact op hen heeft gehad. Verdachte heeft hier geen moment bij stilgestaan omdat hij zich enkel door eigen financieel gewin heeft laten leiden. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Uit het psychologische Pro Justitia rapport van 7 april 2020 is naar voren gekomen dat

verdachte kampt met meerdere stoornissen, te weten hechtingsproblematiek, ADHD en FASD. Door inwerking van deze stoornissen ontbrak het verdachte ten tijde van het ten laste gelegde aan voldoende (morele) zelfcontrole waardoor het bewezen verklaarde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Doordat de leerbaarheid van verdachte beperkt is en hij niet leert van straf wordt de kans op recidive vrij hoog ingeschat. De gedragsdeskundige heeft geadviseerd om aan verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De behandelingsmogelijkheden lijken beperkt. Er dient te worden ingezet op het voorkomen van blootstelling aan verleidingen, het opdoen van positieve ervaringen en het inslijpen van sociale vaardigheden verwerkt in het dagelijks leven. Een woonplek waarbij de invloed van risicojongeren zo beperkt mogelijk blijft en verdachte op zijn huidige school kan blijven heeft de voorkeur. Belangrijk is tevens het positieve en steunende contact dat verdachte met zijn grootouders (opvoeders) heeft.

In het rapport van de Raad van 13 mei 2020 wordt geadviseerd om aan verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen omdat dit een goede stok achter de deur vormt voor verdachte en hem motiveert om zich aan de voorwaarden te houden. Daarnaast heeft de Raad geadviseerd om de maatregel ITB Harde Kern met drie maanden te verlengen.

De jeugdreclassering heeft zich in het rapport van 9 juli 2020 aangesloten bij het advies van de Raad om een voorwaardelijke jeugddetentie aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een fors delict. Vrijheden zijn lastig voor verdachte en strakke kaders en een stevige stok achter de deur helpen hem om niet in de problemen te komen. Een proeftijd met begeleiding vanuit de jeugdreclassering is van belang om het traject van verdachte voort te zetten.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 juni 2020, niet eerder is veroordeeld.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt genomen. Volgens de oriëntatiepunten is een jeugddetentie van 4 maanden passend voor een overval op een winkel met bedreiging met geweld, waarbij dan nog geen rekening is gehouden met strafverzwarende omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid nu verdachte tijdens de overval heeft gedreigd met een mes. De rechtbank heeft daarnaast in stafmatigende zin meegewogen de adviezen van de deskundigen waaruit volgt dat het bewezen verklaarde door persoonsproblematiek in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend en zijn blanco strafblad. Positief is dat verdachte heeft gezegd dat hij spijt van zijn daad heeft en dat hij begrijpt dat de slachtoffers erg van zijn bedreiging zijn geschrokken. Verdachte schaamt zich voor zijn daad en wil aan de slachtoffers zijn excuses aanbieden.

Gelet op dit alles zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het dictum.

De rechtbank zal de maatregel ITB Harde Kern voor de duur van 3 maanden opleggen, waarbij het de bedoeling is dat de maatregel met strenge kaders wordt afgebouwd ten behoeve van een geleidelijke overgang naar een minder streng toezicht nu de deskundigen hebben aangegeven dat verdachte gebaat is bij zowel begrenzing als vrijheid. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een middelenverbod opleggen gelet op zijn verslavingsgevoelige achtergrond.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 101 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich gedurende een door de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen te bepalen periode meldt bij de jeugdreclassering en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen zoals RIBW Leger des Heils, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de afspraken en huisregels van deze instelling;

3. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol, verdovende middelen of andere middelen, die zijn gedrag in negatieve zin kunnen beïnvloeden en verplicht is ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek, urineonderzoek of ademonderzoek, waarbij de jeugdreclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

4. dat veroordeelde gedurende de proeftijd medewerking verleent aan begeleiding en behandeling bij Accare of een soortgelijke behandelinstelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan het volgen van onderwijs en/of werk, dan wel dagbesteding;

6. dat veroordeelde zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die hem in het kader van de maatregel ITB Harde Kern voor een periode van drie maanden worden gegeven door of namens de jeugdreclassering en zich houdt aan de afspraken die door of namens de jeugdreclassering met hem worden gemaakt;

Geeft aan Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, locatie Assen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. de Bock, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. R. Depping en mr. T.P. Hoekstra, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 augustus 2020.

Mr. A.C. Fennema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.