Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2585

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
23-07-2020
Zaaknummer
18/730289-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben wapens en munitie

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/730289-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 juni 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. de Jong, advocaat te Burgum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 6 december 2019 tot en met 18 december 2010, te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging, althans alleen,

een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren, van categorie III lid 1 of II lid 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch vuurwapen merk/type Zastava M92 Pap AK47 (met houder en bijbehorende knalpatronen, 20 stuks, van het kaliber 7.62 x 39 mm, categorie II of III) en/of

een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, van categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een handgranaat, merk/type M75

voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het ten laste gelegde, gelet op het aantreffen van het vuurwapen, de munitie en een handgranaat in de woning waar de medeverdachte verbleef en de bekennende verklaring van verdachte dat hij de wapens en de munitie bij de medeverdachte heeft achtergelaten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent de eventuele bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Uit de kennisgevingen van inbeslagneming2, het proces-verbaal van bevindingen3, het proces-verbaal onderzoek wapen4 en de bekennende verklaring van verdachte5 blijkt genoegzaam dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de wijze zoals hierna is bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 6 december 2019 tot en met 18 december 2010, te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging,

een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren, van categorie II lid 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch vuurwapen merk/type Zastava M92 Pap AK47 (met houder en bijbehorende knalpatronen, 20 stuks, van het kaliber 7.62 x 39 mm, categorie II)

en

een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, van categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een handgranaat, merk/type M75

voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze blijken uit de reclasseringsrapporten. Daarnaast is verdachte niet eerder veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Verder heeft hij zichzelf bij de politie gemeld en het ten laste gelegde volledig bekend. De raadsman heeft bepleit de hoogte van de gevangenisstraf te beperken tot een jaar met een gedeelte voorwaardelijk om oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken, aangezien verdachte gemotiveerd is voor hulpverlening en begeleiding.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte wapens en munitie voorhanden gehad, te weten een volautomatisch vuurwapen met bijbehorende munitie en een handgranaat. Het gaat hier om zeer zwaar en gevaarlijk wapentuig. Het ongecontroleerde bezit daarvan brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee. Wapens zoals dit automatische vuurwapen en handgranaten worden gebruikt in het criminele circuit bij het plegen van ernstige strafbare feiten en vormen daardoor een ernstige bedreiging voor de veiligheid van de samenleving.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte het vuurwapen, de handgranaat en de munitie voorhanden kreeg en vervolgens het initiatief nam om deze voorwerpen in de woning waar de medeverdachte regelmatig verbleef achter te laten, wetende dat de mogelijkheid bestond dat er kinderen in die woning zouden zijn. Verdachte wist immers dat de vijfjarige zoon van de medeverdachte regelmatig in die woning verbleef. De rechtbank overweegt dat de aanwezigheid van wapens enerzijds in combinatie met kleine kinderen anderzijds in één woning onaanvaardbaar grote risico’s met zich brengt.

Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 3 juni 2020, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten, maar deze feiten niet zien op overtreding van de Wet wapens en munitie.

Uit de verklaring van verdachte ter zitting en de reclasseringsadviezen van 16 januari 2020 en 13 maart 2020, opgesteld door [naam] , reclasseringswerker van het Leger des Heils Noord-Nederland, leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte heeft wapens en munitie aangenomen van een persoon die eerder geld van hem had geleend. Met het geven van de goederen wilde die persoon zijn lening bij verdachte aflossen. Verdachte heeft de wapens en munitie vervolgens bij de medeverdachte ondergebracht. Een financieel motief ligt ten grondslag aan het ten laste gelegde. Verder had verdachte toen geen huisvesting en beschikte hij over onvoldoende inkomen. Recidive verhogend geldt het ontbreken van voldoende inkomen en het ontbreken van huisvesting. Als recidive verlagend is gesteld dat verdachte pro-sociale doelen heeft en ondersteuning wenst om stabiliteit in zijn leven te krijgen. Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.

De reclassering heeft geadviseerd bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en dat verdachte zich zonder toestemming van de reclassering niet vestigt op een ander adres dan het adres: [straatnaam] te Wolvega.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor het voorhanden hebben van:

- een automatisch vuurwapen (categorie II.2) uit van een gevangenisstraf van 9 maanden;

- een handgranaat (categorie II.7) uit van een gevangenisstraf van 6 maanden;

- 20 knalpatronen uit van een geldboete van € 140,00.

Deze oriëntatiepunten voorzien niet in een samenloop van meerdere wapens en de bijzondere munitie met een zeer brandbare massa (brandsas) waarvan sprake is. Voornoemde omstandigheden weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Daarbij is in dit geval tevens sprake van medeplegen, hetgeen eveneens als strafverzwarend door de rechtbank is beoordeeld.

Het behoeft geen nader betoog dat, gelet op het voorgaande, uit oogpunt van preventie en maatschappelijke veiligheid streng moet worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen met (bijbehorende) munitie en een handgranaat. De rechtbank is van oordeel dat een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door afdoening met een lichtere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf miskend zouden worden De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden passend en geboden. Hiervan zal de rechtbank een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk opleggen, om verdachte er van te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen en om de oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd, mogelijk te maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen veertien dagen na vrijlating uit detentie meldt bij de reclassering van het Leger des Heils te Leeuwarden. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. dat de veroordeelde zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering. De veroordeelde verblijft na detentie op het adres: [straatnaam] , [plaats] ;

3. dat de veroordeelde zich ambulant laat begeleiden door het Leger des Heils met praktische zaken, zodat er toegewerkt wordt naar zelfstandig wonen. Hierbij werkt de veroordeelde mee aan het realiseren van inkomen en dagbesteding in de vorm van werk en/of opleiding.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van ambtsedige processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd 2019335494 (onderzoek Franck), opgemaakt door politie eenheid Noord-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 182, tenzij anders vermeld zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina’s 5, 6, 7 en 12.

3 Pagina’s 74 en 75.

4 Pagina’s 98 en 99.

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 juni 2020.