Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2651

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-07-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
C/18/197401 / HA ZA 20-38
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is de Nederlandse rechter op grond van artikel 18 lid 1 Brussel I bis-Vo bevoegd? Ja, want sprake van een consumentenovereenkomst in de zin van art. 17 lid 1 sub c Brussel I bis-Vo. Beroep op forumkeuze faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/197401 / HA ZA 20-38

Vonnis in incident van 29 juli 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te Briltil,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. M.A. Hupkes te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

F1 MARKETS LIMITED,

gevestigd te Limassol (Cyprus),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en F1 genoemd worden. Eiser sub 1 zal hierna worden aangeduid als [eiser 1] en eiser sub 2 als [eiser 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord;

  • -

    de akte uitlating van de zijde van F1.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

F1 is een online broker. Via haar online platform biedt zij beleggingsdiensten aan en kan worden belegd in onder andere zogenaamde "CfD’s", Contracts for Difference. F1 handelt mede onder de naam Investous.

2.2.

[eiser 2] heeft zich op 13 augustus 2019 via de website van F1 geregistreerd als klant van F1. Met het op zijn naam aangemaakte account had [eiser 2] toegang tot het online handelsplatform van F1 en kon hij ten behoeve van zijn beleggingen via iDEAL geld overmaken naar een klantrekening bij F1. Op deze rekening is in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 19 september 2019 een totaalbedrag van € 53.500,00 gestort. Via een tweetal boekingen is er in totaal een bedrag van € 3.720,00 aan [eisers] teruggestort.

2.3.

Om toegang te krijgen tot het online platform van F1 heeft [eisers] de algemene voorwaarden van F1 moeten accepteren. In artikel 41.1 van deze algemene voorwaarden is het volgende opgenomen:

“De interpretatie, constructie, werking en afdwingbaarheid van de klantovereenkomst worden beheerst door de wetten van Cyprus, en u en wij komen overeen ons te onderwerpen aan de exclusieve jurisdictie van de rechtbanken van Cyprus voor de beslechting van geschillen.

U stemt ermee in dat alle transacties die op het handelsplatform worden uitgevoerd, onder de Cypriotische wetgeving vallen, ongeacht de locatie van de geregistreerde gebruiker.”

2.4.

Op 26 augustus 2019 heeft [eiser 2] een "Request to be treated as a Professional Client" ingediend en vervolgens een professional account gekregen.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eisers] vordert in de hoofdzaak:

- voor recht te verklaren dat de tussen partijen gesloten beleggingsovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, dan wel deze alsnog te vernietigen, althans voor recht te verklaren dat F1 onrechtmatig heeft gehandeld, zodat zij gehouden is de door [eisers] geleden schade te vergoeden;

- F1 te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen een bedrag van € 49.780,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 2019;

- F1 te veroordelen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen - indien conservatoir beslag wordt gelegd - de werkelijke kosten daarvan die nog nader zullen worden opgegeven, alsmede in de nakosten;

één en ander met afgifte van een gewaarmerkte Europese Executoriale Titel (EET) die in Cyprus ten uitvoer kan worden gelegd.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eisers] - samengevat - ten grondslag dat F1 onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, in die zin dat sprake is van oneerlijke handelspraktijken. Volgens [eisers] was sprake van misleidende tactieken om klanten te werven, onder meer doordat:

- F1 advertenties plaatste waarin, zonder toestemming, namen van bekende Nederlanders werden genoemd die "snel rijk zijn geworden";

- op haar website positieve reviews stonden vermeld;

- zij gebruik maakte van een Nederlandstalige website en Nederlandse contact- en betaalgegevens hanteerde.

Verder verwijt [eisers] F1 dat zij onjuiste en misleidende informatie over het beleggingsproduct heeft verstrekt. Zij stelt dat sprake is van manipulatie en willekeurige vaststelling van kosten in combinatie met het (telefonisch) uitoefenen van druk om steeds meer in te leggen, volgens F1 om de "trade" in stand te houden en geen verlies te lijden. [eisers] voert in dat verband aan dat de "trades", anders dan op de website was vermeld, werden aangeraden door adviseurs van F1.

Ook verwijt [eisers] F1 dat zij de historie van transacties wist, zodat niet meer te reconstrueren is wat er is gebeurd.

Uiteindelijk heeft [eisers] in de periode van augustus tot september 2019 het grootste deel van haar inleg van € 53.500,00 verloren. [eisers] stelt dat sprake is van onverschuldigde betaling, omdat zij de met F1 gesloten overeenkomst op grond van artikel 6:139j Burgerlijk Wetboek (BW) buitengerechtelijk heeft vernietigd. Zij maakt aanspraak op vergoeding van de verloren gegane inleg ter hoogte van € 49.780,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de laatste betaling, zijnde 19 september 2019.

4 Het geschil in het incident

4.1.

F1 vordert primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering van [eisers] kennis te nemen, althans dat zij de zaak aanhoudt totdat door het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) is beslist op de prejudiciële vragen in de zaak Deepwater Horizon (ECLI:NL:HR:2019:1400), en subsidiair, voor zover de rechtbank zich bevoegd acht van het onderhavige geschil kennis te nemen, dat de rechtbank Cypriotisch recht van toepassing verklaart op de onderhavige procedure, een en ander met veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident.

4.2.

F1 legt - samengevat - het volgende aan die vordering ten grondslag. In artikel 41.1 van de tussen partijen gesloten overeenkomst is een forumkeuzebeding opgenomen op grond waarvan de Cypriotische rechter exclusief bevoegd is om over geschillen te oordelen. F1 verwijst in dat verband naar artikel 25 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en burgerlijke handelszaken (hierna: te noemen Brussel Ibis-Vo).

Volgens F1 heeft [eisers] de beleggingen niet als consument gedaan, zodat zij geen beroep kan doen op de consumentenbescherming van afdeling 4 van de Brussel Ibis-Vo (artikelen 17 tot en met 19) en zij dus niet kan kiezen voor de Nederlandse rechter. [eisers] heeft zich in augustus 2019 als professioneel belegger bij F1 aangemeld met het doel een kleinschalige handel op te zetten. Dat [eisers] , op eigen initiatief, de overeenkomst als professioneel belegger is aangegaan, blijkt uit het op 26 augustus 2019 door haar ingevulde en ondertekende "Request to be treated as a Professional Client".

4.3.

[eisers] concludeert in het incident tot afwijzing van de vordering van F1, met veroordeling van F1 in de kosten van het incident. Zij voert daartoe - kort gezegd - het volgende aan.

[eisers] heeft de overeenkomst niet als professioneel belegger, maar als consument gesloten. Zij heeft haar spaargeld heeft aangewend om te beleggen. F1 heeft [eisers] in reactie op haar aanmelding bericht dat een zogenoemd "retail account" was aangemaakt. Zij is niet ingestapt als professionele belegger en de "upgrade" naar professioneel belegger is niet op haar initiatief gerealiseerd, maar tot stand gekomen onder druk van de accountmanager van F1. Op grond van de consumentenbeschermende bepalingen van artikelen 17 e.v. van de Brussel Ibis-Vo is [eisers] gerechtigd om haar rechtsvordering aan te brengen voor de eigen nationale rechter (in dit geval: de Nederlandse rechter). F1 kan zich niet beroepen op het in de oorspronkelijke overeenkomst opgenomen forumkeuzebeding omdat een dergelijk beding in consumentenzaken slechts geldig is indien deze is overeengekomen na het ontstaan van het geschil.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

De vordering van [eisers] in de hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak en is ingesteld na 10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft aan de hand van de Brussel Ibis-Vo moet worden beantwoord. Artikel 4 van de Brussel Ibis-Vo bepaalt dat, onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dient F1 in beginsel voor de Cypriotische rechter opgeroepen te worden.

Uit artikel 5 van de Brussel Ibis-Vo volgt dat slechts afwijking van deze hoofdregel mogelijk is op grond van de regels die zijn neergelegd in de afdelingen 2 tot en met 7 (de artikelen 7 tot en met 26) van hoofdstuk II van de Brussel Ibis-Vo. Zodoende is de vraag aan de orde of sprake is van een van de hoofdregel afwijkende bevoegdheid op grond waarvan de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van [eisers] kennis te nemen.

5.2.

Het gaat in dit bevoegdheidsincident om de vraag of sprake is van een consumentenovereenkomst in de zin van artikel 17 lid 1 sub c van de Brussel Ibis-Vo. Als dat zo is dan is de Nederlandse rechter op grond van artikel 18 lid 1 van de Brussel Ibis-Vo in beginsel bevoegd.

5.3.

De rechtbank passeert het standpunt van F1 dat erop neerkomt dat artikel 17 lid 1 van de Brussel Ibis-Vo buiten beschouwing dient te blijven, omdat de vordering van [eisers] in de hoofdzaak een vordering uit onrechtmatige daad betreft en niet een vordering voortvloeiende uit overeenkomst. Het begrip ‘verbintenis uit onrechtmatige daad’ moet worden beschouwd als een autonoom begrip, waaronder elke rechtsvordering valt die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ (HvJEG 27 september 1988, zaak 189/87 ( [naam 1] ), NJ 1990, 425). Het gestelde onrechtmatig handelen van F1 - en dat geldt ook voor de op onverschuldigde betaling gebaseerde vordering van [eisers] (zie r.o. 3.2. hiervoor) - houdt echter wel verband met de door [eisers] gestelde consumentenovereenkomst. De rechtbank begrijpt het door [eisers] aan F1 gemaakte verwijt aldus dat zij stelt dat F1 in het kader van de uitvoering van de door partijen gesloten overeenkomst toerekenbaar is tekortgeschoten, nu F1 zich heeft bediend van oneerlijke handelspraktijken. De grondslag van de vordering is derhalve gelegen in de door [eisers] gestelde overeenkomst.

5.4.

De bevoegdheid in consumentenzaken wordt geregeld in afdeling 4 van de Brussel Ibis-Vo. In artikel 17 van de Brussel Ibis-Vo wordt de overeenkomst tussen een consument en zijn wederpartij gedefinieerd. Het gaat in deze zaak om een activiteit die valt onder artikel 17 lid 1 sub c van de Brussel Ibis-Vo, nu F1 zich - zoals blijkt uit haar website - uitdrukkelijk richt op Nederlandse consumenten (naast consumenten uit andere lidstaten, hetgeen niet afdoet aan de specifieke gerichtheid op de Nederlandse markt).

5.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] in haar relatie tot F1 te gelden als een consument. De overeenkomst ten aanzien waarvan [eisers] de regels omtrent oneerlijke handelspraktijk inroept althans waarop [eisers] baseert dat jegens haar onrechtmatig is gehandeld, is een consumentenovereenkomst, aangezien deze is gesloten tussen een consument en een persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep. De rechtbank leidt dit af uit de door [eisers] in de dagvaarding en de conclusie van antwoord in het incident gestelde omstandigheden dat [eiser 2] als werknemer in loondienst werkzaam is, dat [eisers] haar spaargeld bij F1 heeft belegd en dat zij geen zakelijk doel met de beleggingen nastreefde maar een particulier doel, te weten het verhogen van haar privévermogen dat het spreekwoordelijke appeltje voor de dorst was. Dat [eisers] nadien - naar eigen zeggen op initiatief en dringend advies van F1 - een "professional account" bij F1 heeft gekregen met alle risico's van dien zoals die zich ook hebben verwezenlijkt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [eisers] ineens handelde in de uitoefening van een bedrijf of beroep (vgl. ook ECLI:NL:GHARL:2020:5062). De rechtbank merkt daarbij nog op dat F1 ter onderbouwing van haar standpunt dat [eisers] niet is aan te merken als consument verwijst naar "productie 13" bij de dagvaarding (waaruit "klip en klaar volgt dat [eisers] voornemens was een kleinschalige handel in beleggingen op te starten"), terwijl er 8 producties bij de dagvaarding zijn gevoegd. Ook overigens blijkt nergens uit dat dit van meet af aan de bedoeling was, zoals F1 stelt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de met F1 gesloten overeenkomst door [eisers] is aangegaan als consument.

5.6.

Op grond van artikel 18 lid 1 van de Brussel Ibis-Vo kan de rechtsvordering van een consument worden gebracht voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft. Nu [eisers] in Nederland woont, heeft voor deze vordering de Nederlandse rechter rechtsmacht.

5.7.

Ten aanzien van het beroep van F1 op het forumkeuzebeding, waarin de rechter te Cyprus als bevoegde rechter wordt aangewezen, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 25 van de Brussel Ibis-Vo bepaalt dat, indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, schriftelijk een gerecht van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht in beginsel exclusief bevoegd is. Forumkeuze is in consumentenzaken evenwel, gelet op artikel 19 sub 1 van de Brussel Ibis-Vo, alleen mogelijk na het ontstaan van het geschil. Dat is hier niet het geval. Pas na het zien van de uitzending van het televisieprogramma "Opgelicht" op 1 oktober 2019 heeft [eisers] zich gerealiseerd dat zij te maken heeft gehad met oneerlijke handelspraktijken althans onrechtmatig handelen. Dat was ruim na de totstandkoming van de forumkeuze. Een forumkeuze vooraf kan er niet toe leiden dat aan de consument de fora worden ontnomen die hem, zonder forumkeuze, toekomen (artikel 19 sub 2 van de Brussel Ibis-Vo). De uitzondering van artikel 19 sub 3 van de Brussel Ibis-Vo doet zich hier niet voor. [eisers] en F1 hebben hun verblijfplaats niet in hetzelfde land.

5.8.

De conclusie luidt dan ook dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen.

5.9.

De subsidiaire vordering inhoudende dat de rechtbank verklaart dat op de onderhavige procedure Cypriotisch recht van toepassing is, leent zich niet voor behandeling in het kader van dit bevoegdheidsincident. De subsidiaire vordering zal om die reden worden afgewezen.

5.10.

F1 zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [eisers] vastgesteld op

€ 543,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II).

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst zowel het primair als het subsidiair gevorderde af;

6.2.

veroordeelt F1 in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers] tot op heden vastgesteld op € 543,00;

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 september 2020 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2020.1

1 type: 565 coll: