Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:247

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-01-2020
Datum publicatie
23-01-2020
Zaaknummer
C / 18 / 189406 / HA ZA 19-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Persvrijheid; onrechtmatige publicaties in dagblad en op social media? Art. 6:162 BW, art. 10 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/189406 / HA ZA 19-6

Vonnis van 15 januari 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 1] ,

gevestigd te Groningen,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. F . Koenders, kantoorhoudende te Groningen,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

advocaat mr. J. F . Koenders, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NDC MEDIAGROEP B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. J.J. Gevers te Assen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat mr. J.J. Gevers te Assen.

Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] , NDC Mediagroep en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 december 2018;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van 9 januari 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van 20 februari 2019;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van
    1 mei 2019;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie van
    26 juni 2019;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van 7 augustus 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en reconventie

2.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die vaststaan, omdat die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of niet voldoende zijn weersproken.

2.2.

[eiser 1] is een vennootschap die zich onder andere bezighoudt met de aan- en verkoop, huur- en verhuur van onroerend goed. [eiser 2] is enig aandeelhouder van [eiser 1] . Enig bestuurder van [eiser 1] is de heer [naam A] (hierna: [naam A] ).

2.3.

NDC Mediagroep is een uitgeverij van kranten, onder andere het dagblad "Dagblad van het Noorden" en exploiteert voorts de Groningse stadsblog Sikkom.nl (hierna: Sikkom). [gedaagde 2] is journalist en werkzaam bij Sikkom.

2.4.

Op de webite van Sikkom is op 7 november 2018 een artikel geplaatst over [eiser 1] en [eiser 2] , met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek". Het artikel is door [gedaagde 2] geschreven en kent de volgende inhoud:

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

2.5.

Voorgaand artikel is ook geplaatst op de Facebookpagina van Sikkom. Daarnaast heeft [gedaagde 2] op zijn persoonlijke Facebookpagina een publicatie met de kop "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor een dure en volle parkeerplek" gedeeld, met de tekst "Het zoveelste schandaal in de Groningse verhuursector", waarna er een verwijzing is naar de genoemde publicatie op de website van Sikkom.

2.6.

Op de website van het Dagblad van het Noorden is op 7 november 2018 een artikel geplaatst over [eiser 1] en [eiser 2] , met de titel "Kilometers lopen voor parkeerplek bij huurwoning". Het artikel is door [gedaagde 2] geschreven en kent de volgende inhoud:

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

2.7.

Voorgaand artikel is op 8 november 2018 ook in de papieren versie van het Dagblad van het Noorden gepubliceerd.

2.8.

[gedaagde 2] heeft op of omstreeks 8 november 2018 op zijn persoonlijke Facebookpagina een bericht gepubliceerd waarbij een video is geplaatst waarop aan het eind een bericht met de tekst "Stadhuis koketteert met [eiser 1] , terwijl het bedrijf misleidt, oplicht, intimideert en bedreigt" is te lezen.

2.9.

Tussen [eiser 1] in de persoon van [naam A] en NDC Mediagroep in de persoon van [gedaagde 2] is voorafgaand aan de publicaties van 7 en 8 november 2018 per
e-mail gecorrespondeerd. Op 31 oktober 2018 heeft [naam A] een e-mail aan
NDC Mediagroep gestuurd, waarin staat, voor zover hier van belang:

Van mijn medewerkers heb ik begrepen, dat u graag contact met mij wil opnemen. Middels deze mail laat ik u weten, geen behoefte te hebben om u mondeling te woord te staan. Wanneer u vragen voor mij heeft, kunt u deze per mail aan mij kenbaar maken. Tevens wil ik u kenbaar maken dat u mijn medewerkers op kantoor niet dient te benaderen. En gezien mijn drukke agenda en de vele afspraken hoeft u ook voor mij niet persoonlijk langs te komen.

2.10.

Op voornoemde e-mail heeft [gedaagde 2] per e-mail van 1 november 2018 gereageerd. In die e-mail staat, voor zover hier van belang:

Ik heb een aantal vragen omtrent de koppelverhuur met woningen en parkeerplaatsen. Ik heb meerdere huurders en instanties gesproken. Contracten en verklaringen ingezien. Bijvoorbeeld ook geluidsfragmenten gehoord waarin [eiser 2] zelf het een en ander bevestigt. Al die informatie heb ik gestopt in onderstaand artikel. Dit stuk verschijnt op Sikkom en in Dagblad van het Noorden. Graag op korte termijn uw reactie op onze bevindingen.

Hierna volgt het concept artikel.

2.11.

Per kerende e-mail reageert [naam A] daarop, voor zover hier van belang, als volgt:

Uw mail heb ik in goede orde ontvangen, vanwege mijn vele vergaderingen vandaag, zal ik u morgen een inhoudelijke (wederhoor) reactie sturen op onderstaande bevindingen. Toch wil ik u alvast wijzen op het feit dat er bevindingen door elkaar worden gehaald en dat u foutief bent geïnformeerd.

2.12.

Per e-mail van 2 november 2018 (11:58 uur) vraagt [gedaagde 2] vervolgens:

Kunt u mij enige indicatie geven hoe laat u een reactie stuurt. Dan kan ik daar rekening mee houden in de planning. Gaarne voor vanmiddag 16:00 uur, dan kan het mee in de krant van morgen.

2.13.

[naam A] antwoord daarop per e-mail van 2 november 2018, waarin staat:

In vervolg op mijn email van gistermiddag bericht ik u als volgt. Na lezing van uw artikel wil ik vooropgesteld hebben dat u blijkbaar onjuist geïnformeerd bent en dat u in het wilde weg maar wat roept. Dat is stuitend te noemen. Het is zelfs schrikbarend om te lezen dat u in staat bent om allerlei onwaarheden op papier te zetten en zo het publiek denkt te kunnen misleiden. U bent blijkbaar alleen maar uit op sensatie journalistiek en daar werken wij niet aan mee.

Het valt mij erg tegen van uw organisatie, het Dagblad van het Noorden en
NDC mediagroep, dat u op deze wijze te werk gaat. Als u van mening bent dat u ons op deze wijze, ten onrechte in een kwaad daglicht denkt te kunnen stellen dan moet u er ernstig rekening mee houden dat alle schade die hierdoor ontstaat op u verhaald zal gaan worden. Wilt u daar goede nota van nemen?

[eiser 1] en haar medewerkers hebben overigens niets te maken met hetgeen u in uw artikel aanhaalt. Dat had u overigens ook kunnen constateren als u op de juiste wijze onderzoek had gedaan. Voor het overige onthoud ik mij van ieder commentaar en betwisten wij de inhoud van uw artikel. Die inhoud is zondermeer in strijd met de werkelijkheid!

2.14.

Op 4 november 2018 heeft [gedaagde 2] een e-mail aan [naam A] gestuurd, waarin, voor zover hier van belang, staat:

Wilt u alstublieft nog reageren op de laatste mail? Juist als u vindt dat er onwaarheden in staan, is het belangrijk om deze recht te zeggen. Vandaar dat ik ook mijn uiterste beste doe voor wederhoor.

Tegelijk heb ik inmiddels vele huurders gesproken die deze lezing bevestigen. Er zijn zelfs opnames gemaakt waarin [eiser 2] aangeeft dat het niet de bedoeling ja dag de parkeerplek wordt gebruikt. Dus ik ben erg benieuwd naar wat er niet klopt. Ook als het eventueel een zaak wordt, wat u suggereert, is het raadzaam om juist wel in te gaan op de vragen. (…).

2.15.

[naam A] heeft daarop per e-mail van 5 november 2018 gereageerd als volgt:

In mijn emailbericht van 2 november jl. heb ik u een duidelijke reactie gegeven. Ook in uw email van gistermiddag blijft u maar met onwaarheden komen. Wanneer u gedegen onderzoek had gedaan, kon u tot de conclusie komen dat [eiser 1] geen woonruimtes verhuurt met een parkeerplaats. Ook had u dan kunnen vaststellen dat dhr. [eiser 2] niet bij ons werkzaam is, en dus niet namens ons kan spreken. Wanneer u dus vragen over of voor dhr. [eiser 2] heeft dient u niet bij ons te zijn.

Verder hebben we besloten om niet meer te reageren en handhaven wij al hetgeen vermeld in ons bericht van 2 november jl. Op verdere verzoeken/berichten zal dan ook niet meer gereageerd worden.

Zoals reeds eerder gemeld hebben [eiser 1] en haar medewerkers niets te maken met hetgeen u vermeldt in het artikel.

2.16.

Daarop heeft [gedaagde 2] per e-mail van 6 november 2018 (11:35 uur) geantwoord als volgt:

Ik begrijp werkelijk niks van uw reactie. We hebben contracten gezien, verklaringen tegenover de Huurcommissie ingezien en huurders gesproken. Uit dat alles blijkt dat [eiser 1] huurders opzadelt met parkeerplekken waar ze niks aan hebben, en dat ontkent u nu?

Dan weet ik voldoende. Ik heb mijn uiterste beste gedaan voor wederhoor. Dan gaat het artikel naar de krant en online.

2.17.

En later die dag per e-mail van 16:45 uur:

Ik zou toch graag met u of de heer [eiser 2] willen spreken. Uit documentatie en getuigenissen blijkt onomstotelijk dat u parkeerplekken koppelt aan de verhuur van woningen. In tegenstelling tot wat u in de mails stelt.

Daarom een laatste poging om in contact te komen met u of de aandeelhouder. Het verhaal wordt met uw ontkenning tegen de bewijzen in namelijk alleen maar opmerkelijker.

2.18.

Namens [eiser 1] is NDC Mediagroep per brief van 8 november 2018, gericht aan [gedaagde 2] , verzocht onmiddellijk op te houden met het veroorzaken van relletjes. Voorts zijn NDC Mediagroep en [gedaagde 2] in voornoemde brief aansprakelijk gesteld voor de ontstane schade.

2.19.

Op Sikkom is op 27 november 2018 een artikel geplaatst over [eiser 1] en [eiser 2] , met de titel " [eiser 1] daagt ons voor rechter, maar krabbelt op laatste moment terug". Het artikel is door [gedaagde 2] geschreven en kent de volgende inhoud:

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

[artikel geciteerd]

2.20.

Voorgaand artikel is ook geplaatst op de Facebookpagina van Sikkom.

2.21.

Tussen [naam A] en NDC Mediagroep is ook voorafgaand aan de publicatie van

27 november 2018 per e-mail gecorrespondeerd. Op 27 november 2018 (11:59 uur) heeft [gedaagde 2] een e-mail aan [eiser 1] (gericht aan [naam A] ) gestuurd, waarin staat, voor zover hier van belang:

Mij bereikte gisteren het jammerlijke nieuws dat jullie het kort geding hebben ingetrokken. (…) Ik kan zelf wel raden waarom de zaak niet door is gegaan. Daarvoor hoef ik alleen maar een blik te werpen op de contracten, en verklaringen van huurders. Of te luisteren naar een van de geluidsfragmenten.

Maar toch ben ik vanwege een vervolg-artikel erg benieuwd naar waarom jullie de zaak hebben ingetrokken. Dit ook omdat jullie mij verwijten de zaken onvoldoende te verifiëren.

(…).

2.22.

Per e-mail van 27 november 2018 (13:27 uur) reageert [eiser 1] (in de persoon van [naam A] ) daarop, voor zover van belang, als volgt:

Wanneer u mij de geluidsfragmenten toestuurt zullen wij u een reactie geven. Verder meld ik u dat wij de juridische stappen jegens u en de NDC media groep niet stop gezet hebben. Wij zullen de gehele zaak voortzetten in een bodemprocedure en tevens maken wij een zaak aanhangig bij de raad voor de journalistiek.

(…).

2.23.

Per e-mail van 27 november 2018 (13:35 uur) antwoordt NDC Mediagroep (in de persoon van [gedaagde 2] ), voor zover hier van belang, daarop:

Ik stuur u vanwege bronbescherming de fragmenten niet toe. Wel wil ik u een transcript toesturen. De vraag blijft, en dat heeft niks van doen met de geluidsfragmenten, waarom trekt u twee dagen voor de zitting het kort geding in? (…).

2.24.

Per e-mail van 27 november 2018 (13:43 uur) reageert [eiser 1] (in de persoon van [naam A] daarop:

Wanneer u mij een transcript toestuurt van alle geluidsfragmenten welke u in uw bezit heeft zullen wij een reactie geven.

2.25.

Per e-mail van 27 november 2018 (13:45 uur) antwoordt NDC Mediagroep (in de persoon van [gedaagde 2] ), daarop:

Ik wil geen reactie op de geluidsfragmenten, ik wil graag weten waarom u het kort geding heeft ingetrokken. Dat staat volledig los van de fragmenten.

2.26.

Per e-mail van 27 november 2018 (14:33 uur) reageert [eiser 1] (in de persoon van [naam A] ) daarop:

Zoals ik u eerder heb laten weten hebben wij de kortgeding zaak omgezet naar een bodemprocedure, dit is de reden.

U wilt graag hoor en wederhoor toepassen, maar op deze manier gaat dat moeilijk als u ons geen geluidsfragmenten laat horen of lezen.
Ik verwacht per omgaande van u de toegezegde transcripten van de geluidsfragmenten.

2.27.

Per e-mail van 27 november 2018 (14:56 uur) antwoordt NDC Mediagroep (in de persoon van [gedaagde 2] ), daarop:

Ik wilde alleen maar weten waarom het kort geding is ingetrokken. Maar de reden is dus omdat het is omgezet naar een bodemprocedure. En met die procedure in het achterhoofd ga ik u natuurlijk niet ons bewijsmateriaal overhandigen.

2.28.

[naam A] heeft via Facebook een bericht aan een derde gestuurd waarbij persoonsgegevens van [gedaagde 2] , zonder zijn toestemming, aan die derde zijn verstrekt.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen in conventie:

1. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen de volgende publicaties binnen
24 uur na het te wijzen vonnis van de websites van het Dagblad van het Noorden en Sikkom.nl en van de Facebookpagina's van Sikkom.nl en de heer [gedaagde 2] , inclusief alle reacties op deze publicaties, te verwijderen en verwijderd te houden:

- De publicatie op de website Sikkom.nl met als kop 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek';

- De publicatie op de website van het Dagblad van het Noorden met als kop 'Kilometers lopen voor parkeerplek bij huurwoningen';

- De publicatie op de Facebookpagina van Sikkom.nl met als kop 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek';

- De publicatie op de persoonlijke Facebookpagina van de heer [gedaagde 2] met de tekst 'Het zoveelste schandaal in de Groningse verhuursector', waarna er een verwijzing is naar de genoemde publicatie op Sikkom.nl;

- De publicatie op de persoonlijke Facebookpagina van de heer [gedaagde 2] , inhoudende dat de tekst en een video waarop op het eind een bericht is te lezen met de tekst 'Stadhuis koketteert met [eiser 1] , terwijl het bedrijf misleidt, oplicht, intimideert en bedreigt';

- De publicatie op de website Sikkom.nl met als kop ' [eiser 1] daagt ons voor de rechter, maar krabbelt op laatste moment terug';

- De publicatie op de Facebookpagina van Sikkom.nl met als kop ' [eiser 1] daagt ons voor de rechter, maar krabbelt op laatste moment terug'.

2. Gedaagden hoofdelijk te bevelen, binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, aan de tekst van de website Sikkom.nl op de homepagina toe te voegen, in een opvallende banner of opvallend kader bovenaan, en daar veertien dagen lang toegevoegd te houden, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, in het zelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de koppen van de website, maar vetgedrukt en met het woord 'rectificatie' in het rood:

'RECTIFICATIE

Op deze website werden [eiser 1] , tevens handelend onder de naam [eiser 1] , en de heer [eiser 2] onterecht in verband gebracht met oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en bedreigen. Daarnaast is er een aantal citaten van de heer [eiser 2] opgenomen die hij zou hebben gedaan omtrent verhuur en huurtoeslag. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft inmiddels geoordeeld dat de gedane beschuldigen onrechtmatig zijn en de gestelde citaten van de heer [eiser 2] niet juist zijn. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft bevolen de beschuldigen te verwijderen en deze rectificatie te plaatsen.'

3. Met betrekking tot de Facebookpagina van Sikkom.nl gedaagden hoofdelijk te bevelen, en met betrekking tot de Facebookpagina van de heer [gedaagde 2] te bevelen, binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, op de betreffende Facebookpagina te (doen) plaatsen, in een opvallende banner of opvallend kader bovenaan, en daar veertien dagen lang toegevoegd te houden, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, in het zelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de eerder geplaatste te rectificeren publicatie(s), maar vetgedrukt en met het woord 'rectificatie' in het rood, dezelfde tekst als onder twee genoemd, met vervanging van het woord 'website' door 'Facebookpagina';

4. Gedaagden hoofdelijk te bevelen, binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, aan de tekst van de website van het Dagblad van het Noorden op de homepagina toe te voegen, in een opvallende banner of opvallend kader bovenaan, en daar veertien dagen lang toegevoegd te houden, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, in het zelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de koppen van de website, maar vetgedrukt en met het woord 'rectificatie' in het rood:

'RECTIFICATIE

Op deze website werden [eiser 1] , tevens handelend onder de naam [eiser 1] , en de heer [eiser 2] onterecht in verband gebracht met oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en bedreigen. Daarnaast is er een aantal citaten van de heer [eiser 2] opgenomen die hij zou hebben gedaan omtrent verhuur en huurtoeslag. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft inmiddels geoordeeld dat de gedane beschuldigen onrechtmatig zijn en de gestelde citaten van de heer [eiser 2] niet juist zijn. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft bevolen de beschuldigen te verwijderen en deze rectificatie te plaatsen.'

5. Gedaagden hoofdelijk te bevelen, binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, in de papieren versie van het Dagblad van het Noorden op dezelfde pagina als de eerder geplaatste te rectificeren pagina, in hetzelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de eerdere publicatie, maar vetgedrukt, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, dezelfde tekst te (doen) plaatsen als onder vier genoemd, met vervanging van 'Op deze website' door 'In de editie van 8 november 2018';

6. Gedaagden te bevelen om binnen 24 uur na het te wijzen vonnis een verzoek in te (doen) dienen bij internetzoekmachine Google, onder indienen van het vonnis bij Google, om de onder 1. genoemde publicatie en alle verwijzingen daarnaar te (doen) verwijderen uit de zoekresultaten van deze zoekmachines alsook uit het 'cache-geheugen' daarvan, onder gelijktijdige toezending van een kopie van de betreffende verzoeken aan de advocaat van eisers;

7. Gedaagden te verbieden, gezamenlijk en ieder voor zich, zich negatief uit te laten over eisers op welke wijze en door middel van welk medium dan ook;

8. Te bepalen dat gedaagden hoofdelijk dwangsommen verbeuren van
€ 1.000,--, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, per dag voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij in gebreke blijven aan een of meer van de hiervoor genoemde veroordelingen en/of bevelen niet, niet volledig en/of niet tijdig nakomen, per overtreding;

9. Voor recht te verklaren dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld;

10. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

11. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschotbedrag in verband met de door eisers geleden schade, ter hoogte van € 2.500,--;

12. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stellen [eiser 1] en [eiser 2] , samengevat weergegeven, dat de publicaties foutieve beschuldigingen betreffen en niet voldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] hadden gedaagden de publicaties daarom niet mogen publiceren. Bovendien wordt volgens [eiser 1] en [eiser 2] door de publicaties ten onrechte verband gelegd tussen [eiser 1] en [eiser 2] en oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en bedreigen. De publicaties zijn daarmee onrechtmatig en dienen gerectificeerd te worden, aldus [eiser 1] en [eiser 2] . Daarnaast stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat er geen, althans onvoldoende hoor en wederhoor is toegepast en meer zorgvuldigheid verwacht mocht worden.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen verder dat hun eer, goede naam, geloofwaardigheid, integriteit en reputaties is geschaad. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben zij recht op een schadevergoeding, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .

3.3.

NDC Mediagroep en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen dat
[eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, dan wel dat de vorderingen aan hen dienen te worden ontzegd, één en ander met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van de procedure. Daartoe voeren zij aan, samengevat weergegeven, dat [gedaagde 2] nimmer op eigen titel heeft geacteerd. Het is telkens Sikkom die de uitlatingen heeft gedaan, [gedaagde 2] is geen partij bij deze procedure aldus NDC Mediagroep en [gedaagde 2] . De vorderingen jegens [gedaagde 2] moeten volgens NDC Mediagroep en [gedaagde 2] dan ook worden afgewezen. Verder voeren NDC Mediagroep en [gedaagde 2] aan dat de onderwerpen en ingenomen standpunten in de publicaties steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal zodat er geen aanleiding tot rectificatie en/of schadevergoeding bestaat. Dat er schade is geleden wordt door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] bovendien betwist. Daarnaast voeren
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] aan dat in het onderhavige geval de vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dient te prevaleren boven artikel 6:162 BW.

3.4.

[gedaagde 2] vordert in reconventie:

1. Te verklaren voor recht dat [eiser 2] jegens de heer [gedaagde 2] heeft gehandeld in strijd met artikel 6 AVG en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld;

2. [eiser 2] te veroordelen om binnen 2 weken na betekening van een daartoe veroordelend vonnis aan de heer [gedaagde 2] een volledige lijst met namen en adresgegevens van personen of partijen te verstrekken aan wie [eiser 2] het uittreksel uit de BRP van de heer [gedaagde 2] heeft verstrekt;

3. [eiser 2] te verbieden de persoonsgegevens van de heer [gedaagde 2] aan derden te verstrekken;

4. [eiser 2] te veroordelen tot vergoeding van de door de heer [gedaagde 2] geleden schade ad € 750,- op grond van artikel 6:162 BW;

5. Te bepalen dat eisers hoofdelijk een dwangsom zullen verbeuren van
€ 500,- per dag en voor ieder dag dat eisers tekort schieten in de nakoming van het onder 2 gevorderde dan wel handelen in strijd met het onder 3 gevorderde verbod, één en ander met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van de procedure.

3.5.

Daartoe stelt [gedaagde 2] , samengevat weergegeven, dat [naam A] , in zijn hoedanigheid van directeur van [eiser 1] , de adresgegevens van [gedaagde 2] zonder zijn toestemming aan derden heeft verstrekt. [eiser 1] heeft daarmee in strijd met artikel 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gehandeld en dat levert een onrechtmatige daad op waardoor [gedaagde 2] schade heeft geleden, aldus [gedaagde 2] .

3.6.

[eiser 1] voert verweer en concludeert dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] niet-ontvankelijk worden verklaard, althans dat de vorderingen worden afgewezen, één en ander met veroordeling van NDC Mediagroep en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure. Daartoe voert [eiser 1] aan, samengevat weergegeven, dat [naam A] heeft gehandeld uit eigen naam en niet in hoedanigheid van directeur van [eiser 1] . Voorts betwist [eiser 1] dat [gedaagde 2] schade heeft geleden.

4 De beoordeling

Bevoegdheid in conventie en reconventie

4.1.

De rechtbank stelt voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling vast dat deze zaak een internationaal karakter draagt omdat [eiser 2] in [woonplaats] woont. Allereerst dient daarom de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van [eiser 2] kennis te nemen.

4.2.

In artikel 6, aanhef en onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. De rechtbank is van oordeel dat de plaats van het gestelde schadebrengende feiten zich in Nederland hebben voorgedaan. Dit omdat de (in conventie) onderhavige artikelen zijn gepubliceerd op Nederlandse websites, Facebookpagina's van een Nederlands bedrijf/inwoner en in een Nederlands dagblad en in de Nederlandse taal zijn geschreven en de (in reconventie) gestelde verstrekte persoonsgegevens van [gedaagde 2] zien op Nederlandse adresgegevens die - zo begrijpt de rechtbank - aan een in Nederland woonachtige derde zijn verstrekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij bevoegd is te oordelen over de onderhavige vorderingen. Op grond van artikel 99 Rv is de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen vervolgens bevoegd over de zaak te oordelen. De bevoegdheid van de rechtbank is tussen partijen overigens niet in geschil.

in conventie

4.3.

Het gaat in deze zaak in conventie in de kern over de onrechtmatigheid van (pers)publicaties en de rectificatie daarvan.

Toetsingskader

4.4.

Gelet op de over en weer door partijen ingenomen standpunten moet in deze zaak worden onderzocht of voldaan is aan de voorwaarden voor onrechtmatige daad, zoals neergelegd in artikel 6:162 BW, en of voldaan is aan de voorwaarden die artikel 10 lid 2 EVRM stelt aan een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting.

4.5.

Toewijzing van de vorderingen in conventie zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid van NDC Mediagroep en [gedaagde 2] . Onder artikel 10 EVRM dienen zij een ruime vrijheid te hebben bij het publiceren van berichten, zelfs als de betrokken berichten niet iedereen welgevallig zijn. Het recht op vrijheid van meningsuiting kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de rechtbank tot het oordeel komt dat de publicaties, waarvan [eiser 1] en [eiser 2] dat stellen, onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. In dat geval kunnen
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] (ook) op de voet van artikel 6:167 BW, al dan niet op straffe van een dwangsom, (onder andere) tot een rectificatie worden veroordeeld.

4.6.

Het belang van [eiser 1] en [eiser 2] is met name erin gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan verdachtmakingen, dat hun privacy niet onnodig wordt geschonden en hun eer en goede naam niet onnodig mag worden beschadigd. Het belang van NDC Mediagroep en [gedaagde 2] is er met name in gelegen dat zij zich als uitgever en werknemer van Sikkom in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving - en meer in het bijzonder de inwoners van de stad Groningen - raken.

4.7.

Welk van deze belangen het zwaarste weegt, hangt af van de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang beschouwd, waarbij onder meer relevant is de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben, de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de totstandkoming en inkleding van de verdenkingen, bezien in verhouding tot de hiervoor bedoelde omstandigheden, het gezag dat het medium geniet en de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Tot slot is een belangrijke toets de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal. Genoemde omstandigheden wegen niet zonder meer alle even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht aan toepasselijke omstandigheden moet worden gehecht hangt af van het concrete geval.

4.8.

De rechtbank zal iedere publicatie afzonderlijk beoordelen en overweegt als volgt.

De publicatie op de website Sikkom.nl met als kop 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek' van 7 november 2018

4.9.

[eiser 1] en [eiser 2] noemen meerdere verwijten die zij onrechtmatig achten. Samengevat weergegeven achten [eiser 1] en [eiser 2] het onrechtmatig:

(i) dat [eiser 1] in het artikel wordt beticht van oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en/of bedreigen;

(ii) dat er in het artikel in strijd met de waarheid over hen wordt gepubliceerd. Daarbij noemen zij expliciet de volgende punten:

a. dat in het artikel de indruk wordt gewekt dat [eiser 1] (honderden) huurders verplicht parkeerplekken bij haar te huren;

b. dat in het artikel melding wordt gemaakt van het feit dat verschillende huurders de benoemde constructie aanhangig maken bij de Huurcommissie, advocaten, juridische dienstverleners en [eiser 2] zelf;

c. dat in het artikel melding wordt gemaakt van het feit dat rond de gebouwen van [eiser 1] Poolse bouwvakkers aanwezig zijn;

d. dat in het artikel melding wordt gemaakt dat een huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en dat verschillende huurders onder druk zijn gezet om contracten tekenen;

e. dat in het artikel melding wordt gemaakt dat [eiser 1] een bedrijf is dat listig gebruik maakt van de overspannen Groningse huurmarkt;

(iii) dat zij in het artikel onjuist zijn geciteerd;

(iv) dat de berichtgeving stuitend en respectloos is.

Ad (i)

4.10.

[eiser 1] en [eiser 2] lezen het artikel zo dat zij daarin beschuldigd worden van oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en/of bedreigen. NDC Mediagroep en [gedaagde 2] bestrijden die lezing. Zij hebben aangevoerd dat het artikel zo moet worden gelezen dat in de verhuurwereld waarin oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en/of bedreigen veelvuldig voorkomt, de vindingrijkheid hoogtij viert. De rechtbank volgt
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] niet in dat verweer. Anders dan NDC Mediagroep en [gedaagde 2] kennelijk doen, moet het artikel in zijn geheel worden bezien. Op basis van die beschouwing van het geheel moet worden vastgesteld dat [eiser 1] in verband wordt gebracht met oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en/of bedreigen.

