Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2540

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
131622
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres huurt van gedaagde een pand ten behoeve van haar reisbemiddelingsorganisatie. Eiseres is hard getroffen door de coronacrisis. Zij vordert in kort geding een voorlopige maatregel die er toe strekt dat zij in afwachting van een bodemprocedure slechts een deel van de huur hoeft te voldoen.

De kantonrechter acht het aannemelijk dat de bodemrechter de coronacrisis als onvoorziene omstandigheid zal aanmerken. Of eiseres aanpassing van de huurprijs kan verlangen, is evenwel afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. In dat verband is onder meer van belang dat eiseres onderdeel is van een groot concern met een miljoenenomzet terwijl gedaagde een particuliere belegger is met één pand als oudedagsvoorziening. Hoe de afweging van de omstandigheden door de bodemrechter zal uitvallen en over welke periode hoeveel huurprijsvermindering zal worden toegekend acht de kantonrechter daarom niet zeker. Omdat eiseres echter voldoende heeft onderbouwd dat zij belang heeft bij een voorlopige voorziening die er toe strekt dat zij in afwachting van de uitkomst van een door haar te entameren procedure voorshands minder huur hoeft te betalen en niet is gebleken dat gedaagde de uitkomst van die procedure niet kan afwachten, bepaalt de kantonrechter dat eiseres vanaf juni 2020 tot december 2020 voorshands kan volstaan met betaling van 50% van de huur. Eiseres dient binnen twee weken een bodemprocedure aanhangig te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0222
JHV 2020/31 met annotatie van Birnie, L.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 131622 / KG ZA 20-70

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 5 Rv van 21 juli 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D-RT RETAIL B.V. ,

hierna te noemen: D-rt Retail,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres,

gemachtigde: mr. L.P. Kortmann en mr. N.B. Pannevis,

tegen

1 [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. B.W. Zagers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 26 juni 2020;
- de akte overlegging producties van 6 juli 2020 van D-rt Retail;
- de akte overlegging producties van 6 juli 2020 van [gedaagde partij] .

1.2.

De mondelinge behandeling gehouden op 7 juli 2020 waar D-rt Retail is verschenen, vertegenwoordigd door haar algemeen directeur, [naam] , bijgestaan door mr. Kortmann en mr. Pannevis, die een pleitnota hebben voorgelezen en overgelegd. De heer [gedaagde partij] is verschenen, bijgestaan door mr. Zagers, die eveneens pleitnotities heeft voorgelezen en overgelegd. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

D-rt Retail is een reisbemiddelingsorganisatie die als dochtervennootschap onderdeel uitmaakt van de D-rt Groep. De D-rt Groep treedt onder de handelsnamen D-Reizen, VakantieXperts, The Travelshop en Zonvaart Reizen naar buiten. De D-rt Groep biedt werkgelegenheid aan ongeveer 1400 mensen en heeft meer dan 300 vestigingen en meer dan 250 verhuurders. 90% van de reizen die zij aanbiedt, worden in de reisbureaus geboekt.
2.2. [gedaagde partij] is eigenaar van de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] . Hij verhuurt deze winkelruimte als aanvulling op zijn AOW-uitkering en op de inkomsten uit zijn schoonmaakbedrijf. De maandelijkse kosten van dit pand (exclusief € 900,00 belastingafdracht en € 366,00 voor onvoorziene uitgaven) bedragen aldus een overzicht van [gedaagde partij] :
Hypotheek rente+ aflossing € 1.830,00
Gas € 248,00
Water € 50,00

Licht € 441,00
gebouwverzekering € 171,00
OZB, riool + afval € 208,00

2.3.

D-rt Retail huurt sinds 1 januari 2018 de bedrijfsruimte in Meppel van [gedaagde partij] . De (kale) huurprijs bedraagt exclusief btw € 3.920,60 per maand en moet bij vooruitbetaling worden voldaan. Daarnaast is maandelijks een voorschot van € 500,00 voor gas, water en elektriciteit verschuldigd. Inclusief btw en kosten van gas, water en elektra, moet D-rt Retail maandelijks € 5.345,17 betalen.

2.4.

In de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte, die op de huurovereenkomst van toepassing zijn, is in artikel 11 het volgende, voor zover hier van belang, bepaald:
"(…) Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade tengevolge van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening (…)".
2.5. De coronacrisis heeft de bedrijfsuitoefening van D-rt Retail geraakt. Bij brief van 18 maart 2020 heeft D-rt Retail al haar verhuurders, ook [gedaagde partij] , het volgende, voor zover hier van belang, geschreven:
"(…) Doordat inmiddels de gehele wereld getroffen is en het virus inmiddels ook Nederland in zijn greep heeft, zien we met name de afgelopen weken dat bedrijven en consumenten hun reizen uitstellen en zelfs geboekte reizen ook voor later in het jaar annuleren. Dit alles raakt de reissector ongekend hard en vooralsnog is er op heel korte termijn nog geen vooruitzicht op verbetering.
De overheid biedt bedrijven inmiddels een pakket aan maatregelen aan, die ons zeker een stukje verder gaan helpen. Echter zullen wij voor de bescherming van de gezondheid van klanten en medewerkers de winkels tijdelijk sluiten. (…) Als huurder vinden wij het vanzelfsprekend dat wij u hierover als partner informeren. (…)
Met het vertrouwen dat deze maatregelen slechts van tijdelijke aard zullen zijn, rekenen wij op uw begrip en hopen wij op uw medewerking. Wij zien bij retailbedrijven ons ons heen, die door het Coronavirus noodgedwongen tijdelijk hun deuren moeten sluiten, dat verhuurders hen een huurkorting tot soms wel 50% aanbieden voor de periode dat zij gesloten zijn. Gezien onze prettige en vaak jarenlange samenwerking zouden wij u willen vragen om met ons mee te denken en te kijken naar de mogelijkheid ons tegemoet te komen, door een huurkorting en/of uitstel van huurbetaling. (…)".

2.6.

In een daaropvolgende brief van 29 april 2020 heeft D-rt Retail, voor zover hier van belang, aan haar verhuurders het volgende geschreven:
"(…) Normaliter voldoen wij binnen de afgesproken termijn onze huurverplichting aan u. Echter, is er door de aanhoudende Corona crisis een uitzonderlijke situatie ontstaan waardoor wij, net als vele andere bedrijven, niet aan deze verplichting kunnen voldoen. Op dit moment staat de liquiditeit van onze organisatie onder druk, daar er in onze winkels op dit moment negatieve omzetten worden gerealiseerd. (…). Om een liquiditeitsprobleem te voorkomen en om ons bedrijf voor te bereiden op een gezonde en stabiele toekomst en met het vertrouwen dat deze maatregelen slechts van tijdelijk aard zullen zijn, zullen wij de huursom van de komende maand niet aan u betalen. (…)".

2.7.

In haar brief van 9 mei 2020 heeft D-rt Retail haar verhuurders voorgesteld dat de huur over mei en juni wordt betaald, in het derde kwartaal geen huur wordt betaald en in het vierde kwartaal een omzetafhankelijke huur wordt betaald.

2.8.

[gedaagde partij] kan zich niet in dat voorstel vinden en heeft op 14 mei 2020 bij de rechtbank een verzoek om het faillissement van D-rt Retail ingediend.

2.9.

Op 15 mei 2020 heeft D-rt Retail een alternatief voorgesteld, inhoudend dat de huur over mei en juni wordt voldaan en dat deze over het hele derde en vierde kwartaal van 2020 wordt aangepast naar 25% van de oorspronkelijke huurprijs. [gedaagde partij] heeft op 18 mei 2020 laten weten zich ook niet in dat laatste voorstel te kunnen vinden en maakt aanspraak op betaling van de volledige huur.

2.10.

[gedaagde partij] D-rt heeft de huur tot en met de maand mei betaald. De maanden juni en juli 2020 heeft D-rt Retail niet voldaan. De beslissing op het faillissementsrekest is in afwachting van de uitkomst van dit kort geding aangehouden tot 28 juli 2020.

3 De vordering en het verweer

3.1.

D-rt Retail vordert, verkort weergegeven:

1. dat de huurovereenkomst voorlopig, hangende een beslissing in de bodemprocedure, wordt aangepast in die zin:

a) dat D-rt Retail voor de periode tot en met juni 2020 de overeengekomen maandelijkse huurprijs verschuldigd is en voor de periode juli tot en met december 2020 maandelijks een huurprijs van 25% van de overeengekomen maandelijkse huur,

b) althans, voor zover [gedaagde partij] dit verzoekt, dat D-rt Retail voor de periode tot en met juni 2020 de overeengekomen maandelijkse huurprijs verschuldigd is, dat D-rt Retail voor de periode juli tot en met september 2020 geen huur verschuldigd is en dat D-rt Retail voor de periode oktober tot en met december 2020 maandelijks een omzetafhankelijke huurprijs verschuldigd is die wordt bepaald naar rato van de door huurder behaalde totaalomzet over die periode van het boekjaar 2020 vergeleken met de geprognosticeerde omzet over die periode van het boekjaar 2020,

c) althans, dat D-rt Retail over de periode 1 mei tot en met 31 december 2020 maandelijks een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen percentage van de overeengekomen maandelijkse huurprijs verschuldigd is; en

2. dat de onder 1. genoemde voorzieningen komen te vervallen indien niet binnen veertien dagen na toewijzing van deze voorzieningen een bodemprocedure aanhangig is gemaakt waarin de aanpassing van de huurovereenkomst wordt gevorderd, totdat een bodemrechter een beslissing heeft gegeven in de bodemprocedure,

3. veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

Ter zitting heeft D-rt Retail toegelicht dat zij geen aanpassing van de huurovereenkomst verlangd, maar een voorlopige maatregel die er toe strekt dat zij in afwachting van een bodemprocedure slechts een deel van de huur hoeft te voldoen.

3.2.

D-rt Retail stelt hiertoe, samengevat, dat de huidige omstandigheden van zo bijzondere aard zijn dat onverkorte nakoming van de in de huurovereenkomst overeengekomen huurprijs en van artikel 11.3 van de algemene bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn en niet van D-rt Retail gevergd kunnen worden. D-rt Retail stelt dat de oproep van de overheid om thuis te blijven, de reisverboden naar ongeveer alle landen over de gehele wereld en het sluiten van de grenzen door buitenlandse overheden tot in elk geval 15 juni 2020 er feitelijk voor hebben gezorgd dat zij als reisbemiddelaar sinds de eerste corona-maatregelen in maart niet in staat is om vakanties te verkopen. Het aantal boekingen is medio maart van het ene op het andere moment tot nul gereduceerd en alle fysieke reisbureaus, ook die in het pand van [gedaagde partij] , zijn op dat moment voor klanten gesloten. Voorlopig wordt gewerkt met een vouchersysteem, hebben consumenten begrip getoond en zijn de reismaatregelen vanaf 15 juni 2020 iets versoepeld, maar de onzekerheid zorgt ervoor dat de verkoop van vakanties desondanks uitblijft en ook voor de komende periode niet verwacht wordt aan te trekken. De winkels gaan langzaam weer open maar ook nu worden er gezien de wereldwijd nog geldende maatregelen nog nauwelijks nieuwe reizen geboekt. Volgens de prognoses krijgt de D-rt Groep in 2020 te maken met een omzetverlies van mogelijk meer dan 90%, en wordt er in het 'worst case scenario' maar € 5,0 miljoen omzet behaald. D-rt Retail heeft verschillende maatregelen getroffen om de kosten te beperken: er is uitstel van belastingbetaling en steun voor loonkosten aangevraagd maar op jaarbasis blijft er € 38 miljoen aan loon-, huisvestings- en overige kosten voor haar rekening. Zij heeft ter onderbouwing hiervan verschillende producties overgelegd, waaronder een kernrapportage met een "Corona Forcast 3" voor het jaar 2020, waarin de EBITA voor D-rt Retail wordt geschat op een negatief bedrag van € 22.989.000. D-rt Retail probeert bij haar aandeelhouder en banken additionele financiering aan te trekken maar dat is alleen haalbaar als ook andere stakeholders, zoals verhuurders, bijdragen aan het reduceren van het probleem.

D-rt Retail meent dat zij in de geven situatie niet het genot van het gehuurde heeft dat zij mag verwachten, zodat sprake is van een gebrek in het gehuurde. Volgens D-rt Retail rechtvaardigt dit gebrek huurprijsvermindering en moet het artikel in de algemene bepalingen dat het recht op huurprijsvermindering uitsluit in de gegevens omstandigheden buiten toepassing worden verklaard of vernietigd worden. Ook meent D-rt Retail dat haar een beroep toekomt op wijziging van de huurovereenkomst vanwege onvoorziene omstandigheden. D-rt Retail voert aan dat zij een bedrijf is met een groot maatschappelijk belang en dat haar continuïteit zonder huuraanpassing ernstig in gevaar komt, zodat zij een groot financieel belang heeft bij huurprijsvermindering om deze periode te kunnen overbruggen. D-rt Retail stelt dat de meeste verhuurders op haar redelijke voorstellen zijn ingegaan en dat alleen [gedaagde partij] is overgegaan tot rechtsmaatregelen. D-rt stelt dat zij het juridisch en ethisch juist acht om al haar verhuurders op een gelijke manier te behandelen, zodat van de uitkomst van dit kort geding een precedentwerking uitgaat. Omdat [gedaagde partij] een faillissementsaanvraag heeft gedaan, heeft D-rt Retail daarbij een spoedeisend belang.

3.3.

[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans afwijzing van de vorderingen. [gedaagde partij] voert daartoe, samengevat, het volgende aan. [gedaagde partij] betwist dat D-rt Retail een spoedeisend belang heeft bij de vordering en voert aan dat uit niets blijkt dat zij de huur niet volledig kan betalen. Volgens haar blijkt uit uitlatingen van de CEO van D-rt Retail in een recent artikel juist dat zij wel degelijk "vet op de botten" heeft. Verder meent [gedaagde partij] dat de faillissementsprocedure ook geen spoedeisend belang oplevert omdat ongeacht de uitkomst van dit kort geding, D-rt Retail hoe dan ook huur zal moeten betalen aan [gedaagde partij] .

Daarnaast betwist [gedaagde partij] dat sprake is van een gebrek omdat geen sprake is van sluiting van overheidswege en de winkel in Meppel wel open is geweest. De maatregelen zoals die voor de horeca golden, te weten de sluiting van panden, gelden of golden niet voor de retail. Volgens [gedaagde partij] behoort het wegvallen van omzet tot het risico van D-rt Retail. Als al zou worden geoordeeld dat sprake is van een gebrek beroept [gedaagde partij] zich op artikel 11.3 van de algemene bepalingen die in de visie van [gedaagde partij] niet opzij gezet of gewijzigd kunnen worden. [gedaagde partij] voert aan dat D-rt Retail geen beroep toekomt op onvoorziene omstandigheden omdat hierbij terughoudendheid is geboden. Contracten moeten immers worden nageleefd. Bovendien vallen de onvoorziene omstandigheden in beginsel onder het ondernemingsrisico en dienen zij voor rekening van D-rt Retail te blijven. [gedaagde partij] voert in dit verband aan dat D-rt haar belangen onvoldoende heeft onderbouwd omdat de overgelegde financiële stukken door D-rt Retail zelf zijn opgesteld en ook zijn gedateerd nu de situatie met de dag verandert. Bovendien zeggen deze stukken niets concreets over de gevolgen van de coronacrisis voor de winkel in Meppel. [gedaagde partij] voert aan dat de gevolgen van niet (volledige) betaling van de huur voor hem vele malen groter zijn dan de gevolgen voor D-rt Retail wanneer zij geen huurprijsvermindering krijgt. [gedaagde partij] wijst op het overzicht van kosten die voor hem blijven doorlopen, terwijl D-rt een miljardenbedrijf is met op gang komende boekingen van vakanties en een sterke aandeelhouder achter zich. [gedaagde partij] heeft van de bank geen uitstel voor de maandelijkse betaling van zijn kosten. Ook voert hij aan dat D-rt Retail nog een half jaar de tijd heeft om alsnog een goede omzet neer te zetten. Volgens [gedaagde partij] heeft D-rt Retail niet aannemelijk gemaakt dat een omzetverlies van 75% moet worden aangenomen over de rest van het jaar. De omstandigheden rechtvaardigen volgens [gedaagde partij] niet vernietiging of buiten toepassing verklaring van de algemene bepalingen. Tot slot voert [gedaagde partij] aan dat sprake is van een onderhandelingsplicht maar dat D-rt Retail [gedaagde partij] hem zonder openheid van zaken te willen geven, een korting van 75% door 'de strot' heeft proberen te duwen.

4 De beoordeling

4.1.

Bij een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als hier aan de orde, moet worden beoordeeld of partijen een zodanig spoedeisend belang hebben dat van hen niet mag worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Bij die beoordeling moet worden betrokken hoe aannemelijk het is dat de vordering in een bodemprocedure toegewezen zal worden, het belang bij het treffen van de voorziening en de gevolgen van het ten onrechte treffen van een voorziening. In kort geding geeft de kantonrechter een voorlopig oordeel over het geschil. Als partijen een bodemprocedure beginnen, is de rechter in die procedure niet aan dit oordeel gebonden.

4.2.

De kantonrechter acht het spoedeisend belang van D-rt Retail voldoende onderbouwd. In de kern draait dit kort geding om de vraag of de gevolgen van de coronacrisis alleen voor D-rt Retail moeten blijven of dat deze op grond van redelijkheid en billijkheid over D-rt Retail en [gedaagde partij] verdeeld moeten worden en zo ja, op welke wijze. De kantonrechter zal hierna dan ook beoordelen of aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat D-rt Retail haar huurbetalingsverplichtingen niet volledig hoeft na te komen vanwege onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW.

4.3.

De lat voor toepassing van artikel 6:258 BW ligt hoog. Voor een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden als bedoeld in dat artikel moet sprake zijn van omstandigheden die bij het aangaan van de overeenkomst in de toekomst liggen en die niet (stilzwijgend) door partijen in de overeenkomst zijn verdisconteerd. Daarnaast moeten de omstandigheden van dien aard zijn dat het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de wederpartij (hier [gedaagde partij] ) ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst verlangt. Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken voor zover de omstandigheden naar de aard van de overeenkomst of de verkeersopvatting voor rekening komen van degene die zich daar op beroept, in dit geval D-rt Retail.

4.4.

Uit de wettekst volgt reeds dat het uitgangspunt van D-rt Retail dat het juridisch en ethisch onjuist zou zijn om haar verhuurders verschillend te behandelen niet kan worden gevolgd. Bij onvoorziene omstandigheden is immers bij uitstek sprake van een op een concrete situatie van een individueel geval toegespitste belangenafweging waarbij onder andere de aard en ernst van de betrokken belangen, de maatschappelijke positie en onderliggende verhoudingen van partijen en de verwachtingen ten aanzien van herstel van de economische situatie voor D-rt Retail moeten worden betrokken. Dit zal in een bodemprocedure moeten worden beoordeeld. De beslissing in deze zaak kan dan ook - anders dan D-rt Retail kennelijk voor ogen staat - niet worden gezien als een principiële uitspraak die zonder meer in de relatie met al haar andere verhuurders doorwerkt.

4.5.

De kantonrechter acht het aannemelijk dat de bodemrechter de coronacrisis als onvoorziene omstandigheid zal aanmerken. Het is immers moeilijk voorstelbaar dat partijen een dergelijke wereldwijze crisis bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hebben gehad. Het is niet eerder voorgekomen dat overheidsmaatregelen op nationaal en internationaal niveau zoveel impact hebben op de bedrijfsactiviteiten die een reisbemiddelaar zoals D-rt Retail uitoefent. De economische problemen die ontstaan door de wereldwijde pandemie zijn - anders dan bij een economische crisis - niet inherent aan schommelingen in de markt waarin D-tr Retail actief is. Dat de bodemrechter zal oordelen dat een crisis van deze omvang gelet op de aard van de overeenkomst of de verkeersopvattingen steeds geheel voor rekening moet komen van een huurder, acht de kantonrechter niet aannemelijk. In hoeverre dit in een concrete situatie een huurprijsverlaging rechtvaardigt en over welke periode dat dan het geval is, zal per geval moeten worden beoordeeld.

4.6.

Wat de vraag betreft of [gedaagde partij] vanwege die onvoorziene omstandigheden ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten, acht de kantonrechter de volgende omstandigheden van belang:

• D-rt Retail is onderdeel van een groot concern met een miljoenenomzet, terwijl [gedaagde partij] een particuliere belegger is die één pand bezit als oudedagsvoorziening.

• D-rt Retail heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hard door de Coronoa-crisis is getroffen en dat haar omzet dit jaar naar verwachting substantieel lager zal uitvallen. De overheid heeft veel maatregelen getroffen om bedrijven te ondersteunen en hun liquiditeitspositie te verbeteren, waarvan ook D-rt Retail gebruik maakt, maar D-rt Retail heeft voorshands voldoende onderbouwd dat een substantieel bedrag aan bedrijfskosten voor haar rekening blijft. Omdat D-rt Retail slechts geconsolideerde balansen heeft overgelegd, is echter niet goed vast te stellen in hoeverre zij in staat is om dit zelf op te vangen.

• [gedaagde partij] heeft een staatje overgelegd met de maandlasten die aan dit pand zijn verbonden maar niet duidelijk is geworden in hoeverre hij een vermindering van de huurprijs kan dragen en hoe hoog de vaste lasten zijn die hij maandelijks moet voldoen: voor de in het staatje opgenomen nutsvoorzieningen voldoet D-rt Retail maandelijks een voorschotbetaling en de post belasting betreft blijkens zijn toelichting de BTW over de huur die aan D-rt Retail wordt doorberekend. [gedaagde partij] heeft ter zitting aangegeven dat hij niet het verweer voert dat hij de huurinkomsten nodig heeft voor zijn levensonderhoud.

• De beperkende maatregelen die nationaal en internationaal zijn getroffen zijn vanaf 15 juni 2019 versoepeld. Daardoor is te verwachten dat de boekingen in het tweede en derde kwartaal weer zullen aantrekken. Of en zo ja in welke mate dat geval is laat zich moeilijk voorspellen. De omzet in de zomervakantie voor 2020 lijkt in ieder geval voor een belangrijk deel 'verloren' te gaan.

• D-rt Retail heeft het van [gedaagde partij] gehuurde pand tot 15 maart 2020 'gewoon' kunnen gebruiken en daarvan ook na die datum feitelijk gebruik gemaakt; van een sluiting van overheidswege zoals voor horecagelegenheden gold was geen sprake was en D-rt Retail heeft bevestigd dat zij werknemers in het pand heeft laten werken. Het pand is inmiddels ook weer geopend voor publiek.

4.7.

Hoe de afweging van al deze omstandigheden door de bodemrechter zal uitvallen en tot welke uitkomst dit zal leiden, is onzeker en vergt nader onderzoek. Daardoor is in dit kort geding niet op voorhand vast te stellen dat en over welke periode hoeveel huurprijs-vermindering zal worden toegekend.

Nu D-rt Retail voldoende heeft onderbouwd dat zij belang heeft bij een voorlopige voorziening die er toe strekt dat zij in afwachting van de uitkomst van een door haar te entameren procedure voorshands minder huur hoeft te betalen en niet is gebleken dat [gedaagde partij] de uitkomst van die procedure niet kan afwachten, zal de kantonrechter bepalen dat D-rt Retail over de periode 1 juni tot en met 31 december 2020 voorshands kan volstaan met betaling van 50% van de huur. Die beslissing zou ook zijn gegeven indien [gedaagde partij] in een 'incasso kort geding' betaling van de volledige huurprijs zou hebben verlangd. Voor een hogere korting ziet de kantonrechter op dit moment onvoldoende aanknopingspunten. Ook niet als in aanmerking wordt genomen dat D-rt Retail de huur over de periode januari tot met mei 2020 reeds volledig heeft voldaan. De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat de bodemrechter D-tr Retail ook voor de periode vóór het uitbreken van de coronacrisis een huurprijsvermindering zal toekennen en het is zoals gezegd onzeker of en zo ja in welke mate D-rt Retail in het derde en vierde kwartaal van 2020 nog in haar bedrijfsactiviteiten wordt belemmerd. Dat de bodemrechter - tegen de wens van [gedaagde partij] - zal bepalen dat de huurprijs afhankelijk is van de omzet die D-rt Retail in het boekjaar 2020 weet te behalen, ligt nog minder in de rede.

De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze voorlopige voorziening vervalt, indien D-rt Retail niet binnen twee weken na wijzen van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt.

4.8.

Aangezien de huur voor de maand mei reeds is voldaan, zal de kantonrechter daarvoor geen voorziening treffen. Tussen partijen is niet in geschil dat D-rt Retail het maandelijkse voorschotbedrag voor nutsvoorzieningen wel volledig aan [gedaagde partij] moet blijven betalen.

4.9.

Gelet op de uitkomst van deze procedure zal de kantonrechter de proceskosten compenseren.

De beslissing


De kantonrechter recht doende als voorzieningenrechter:

1. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat D-rt Retail voorshands, te weten in afwachting van het oordeel hierover een bodemprocedure, in de periode 1 juni tot en met 31 december 2020 kan volstaan met betaling van 50% van de maandelijks overeengekomen huur,

2. bepaalt dat de onder 1. vermelde voorziening vervalt als D-rt Retail niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt waarin aanpassing van de huurprijs wordt gevorderd,

3. verklaart de hiervoor gegeven beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

4. compenseert de proceskosten,

5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2020.

typ/conc: 361/cd

coll: