Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2574

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
23-07-2020
Zaaknummer
LEE 18/3553
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8312
JOM 2020/448
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/3553

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] , te [woonplaats], eisers,

(gemachtigde: [gemachtigde eisers] ),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: RIKA Greenpark Wijster b.v., te Groningen (gemachtigde: mr. W.R. van der Velde).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan RIKA Greenpark Wijster b.v. (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een industriële vergistingsinstallatie op het perceel gemeente Beilen, sectie S, nummer 737 (gedeeltelijk). Verweerder heeft daarnaast besloten dat geen milieueffectrapport (hierna: mer) behoeft te worden opgesteld.

Eisers hebben bij brief van 20 november 2018 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (de StAB) te benoemen teneinde de rechtbank van advies te dienen. Op 24 april 2019 heeft de StAB de rechtbank van advies voorzien. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op dit advies te reageren. Belanghebbende en verweerder hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De StAB heeft bij rapport van 18 juli 2019 op de reacties gereageerd.

Op 18 december 2019 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 16 januari 2020 behandeld. Eisers zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Voor verweerder zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen. Voor belanghebbende zijn [naam 4] en [naam 5] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde bovengenoemd.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Vergunninghoudster is voornemens een industriële vergistingsinstallatie op te richten op het perceel plaatselijk bekend kruising Nijverheidsweg en Ambachtsweg te Wijster. De aanvraag betreft een installatie waarin jaarlijks circa 250.000 ton meststoffen (pluimveemest en varkensdrijfmest) en 150.000 ton vaste en vloeibare co-producten (onder andere gras, maïs en brijvoer) worden vergist tot biogas dat wordt opgewerkt tot groen gas. Naast groen gas ontstaan in het productieproces ammoniumsulfaat, CO₂ en droog digestaat (mestkorrels en meststof) als eindproducten.

1.2.

Vooruitlopend op een in te dienen aanvraag heeft verweerder een aanmeldnotitie ontvangen van vergunninghoudster. Naar aanleiding van deze notitie heeft verweerder op 23 januari 2018 besloten dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het uitvoeren van een milieueffectrapportage nodig maken.

1.3.

Op 16 februari 2018 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend.

1.4.

Bij bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor de volgende activiteiten:

-het bouwen van een bouwwerk;

-het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en het in werking hebben van een inrichting.

1.5.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid.

2.1.

De aanvraag van vergunninghoudster betreft een omgevingsvergunning voor een installatie voor de verwerking van dierlijke mest. Ingevolge van artikel 1.1, eerste lid, onder a, juncto Bijlage I, categorie 10.1 van de Crisis- en herstelwet (Chw), valt de aanvraag dus onder de werking van de Chw.

2.2.

Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

2.3.

Het ligt op de weg van verweerder om duidelijkheid te verschaffen over de rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing, zoals in dit geval, niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb en uit een oogpunt van kenbaarheid van wettelijke bepalingen, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd, de rechtbank verwijst naar onder andere een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5483. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van het beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor.

2.4.

Eisers hebben bij brief van 20 november 2018 een voorlopig beroepschrift en bij brief van 20 december 2018 een aanvullend beroepschrift ingediend. Eerst ter zitting is besproken dat op het beroep het procesrecht zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Onder deze omstandigheden moet het beroep ontvankelijk worden geacht.

Ten aanzien van de inhoud van het beroep.

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

e. het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk.

Ingevolge artikel 2.14, derde lid van de Wabo, kan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

4.1.

Eisers hebben aangegeven dat zij op zeer korte afstand van het bedrijventerrein wonen waarop vergunninghoudster haar bedrijf wil vestigen en dat zij thans zeer veel geuroverlast van de al in de omgeving gevestigde bedrijven ondervinden. Volgens eisers moet gezien de cumulatieve effecten van de geurbelasting tenminste een mer worden uitgevoerd.

4.2.

Verweerder geeft aan dat de conclusie van het mer-beoordelingsbesluit, dat geen mer-onderzoek nodig is, is gebaseerd op het feit dat aan de streefwaarden van het toetsingskader wordt voldaan en het bovendien gaat om een gebied met een industrieel en agrarisch karakter waarin enkele verspreid liggende bedrijfswoningen zijn gelegen op geruime afstand van de inrichting. De bijdrage van vergunninghoudster is bovendien relatief klein ten opzichte van overige geurbelasting in het gebied waardoor niet gesproken kan worden van "belangrijke nadelige milieugevolgen" als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid van de Wet milieubeheer. Verweerder is van mening dat hiermee terecht is afgezien van het laten uitvoeren van een mer.

4.3.

De StAB concludeert dat de cumulatieve effecten van geurhinder met andere inrichtingen in de omgeving niet leiden tot een verplichting om een mer op te stellen. De StAB heeft daarbij dezelfde overwegingen als verweerder, zoals genoemd onder 4.2.

4.4.

Ingevolge artikel 7.17, eerste lid van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge het derde lid houdt het bevoegd gezag bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven criteria.

In bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling zijn de volgende criteria genoemd: de kenmerken van de projecten, de plaats van de projecten en de kenmerken van het potentiële effect.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd waarom geen mer hoeft te worden opgesteld. Niet alleen heeft verweerder aangegeven dat aan de streefwaarden zal worden voldaan, maar ook heeft verweerde overwogen dat het aandeel geur van deze installatie zeer beperkt is ten opzichte van al aanwezige geurbelasting in dit gebied en dat cumulatie met andere bronnen niet noemenswaardig is. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op een geuronderzoek dat is uitgevoerd door [bedrijf] , waarvan op 4 december 2017 rapport is uitgebracht. Er is voorts geen reden om aan de juistheid van de bevindingen in dit rapport te twijfelen, nu eisers geen deskundigenbericht hiertegen hebben ingebracht en het onderzoek voorts is bevestigd door de bevindingen van de StAB. Verweerder heeft daarom kunnen aannemen dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen optreden.

5.1.

Eisers vrezen dat met deze ontwikkeling de geuroverlast zal toenemen en menen dat onvoldoende, althans op een onjuiste wijze, onderzoek is gedaan naar de cumulatieve effecten van de geurhinder en dat geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar hinderniveau.

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de cumulatie, gelet op de te verwachten lage tot zeer lage geurbelasting van de inrichting van vergunninghoudster, marginaal bijdraagt aan de reeds vergunde geurbelasting van de bestaande bedrijven. Verweerder verwijst ten aanzien van het gehanteerde "afkap-criterium" naar de overwegingen daarover naar de mer die is gemaakt in het kader van de Structuurvisie van de industriegebieden Eemsmond-Delfzijl. Daarin is men uitgegaan van het feit dat cumulatie van geur pas optreedt indien de geurbelasting bij geurgevoelige objecten groter is dan 0,25 ou/m³ als 98 percentiel. Daaronder is de bijdrage dermate klein dat deze geen rol speelt bij cumulatie van geur door meerdere bedrijven. Aangezien de bijdrage van vergunninghoudster onder deze waarde blijft hoeft geen "deugdelijke beoordeling van cumulatieve geurhinder" te worden gemaakt.

5.3.

Ten aanzien van de cumulatie van de geurbelasting stelt de StAB dat de in voorschrift 1.8.6 vergunde immissiewaarde van 0,2 ou/m³ als 95 percentiel kan worden aangemerkt als een marginale bijdrage aan de reeds vergunde geurbelasting voor andere gevestigde bedrijven. Hierdoor treedt geen cumulatie van betekenis op. De methode die verweerder hierbij heeft gehanteerd kan door de StAB worden gevolgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de StAB niet in haar beoordeling te volgen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er geen overschrijding is van de toegestane geurwaarden en dus geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar hinderniveau.

6. Het beroep is gelet op bovenstaande overwegingen ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, en mr. V. van Dorst en mr. M.M. van Driel, rechters, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier.

De beslissing is genomen op 30 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: