Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2675

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
LEE 20/2073
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Verder is niet gebleken dat de last onder bestuursdwang niet binnen de gestelde begunstigingstermijn kan worden uitgevoerd. Het is voorts, gelet op de in geding zijnde milieubelangen, noodzakelijk om het jacht zo spoedig mogelijk te (laten) verslepen. Dat verzoeker, hoe betreurenswaardig ook, ernstig ziek is, maakt niet dat er een langere begunstigingstermijn moet worden bepaald. Er is namelijk niet gebleken dat het voor verzoeker niet mogelijk is geweest opdracht tot het verslepen dan wel bergen van het jacht te geven, of iemand anders te vragen dit voor hem te doen. Er is geen sprake van feiten en omstandigheden die maken dat de kosten van bestuursdwang niet voor rekening van verzoeker zouden dienen te komen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/2073

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. W.G. ten Have),

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr. S.G. Steenbergen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij], te Slochteren (gemachtigde: mr. J.M. Smits).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2020 heeft verweerder verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat verzoeker vóór 14 juli 2020, 12.00 uur de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) door het innemen van een ligplaats met het jacht “ [naam jacht] ” (het jacht) in de Slochterhaven te Slochteren dient te beëindigen.

Verzoeker heeft tegen het besluit van 9 juli 2020 bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 13 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het besluit van

9 juli 2020 ingetrokken en een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat verzoeker vóór 16 juli 2020, 12.00 uur de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo door het innemen van een ligplaats met het jacht in de Slochterhaven te Slochteren dient te beëindigen. Indien niet of niet volledig aan bovenstaande last wordt voldaan, zal verweerder een bergingsbedrijf opdracht geven de werkzaamheden uit te voeren en het jacht op te slaan. Deze kosten zullen op verzoeker worden verhaald.

Bij brief van 14 juli 2020 heeft verweerder de voorzieningenrechter te kennen gegeven het primaire besluit op te schorten tot er een uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Verzoeker is samen met zijn echtgenote verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij zijn [naam 1] en

[naam 2] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.1.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

1.2.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld heeft, omdat de begunstigingstermijn op 16 juli 2020 is verstreken. Bij brief van 14 juli 2020 heeft verweerder de voorzieningenrechter te kennen gegeven het primaire besluit op te schorten tot er een uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter.

Feiten

3. Tijdens een controle op 19 mei 2020 is door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Groningen het volgende geconstateerd:

- het jacht is gelegen in de Slochterhaven. Uit eerdere constateringen blijkt dat het jacht er al langere tijd ligt. Sinds 13 september 2019 is het jacht eigendom van verzoeker;

- het jacht is in zeer slechte staat en vervuild;

- de vertrekken in het jacht zijn beschimmeld en onderliggend hout is aangetast;

- het voordek is zichtbaar doorgezakt en de onderliggen dekbalken zijn verrot en gebroken;

- het achterschip van het jacht ligt aan de grond;

- in het achteronder staat zwart water en de motoren staan deels onder water en de accu's staan geheel onder water;

- volgens de verklaring van verzoeker zou nog 500 liter dieselolie aan boord zijn.

- het jacht wordt niet meer gebruikt;

- het jacht is niet meer geschikt om mee te varen;

- door hemelwater kan het jacht verder zinken en zal het zwart vervuilde water in het oppervlaktewater terecht komen.

3.1.

Uit het in opdracht van verweerder opgestelde expertiserapport van Master Experts van 27 mei 2020 blijkt onder meer dat het jacht moet worden versleept naar een werf en vervolgens naar een timmerwerkplaats om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. Verder blijkt dat verzoeker tijdens de controle verklaarde dat hij het plan had om het jacht te herstellen, maar dat is door ziekte niet gelukt.

3.2.

Op vrijdag 26 juni 2020 is door het Waterschap Hunze en Aa’s spoedbestuursdwang toegepast en is het vervuilde water rond het jacht opgezogen en afgevoerd. Verder liggen er oliebooms rond het jacht om de verontreiniging te isoleren.

3.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat het jacht nu geruime tijd in de Slochterhaven ligt, in ieder geval vanaf september 2019. Het jacht is in technisch opzicht niet in staat om zelfstandig te varen. Het is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan om langdurig in de passantenhaven een ligplaats in te nemen. Immers, de passantenhaven mag slechts worden gebruikt voor kortdurend verblijf ter plaatse. Nu het jacht een vaste ligplaats heeft ingenomen gedurende een langere periode, is dit in strijd met de functieaanduiding 'passantenhaven', en in het bijzonder met het gebruik als recreatiehaven voor recreatief gebruik. Dit is een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, aldus verweerder.

3.4.

Op 14 juli 2020 is in opdracht van verweerder een nadere inspectie aan het jacht uitgevoerd door Scheepswerf Delfzijl. Daarbij is geconstateerd dat het jacht meer water heeft gemaakt en het verkleefd op de bodem van de haven ligt, hetgeen gevolgen heeft voor het bergen van het schip.

4. Op grond van het bestemmingsplan “Slochteren-Schildwolde” (het bestemmingsplan) geldt ter plaatse de bestemming 'water' en de functieaanduiding 'passantenhaven'. In artikel 30.1.3 van de planvoorschriften staat dat ter plaatse van de aanduiding 'passantenhaven' een recreatiehaven is toegestaan. In artikel 1.180 van het bestemmingsplan wordt onder recreatiehaven, voor zover van belang, verstaan naar het verschaffen van ligplaatsen voor recreatief verblijf. Recreatief verblijf wordt in artikel 1.179 van de planvoorschriften omschreven als het kortdurend recreatief verblijf van personen van één of meerdere personen met of zonder overnachting die elders hun hoofdverblijf hebben, waarmee in ieder geval geen sprake is van permanente bewoning.

Beoordeling

5. Tussen partijen is niet in geschil dat het jacht in strijd met het bestemmingsplan in de Slochterhaven ligt en dat verweerder aldus bevoegd is tot handhaving over te gaan.

6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6.1.

Verzoeker heeft in dit verband een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Er liggen volgens verzoekers meer boten langdurig in de haven en de eigenaar van de pizzeria woont zelfs op zijn in de Slochterhaven gelegen boot.

6.2.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. De voorzieningenrechter overweegt dat in onderhavig geval, onbestreden, sprake is van een verwaarloosd jacht dat de ruimtelijke uitstraling van de haven aantast en waarbij milieubelangen in het geding zijn. Dit maakt dat de situatie van verzoeker reeds hierom verschilt met die van de boot van de eigenaar van de pizzeria. Verder heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat verweerder in overleg is met het Waterschap over de aanpak van andere boten in de Slochterhaven. Voor zover er daarbij sprake is van gelijke gevallen, zal verweerder ook daar tot handhaving overgaan.

7. Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de begunstigingstermijn te kort is.

7.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de begunstigingstermijn niet onredelijk kort. De voorzieningenrechter acht daarvoor van belang dat niet gebleken is dat de last niet binnen de gestelde begunstigingstermijn kan worden uitgevoerd. Voorts is het, gelet op de in geding zijnde milieubelangen, noodzakelijk om het jacht zo spoedig mogelijk te (laten) verslepen. Dat verzoeker, hoe betreurenswaardig ook, ernstig ziek is, maakt niet dat er een langere begunstigingstermijn moet worden bepaald. Er is namelijk niet gebleken dat het voor verzoeker niet mogelijk is geweest opdracht tot het verslepen dan wel bergen van het jacht te geven, of iemand anders te vragen dit voor hem te doen.

8. Verzoeker acht het onredelijk dat de kosten van bestuursdwang (volledig) op hem worden verhaald, nu de deplorabele staat van het jacht mede aan de gemeente is te wijten omdat de gemeente de stroomvoorziening op 28 februari 2020 heeft afgesloten.

8.1.

Uit artikel 5:25 van de Awb volgt dat het toepassen van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen. Hiervan is sprake indien de overtreder geen verwijt kan worden gemaakt en indien het algemeen belang in grote mate betrokken is bij de ongedaanmaking van de overtreding. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van kostenverhaal. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2988.

8.2.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in onderhavig geval geen sprake van feiten en omstandigheden die maken dat de kosten van bestuursdwang niet voor rekening van verzoeker zouden dienen te komen. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat de Slochterhaven van 1 september tot 1 april is gesloten en dat gedurende die periode geen gebruik kan worden gemaakt van de aanwezige stroomvoorziening. Dat verzoeker toch (zonder stroom) buiten het ligplaatsseizoen het jacht in de Slochterhaven heeft laten liggen, dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor zijn rekening en risico te komen. Voor de gemeente bestaat, anders dan verzoeker lijkt te betogen, geen verplichting om het jacht van verzoeker buiten het ligplaatsseizoen van stroom te voorzien. Bij brief van 24 februari 2020 heeft de gemeente verzoeker ook aangezegd de stroomvoorziening, die is bedoeld voor de weekmarkt, te stoppen. Het was naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aan verzoeker om voor een stroomvoorziening te zorgen, teneinde te voorkomen dat het jacht zou gaan zinken. Dat de kosten van het plaatsen van een aggregaat voor verzoeker te hoog zouden zijn, maakt het vorenstaande niet anders.

9. Gelet op het voorgaande zal naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het primaire besluit in bezwaar standhouden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van de Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.T. Hofman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2020.

griffier de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.