Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2598

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
24-07-2020
Zaaknummer
18/820397-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplichting, verduistering en witwassen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 138ab
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 326
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/820397-14

Vonnis van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,

wonende [straatnaam] [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juni 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J.A. van Leuveren, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2011 tot en met 1 december 2013, in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meerdere listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) het/de bedrijf/bedrijven [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of (een) ander daaraan gelieerde bedrijf/bedrijven heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, zijnde (in totaal ongeveer) 228.676,61 euro, in elk geval (telkens) van een hoeveelheid geld/enig goed,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- het rekeningnummer van (een) (door [benadeelde partij 1] of dat/die bedrijf/bedrijven te betalen) crediteur(en) in de administratie van [benadeelde partij 1] of dat/die bedrijf/bedrijven gewijzigd in het rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte] , en/of

- ( een) nieuwe factu(u)r(en) in de administratie van [benadeelde partij 1] of dat/die bedrijf/bedrijven ter uitbetaling ingevoerd met het rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte] ,

- ( vervolgens) als boekhouder namens voornoemd(e) bedrijf/bedrijven een of meer factuurbedrag(en) op dit/een rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte overgemaakt onder vermelding van de naam van die (bedrijfs)crediteur(en) en/of de/het factuurnummer(s),

waardoor (die medewerker(s) van) dat/die bedrijf/bedrijven (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2011 tot en met 1 december 2013 in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (in totaal ongeveer) 228.676,61 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld/enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 2] en/of (een) daaraan gelieerd(e) bedrijf/bedrijven, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als boekhouder en/of (mede) (betalings)gevolmachtigde bij dat/die bedrijf/bedrijven, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 2 december 2013 tot en met 4 juli 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meerdere listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) het/de bedrijf/bedrijven [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of (een) ander daaraan gelieerde bedrijf/bedrijven heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, zijnde (in totaal ongeveer) 71.147,77 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld/enig goed,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- het rekeningnummer van (een) (door [benadeelde partij 1] of dat/die bedrijf/bedrijven te betalen) crediteur(en) in de administratie van [benadeelde partij 1] of dat/die bedrijf/bedrijven gewijzigd in het rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte] , en/of

- ( een) nieuwe factu(u)r(en) in de administratie van [benadeelde partij 1] of dat/die bedrijf/bedrijven ter uitbetaling ingevoerd met het rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte] ,

waardoor (die medewerker(s) van) dat/die bedrijf/bedrijven (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks 2 december 2013 tot en met 4 juli 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, zijnde (in totaal ongeveer) 71.147,77 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld/enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of (een) daaraan gelieerd(e)) bedrijf/bedrijven, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft hij, verdachte zich de (telkens) zonder toestemming toegang verschaft tot het bedrijfscomputersysteem en/of bedrijfsboekhoudsysteem, althans de digitale administratie van dat/die bedrijf/bedrijven, door het onbevoegd gebruiken van (de) bijbehorende inlogcode(s);

3.

hij in of omstreeks de periode van 2 december 2013 tot en met 4 juli 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een of meer geautomatiseerde werken of in een deel daarvan, is binnengedrongen, immers heeft verdachte opzettelijk en wederrechtelijk zich (telkens) zonder toestemming toegang verschaft tot het bedrijfscomputersysteem en/of bedrijfsboekhoudsysteem, althans de digitale administratie, van het/de bedrijf/bedrijven [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of (een) ander(e) daaraan gelieerde bedrijf/bedrijven, door het onbevoegd gebruiken van (de) bijbehorende inlogcode(s);

4.

hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2007 tot en met 5 september 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (in totaal ongeveer) 41.575,48 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking/functie als penningmeester van die vereniging, in elk geval ander dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2007 tot en met 5 september 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, een of meer geschrift(en), namelijk (een) bankafschrift(en), die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, immers heeft hij

- valselijk een bankafschrift opgesteld en/of laten opstellen en/of in strijd met de waarheid in dit bankafschrift vermeld en/of laten vermelden dat het saldo op 31 december 2012 14369,31 euro bedroeg en/of

- valselijk een bankafschrift opgesteld en/of laten opstellen en/of in strijd met de waarheid in dit bankafschrift vermeld en/of laten vermelden dat een bedrag van 4.000 euro is overgemaakt op de ASR-rekening van [benadeelde partij 4] en/of

- valselijk een bankafschrift opgesteld en/of laten opstellen en/of in strijd met de waarheid in dit bankafschrift vermeld en/of laten vermelden dat van de rekening van [benadeelde partij 4] 1.380,12 euro is overgemaakt aan [benadeelde partij 5] . en/of dat het saldo van de rekening 219.96 euro bedraagt en/of

- valselijk een bankafschrift opgesteld en/of laten opstellen en/of in strijd met de waarheid in dit bankafschrift vermeld en/of laten vermelden dat van de rekening van verdachte een bedrag van 4.000 euro is overgemaakt naar de spaarrekening van [benadeelde partij 4] ,

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te

doen gebruiken;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2007 tot en met 5 september 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één of meer vervalste en/of valselijk opgemaakte geschrift(en) die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, namelijk (een) vervalst(e) en/of valselijk opgemaakt(e)

bankafschrift(en), als was/waren dat/die geschrift(en) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij dat/die geschrift(en) heeft overgelegd/doen toekomen aan de kascommissie van [benadeelde partij 4] , en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat

- in een bankafschrift valselijk en/of in strijd met de waarheid stond vermeld dat het saldo op 31 december 2012 14369,31 euro bedroeg en/of

- in een bankafschrift valselijk en/of in strijd met de waarheid stond vermeld dat een bedrag van 4.000 euro is overgemaakt op de ASR-rekening van [benadeelde partij 4] en/of

- in een bankafschrift valselijk en/of in strijd met de waarheid stond vermeld dat van de rekening van [benadeelde partij 4] 1.380,12 euro is overgemaakt aan [benadeelde partij 5] . en/of dat het saldo van de rekening 219.96 euro bedroeg en/of

- in een bankafschrift valselijk en/of in strijd met de waarheid stond vermeld dat van de rekening van verdachte een bedrag van 4.000 euro is overgemaakt naar de spaarrekening van [benadeelde partij 4] ;

6.

hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2007 tot en met 5 september 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft verdachte meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte [medeverdachte] , althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten

- ( een) of meer geldbedrag(en), zijnde in totaal (ongeveer) 92.993,64 euro, althans een geldbedrag, omgezet (middels aankopen en/of internetbetalingen en/of gokactiviteiten), en/of

- ( een) of meer geldbedrag(en), zijnde in totaal (ongeveer) 163.850,01 euro, althans een geldbedrag, overgedragen (middels overboekingen op de privérekening van (die) [medeverdachte] ,), en/of

- ( een) of meer geldbedrag(en), zijnde in totaal (ongeveer) 74.243,57 euro, althans een geldbedrag, omgezet (middels uitgaven voor/ten behoeve van de beautysalon, althans een bedrijf, van (die) [medeverdachte] ),

althans (telkens) (van) een hoeveelheid geld heeft overgedragen en/of omgezet of gebruik gemaakt,

terwijl hij (telkens) wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit het misdrijf.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie en de raadsman hebben zich ten aanzien van feit 4 op het standpunt gesteld dat de strafverzwarende omstandigheid ‘in dienstbetrekking’ niet bewezen kan worden, omdat verdachte als penningmeester een vrijwilliger was en er aldus van een dienstbetrekking geen sprake was. De rechtbank is het hiermee eens en zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken. Met het wegvallen van de strafverzwarende omstandigheid, rijst ten aanzien van feit 4 de vraag naar de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ingevolge artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht is op het onder 4 ten laste gelegde een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren gesteld. Gelet op artikel 70, eerste lid onder 2, van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvervolging door verjaring in zes jaren voor misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Op grond van artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht wordt de verjaring door een daad van vervolging gestuit. De rechtbank merkt de vordering aan de rechter-commissaris tot het leggen van conservatoir beslag d.d. 6 november 2014 aan als een daad van vervolging. Dit betekent dat de (impliciet) ten laste gelegde verduistering (zonder de strafverzwaringsgrond van artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht) voorafgaand aan 6 november 2008 is verjaard. De rechtbank acht de officier van justitie derhalve niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht voor wat betreft de periode van 19 maart 2007 tot en met 5 november 2008. Voor het overige acht de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1, 2 en 3.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten, gelet op de aangiftes namens [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 4 en 5.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van de onder 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten, gelet op de aangiftes namens [benadeelde partij 4] en de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd van het ten laste gelegde onderdeel ‘uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking’, omdat verdachte een onbetaalde vrijwilliger was.

Feit 6.

De officier van justitie heeft tevens veroordeling gevorderd van het onder 6 ten laste gelegde, aangezien uit rekeningonderzoek blijkt dat verdachte de ten laste gelegde geldbedragen heeft omgezet en/of overgedragen, hetgeen verdachte ook heeft erkend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank 1

Algemeen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde telkens met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Feit 1, 2 en 3.

Op 1 september 2014 heeft [naam 1]2 namens [benadeelde partij 1] te Wijster aangifte gedaan tegen verdachte. Verdachte is op 3 januari 2011 als boekhouder in dienst getreden en heeft alle financiële zaken voor onder andere de bedrijven [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] verricht. Verdachte heeft de beschikking om overal op elke computer/telefoon geld (via internetbankieren) over te maken van de bankrekeningen van deze bedrijven.

Verdachte is gemachtigd om alle facturen van crediteuren te betalen via de rekeningen van voornoemde bedrijven. [naam 1] heeft de betalingen telkens geaccordeerd na een melding via een sms-bericht en e-mailbericht. Op 1 december 20133 is het dienstverband van verdachte beëindigd.

Verdachte heeft betalingsoverboekingen verricht gebaseerd op de facturen van een crediteur, maar de geldbedragen telkens overgemaakt op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] (naar later blijkt op naam van verdachte en/of [medeverdachte]4) in plaats van het bankrekeningnummer behorend bij die crediteur.5

[naam 1] heeft in een aanvullende verklaring verklaard dat de hoogte van de schade

€ 299.824,38 bedraagt in de periode van 8 december 2011 tot en met 4 september 2014.6

Uit betalingsoverzichten7 blijkt dat in de periode van het dienstverband van verdachte telkens geldbedragen vanaf de rekeningen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn overgemaakt naar bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] voor in totaal € 228.676,61.

In de periode vanaf 17 december 2013 (na het einde van het dienstverband van verdachte) is een geldbedrag van in totaal € 74.147,77 van de rekening van [benadeelde partij 1] overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] .

Verdachte heeft bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft verklaard dat hij van binnengekomen facturen de batchbetaling aanmaakte en het rekeningnummer van de crediteur wijzigde in het door hem gebruikte rekeningnummer [rekeningnummer 1] . [naam 1] heeft daarna de betalingen geaccordeerd. Ook na het dienstverband heeft verdachte zich de toegang verschaft tot het bedrijfscomputersysteem en bedrijfsboekhoudsysteem van [benadeelde partij 1] door het onbevoegd gebruiken van de inlogcodes en heeft hij voornoemde werkwijze voortgezet.8 Verdachte heeft de hoogte van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen niet betwist.9

Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten op de wijze zoals hierna uit de bewezenverklaring blijkt.

Feit 4 en 5.

Op 23 september 2014 heeft [naam 2], voorzitter van [benadeelde partij 4] , namens [benadeelde partij 4] aangifte gedaan van verduistering. Er zijn onregelmatigheden in de boekhouding geconstateerd.10

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte voor een totaalbedrag van € 52.710,37 aan onrechtmatige betalingen heeft gedaan vanaf de bankrekening van [benadeelde partij 4] in de periode van 6 november 2008 tot en met 5 september 2014.11 Gelet op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient (volgens het overzicht12) een bedrag van € 4.910,11 in mindering te komen op de hoogte van het totaalbedrag van € 57.620,58 zoals blijkt uit de aangifte. Voorts is gebleken dat verdachte een bedrag van € 16.045,00 aan [benadeelde partij 4] heeft teruggestort.13

[naam 2] heeft tevens verklaard dat verdachte valse bankafschriften heeft opgesteld om ontdekking van de verduistering te voorkomen.14 Door de getuige [getuige] zijn een viertal valse bankafschriften aan de politie overhandigd.15

Verdachte heeft bekend dat hij het ten laste gelegde geldbedrag van [benadeelde partij 4] heeft verduisterd.16 Ook heeft hij bekend dat hij vier bankafschriften valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken.17

Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten op de wijze zoals hierna uit de bewezenverklaring blijkt.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde onderdeel ‘uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking’. Als penningmeester maakte verdachte deel uit van het bestuur van de vereniging. Er staat dus onvoldoende vast dat sprake was van ondergeschiktheid aan de vereniging. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat verdachte een vergoeding kreeg voor zijn werkzaamheden als penningmeester.

Feit 6.

Uit onderzoek naar de geldstromen op de bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] is onder meer het volgende gebleken.

Er is in de periode van 23 mei 2011 tot en met 1 september 2014 een bedrag van € 72.854,00 overgemaakt naar rekeningen met als omschrijving [bedrijf 20] .18

Ook is er van voornoemde bankrekening in de periode van 18 mei 2012 tot en met 30 september 2014 een bedrag van € 156.822,78 overgemaakt naar de privérekening van [medeverdachte] ( [rekeningnummer 2] ).19 Verdachte heeft tevens in de periode van 30 april 2012 tot en met 29 oktober 2013 vanaf zijn privérekening met nummer [rekeningnummer 3] een bedrag van € 7.027,23 overgemaakt naar de privérekening van [medeverdachte] ( [rekeningnummer 2] ).20

Uit een onderzoek naar de uitgaven ten behoeve van de beautysalon van [medeverdachte] blijkt dat er een totaalbedrag van € 74.243,5721 is uitgegeven voor de inrichting en opening van de beautysalon. In 2013 is aan vaste lasten voor het pand van de beautysalon; bestaande uit huur, water, gas en licht, een bedrag van € 6.451,22 (giraal) uitgegeven.22

Daarnaast is voor € 67.792,3523 aan verbouwings- en investeringskosten uitgegeven. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- [bedrijf 1] (contant) € 10.176,80;24

- [bedrijf 2] (giraal) € 9.248,85;25

- Bouwmarkten (pin betaalautomaat) € 10.704,70;26

- [bedrijf 3] (giraal/pin betaalautomaat) € 15.071,09;27

- [bedrijf 4] (giraal) € 4.390,00;28

- [bedrijf 5] (giraal/pin betaalautomaat) € 1.780,09;29

- Meubelen (pin) € 1.802,50;30

- [bedrijf 6] (pin betaalautomaat) € 2.800,00;31

- [bedrijf 7] (pin betaalautomaat) € 600,00;32

- [bedrijf 8] (giraal) € 605,00;33

- [bedrijf 9] (giraal) € 552,83;34

- [bedrijf 10] (factuur) € 1.820,17;35

- [bedrijf 11] (factuur) € 110,75;36

- [bedrijf 12] (factuur) € 499,13;37

- [bedrijf 13] (pin betaalautomaat/factuur) € 404,04;38

- [bedrijf 14] (factuur) € 821,00;39

- [bedrijf 15] (giraal) € 2.147,92;40

- [bedrijf 16] (giraal) € 1.717,00;41

- [bedrijf 17] (giraal) € 592,93;42

- [bedrijf 18] € 1.210,96;43

- [bedrijf 19] € 736,59.44

Verdachte heeft bekend dat hij voornoemde bedragen heeft witgewassen.45

Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 6 ten laste gelegde op de wijze zoals hierna uit de bewezenverklaring blijkt.

Met betrekking tot het geldbedrag van € 20.139.64 dat is overgemaakt van de rekening van [benadeelde partij 4] naar [bedrijf 20] en overige online goksites overweegt de rechtbank dat daarvan niet bewezen kan worden dat sprake is van ‘door een misdrijf verkregen’ omdat geen sprake is van een voorafgaand misdrijf (vgl. HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:35).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair en 6 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair.

hij in de periode van 3 januari 2011 tot en met 1 december 2013, in het arrondissement Noord-Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, de bedrijven [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, zijnde in totaal 228.676,61 euro,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- het rekeningnummer van door die bedrijven te betalen crediteuren in de administratie van die bedrijven gewijzigd in het rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte] , en

- nieuwe facturen in de administratie van die bedrijven ter uitbetaling ingevoerd met het rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte] ,

- vervolgens als boekhouder namens voornoemde bedrijven factuurbedragen op dit rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte overgemaakt onder vermelding van de naam van die bedrijfscrediteuren en/of de/het factuurnummer(s),

waardoor die bedrijven telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;

2 primair.

hij in de periode van 2 december 2013 tot en met 4 juli 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, het bedrijf [benadeelde partij 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, zijnde in totaal 71.147,77 euro,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- het rekeningnummer van door [benadeelde partij 1] te betalen crediteuren in de administratie van [benadeelde partij 1] gewijzigd in het rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte] , en

- nieuwe facturen in de administratie van [benadeelde partij 1] ter uitbetaling ingevoerd met het rekeningnummer van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte] ,

waardoor dat bedrijf telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften;

3.

hij in de periode van 2 december 2013 tot en met 4 juli 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), telkens opzettelijk en wederrechtelijk in geautomatiseerde werken of in een deel daarvan, is binnengedrongen, immers heeft verdachte opzettelijk en wederrechtelijk zich telkens zonder toestemming toegang verschaft tot het bedrijfscomputersysteem en bedrijfsboekhoudsysteem, van het bedrijf [benadeelde partij 1] , door het onbevoegd gebruiken van de bijbehorende inlogcodes;

4.

hij in de periode van 6 november 2008 tot en met 5 september 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), telkens opzettelijk in totaal 36.665,37 euro, toebehorende aan de [benadeelde partij 4] , welke geldbedragen verdachte telkens anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5 primair.

hij in de periode van 19 maart 2007 tot en met 5 september 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, geschriften, namelijk bankafschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, immers heeft hij

- valselijk een bankafschrift opgesteld en in strijd met de waarheid in dit bankafschrift vermeld dat het saldo op 31 december 2012 14.369,31 euro bedroeg en

- valselijk een bankafschrift opgesteld en in strijd met de waarheid in dit bankafschrift vermeld vermelden dat een bedrag van 4.000 euro is overgemaakt op de ASN-rekening van [benadeelde partij 4] en

- valselijk een bankafschrift opgesteld en in strijd met de waarheid in dit bankafschrift vermeld dat van de rekening van [benadeelde partij 4] 1.380,12 euro is overgemaakt aan [benadeelde partij 5] . en dat het saldo van de rekening 219,96 euro bedraagt en

- valselijk een bankafschrift opgesteld en in strijd met de waarheid in dit bankafschrift vermeld dat van de rekening van verdachte een bedrag van 4.000 euro is overgemaakt naar de spaarrekening van [benadeelde partij 4] ,

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken;

6.

hij in de periode van 23 mei 2011 tot en met 5 september 2014 in het arrondissement Noord-Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft verdachte meermalen (op verschillende tijdstippen),

- geldbedragen, zijnde in totaal 72.854,00 euro, omgezet (middels aankopen en/of internetbetalingen en/of gokactiviteiten), en

- geldbedragen, zijnde in totaal 163.850,01 euro, overgedragen (middels overboekingen op de privérekening van [medeverdachte] ,), en

- geldbedragen, zijnde in totaal 74.243,57 euro, omgezet (middels uitgaven voor/ten behoeve van de beautysalon van [medeverdachte] ),

terwijl hij telkens wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit het misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair. Oplichting, meermalen gepleegd.

2 primair. Oplichting, meermalen gepleegd.

3. Computervredebreuk, meermalen gepleegd.

4. Verduistering, meermalen gepleegd.

5 primair. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

6. Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair en 6 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een (maximale) taakstraf op te leggen alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet passend, vanwege overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM. Daarnaast heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen toegevoegde waarde en doorkruist het de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de psycholoog en reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich in een periode van december 2011 tot december 2013 (gedurende bijna 2 jaar) schuldig gemaakt aan oplichting van zijn werkgever [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Hij had uit hoofde van zijn functie als administratief medewerker/boekhouder toegang tot de financiële administratie en was verantwoordelijk voor de betalingen van facturen. Verdachte heeft op slinkse wijze de bedrijfsadministratie gemanipuleerd om zo via zogenaamde batch-betalingen telkens geldbedragen op zijn bankrekening te storten. Tijdens zijn dienstverband heeft verdachte een bedrag van € 228.676,61 op zijn eigen rekening laten storten.

Ook na het beëindigen van het dienstverband is verdachte in de periode van 2 december 2013 tot en met 4 juli 2014 doorgegaan met de oplichting van [benadeelde partij 1] Verdachte had nog steeds de beschikking over de benodigde inlogcodes voor de bedrijfs- en administratiesystemen en heeft een bedrag van € 74.147,77 op zijn eigen rekening laten storten. Daarmee heeft verdachte zich naast oplichting tevens schuldig gemaakt aan computervredebreuk.

Verdachte heeft op grove wijze en op grote schaal bewust misbruik gemaakt van zijn positie als financieel werknemer. Met zijn handelen heeft hij het vertrouwen van zijn werkgever(s) ernstig beschaamd. Ook heeft hij zijn werkgever(s) flinke financiële schade toegebracht. Het handelen van verdachte schaadt ook meer in het algemeen het vertrouwen dat werkgevers in hun werknemers moeten kunnen hebben.

In de periode van 6 november 2008 tot en met 5 september 2014 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een bedrag van € 36.665,37 van [benadeelde partij 4] . Verdachte heeft zich geld wederrechtelijk toegeëigend terwijl dat geld bestemd was voor de vereniging. Hij heeft zijn positie van penningmeester misbruikt en de vereniging ernstig financieel gedupeerd. Om ontdekking van de verduistering te voorkomen heeft verdachte tevens valsheid in geschrift gepleegd door valse bankafschriften op te stellen. Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd.

Het geld dat verdachte met de oplichtingen en verduistering ter beschikking kreeg is gebruikt voor de aanschaf van goederen (onder meer ten behoeve van de beautysalon van [medeverdachte] ), gokken en een exorbitant uitgavenpatroon. Hiermee heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte kennelijk heeft gehandeld uit een zucht naar geld. Hij kan de illegaal verkregen geldbedragen niet terugbetalen. Ook blijft onduidelijk of verdachte uit eigen beweging de strafbare gedragingen zou hebben beëindigd.

Documentatie.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie van 27 mei 2020, waaruit blijkt dat verdachte in 2002, 2003 en 2009 onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten. Aan verdachte zijn meermalen hoge werkstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd.

Verdachte heeft zich vanaf 2007 schuldig gemaakt aan verduistering van gelden van [benadeelde partij 4] . De veroordeling in 2009, waarbij aan verdachte tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, heeft hem er aldus niet van weerhouden zich schuldig te (blijven) maken aan soortgelijke strafbare feiten. Het handelen van verdachte is verergerd doordat hij daarna ook een nieuwe werkgever voor een fors geldbedrag heeft opgelicht.

Persoon van verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend psychologisch onderzoek Pro Justitia van 17 april 2020, opgesteld door drs. F.M. Vuister, klinisch psycholoog.

De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte geen sprake is van een psychische stoornis, verstandelijke handicapt en/of psychogeriatrische aandoening. Geadviseerd is om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te verklaren.

Voorts heeft de psycholoog geconcludeerd dat verdachte voor de derde maal recidiveerde en dat het ten laste gelegde in duur zowel als in kwantitatieve zin de eerdere delictgedragingen verre overtreffen. In die zin is er sprake van een delictpatroon.

Verdachte heeft een schuld van ongeveer € 250.000,00 en is met kleine bedragen de schuld aan het aflossen. Hij werkt niet meer in zijn voormalige beroepsuitoefening, waarin hij relatief gemakkelijk bij de gelden van derden kon komen, en leidt een in maatschappelijke zin aangepast bestaan. Verdachte werkt als vrijwilliger. Alles bijeen heeft de psycholoog de kans op recidive laag geschat. Hulpverlening is niet geïndiceerd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies van 22 juli 2019, opgesteld door S.L. Pattiruhu, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland te Groningen. De reclassering heeft het recidiverisico als gemiddeld ingeschat, omdat verdachte zich voor de vierde keer moet verantwoorden voor een soortgelijk delict en er sprake is van recidive tijdens een proeftijd. Geadviseerd is de oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.

LOVS oriëntatiepunten.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van strafzaken zoals thans aan de orde een gevangenisstraf tussen de 12 en 18 maanden vastgesteld. Daarbij gaat het om fraude met een benadelingsbedrag tussen de € 250.000,00 en € 500.000,00. De rechtbank merkt de volgende factoren als strafverzwarend aan: er zijn meerdere slachtoffers, de fraude heeft lange tijd geduurd, verdachte heeft op slinkse wijze geprobeerd zijn handelen te verdoezelen, hij heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk om de fraude te faciliteren en heeft telkens zijn bijzondere positie als (voormalig) werknemer en penningmeester misbruikt.

De rechtbank is tegen deze achtergrond en het feit dat verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten tot onder meer voorwaardelijke gevangenisstraffen, van oordeel dat de oplegging van een taakstraf, zoals de raadsman heeft voorgesteld, niet aan de orde is. Verdachte blijft volharden in het plegen van feiten als verduistering in dienstbetrekking en oplichting, ondanks de eerdere veroordelingen. Dan rest thans niets anders dan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de aard en ernst van de gepleegde feiten en het strafblad van verdachte neemt de rechtbank als uitgangspunt de oplegging van een gevangenisstraf van 18 maanden. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd ziet de rechtbank geen meerwaarde in de oplegging van een deels voorwaardelijke straf. In het verleden zijn aan verdachte immers meerdere malen voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd, maar dat heeft verdachte er niet van weerhouden om opnieuw stafbare feiten te plegen.

De rechtbank wijst er op dat de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen de op te leggen straf niet significant heeft verhoogd, nu de rechtbank in het kader van de straftoemeting dit feit als onderdeel van de overige vermogensdelicten beschouwt.

Overschrijding redelijke termijn.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, lid 1, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.

Die termijn heeft een aanvang genomen vanaf de ‘criminal charge’, te weten de inverzekeringstelling op 17 november 2015, en gaat derhalve een termijn van twee jaren ruimschoots te boven. Deze overschrijding dient in de straf te worden verdisconteerd.

Straf.

In verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf worden verminderd. Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 4] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 41.575,41 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 41.575,41 overeenkomstig het onder 4 ten laste gelegde verduisterde geldbedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en de hoogte van de gestelde schade niet betwist.

Het oordeel van de rechtbank

Beoordeling van de vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 september 2014.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Veroordeling in de kosten.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 138ab, 225, 321, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 4 ten laste gelegde artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover dit betreft de periode van 19 maart 2007 tot en met 5 november 2008.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 41.575,41 (zegge: eenenveertig duizend vijfhonderdvijfenzeventig euro en eenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] te betalen een bedrag van € 41.575,41 (zegge: eenenveertig duizend vijfhonderdvijfenzeventig euro en eenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2014, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van maximaal 242 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. R. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2020.

Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van ambtsedige processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met BVH PL100-2016313682, opgemaakt door politie eenheid Noord-Nederland, waarvan de 9 ordners als volgt zijn doorgenummerd. Ordners 1 tot en met 4 zijn doorgenummerd 1 tot en met 1136. BOB ordners 5 tot en met 9 zijn doorgenummerd 1 tot en met 1998. Tenzij anders vermeld zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina’s 392 en 393.

3 Pagina 932.

4 BOB pagina 16.

5 Pagina 653.

6 Pagina 435.

7 Pagina’s 438 en 439.

8 Pagina’s 246, 250, 256 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2020.

9 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2020.

10 Pagina’s 1008 en 1009.

11 Pagina’s 1087, 1093, 1097, 1121, 1123, 1124 en 1125.

12 Pagina’s 1073 en 1074.

13 Pagina 1122.

14 Pagina 1088 en 1089.

15 Pagina’s 1099, 1100, 1109, 1110 en 1116.

16 Pagina’s 297, 301, 305, 306, 311 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2020.

17 Pagina’s 301, 302, 306, 310 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2020.

18 Pagina 592.

19 Pagina’s 557, 558, 559 en 560.

20 Pagina 562.

21 Pagina 966.

22 Pagina’s 574 en 959.

23 Pagina 966.

24 Pagina 965.

25 Pagina’s 566, 961 en 962.

26 Pagina’s 953 en 959.

27 Pagina 952.

28 Pagina 570.

29 Pagina 569.

30 Pagina 569.

31 Pagina 571.

32 Pagina 571.

33 Pagina 571.

34 Pagina 571.

35 Pagina 963.

36 Pagina 963.

37 Pagina 963.

38 Pagina 963.

39 Pagina 963.

40 Pagina’s 774 en 962.

41 Pagina 962.

42 Pagina 961.

43 Pagina 962.

44 Pagina’s 960 en 1132.

45 Pagina’s 250, 255, 266, 272 tot en met 274, 277 tot en met 281, 284, 285, 316 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2020.