Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2575

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
23-07-2020
Zaaknummer
LEE 18/3726
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/3726

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen

RIKA Greenpark Wijster b.v., te Groningen, eiseres,

(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe, verweerder.

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij sub 1] en [derde-partij sub 2],

te [woonplaats] (gemachtigde: [gemachtigde derde partijen]).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een industriële vergistingsinstallatie op het perceel gemeente Beilen, sectie S, nummer 737 (gedeeltelijk). Verweerder heeft daarnaast besloten dat geen milieueffectrapport (hierna: mer) behoeft te worden opgesteld.

Eiseres heeft bij brief van 27 november 2018 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (de StAB) te benoemen teneinde de rechtbank van advies te dienen. Op 24 april 2019 heeft de StAB de rechtbank van advies voorzien. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op dit advies te reageren. Eiseres en verweerder hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De StAB heeft bij rapport van 18 juli 2019 op de reacties gereageerd.

Op 18 december 2019 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 16 januari 2020 behandeld. Namens eiseres zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn [naam 3], [naam 4] en [naam 5] verschenen. Belanghebbenden zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres is voornemens een industriële vergistingsinstallatie op te richten op het perceel plaatselijk bekend kruising Nijverheidsweg en Ambachtsweg te Wijster. De aanvraag betreft een installatie waarin jaarlijks circa 250.000 ton meststoffen (pluimveemest en varkensdrijfmest) en 150.000 ton vaste en vloeibare co-producten (onder andere gras, maïs en brijvoer) worden vergist tot biogas dat wordt opgewerkt tot groen gas. Naast groen gas ontstaan in het productieproces ammoniumsulfaat, CO₂ en droog digestaat (mestkorrels en meststof) als eindproducten.

1.2.

Vooruitlopend op een in te dienen aanvraag heeft verweerder een aanmeldnotitie ontvangen van eiseres. Naar aanleiding van deze notitie heeft verweerder op 23 januari 2018 besloten dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het uitvoeren van een milieueffectrapportage nodig maken.

1.3.

Op 16 februari 2018 heeft eiseres een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend.

1.4.

Bij bestreden besluit heeft verweerder vergunning met voorschriften verleend voor de volgende activiteiten:

-het bouwen van een bouwwerk;

-het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en het in werking hebben van een inrichting.

1.5.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid.

2.1.

De aanvraag van eiseres betreft een omgevingsvergunning voor een installatie voor de verwerking van dierlijke mest. Ingevolge van artikel 1.1, eerste lid, onder a, juncto Bijlage I, categorie 10.1 van de Crisis- en herstelwet (Chw), valt de aanvraag dus onder de werking van de Chw.

2.2.

Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

2.3.

Het ligt op de weg van verweerder om duidelijkheid te verschaffen over de rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing, zoals in dit geval, niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb en uit een oogpunt van kenbaarheid van wettelijke bepalingen, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd, de rechtbank verwijst naar onder andere een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5483. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van het beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor.

2.4.

Eiseres heeft bij brief van 27 november 2018 een beroepschrift, voorzien van enkele gronden en bij brief van 6 februari 2019 een aanvullend beroepschrift met aanvullende gronden ingediend. Eerst ter zitting bij de rechtbank is besproken dat op het beroep het procesrecht zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Onder deze omstandigheden moeten ook de gronden in het aanvullend beroepschrift door de rechtbank worden meegenomen.

Ten aanzien van de inhoud van het beroep.

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

e. het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

4.1.

Eiseres is van mening dat de voorschriften in de vergunning niet nodig zijn en onevenredig bezwarend. Ter zitting is bevestigd dat eiseres zich richt tegen de voorschriften 1.8.1 tot en met 1.8.10 en 1.8.12 tot en met 1.8.18, 1.8.21 en 1.8.22.

4.2.

De rechtbank heeft de StAB gevraagd haar van advies te voorzien. De rechtbank stelt voorop dat gelet op vaste jurisprudentie van de AbRS, zie onder meer ECLI:NL:RVS:2011:BR6329, de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige. Dat is slechts anders indien het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Daarvan is hier niet gebleken.

5.1.

Ten aanzien van voorschrift 1.8.1

Het voorschrift luidt:

De geuremissie uit het biofilter mag niet meer bedragen dan:

-tijdens openingstijden: 45x10⁶ ou per uur;

-buiten openingstijden: 19x10⁶ ou per uur.

Het geurverwijderingsrendement van het biofilter, inclusief de voorgeschakelde chemische wasser, dient te allen tijde 70% of meer te bedragen.

5.1.1.

Eiseres heeft bezwaren tegen het opleggen van emissie-eisen. Dit is niet nodig en onnodig belastend aangezien immissiewaarden in de vergunning zijn vastgelegd. Voorts stelt eiseres dat het opleggen van een geurverwijderingsrendement voor de chemische wasser onnodig belastend is: van belang is uiteindelijk de geuremissie.

5.1.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Richtlijn IPPC zich richt op een minimalisatie van de milieubelasting door toepassing van best beschikbare technieken (BBT). Het voor een IPPC-bedrijf in voorschriften vastleggen van een minimum-eis voor het verwijderingsrendement past daarbij. Het vastleggen van een maximum geuremissie voor deze en andere bepalende bronnen is de manier om de aangevraagde geursituatie, waarmee hinder wordt voorkomen, vast te leggen en daar zo nodig op te kunnen handhaven en controleren.

5.1.3.

De StAB stelt dat het stellen van emissie- en immissie-eisen aansluit bij de methodiek die is gebruikt bij het geuronderzoek van [bedrijf 1]. Na het bepalen van de geuremissies bij maatgevende bronnen kunnen de geurvrachten worden ingevoerd in de verspreidingsberekening waarna de immissie bij de woningen in de omgeving kan worden bepaald. Ook vanuit toezicht en naleving zijn emissies te prevaleren.

Het opleggen van een rendementseis voor het biofilter is volgens de StAB niet per se nodig in het belang van het milieu en voor eiseres onnodig bezwarend. Voor zover verweerder van mening is dat per activiteit BBT moet worden toegepast en dat daarom deze eis wordt opgelegd meent de StAB dat door het enkel opnemen van de emissie-eis al wordt voldaan aan het BBT-vereiste. Strikt genomen heeft het voorschrijven van een geurverwijderingsrendement van het biofilter (vrijwel) geen toegevoegde waarde.

5.1.4.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid onder c, 1 neemt het bevoegd gezag bij een beslissing om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, in ieder geval in acht dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

Op grond van artikel 5.4., eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken.

Op eiseres is het BREF afvalbehandeling van toepassing. In dit BREF zijn diverse BBT-conclusies omtrent geur opgenomen. Hier is relevant BBT 34. De BBT om geleide emissies van stof, organische verbindingen en geurende stoffen, met inbegrip van H2S en NH3, naar lucht te verminderen, is om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.

Techniek

Beschrijving

a.

Adsorptie

Zie punt 6.1.

b.

Biofilter

Zie punt 6.1.

Bij een hoog NH3-gehalte (bv. 5-40 mg/Nm3) kan een voorbehandeling van het afgas vóór de biofilter (bv. met een natte of zure gaswasser) nodig zijn om de pH van de media te regelen en de vorming van N2O in de biofilter te beperken.

Sommige andere geurende stoffen (bv. mercaptanen, H2S) kunnen verzuring van de biofiltermedia veroorzaken en vereisen het gebruik van een water- of basische gaswasser voor de voorbehandeling van het afgas vóór de biofilter.

c.

Doekenfilter

Zie punt 6.1. Bij mechanische biologische afvalbehandeling wordt een doekenfilter gebruikt.

d.

Thermische oxidatie

Zie punt 6.1.

e.

Natte gaswassing

Zie punt 6.1. Water-, zure of basische gaswassers worden gebruikt in combinatie met een biofilter, thermische oxidatie of adsorptie op actieve kool.

5.1.5.1. De rechtbank overweegt dat verweerder voor de omgeving een aanvaardbaar niveau van geurhinder heeft bepaald. Om binnen de toegestane geurcontouren te blijven, is eiseres een bepaalde emissie vergund. Zoals ook uit de beoordeling van de StAB blijkt is het, naast het voorschrijven van immissie, uit het oogpunt van handhaafbaarheid van de opgelegde normen, wenselijk om emissie-eisen voor te schrijven. Naar het oordeel van de rechtbank is dit, gelet op het doel wat hiermee worden gediend, niet onnodig belastend.

5.1.5.2. Ten aanzien van de rendementseis van het biofilter overweegt de rechtbank dat verweerder niet gevolgd kan worden in diens betoog dat minimalisatie van de milieubelasting in dit geval grond kan vormen voor het voorschrijven van deze eis. Voor zover al een dergelijke algemene regel uit het BREF zou volgen, is in dit geval specifiek het gebruik van het biofilter als BBT geduid. Hierbij is geen voorschrift ten aanzien van het rendement opgenomen. Eiseres moet met onder andere gebruikmaking van het biofilter voldoen aan de emissie-eis om te voldoen aan de geurnorm. Met de StAB is de rechtbank van oordeel dat het van geen toegevoegde waarde heeft en voor eiseres onnodig belastend is.

Deze grond treft doel.

5.2.

Ten aanzien van voorschriften 1.8.2 en 1.8.3

voorschrift 1.8.2

De geuremissie uit de schoorsteen stikstof-terugwininstallatie mag niet meer bedragen dan 44x10⁶ ouE per uur

voorschrift 1.8.3

De geuremissie uit de schoorsteen van een WKK-installatie mag niet meer bedragen dan 4,4x10⁶ ouE per uur

5.2.1.

Eiseres heeft bezwaren tegen het opleggen van emissie-eisen per emissiepunt. Dit gaat ten koste van flexibiliteit.

5.2.2.

Verweerder is van mening dat de voorschriften vastleggen wat is aangevraagd en uit oogpunt van handhaafbaarheid van de vergunning niet gemist kunnen worden.

5.2.3.

De StAB geeft in haar rapport aan dat de emissie-eisen van deze bronnen zijn gebaseerd op de berekeningen in het geurrapport. Het afzonderlijk opnemen van de emissie-eisen voor de maatgevende bronnen geeft een mogelijkheid om gericht op te treden in het kader van toezicht en naleving. De flexibiliteit die eiseres wenst wordt gegarandeerd door de meetmethodiek van NTA 9065: voor geur mag een onnauwkeurigheid van factor twee worden aangehouden.

5.2.4.

In navolging van de StAB oordeelt de rechtbank dat de emissie-eisen noodzakelijk zijn om gericht te kunnen controleren en handhaven. De emissie-eisen zijn daarom niet onnodig. Voor zover eiseres meent dat dit ten koste gaat van de flexibiliteit van de bedrijfsvoering overweegt de rechtbank dat de meetmethodiek een bepaalde flexibiliteit met zich mee brengt; eiseres mag de toetsingswaarde met 100% overschrijden voordat sprake is van een overtreding. De voorschriften zijn daarmee evenmin onevenredig belastend.

5.3.

Ten aanzien van de voorschriften 1.8.4, 1.8.5 en 1.8.7

voorschrift 1.8.4

Behoudens het uitnemen van vaste co-producten moeten de Opslag Co-producten Vast en de Opslagsilo's Co-producten Vloeibaar en Mest Vloeibaar volledig gesloten dan wel afgedekt en geen geuremissie veroorzaken buiten de grenzen van de inrichting.

voorschrift 1.8.5

De opslag Digestaat (bassins) dient behoudens bij onderhoud-, inspectie of herstelwerkzaamheden te allen tijde volledig gesloten te zijn en mag geen geuremissie veroorzaken buiten de grenzen van de inrichting.

voorschrift 1.8.7

Diffuus vrijkomende geur bij de bedrijfsgebouwen, -terreinen en installaties moeten tot een minimum beperkt worden en mag buiten de grenzen van het ETP-terrein niet waarneembaar zijn, uitgezonderd bijzondere weerssituaties en aanhoudende windstilte en mist.

5.3.1.

Volgens eiseres is de handelwijze als beschreven in het geuronderzoek onderdeel van de vergunning zodat niet valt in te zien wat de meerwaarde van de voorschriften 1.8.4 en 1.8.5 is. Eiseres meent dat in het geuronderzoek als uitgangspunt is genomen dat 8 uur per dag product kan worden uitgenomen en de opslag gedurende deze tijd "open" is. In het geuronderzoek is voorts rekening gehouden met diffuse emissies. De eis dat geen geur-emissie mag plaatsvinden buiten de inrichting is te strikt omdat de opslag van co-producten ter hoogte van de terreingrens plaatsvindt.

5.3.2.

Verweerder stelt dat bij het bepalen van de totale geurbelasting van de inrichting voor de opslagen -behoudens de in de voorschriften genoemde specifieke bedrijfssituaties- geen bronsterkte is meegenomen. Dit is volgens verweerder conform hetgeen is aangevraagd. Voor de diffuse emissies uit de ontvangst- en bewerkingshal is wel een geuremissie aangevraagd. Als de diffuse emissie op 400 meter afstand van de inrichting waarneembaar is, zal deze niet meer van ondergeschikt belang zijn ten opzichte van de andere geurbronnen. Dat er geen geuremissie "buiten de grenzen van de inrichting" mag plaatsvinden is een praktische vertaling voor het doel van het voorschrift en ziet op het kunnen controleren dat de opslagen zonder geuremissie zijn.

5.3.3.

De StAB is van mening dat het afdekken van co-producten een noodzakelijke eis is, aangezien geuremissie zoveel mogelijk moet worden voorkomen dan wel beperkt. De StAB ziet geen onderbouwing van de veronderstelling van eiseres dat het uitnemen van de co-producten gedurende 8 uur zal plaatsvinden. In het geurrapport is rekening gehouden met diffuse emissie van 20% van de totale geuremissie worst case, zodat hier sprake is van een maatgevende bron. Voorts is volgens de StAB met de eis dat de opslag buiten de inrichting geen geuremissie mag veroorzaken geen wezenlijk milieubelang gediend: de geurgevoelige objecten bevinden zich pas op ongeveer 850 meter van de inrichting. Bovendien is dit voorschrift in de praktijk voor eiseres niet haalbaar en voor verweerder niet meetbaar: op het terrein zijn meerdere maatgevende bronnen met dezelfde geur. De StAB komt tot de conclusie dat de zinsneden: "mag geen emissie veroorzaken buiten grenzen van inrichting" en "en mag buiten de grens van het ETP-terrein" moeten komen te vervallen.

5.3.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is het afdekken van vaste co-producten geen onnodig voorschrift, aangezien geuremissie zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Dit geldt ook voor het gesloten houden van de opslag digestaat. Deze voorschriften zijn bovendien praktisch eenvoudig te controleren. Voor zover de voorschriften omvatten dat er geen geur waarneembaar mag zijn ziet de rechtbank aanleiding de StAB te volgen. Deze geurbronnen gaan op in de totaal toegestane emissie, zij worden pas relevant op ongeveer 850 meter afstand en moeten dan ook in dat verband gehandhaafd worden. De eis dat deze niet buiten de inrichting of niet op 400 meter afstand waarneembaar mogen zijn dient geen milieubelang.

Deze grond treft doel.

5.4.

Ten aanzien van voorschrift 1.8.6

Het voorschrift luidt:

De geuremissie die het gevolg is van alle bronnen tezamen mag ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving niet meer bedragen dan:

geurbelasting (ou/m³) op jaarbasis en bij gem. weersomstandigh.

Locatie geurgevoelige objecten

95-percentiel

98-percentiel

99,9 percentiel

Woningen en recreatieterreinen buiten de bebouwde kom

0,2

1,7

Woningen, scholen, buurtcentra ed binnen de bebouwde kom

0,1

0,4

5.4.1.

Eiseres is van mening dat de voorgeschreven waarden ter plaatse van de woningen en de bebouwde kom niet volgen uit het geuronderzoek. Eiseres bestrijdt dat de waarden juist zijn. Verder zijn recreatieterreinen in het voorschrift als geurgevoelig object aangemerkt, terwijl niet duidelijk is gemaakt welke terreinen hieronder worden verstaan en in het geuronderzoek hiervoor geen beoordelingenpunten zijn opgenomen. Bovendien zijn objecten onbepaald, zodat toekomstige objecten misschien onbedoeld ook onder het voorschrift vallen.

5.4.2.

Volgens verweerder is hier vastgelegd wat is aangevraagd. Verweerder heeft de aangevraagde activiteiten en de daaruit voortvloeiende milieugebruiksruimte vergund . De aanvullende berekeningen van [bedrijf 1] onderschrijven dit voorschrift. De recreatieterreinen [bedrijf 2] in Pesse en [bedrijf 3] in Wijster hebben op grond van vaste jurisprudentie te gelden als geluidsgevoelige objecten. Deze objecten liggen echter ruim verder van het bedrijf dan de dichtstbijzijnde woning. Als eiseres ter plaatse van de woning voldoet aan de norm, dan geldt dat ook voor de recreatieterreinen.

5.4.3.

De StAB stelt dat ook uit de aanvullende berekening volgt dat de binnen de bebouwde kom gelegen woningen aan de genoemde waarden voldoen. De recreatieterreinen betreffen een bungalowpark dat op 920 meter van de inrichting is gelegen en een op nog grotere afstand gelegen camping. De recreatieterreinen liggen ruim buiten de geurcontouren. Verder is niet gebleken van een concrete (planologische) ontwikkeling die strekt tot het vestigen van toekomstige geurgevoelige objecten in de omgeving van de inrichting.

5.4.4.

Allereerst overweegt de rechtbank dat er geen grond is voor het oordeel dat de geurgevoelige objecten niet aan de gestelde waarden voldoen, dit blijkt zowel uit de berekeningen van [bedrijf 1] als uit het rapport van de StAB. Voorts overweegt de rechtbank dat bij het nemen van een besluit op een vergunningaanvraag in beginsel wordt uitgegaan van de bestaande situatie. Redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen kunnen bij de vergunningaanvraag worden betrokken indien deze ontwikkelingen voldoende concreet zijn, ECLI:NL:RVS:2016:1750. Hiervan is in het onderhavige geval niet gebleken. Toekomstige ontwikkelingen dienen derhalve plaats te vinden binnen de toegestane normering.

5.5.

Ten aanzien van voorschriften 1.8.8 tot en met 1.8.10

voorschrift 1.8.8.

De werkelijke geuremissie en -immissie van de installaties en overig vanaf het bedrijfsterrein afkomstig, dienen binnen een zes maand na oprichting van de inrichting met een geuronderzoek onder representatieve bedrijfsomstandigheden te worden bepaald. Dit geuronderzoek dient ten minste een combinatie te zijn van emissiemetingen en verspreidingsberekeningen. Indien relevant, dient ook een klachtenanalyse deel van het onderzoek uit te maken.

voorschrift 1.8.9

Indien het onder 1.8.8 bedoelde geuronderzoek is uitgevoerd bij een productieomvang van minder dan 50% van de vergunde capaciteit, dan dient dit geuronderzoek binnen een jaar te worden herhaald, of binnen twee maanden na het moment dat de productieomvang meer dan 80% is gaan bedragen.

voorschrift 1.8.10

Aanvullend op voorschrift 1.8.8 dient de geuremissie en het geurverwijderingsrendement van het biofilter met voorgeschakelde chemische wasser en van de stikstof-terugwininstallatie (de striptoren) tijdens het eerste productiejaar ten minste ieder kwartaal onder representatieve omstandigheden te worden gemeten.

5.5.1.

Eiseres betoogt dat verweerder onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom het onderzoek noodzakelijk is. Uit de aanvraag en uit hetgeen vergund is blijkt immers dat er geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar hinderniveau.

5.5.2.

Verweerder heeft aangegeven dat het geurrapport bij de aanvraag is gebaseerd op aannames. Hier is sprake van een oprichtingsvergunning zodat alleen onderzoek in de praktijk zal uitwijzen wat de daadwerkelijke emissies en immissies zijn. De werking van installaties is daarbij afhankelijk van de mate waarin zij wordt belast, zodat daarom verschillende onderzoeken nodig zijn, aldus verweerder. Gelet op het feit dat er sprake is van een nieuwe inrichting en de aard van de omgeving wil verweerder dat ieder kwartaal een meting plaatsvindt.

5.5.3.

De StAB stelt in haar rapportage dat het functioneren van een installatie afhankelijk is van de mate waarin zij wordt belast en dat daarom verschillende onderzoeken nodig zijn. Op grond van BBT-conclusie 10, waarin wordt geregeld dat periodiek gemonitord moet worden en BBT-conclusie 8, die eenmaal per zes maanden voorschrijft voor het monitoren van geur, komt de StAB tot het advies dat het volstaat om tijdens het eerste productiejaar eenmaal per zes maanden te meten.

5.5.4.

Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden bij de voorschriften (van de omgevingsvergunning) emissiegrenswaarden gesteld voor de stoffen, genoemd in bijlage II bij de EU-richtlijn industriële emissies, en voor andere stoffen die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen milieucompartimenten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Op grond van artikel 5.5, vierde lid van het Bor kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, en voor zover die vergunning betrekking heeft op een IPPC-installatie worden daaraan in ieder geval voorschriften verbonden, inhoudende dat:

a. door monitoring of op een andere wijze wordt bepaald of aan de vergunningvoorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt voldaan, waarbij:

1°. de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens, en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordeling;

2°. monitoringseisen worden gebaseerd op voor die IPPC-installatie relevante BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag regelmatig en ten minste jaarlijks moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

5.5.5.

Naar het oordeel van de rechtbank verplicht artikel 5.5, vierde lid van het Bor verweerder om te monitoren wat de werkelijke uitstoot van de inrichting is. Zoals ook blijkt uit het StAB-rapport is hierbij noodzakelijk om de installatie bij verschillend vermogen te monitoren, aangezien het functioneren van een installatie afhankelijk is van de mate waarin zij wordt belast. Gelet op het feit dat BBT 8 inhoudt dat geur ten minste iedere zes maanden wordt gemonitord, er sprake is van een nieuwe installatie en een omgeving waarin veel stank producerende bedrijven zijn gevestigd mag verweerder ieder kwartaal een meting van eiseres verwachten.

5.6.

Ten aanzien van voorschriften 1.8.12 tot en met 1.8.14.

voorschrift 1.8.12

Voorzieningen en maatregelen ter minimalisatie van de luchtemissies in zijn algemeenheid en de geuremissie in het bijzonder, moeten voor de goede werking ervan onder optimale condities in het bedrijf worden gehouden en zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is, worden vervangen of gereinigd.

voorschrift 1.8.13

Ten aanzien van alle installatieonderdelen die voorzien zijn om geuremissie te reduceren of te beperken, dient er, teneinde alle emissies te minimaliseren, een instructie te zijn voor inspectie en onderhoud. Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden gelegd dat conform voorschrift 1.1.9 wordt bewaard.

voorschrift 1.8.14

Een optimale verspreiding van de restemissies vanuit de emissiepunten Biofilter, WKK en Stikstofterugwininstallatie dient te worden gewaarborgd. Er mogen zonder schriftelijk toestemming van het bevoegd gezag geen objecten van enige aard worden geplaatst die de vrije uitstroom en verspreiding uit deze emissiepunten negatief kunnen beïnvloeden, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

5.6.1.

Eiseres gaat er vanuit dat good housekeeping wordt toegepast en dat verslaglegging daarvan voldoende is.

5.6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voorschriften in het belang van het milieu zijn gesteld. Zij maken concreet wat minimaal onder normaal onderhoud en good housekeeping wordt verstaan.

5.6.3.

De StAB stelt dat wanneer eiseres normaal onderhoud verricht en aan good housekeeping doet, zij geen moeite zal hebben aan deze voorschriften te voldoen. De voorschriften zijn in het belang van het milieu en niet onnodig bezwarend voor eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding de StAB in dit advies niet te volgen.

5.7.

Ten aanzien van voorschrift 1.8.15

Het voorschrift luidt:

Indien uit het onderzoek conform 1.8.8 of 1.8.10 blijkt dat de aangevraagde en vergunde geuremissies worden overschreden, moet onverwijld onderzoek gestart worden naar de oorzaak of oorzaken hiervan. Ook dient een verkenning of aanvullende of alternatieve luchtreinigingstechnieken te worden uitgevoerd. Binnen 1 maand na afronding van zulke onderzoeken dienen de bevindingen ervan aan het bevoegd gezag te worden gerapporteerd. Op basis hiervan dient binnen 2 maanden een Plan van Aanpak te worden opgesteld en met het bevoegd gezag te worden besproken. Alleen wanneer uit vervolgonderzoek blijkt dat de bestaande voorzieningen alsnog de aangevraagde en vergunde emissies e rendementen weten te behalen, kan van uitvoering van de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitkomsten van het Plan van Aanpak worden afgezien.

5.7.1.

Dit voorschrift dient volgens eiseres niet te worden gekoppeld een de vergunde emissies maar aan de vergunde immissies. Met het voldoen aan de vergunde immissiewaarden voldoet de inrichting als geheel aan BBT.

5.7.2.

Verweerder stelt dat vanuit toezicht en naleving emissiewaarden zijn te prevaleren boven immissie.

5.7.3.

Zoals eerder gesteld onder voorschrift 1.8.1 en zoals verweerder stelt zijn vanuit het oogpunt van toezicht en handhaving hebben emissiewaarden de voorkeur boven immissies, aldus de StAB. De rechtbank komt eveneens tot dit oordeel.

5.8.

Ten aanzien van voorschrift 1.8.16

Het voorschrift luidt:

Vergunninghouder dient ten minste drie jaarlijks de vergistingsinstallatie en bijbehorend leidingwerk op gasdichtheid (volledig gesloten zijn) te inspecteren met behulp van daarvoor geschikte IR gasmeetcamera's of andere apparatuur.

5.8.1.

Eiseres betoogt dat dit voorschrift alleen moet gelden voor zichtbaar leidingwerk c.q. leidingwerk in de open lucht. Ondergronds leidingwerk en/of leidingwerk dat is ingebouwd laat zich niet altijd op deze manier inspecteren. Daarnaast zijn middelvoorschriften niet gebruikelijk in verband met de zich snel ontwikkelende technieken.

5.8.2.

Verweerder verwijst naar de zinsnede "of andere apparatuur". Op deze wijze kan eiseres zelf invulling geven aan de apparatuur waarmee zij denkt dat het leidingwerk wel gecontroleerd kan worden.

5.8.3.

De StAB concludeert dat de inspectieverplichting zelf niet wordt bestreden. De toevoeging “of andere apparatuur’ in het voorschrift biedt eiseres voldoende flexibiliteit om de apparatuur te kiezen die haar op dat moment het meest geschikt voorkomt.

De rechtbank is daarom ook van oordeel dat het voorschrift eiseres voldoende flexibiliteit biedt om ook ondergronds of ingebouwd leidingwerk op adequate wijze te inspecteren.

Het voorschrift is daarmee niet onnodig of onevenredig belastend.

5.9.

Ten aanzien van de voorschriften 1.8.17 en 1.8.18

voorschrift 1.8.17

Vergunninghouder moet beschikken over procedures om onder normale bedrijfsomstandigheden de mate van geuremissie en de wijze van geurverspreiding uit de reguliere geuremissiepunten te monitoren. Binnen 3 maanden na inwerkingtreding van dit besluit moet, met betrekking tot de genoemde aspecten in de voorschriften 1.8.1 tot en met 1.8.7, een controleplan Geur ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

voorschrift 1.8.18

Het controleplan Geur, genoemd in 1.8.17, dient te beschrijven hoe met de inzet van Emissie Relevante Parameters (ERP's) geuremissies en geurverspreiding worden gemonitord en de staat van onderhoud van emissiebeperkende voorzieningen kan worden afgelezen. Het controleplan dient daarvoor ten minste aandacht te besteden aan:

 een beschrijving van de in te zetten ERP's of combinatie van ERP's;

 de monitoringsfrequentie die voor ieder van de ERP's wordt gekozen, inclusief het waarom;

 de wijze waarop met metingen de relatie tussen de ERP's zich moet begeven of de waarde(n) die niet mag (mogen) worden overschreden of onderschreden en de onderbouwing ervan;

 de wijze van registratie van de uitkomsten van de ERP's, de acties die volgen op de basis van deze uitkomsten, en de wijze van inzichtelijk maken van de uitkomsten van het bevoegd gezag.

5.9.1.

Eiseres gaat ervan uit dat deze voorschriften slechts bij gebleken hinder nodig zijn. Eiseres stelt dat het continu meten van — de verspreiding van — geur niet haalbaar is omdat de technische mogelijkheden daarvoor ontbreken. Het voorschrift maakt onvoldoende duidelijk waar ‘monitoring’ aan moet voldoen. Monitoring en een controleplan Geur zouden alleen relevant kunnen worden indien er sprake zou zijn van geurhinder of gerede klachten. De goedkeuring van het bevoegd gezag ziet eiseres als een onduidelijk en onnodig risico. Het gehele voorschrift is onnodig bezwarend, tenzij dit alleen van toepassing is bij geconstateerde geurhinder van de installatie.

5.9.2.

Verweerder is van mening dat in 1.8.18 voldoende duidelijk is omschreven waaraan het monitoringsplan moet voldoen. Deze voorschriften zijn opgenomen op grond van BBT conclusies 10 en 12.

5.9.3.

De StAB leest in de voorschriften niet dat ze slechts van toepassing zijn bij gebleken hinder. Procedures voor het monitoren van geur en een controleplan Geur zijn eisen die voortkomen uit de BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling van 10 augustus 2018. De voorschriften verlangen geen continue meting van geur. In BBT-conclusie 10 wordt het periodiek monitoren van de geuremissies voorgeschreven en in BBT-conclusie 12 wordt voorgeschreven dat een geurbeheerplan met een geurmonitoringsprotocol als onderdeel daarvan wordt opgesteld. De goedkeuring van het controleplan Geur is een besluit waartegen afzonderlijk beroep openstaat. Daarmee is geen sprake van een onduidelijk en onnodig risico zoals eiseres veronderstelt.

5.9.4.

BBT 12 luidt als volgt: De BBT om geuremissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is om als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) een geurbeheerplan op te zetten, in te voeren en regelmatig te evalueren dat alle volgende elementen omvat:

 een protocol met acties en termijnen;

 een protocol voor de monitoring van geur, zoals vastgesteld in BBT 10;

 een protocol voor de reactie op geconstateerde geurincidenten, bv. klachten;

 een programma ter voorkoming en beperking van geuren, ontworpen om de bron(nen) te bepalen; de karakterisering van de bijdragen van de bronnen, en de invoering van preventieve en/of beperkende maatregelen.

5.9.5.

Deze gronden van eiseres treffen geen doel. Uit BBT conclusie 12 blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat er geen sprake is van een geurbeheerplan dat alleen zou moeten worden opgesteld indien sprake is van gebleken hinder. Voorts is er geen sprake van een voorschrift dat vereist dat continu gemeten wordt, BBT-conclusie 10 eist immers slechts een periodieke meting van geur. De stelling van vergunninghouder dat onduidelijk is waar "monitoring" aan moet voldoen, kan de rechtbank niet volgen. In het voorschrift is door verweerder immers uitgewerkt wat in het geurbeheerplan moet worden opgenomen.

5.10.

Ten aanzien van voorschriften 1.8.21 en 1.8.22

voorschrift 1.8.21

Het bevoegd gezag dient minimaal 5 werkdagen voorafgaande aan de uitvoering in kennis te worden gesteld van de in het voorschrift 1.8.20 bedoelde (geur)onderzoek te betrekken geuremissiepunten, geurbronnen en bedrijfsomstandigheden, de gehanteerde meetmethoden, de uitvoering van de monsterpunten, het aantal deelmetingen en monsternemingsduur, de standaard meetcondities, de meetonzekerheden, de uitvoerende instantie en datum van uitvoering.

voorschrift 1.8.22

De rapportage van het in voorschrift 1.8.20 bedoelde geuronderzoek dient uiterlijk binnen 1 maand na uitvoering van het onderzoek te worden ingediend bij het bevoegd gezag.

5.10.1.

Eiseres meent dat de condities waarbij geur kan worden gemeten, vaak niet 5 dagen vooraf bekend zijn. Er kan dus met data moeten worden geschoven vanwege relevante omstandigheden die een representatieve meting onmogelijk maken.

5.10.2.

Verweerder geeft aan dat het van belang is dat de inhoud van het onderzoek en de planning van uitvoering op tijd bij het bevoegd gezag bekend en duidelijk zijn. Voldaan wordt zolang tussen het plan en de geplande uitvoering minimaal 5 werkdagen zitten. De daadwerkelijk datum van uitvoering mag vanzelfsprekend worden aangepast/uitgesteld indien noodzakelijk vanwege het weer of de bedrijfsomstandigheden.

5.10.3.

In haar advies stelt de StAB dat met uitzondering van de meteorologische omstandigheden niet valt in te zien waarom de condities waarbij geur kan worden gemeten niet 5 werkdagen van te voren bekend kunnen zijn. Op de onzekere meteorologische condities kan in zekere mate worden geanticipeerd. Van belang is dat de condities voldoende representatief zijn voor het verrichten van emissiemetingen.

5.10.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk dat er sprake moet zijn van, zoals de StAB in haar advies stelt, condities die voldoende representatief zijn voor het verrichten van emissiemetingen. Duidelijk is dat bij gebreke hiervan het geuronderzoek op een ander moment dient plaats te vinden. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat gegevens, zoals genoemd in het voorschrift 1.8.22, aan het bevoegd gezag worden aangeleverd op 5 werkdagen voordat een onderzoek, naar planning, zal plaatsvinden.

6. Bovenstaande overwegingen leiden de rechtbank tot de volgende conclusies.

6.1.

De voorschriften 1.8.1, 1.8.4, 1.8.5 en 1.8.7 zijn strijdig met artikel 2.22 van de Wabo. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het deze voorschriften betreft.

6.2.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om zelf in de zaak te voorzien en zal de betreffende voorschriften als volgt wijzigen:

voorschrift 1.8.1 luidt:

De geuremissie uit het biofilter mag niet meer bedragen dan:

-tijdens openingstijden: 45x10⁶ ou per uur;

-buiten openingstijden: 19x10⁶ ou per uur.

voorschrift 1.8.4 luidt:

Behoudens het uitnemen van vaste co-producten moeten de Opslag Co-producten Vast en de Opslagsilo's Co-producten Vloeibaar en Mest Vloeibaar volledig gesloten dan wel afgedekt zijn.

voorschrift 1.8.5 luidt:

De opslag Digestaat (bassins) dient behoudens bij onderhoud-, inspectie of herstelwerkzaamheden te allen tijde volledig gesloten te zijn.

voorschrift 1.8.7 luidt:

Diffuus vrijkomende geur bij de bedrijfsgebouwen, -terreinen en installaties moeten tot een minimum beperkt worden.

6.3.

De rechtbank bepaalt op grond van artikel 8:72, derde lid onder b, van de Awb dat de uitspraak in de plaats treedt van vernietigde onderdelen van het besluit in die zin dat de voorschriften worden gewijzigd zoals deze weergegeven onder rechtsoverweging 6.2.

7. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit voorzover het betreft de voorschriften 1.8.1, 1.8.4, 1.8.5 en 1.8.7;

 bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van vernietigde onderdelen van het besluit in die zin dat de voorschriften worden gewijzigd zoals die door de rechtbank zijn weergegeven onder rechtsoverweging 6.2;

 bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiseres vergoedt tot een bedrag van

€ 1.050,00;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, en mr. V. van Dorst en

mr. M.M. van Driel, rechters, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier.

De beslissing is genomen op 30 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: