Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2681

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
18/930003-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor de primair ten laste gelegde verkrachting en de subsidiair ten laste gelegde poging tot verkrachting. Veroordeling wegens de meer subsidiair ten laste gelegde feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930003-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 augustus 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juli 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Koopmans, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 januari 2020 te Assen, door geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (met kracht):

- in het kruis van die [slachtoffer] gegrepen/geknepen en/of

- de borsten van die [slachtoffer] betast en/of (vervolgens) in de borsten van die [slachtoffer] geknepen en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- meerdere vingers in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] met kracht tegen een muur heeft geduwd/gedrukt en/of

- onverhoeds en met kracht in het kruis en borsten van die [slachtoffer] heeft gegrepen/geknepen en/of

- onverhoeds en met kracht zijn tong en/of vingers in de mond van die [slachtoffer] heeft gedwud/gebracht en/of

- die [slachtoffer] stevig heeft vastgepakt en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] met kracht naar de grond heeft geduwd/gebracht;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 8 januari 2020 te Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], (met kracht):

- in het kruis van die [slachtoffer] heeft gegrepen/geknepen en/of

- de borsten van die [slachtoffer] heeft betast en/of (vervolgens) in de borsten

van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of

- meerdere vingers in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] met kracht tegen een muur heeft geduwd/gedrukt en/of

- onverhoeds en met kracht in het kruis en borsten van die [slachtoffer] heeft gegrepen/geknepen en/of

- onverhoeds en met kracht zijn tong en/of vingers in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of

- die [slachtoffer] stevig heeft vastgepakt en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] met kracht naar de grond heeft geduwd/gebracht

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 8 januari 2020 te Assen, door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, hebbende verdachte (met kracht):

- in het kruis van die [slachtoffer] gegrepen/geknepen en/of

- de borsten van die [slachtoffer] betast en/of (vervolgens) in de borsten van die

[slachtoffer] geknepen en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- meerdere vingers in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] met kracht tegen een muur heeft geduwd/gedrukt en/of

- onverhoeds en met kracht in het kruis en borsten van die [slachtoffer] heeft gegrepen/geknepen en/of

- onverhoeds en met kracht zijn tong en/of vingers in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of

- die [slachtoffer] stevig heeft vastgepakt en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] met kracht naar de grond heeft geduwd/gebracht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat aangeefster op verschillende tijdstippen zeer consistent en duidelijk heeft verklaard, ook op detailniveau en dat de verklaringen van aangeefster worden ondersteund door het aantreffen van verdachtes DNA rondom haar mond en door het feit dat aangeefster verwondingen heeft op haar bovenlip, hetgeen past bij haar verklaring dat verdachte haar mond heeft opengetrokken en al zijn vingers in haar mond heeft gestopt. Aldus kan bewezen worden dat verdachte aangeefster bij de borsten en in het kruis heeft gegrepen en dat verdachte zijn tong en meerdere vingers in de mond van aangeefster heeft geduwd. Gelet op de combinatie van de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden, de seksuele intentie van verdachte blijkend uit het feit dat hij zijn tong en meerdere vingers in de mond van aangeefster heeft gestopt en de daarbij toegepaste dwang en geweld, in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte aangeefster naar de grond heeft willen brengen, is er hier naar uiterlijke verschijningsvorm sprake van een verkrachting zodat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde en dat de meer subsidiair tenlastegelegde aanranding de juiste juridische kwalificatie is van de feiten. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte met zijn tong en vingers in de mond van aangeefster is geweest, noch dat verdachte aangeefster tegen de muur heeft gedrukt. Die handelingen kunnen enkel uit de verklaringen van aangeefster worden afgeleid. Die verklaringen zijn echter niet eenduidig en uit de verklaringen is ook af te leiden dat aangeefster zich niet veel meer kan herinneren van wat er precies is gebeurd. Bovendien is het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een tongzoen geen seksueel binnendringen in de zin van art. 242 Wetboek van Strafrecht oplevert. Hetzelfde heeft te gelden voor het brengen van een vinger of vingers in de mond. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Ook de subsidiair tenlastegelegde poging tot verkrachting kan niet worden bewezen nu er geen sprake is van een begin van uitvoering. Op basis van het dossier kan weliswaar worden vastgesteld dat verdachte was begonnen met het verrichten van handelingen met een seksuele strekking, maar niet kan worden vastgesteld dat verdachte was begonnen met het dwingen tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.

Oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Vaststaat dat verdachte aangeefster een steegje in is gevolgd en haar aldaar heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen met een seksuele/ontuchtige strekking. Over de exacte toedracht van die handelingen verschillen de verklaringen van aangeefster en verdachte. Aangeefster heeft verklaard dat de man haar over haar kleding bij haar kruis en haar borsten heeft gegrepen, dat de man zijn tong in haar mond heeft gestoken en ook over haar mond heeft gelikt, dat hij meerdere vingers in haar mond heeft gestopt en dat de man haar tegen de muur heeft gedrukt en geprobeerd heeft haar naar de grond te werken. Verdachte erkent dat hij aangeefster heeft vastgepakt, haar vervolgens bij haar kruis en borsten heeft aangeraakt en haar op haar wang en “misschien” op haar mond te hebben gekust, maar ontkent dat hij zijn tong in haar mond heeft gestoken. Verdachte ontkent eveneens dat hij met zijn vingers in haar mond is geweest, dat hij aangeefster tegen de muur heeft geduwd en dat hij haar naar de grond heeft gebracht of heeft geprobeerd naar de grond te brengen.

De rechtbank hecht meer geloof aan de verklaring van aangeefster dan aan de verklaring van verdachte en overweegt daartoe het volgende.

In de eerste plaats constateert de rechtbank dat aangeefster op verschillende tijdstippen gedetailleerd en consequent heeft verklaard over het tenlastegelegde. Aangeefster heeft blijkens het dossier op vier verschillende momenten - ten overstaan van haar buren, bij het eerste gesprek met de politie in de woning van de buren, tijdens het informatieve zedengesprek met de politie en in haar aangifte - gelijkluidend verklaard over hetgeen heeft plaatsgevonden, ook over verschillende details. Die details zijn bovendien zodanig specifiek dat deze sterk op eigen waarneming en ondervinding duiden. Dat aangeefster niet in haar eerste maar pas in een latere verklaring heeft verklaard dat de man naast zijn tong ook zijn vingers in haar mond heeft geduwd en dat zij tegen de muur is geduwd, maken die onderdelen van haar verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet minder betrouwbaar. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat aangeefster - zij het in een latere verklaring - uit eigen beweging over voornoemde handelingen heeft verklaard. Daarnaast was de verklaring die aangeefster heeft afgelegd in de woning van de buren, een eerste uiting van hetgeen haar was overkomen en was aangeefster op dat moment hevig geëmotioneerd door het incident, terwijl het verhoor bij de politie er bij uitstek op gericht is om de precieze toedracht te achterhalen waarbij de politie doorvraagt op hetgeen aangeefster verklaart. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster. Haar verklaring wordt bovendien ondersteund door de omstandigheid dat verdachtes DNA is aangetroffen rond de mond van aangeefster, hetgeen meer past bij de toedracht van de feiten zoals omschreven door aangeefster - te weten dat de man ook over haar mond heeft gelikt - dan bij een toedracht zoals geschetst door verdachte. Ook de omstandigheid dat aangeefster een wondje op haar bovenlip had ten gevolge van het incident past bij haar verklaring dat de man hardhandig vingers in haar mond stopte.

De rechtbank gaat derhalve uit van de toedracht van de feiten zoals omschreven door aangeefster en stelt vast dat verdachte aangeefster heeft vastgepakt, onverhoeds in haar kruis en in haar borsten heeft geknepen, dat verdachte zowel zijn tong als meerdere vingers in de mond van aangeefster heeft geduwd en dat verdachte aangeefster tegen de muur heeft geduwd. Dat verdachte aangeefster naar de grond heeft geduwd acht de rechtbank niet bewezen nu het op basis van het dossier ook goed mogelijk is dat aangeefster is gevallen doordat verdachte haar losliet.

Juridische kwalificatie van de feiten

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde gedragingen geen verkrachting opleveren in de zin van art. 242 Sr, zoals primair ten laste is gelegd. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 maart 20131 immers bepaald dat een afgedwongen tongzoen niet meer kan worden gekwalificeerd als verkrachting omdat het geen seksueel binnendringen van het lichaam in de zin van art. 242 Sr. oplevert. Daartoe heeft de Hoge Raad overwogen dat "hoewel een tongzoen op zichzelf wel het binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking oplevert, deze in redelijkheid niet op één lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare gedraging". Dat verdachte in de onderhavige zaak naast zijn tong ook meerdere vingers in de mond van aangeefster heeft geduwd, leidt niet tot de gevolgtrekking dat wél sprake is van verkrachting. Ook die combinatie van handelingen kan naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid op één lijn worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare gedraging. Aldus kunnen de door verdachte gepleegde handelingen niet worden gekwalificeerd als seksueel binnendringen van het lichaam in de zin van art. 242 Sr. De mate van geweld of dwang die daarbij is toegepast leidt, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, niet tot een ander oordeel. De mate van geweld of dwang is immers niet van belang voor de vraag of een (seksuele) handeling "het seksueel binnendringen van het lichaam" oplevert, in die zin dat een handeling die op zichzelf geen seksueel binnendringen van het lichaam oplevert, niet alsnog die kwalificatie kan verkrijgen door de mate van geweld of dwang die is toegepast. Hoe naar en beangstigend een en ander voor aangeefster ook moet zijn geweest, in juridische zin is geen sprake van een verkrachting zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte evenmin kunnen worden aangemerkt als een begin van uitvoering van verkrachting. Verdachte heeft aangeefster weliswaar gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige en seksuele handelingen, maar er kan niet worden vastgesteld dat verdachte ook al was begonnen met het dwingen van aangeefster tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van haar lichaam. Nu dit wel nodig is voor een bewezenverklaring van een poging tot verkrachting, zal verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de vastgestelde gedragingen feitelijke aanranding van de eerbaarheid opleveren en acht derhalve het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 21 juli 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 8 januari 2020 zag ik een ambulance staan. Ik ben gaan kijken en daar ontmoette ik een oudere vrouw op straat. Zij liep weg naar een steegje en ik ben achter haar aan gelopen het steegje in. Ik heb haar vastgepakt. Ik heb mijn arm om haar heen gedaan. Ik heb haar bij haar borsten en kruis aangeraakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 januari 2020, opgenomen op pagina 45 van het dossier met nummer PL0100-2020008819 d.d. 10 februari 2020, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Op 8 januari 2020 zag ik een ambulance staan bij de garages achter mijn huis aan de [straatnaam] in Assen. Toen ben ik de steeg achter mijn huis in gelopen. Er kwam een man achter mij staan. Hij greep ineens in mijn kruis, heel hard. En maar knijpen en knijpen. Toen pakte hij met beide handen vol op mijn borsten en kneep daarin. Dit was over mijn kleding. Hij heeft me met mijn rug tegen de muur aangedrukt. Ik wilde hem ook afduwen. Maar dat ging niet. Hij was heel pittig en krachtig. Ik kon niet van de muur afkomen. Dan drukte hij mij plat. Na de borsten, stopte hij zijn tong in mijn mond. Hij ging maar heen en weer in mijn mond. Hij deed het heel hard. Hij maakte eerst mijn mond open met zijn vingers en daarna ging zijn tong naar binnen. Hij likte over mijn mond en mijn gezicht. U vraagt mij hoe ik aan die plekjes aan mijn mond kom. Hij stopte al zijn vingers in mijn mond. Hij trok aan mijn vel. Dat wondje zat er niet. Dat moet gisteren 8 januari 2020 zijn gebeurd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 20 januari 2020, opgenomen op pagina 84 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Door mij, verbalisant [verbalisant], werd op 8 januari 2020, omstreeks 20:00 uur, een onderzoek

van [slachtoffer] gestart. Tijdens dit onderzoek werd door mij de huid rond de mond bemonsterd op de aanwezigheid van DNA materiaal van de dader.

Op 17 januari 2020 werd er door dr. J.H.A. Nagel, onder NFI zaaknummer 2020.01.4.210

(aanvraag 001), gerapporteerd.2

Uit de rapportage bleek het volgende:

-in de bemonsteringen rond de mond werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van ten

minste twee personen, waarvan minimaal één man en één vrouw. De getuige [slachtoffer]

en [verdachte].

Hypothese l: De bemonsteringen bevatten DNA van de getuige [slachtoffer] en [verdachte].

Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer] en één willekeurige

onbekende persoon.

De verkregen DNA-mengprofielen AANI7068NL#01 en AANI7069NL#01 zijn meer dan

l miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese l waar is, dan wanneer hypothese 2

waar is.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 januari 2020 te Assen, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte met kracht:

- in het kruis van die [slachtoffer] gegrepen/geknepen en

- de borsten van die [slachtoffer] betast en vervolgens in de borsten van die [slachtoffer] geknepen en

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd en

- meerdere vingers in de mond van die [slachtoffer] geduwd,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] met kracht tegen een muur heeft geduwd en

- onverhoeds en met kracht in het kruis en borsten van die [slachtoffer] heeft gegrepen/geknepen en

- onverhoeds en met kracht zijn tong en vingers in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd en

- die [slachtoffer] stevig heeft vastgepakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

meer subsidiair feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aansluiting te zoeken bij recente jurisprudentie waarbij zij heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland waarin een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 60 uren werden opgelegd en naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin een taakstraf van 80 uren waarvan 20 uur voorwaardelijk werd opgelegd. Subsidiair heeft de raadsvrouw gepleit voor een straf gelijk aan het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportage d.d. 17 juni 2020 van W.J.P. Gaertner, GZ-psycholoog en het rapport van de reclassering (Leger des Heils) d.d. 7 juli 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van aangeefster [slachtoffer] waarbij hij haar een steegje in is gevolgd, haar van achteren heeft vastgepakt en haar vervolgens in haar kruis en borsten heeft gegrepen en zijn tong en vingers hardhandig in haar mond heeft geduwd. Hierbij heeft verdachte aangeefster tegen de muur geduwd waardoor zij niet weg kon komen. Gelet op de veelvoud en intensiteit van de door verdachte gepleegde handelingen, kan gesproken worden van een zeer ernstige aanranding. Verdachte heeft daarmee een zeer grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten vaak langdurige en ernstige psychische schade ondervinden. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat aangeefster niet in staat was om een vordering benadeelde partij in te dienen omdat zij door het incident erg bang is en er op geen enkele manier aan herinnerd wil worden.

Gelet op de aard en ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een gevangenisstraf. De rechtbank komt daarbij, mede gelet op het feit dat de rechtbank de ten laste gelegde verkrachting niet bewezen acht, echter wel tot een aanzienlijk kortere duur van de gevangenisstraf dan door de officier van justitie werd gevorderd.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 24 juni 2020 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor zedendelicten.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op voormeld psychologisch PJ-rapport. Daaruit komt naar voren dat de seksuele ontwikkeling van verdachte zorgen baart. Er zijn sterke aanwijzingen die duiden op een deviante seksuele ontwikkeling welke waarschijnlijk een rol heeft gespeeld binnen het tenlastegelegde. Voorts kan niet worden uitgesloten dat sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Diagnostische conclusies zijn echter niet te trekken op basis van het onderzoek zoals dat thans heeft plaatsgevonden. Ook het recidiverisico is lastig in te schatten. Al met al is maar beperkt zicht gekregen op verdachte, kan niet worden vastgesteld of sprake is van psychopathologie en kan geen goede analyse gemaakt worden van hoe verdachte tot het tenlastegelegde is gekomen en of eventuele pathologie daarin een rol heeft gespeeld. Verdachte blijkt lastig te onderzoeken binnen een kortdurend ambulant kader. Een intensiever, langduriger traject is noodzakelijk om meer zicht te krijgen op de eventuele problematiek. Een klinische opname wordt hiervoor passend geacht.

Uit het reclasseringsrapport van het Leger des Heils d.d. 7 juli 2020 blijkt dat de reclassering zich ook geen helder beeld heeft kunnen vormen van wat verdachte heeft bewogen ten tijde van de tenlastelegging omdat verdachte geen enkele verklaring heeft voor zijn daad, niet kan benoemen wat hem heeft getriggerd en vrijwel geen inzicht heeft in zijn seksualiteit. Op basis van de gecombineerde waarden uit de Static 99 en Stabel 2007 scoort verdachte matig-hoog wat betreft het recidiverisico. De reclassering kan echter geen weloverwogen uitspraken doen aangaande het risico op recidive. Hetgeen als zorgelijk wordt beschouwd is het gegeven dat er ten tijde van de tenlastelegging sprake was van een positief lopend reclasseringstoezicht. Tevens bestonden er verschillende beschermende factoren in het leven van verdachte. Doordat er op de verschillende leefgebieden sprake was van een positieve ontwikkeling, maar hij alsnog overging tot het plegen van onderhavige tenlastelegging acht de reclassering het van groot belang dat er nadere diagnostiek wordt verricht om meer zicht te krijgen op mogelijke onderliggende gedragsproblematiek dan wel scheefgroei in de seksuele ontwikkeling. De reclassering adviseert derhalve dat verdachte ter observatie in een klinische setting wordt geplaatst zodat op basis daarvan kan worden vastgesteld welk soort behandelaanbod (klinisch of ambulant) het meest passend is.

Gelet op bovenstaande rapportages acht de rechtbank het van groot belang dat verdachte nader wordt onderzocht en dat er nadere diagnostiek plaatsvindt, zodat meer zicht wordt verkregen op eventuele problematiek en wat verdachte precies heeft bewogen om het onderhavige feit te begaan. Vervolgens is het van belang dat verdachte daarna een passende behandeling ondergaat om te voorkomen dat feiten zoals de onderhavige zich herhalen. De rechtbank acht het op dit moment echter niet noodzakelijk dat een en ander plaatsvindt in een klinische setting. Verdachte is nog niet eerder diepgaand onderzocht dan wel behandeld in een (langdurig) ambulant kader, noch is er eerder aandacht besteed aan problematiek rondom seksualiteit. Verdachte heeft bovendien aangegeven open te staan voor hulp en heeft in het verleden goed meegewerkt aan reclasseringstoezicht. Er is op dit moment dan ook onvoldoende gebleken waarom een ambulante setting thans niet zou volstaan. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte dient mee te werken aan nadere diagnostiek en een ambulante behandeling, alsmede een meldplicht bij de reclassering. In het belang van het slachtoffer zal de rechtbank eveneens het door de reclassering geadviseerde contactverbod en locatieverbod als bijzondere voorwaarden opnemen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en voornoemde bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14, 14b, 14c en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres Damsterdiep 271 te Groningen. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. dat veroordeelde meewerkt aan nadere diagnostiek en zich laat behandelen door de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland (AFPN) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

4. dat veroordeelde zich niet bevindt in de straat van het slachtoffer, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2020.

Mr. M. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653. Zie ook HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1431.

2 Zie ook het deskundigenrapport op pagina 90 e.v. afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2020.01.14.210, d.d. 17 januari 2020, opgemaakt door dr. J.H.A. Nagel op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.