4.11.

In het artikel wordt geschreven:

Het kan nooit een keer normaal gaan in de Groningse verhuurwereld. Althans, zo lijkt het. Er zijn natuurlijk zat goede verhuurders. Maar er zijn ook velen die oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en of bedreigen. In die zwendel worden ze, onder de toenemende druk vanuit politiek en media, steeds vindingrijker. Voorbeeld daarvan is de koppelverhuur met parkeerplaatsen die [eiser 1] hanteert.

4.12.

In voornoemde tekst kan het genoemde oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en/of bedreigen naar het oordeel van de rechtbank niet rechtstreeks op
[eiser 1] of [eiser 2] worden betrokken. In het artikel worden echter de woorden 'in die zwendel' en 'voorbeeld daarvan zijn' gebruikt. Het gebruik van die woorden insinueert naar het oordeel van de rechtbank indirect dat [eiser 1] en/of [eiser 2] vallen onder de categorie verhuurders die oplichten, misleiden, chanteren, intimideren en/of bedreigen. De betreffende passage in het artikel wekt immers de indruk dat [eiser 1] en/of [eiser 2] onderdeel uitmaken van 'die zwendel'. Dat is voldoende om, bij de lezer van het artikel, de indruk te wekken dat ook [eiser 1] en/of [eiser 2] zich schuldig maken aan het onoorbare handelen waarover in het artikel wordt gesproken.

4.13.

Het plegen van oplichting, misleiding, chantage, intimidatie en/of bedreiging zijn ernstige verdenkingen, die niet lichtvaardig mogen worden geuit of geïnsinueerd.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en bewijslast te dragen voor de ingenomen stelling dat voormelde insinuaties ongegrond zijn. Aan de andere kant mag van
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] worden verwacht dat zij hun insinuaties nader inkleden door te motiveren dat er in feitenmateriaal voldoende aannemelijk aanleiding was om
[eiser 1] en [eiser 2] (al dan niet indirect) in verband te brengen met oplichting, misleiding, chantage, intimidatie en/of bedreiging en daarover te publiceren. Van
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] hoeft evenwel niet te worden verwacht dat zij motiveert dat de juistheid van de publicatie onomstotelijk vaststaat.

4.14.

NDC Mediagroep en [gedaagde 2] zijn in voornoemd verband uitvoerig ingegaan op de redenen waarom zij [eiser 1] en [eiser 2] in verband hebben gebracht met de in het artikel besproken handelen. Zij hebben aangevoerd dat [eiser 1] en [eiser 2] huurders (die soms zelfs niet in het bezit zijn van een auto) verplichten een parkeerplaats te huren die kilometers verwijderd is van de woonruimte en die volgens [eiser 1] en [eiser 2] niet bedoeld is om te worden gebruikt. Volgens NDC Mediagroep en [gedaagde 2] zijn er voldoende aanwijzingen dat er dingen gebeuren in de verhuurpraktijk van [eiser 1] en [eiser 2] die niet kloppen en niet door de beugel kunnen. Ter onderbouwing hebben NDC Mediagroep en [gedaagde 2] onder andere verwezen naar een uitspraak van de huurcommissie tegen [eiser 2] waarin de huurcommissie heeft bepaald dat "de verhuurde parkeerplaats, zeker gezien de afstand van de woonruimte, geen deel uitmaakt van de woonruimte", huurovereenkomsten van [eiser 1] en [eiser 2] waarin wooneenheden met parkeerplaatsen worden verhuurd, huurovereenkomsten (met parkeerplaats) op naam van [eiser 2] waarbij betalingen aan [eiser 1] moeten worden gedaan, een aantal verklaringen van huurders van [eiser 1] en [eiser 2] waarin zij verklaren dat zij geen woonruimte konden huren zonder ook een parkeerplaats te huren en een transcriptie van een geluidsfragment waarin staat dat [eiser 2] (onder andere) zegt: Ik zeg daar wel bij, wij zetten het zo op papier neer zodat huurders in aanmerking komen voor huurtoeslag, maar het is eigenlijk niet de bedoeling dat hier ook auto's worden geparkeerd. Tegen deze achtergrond hebben NDC Mediagroep en [gedaagde 2] de in het artikel geschreven bewoordingen gebruikt. Volstrekt terecht aldus NDC Mediagroep en [gedaagde 2] , omdat er sprake is van gedrag dat niet door de beugel kan als je huurders laat betalen voor een parkeerplaats die niet gebruikt mag worden en die zij niet nodig hebben. NDC Mediagroep en [gedaagde 2] hebben voorts aangevoerd dat zij gebruikte termen niet in een strafrechtelijke betekenis gebruikt.

4.15.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben de door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] aangevoerde onderbouwing betwist. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat slechts [eiser 2] woningen met parkeerplaatsen verhuurt, zodat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] te stellig zijn geweest in hun berichtgeving dat [eiser 1] / [eiser 1] ook woningen met parkeerplaatsen zou hebben verhuurd. Verder stellen [eiser 1] en [eiser 2] in reactie op de door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] ingebrachte verklaringen van huurders dat zij niet kunnen vaststellen of dit huurders zijn, omdat de herleidbare gegevens van de huurders zijn verwijderd. Wel gaat het volgens [eiser 1] en [eiser 2] slechts om een zeer klein percentage huurders die ontevreden zijn.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben voorts de inhoud van alle verklaringen betwist.

4.16.

De rechtbank volgt [eiser 1] en [eiser 2] niet in de stelling
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] te stellig zijn geweest in hun berichtgeving dat
[eiser 1] / [eiser 1] ook woningen met parkeerplaatsen zou hebben verhuurd. Daarvoor is redengevend dat uit de door van NDC Mediagroep en [gedaagde 2] als productie 5 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte huurovereenkomst blijkt dat een huurovereenkomst waarin een woonruimte met parkeerplaats wordt verhuurd, uitsluitend op naam van [eiser 1] is gesteld. Verder is redengevend dat
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] als productie 7 bij conclusie van antwoord nog een huurovereenkomst (met betrekking tot een parkeerplaats) in het geding heeft gebracht. Die huurovereenkomst is weliswaar op naam van [eiser 2] gesteld, maar alle in de huurovereenkomst opgenomen contactgegevens stemmen overeen met die van
[eiser 1] . Verder wordt in die huurovereenkomst een handelsnaam van
, namelijk [eiser 1] gebruikt en is bepaald dat de opstartkosten voor de huurovereenkomst zullen worden geïncasseerd door [eiser 1] . Tot slot is eveneens redengevend dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] als productie 8 bij conclusie van antwoord begeleidende brief van een huurovereenkomst met betrekking tot een parkeerplaats in het geding hebben gebracht. Daaruit blijkt eveneens dat de opstartkosten voor de huurovereenkomst zullen worden geïncasseerd door [eiser 1] en de gebruikte adresgegevens overeenstemmen met de adresgegevens van [eiser 1] .

4.17.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit de inhoud van de betreffende huurovereenkomsten en begeleidende brief bij die huurovereenkomsten voldoende blijkt om aan te kunnen dat [eiser 1] (ook) woningen met parkeerplaatsen heeft verhuurd dan wel daarbij op enige manier bij betrokken was dan wel dat er voldoende verwarring bestond om die aannames te kunnen doen.

4.18.

Niet gesteld of gebleken is dat van de juistheid van de ingebrachte huurovereenkomsten niet uit kan worden gegaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de ingebrachte huurovereenkomsten (en begeleidende brieven) te twijfelen.

4.19.

Met betrekking tot de door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] in het geding gebrachte verklaringen van huurders van [eiser 1] en [eiser 2] waarin zij verklaren dat zij geen woonruimte konden huren zonder ook een parkeerplaats te huren overweegt de rechtbank als volgt. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de inhoud van de betreffende verklaringen weliswaar betwist, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de ingebrachte verklaringen te twijfelen. Daarbij neemt de rechtbank in acht dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat de verklaringen door hen zijn gecheckt. Dat de verklaringen niet zijn te herleiden naar individuele huurders maakt het voorgaande niet anders. Niet gebleken is dat de verklaringen onbetrouwbaar of niet van huurders van [eiser 1] of [eiser 2] afkomstig zijn. [eiser 1] en [eiser 2] erkennen bij conclusie van repliek in conventie in ieder geval dat een tweetal verklaringen wel afkomstig zijn van hun huurders.

4.20.

In de verklaringen wordt, voor zover hier van belang, het volgende gezegd:

Verklaring 1

Bij de contractbespreking op het kantoor van [eiser 2] is gezegd dat ik de woonruimte niet kan huren zonder de parkeerplaats. Het huurcontract van de studio en de parkeerplaats zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De precieze bewoordingen weet ik niet meer, maar het was geen optie om de woonruimte te huren zonder de parkeerplaats.

Verklaring 2

Vervolgens wou ik van de parkeerplek af omdat ik hier al steeds meer argwaan van kreeg en via juridisch advies te horen gekregen dat het ook niet is toegestaan. Na dit te horen en ook na te rekenen via het puntensysteem van de huurcommissie er achter gekomen dat de huur eigenlijk ook te hoog is voor het pand, heb ik de huurcommissie ingeschakeld en hun mijn verhaal gedaan.

Verklaring 3
Aangekomen op kantoor ging ik samen met frank [eiser 2] het contract bijlangs, waar dus geheel logisch de parkeerplaats ter sprake kwam. (…) Volgens Frank [eiser 2] hoefde ik hier eigenlijk geen aandacht aan te schenken, omdat ik op deze manier huursubsidie kon aanvragen. Dus eigenlijk meer ten behoeve van mij, of ik nu in bezit van een auto ben of niet. Ook gaf hij aan dat de studio alleen met de parkeerplaats komt.

Verklaring 4

Voor de verhuur van een woning bij [eiser 2] was ik verplicht om daarbij een parkeerplaats af te nemen. Deze zou niet bestaan, maar in het contact staan om mensen onder de 23 ook recht te geven op huurtoeslag. Als je de woning wil moet je die niet bestaande parkeerplek er bij nemen anders nemen ze gewoon een andere huurder.

Verklaring 5

They literally tell you at the act of signing the contract that it's a way for the tenant to get huurtoeslag.

Verklaring 6

Ik ben huurder bij [eiser 2] sinds augustus 2017. Ik moest verplicht een parkeerplek van 75 euro per maand. Ze deden het alleen zodat ik huurtoeslag zou kunnen krijgen. Die krijg ik niet eens ivm werk en de norm daarvan. Dit heb ik toen ook vermeld. Hierop vroeg ik waar ik dan mijn auto neer kan zetten? Toen zeiden ze dat het niet de bedoeling was dat ik die plek zou gaan gebruiken.

4.21.

Uit de inhoud van de betreffende verklaringen ontstaat naar het oordeel van de rechtbank een beeld dat [eiser 1] en [eiser 2] een huurconstructie hanteerden waarbij huurders, als zij via [eiser 1] of [eiser 2] een woning wilden huren, werden verplicht daarbij tevens een parkeerplaats te huren ook als zij niet in het bezit zijn van een auto of niet in aanmerking komen voor huurtoeslag, terwijl die parkeerplaatsen niet of beperkt voor de huurders beschikbaar waren.

4.22.

Tot slot overweegt de rechtbank in dit verband dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] een transcriptie van een geluidsfragment in het geding hebben gebracht. Daarin staat dat [eiser 2] (onder andere) zegt: Ik zeg daar wel bij, wij zetten het zo op papier neer zodat huurders in aanmerking komen voor huurtoeslag, maar het is eigenlijk niet de bedoeling dat hier ook auto's worden geparkeerd. De inhoud van de betreffende transcriptie is niet door [eiser 1] en [eiser 2] betwist. Met de inhoud van die transcriptie wordt het ontstane beeld dat huurders verplicht werden een parkeerplaats te huren, terwijl die niet of slechts beperkt voor de huurders beschikbaar waren, bevestigd.

4.23.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd brengt met zich dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] hun insinuaties voldoende hebben gemotiveerd dat er in feitenmateriaal aannemelijk aanleiding was om [eiser 1] en [eiser 2] (indirect) in verband te brengen met het onoorbare handelen waarover in het artikel wordt gesproken. De rechtbank overweegt in dat verband dat de in het artikel gebruikte termen van oplichting, misleiding, chantage, intimidatie en bedreiging, naar haar oordeel, niet in een strafrechtelijke betekenis zijn gebruikt. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van gangbaar spraakgebruik waarbij het voor de lezer duidelijk is dat in het artikel wordt gedoeld een handelwijze die niet door de beugel kan en dat er niet sprake is van terminologie in een formeel-juridische zin. Daarbij neemt de rechtbank voorts in overweging dat de gebruikte termen passen in de stijl van schrijven van Sikkom, die zich met grover dan het in de traditionele media gebruikte taalgebruik, kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uitlaat over misstanden die de inwoners van de stad Groningen. De rechtbank neemt verder in overweging dat in de tekst van het artikel de geuite beschuldigingen worden genuanceerd en toegelicht. De publicatie moet dan ook worden gelezen in het licht van het voorgaande.

4.24.

Gelet op de aard van de gepubliceerde verdenkingen, de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen en de mate van waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal, acht de rechtbank, de publicatie op dit onderdeel, ondanks de te verwachten gevolgen voor [eiser 1] en [eiser 2] daarvan, niet onrechtmatig.

Ad (ii)

4.25.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen verder dat er in het artikel in strijd met de waarheid over hen wordt gepubliceerd en achten dit onrechtmatig. De rechtbank zal de door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde onjuistheden puntsgewijs beoordelen.

Ad (ii a)

4.26.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen in de eerste plaats dat in het artikel de indruk wordt gewekt dat [eiser 1] (honderden) huurders verplicht parkeerplekken bij haar te huren. De rechtbank kan daar, gelet op hetgeen in het voorgaande reeds is overwogen, kort over zijn. In het feitenmateriaal zoals besproken ligt voldoende besloten dat er aannemelijk aanleiding was voor NDC Mediagroep en [gedaagde 2] om te stellen of de indruk te wekken dat [eiser 1] huurders verplicht parkeerplekken bij haar te huren. De rechtbank acht dit onderdeel van de publicatie dan ook niet onrechtmatig. Dat in het artikel wordt gesproken over mogelijk honderden huurders, maakt het voorgaande niet anders. In het artikel staat daarover:

Wat ook gek is: volgens [naam 1] , van Frently, worden tientallen, zo niet honderden huurders verplicht de parkeerplaats af te nemen voor veel geld, terwijl er maar plek is voor tientallen auto’s.

4.27.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt het door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] daarmee niet als een voldongen feit gepresenteerd dat het daadwerkelijk zou gaan om honderden huurders. Er wordt gesproken over tientallen, zo mogelijk honderden huurders. Bovendien moet dit stuk van het artikel naar het oordeel van de rechtbank zo worden gelezen dat deze aantallen afkomstig zijn van [naam 1] , niet van NDC Mediagroep en [gedaagde 2] zelf. Later in het artikel wordt nog geschreven: 'Om te checken of het echt om tientallen, en misschien zelfs wel honderden huurders gaat, gaan we op bezoek bij twee verschillende panden van [eiser 1] ', waarmee evenmin als feit wordt gesteld dat het zou gaan om honderden huurders.

Ad (ii b)

4.28.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen in de tweede plaats dat in het artikel melding wordt gemaakt van het feit dat verschillende huurders de benoemde constructie aanhangig maken bij de Huurcommissie, advocaten, juridische dienstverleners en [eiser 2] zelf.

4.29.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat bij de Huurcommissie toetsing heeft plaatsgevonden van de aanvangshuur van een gehuurde woonruimte. NDC Mediagroep en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat diverse huurders van [eiser 1] en [eiser 2] aan hen hebben gemeld dat zij de kwestie hebben neergelegd bij een advocaat of juridisch dienstverlener. Voorts hebben NDC Mediagroep en [gedaagde 2] aangevoerd dat zij in aanloop naar deze procedure contact heeft gehad met meerdere advocaten en juridische dienstverleners die huurders van [eiser 2] bijstaan. Het voorgaande is door
[eiser 1] en [eiser 2] niet betwist. [eiser 1] en [eiser 2] voeren in de conclusie van repliek in conventie slechts aan dat het overdreven is en 'wel mee blijkt te vallen'. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de in het artikel gemaakte melding en acht dit onderdeel van de publicatie niet onrechtmatig.

Ad (ii c)

4.30.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen in de derde plaats dat in het artikel melding wordt gemaakt van het feit dat rond de gebouwen van [eiser 1] Poolse bouwvakkers aanwezig zijn. Daarnaast stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat in het artikel mensen met een Poolse achtergrond en [eiser 1] en [eiser 2] in het verlengde daarvan op een onheuse manier worden weggezet. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] wordt in het artikel ten onrechte het beeld geschetst dat bewoners door de aanwezigheid van Poolse bouwvakkers niet het achterste van hun tong laten zien.

4.31.

In het artikel wordt geschreven:

“Er gebeuren wel meer gekke dingen hier”, fluistert hij, zodat de aanwezige Poolse bouwvakkers niks kunnen doorbrieven naar de huurbaas.

en

Omdat de Poolse bouwvakkers als aasgieren om ons heen blijven cirkelen, besluiten we het gesprek voort te zetten via de mail.


en

Ook andere bewoners laten niet het achterste van hun tong zien vanwege de aanwezige klusjesmannen.

4.32.

De rechtbank stelt voorop dat [eiser 1] en [eiser 2] niet betwisten dat zij gebruik maken of hebben gemaakt van Poolse bouwvakkers. Hun bezwaar richt zich op de gestelde onheuse bejegening in het artikel. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] worden mensen met een Poolse achtergrond in het artikel neergezet als foute mensen die alles maar doorbrieven naar de huurbaas en als aasgieren rondcirkelen. De rechtbank overweegt als volgt.

4.33.

Het artikel roept door de gebruikte toonzetting weliswaar een beeld op dat huurders door de geschetste aanwezigheid van 'de Poolse bouwvakkers' niet vrijuit durven te spreken, maar niet meer dan dat. De rechtbank acht de gebruikte toonzetting in de stijl van Sikkom niet (zodanig) grievend of beledigend dat dit deel van het artikel als onrechtmatig dient te worden aangemerkt.

Ad (ii d)

4.34.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen in de vierde plaats dat in het artikel melding wordt gemaakt dat een huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en dat verschillende huurders onder druk zijn gezet om contracten tekenen. [eiser 1] en [eiser 2] betwisten dit.

4.35.

In het artikel wordt daarover geschreven:

Volgens de huurder krijgt hij regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes. “Ik heb een paar keer een klacht ingediend, daar wordt erg naar en raar op gereageerd door [eiser 2] , als er überhaupt al reactie komt.” Zo mailt [eiser 2] hem meermalen dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag.

4.36.

NDC Mediagroep en [gedaagde 2] zijn in het kader van de betwisting door
[eiser 1] en [eiser 2] ingegaan op de omstandigheden en bronnen die voor hen aanleiding hebben gegeven voornoemde tekst in het artikel op te nemen. Zij verwijzen in dat verband onder andere naar een opgenomen telefoongesprek tussen een huurder en [eiser 1] , waarin volgens hen door [naam A] het volgende zou zijn gezegd:

Omdat je te lui bent om hier naar toe te komen hebben we hem hier maar naar toe gebracht.

Ga je nou een grote bek geven.

Ben je thuis dan kom ik nu even langs.

4.37.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] klopt het dat [naam A] bij één voorval uit zijn slof is geschoten. De zin 'Ben je thuis dan kom ik nu even langs' is volgens [eiser 1] en [eiser 2] echter volledig uit zijn verband getrokken. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] zou het gesprek zijn gegaan over problemen met de stroomvoorziening die de huurder ondervond en heeft [naam A] - ondanks de emoties - aangeboden langs te komen om het probleem op te lossen.

4.38.

NDC Mediagroep en [gedaagde 2] verwijzen voorts naar verklaring van een andere huurder die heeft verklaard:

Vervolgens wou ik van de parkeerplek af omdat ik hier al steeds meer argwaan van kreeg en via juridisch advies te horen gekregen dat het ook niet is toegestaan. Na dit te horen en ook na te rekenen via het puntensysteem van de huurcommissie er achter gekomen dat de huur eigenlijk ook te hoog is voor het pand, heb ik de huurcommissie ingeschakeld en hun mijn verhaal gedaan. Om vervolgens een afspraak te maken voor een gesprek om te kijken of het zo opgelost kon worden. In dit gesprek werd mij verteld dat ik als ik verder met de huurcommissie zou gaan ik alsnog mijn boete moest gaan betalen van de resterende termijnen van mijn VORIGE contract. Waarop met een vieze grin wordt gezegd dat het een en/of situatie was en dat ze er nog steeds voor kunnen kiezen mij een boete te laten betalen. Ook zaten er 2 mensen in dit gesprek terwijl ik in de veronderstelling was dat ik met 1 persoon in gesprek ging. Ik voelde mij nogal geïntimideerd en had al geld problemen en zat op dit moment in de ziektewet vanwege een kapotte schouder en door een ongeluk op het werk

Hun oplossing?

Ik start geen zaak met de huurcommissie en ga binnen 1 maand mijn huis uit in december, ik weet niet hoor maar in december binnen 1 maand een nieuw huis vinden is niet makkelijk. Ik heb mijn spullen in opslag gedaan en heb 4-5 maanden in een kraakpand gewoond.

4.39.

NDC Mediagroep en [gedaagde 2] verwijzen voorts naar een tussen een huurder en [eiser 2] gevoerd telefoongesprek. In dat telefoongesprek zou van de zijde van [eiser 2] het volgende zijn gezegd:

En als je dan eenmaal een handtekening heb gezet, dan gaan we ervanuit, en zeker jij die in deze schitterende kamer zit (…) dan denk ik bij mezelf, jij, nou jij speciaal, gaat dan naar de Huurcommissie toe die ons even terecht moet wijzen. (…) Als wij dat van tevoren hadden geweten hadden we met jou geen zakengedaan. Dan ben je bij ons, om het zo maar te noemen, niet zo'n geliefd persoon. (…) Wij moeten ons nou eenmaal aan een behaalde puntentelling houden. Nou, die puntentelling is X, ik weet die cijfers niet uit mijn hoofd. Daar doen we een parkeerplaats bij (…), maar dat is eigenlijk niet de bedoeling, maar we hebben een deal over de totale prijs. Nou en dan denk ik bij mezelf, als je nou eenmaal een deal maakt, doen je dan met een onbetrouwbare huurder zaken of wat is dat nou?

4.40.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] zijn citaten door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] uit hun verband gerukt. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] ging het om een huurder met financiële problemen met wie een schikking is getroffen. Daar zou [eiser 2] zich buitengewoon coulant hebben opgesteld, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .

4.41.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het artikel als feit gepresenteerd dat een huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt van [eiser 1] dan wel [eiser 2] . Ook wordt in het artikel als feit gepresenteerd dat [eiser 2] diezelfde huurder meermalen zou hebben gemaild dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag. Uit de door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] aangevoerde motivering en onderbouwing blijkt één en ander naar het oordeel van de rechtbank echter niet. Voor zover uit de aangevoerde onderbouwing in het licht van de daarop gerichte betwisting van [eiser 1] en [eiser 2] al intimidatie en chantage van een huurder kan blijken, blijkt daaruit niet dat er sprake is van regelmaat. Ook blijkt daaruit niet dat [eiser 2] de huurder meermalen zou hebben gemaild dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag.

4.42.

Het voorgaande brengt met zich dat in het feitenmateriaal zoals besproken onvoldoende ligt besloten dat er aannemelijk aanleiding was voor NDC Mediagroep en [gedaagde 2] om te stellen dat de huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en [eiser 2] diezelfde huurder meermalen mailt dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag. Nu ter onderbouwing van dit deel van de publicatie niets anders is gesteld of gebleken, acht de rechtbank acht dit onderdeel van de publicatie onrechtmatig.

Ad (ii e)

4.43.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen in de vijfde plaats dat in het artikel melding wordt gemaakt dat [eiser 1] een bedrijf is dat listig gebruik maakt van de overspannen Groningse huurmarkt. De rechtbank kan daar, gelet op hetgeen in het voorgaande reeds is overwogen, ook kort over zijn. In het feitenmateriaal zoals besproken ligt voldoende besloten dat er aannemelijk aanleiding was voor NDC Mediagroep en [gedaagde 2] om te stellen dat [eiser 1] een bedrijf is dat listig gebruik maakt van de overspannen Groningse huurmarkt. Dat de huurmarkt - in zijn algemeenheid, maar zeker in Groningen - overspannen is, is een feit van algemene bekendheid. Dat huurders zoals [eiser 1] en [eiser 2] stellen, altijd een aantal dagen bedenktijd krijgen voor het tekenen van de huurovereenkomst, maakt het voorgaande niet anders. [eiser 1] en [eiser 2] betwisten bij conclusie van repliek in conventie nog dat zij huurders onder druk zetten, maar dat is niet wat in het artikel door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] wordt gesteld. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij. De rechtbank acht dit onderdeel van de publicatie dan ook niet onrechtmatig.

Ad (iii)

4.44.

[eiser 1] en [eiser 2] achten het voorts onrechtmatig dat [eiser 2] onder het kopje 'De belastingbetaler dokt wel' in strijd met de waarheid is geciteerd. In het artikel is het volgende geschreven:

[eiser 2] , in eigen persoon en niet bij monde van de directeur [naam A] , vertelt bijvoorbeeld tegen een huurder dat de parkeerplek eigenlijk niet bestaat. Maar dat ze hem in het contract jassen om de huurprijs omhoog te krikken. Dat is gunstig voor de huurder, zo zegt [eiser 2] . Omdat die dan in aanmerking komt voor huurtoeslag. Dat luistert nogal nauw. Een kamer mag niet te duur en ook niet te goedkoop zijn. Door het toevoegen van de parkeerplek komt de totale huur precies op het bedrag uit waarvan de wet voorschrijft dat toeslag mogelijk is. Keiharde win-win, volgens [eiser 2] . De belastingbetaler dekt het gat. Maar de praktijk is veel weerbarstiger. Tegen een andere huurder verklaart [eiser 2] dat het niet de bedoeling is dat de parkeerplek ook daadwerkelijk gebruik wordt.

4.45.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dit nonsens en blijkt dit ook helemaal nergens uit. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de betreffende tekst als citaat in het artikel is opgenomen zodat het lijkt alsof [eiser 2] met [gedaagde 2] heeft gesproken, terwijl dit niet het geval is geweest, aldus [eiser 1] en [eiser 2] . NDC Mediagroep en [gedaagde 2] voeren aan dat zij in dit verband inderdaad niet rechtstreeks met [eiser 2] hebben gesproken en dat het artikel ook niet aldus kan worden gelezen. De rechtbank overweegt als volgt.

4.46.

In het artikel staat 'vertelt bijvoorbeeld tegen een huurder' en 'tegen een andere huurder verklaart [eiser 2] '. Naar het oordeel van de rechtbank zal de gemiddelde lezer van het artikel begrijpen dat het niet gaat om een rechtstreeks citaat van [eiser 2] aan

NDC Mediagroep of [gedaagde 2] , maar dat in het artikel iets wordt aangehaald wat [eiser 2] tegen huurders heeft gezegd. De rechtbank overweegt in dit verband dat binnen de journalistiek het gangbaar is dat citaten worden ingekort of geparafraseerd. Deze werkwijze is in beginsel toegelaten, mits de essentie van de reactie van de betrokkene kenbaar blijft. Het gaat er dus niet om of [eiser 2] de woorden zoals geciteerd in het artikel letterlijk zo heeft gezegd.

4.47.

De vraag is vervolgens of de hiervoor besproken passage onrechtmatig is jegens [eiser 1] en [eiser 2] . De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. Daarvoor is redengevend dat in het feitenmateriaal naar het oordeel van de rechtbank voldoende besloten ligt dat er aannemelijk aanleiding was voor NDC Mediagroep en [gedaagde 2] om de betreffende passage op deze wijze op te nemen in het artikel. De rechtbank verwijst in dit verband naar verklaringen 4 en 6 zoals besproken in rov. 4.20. en de inhoud van de onweersproken transcriptie van het geluidsfragment zoals besproken in rov. 4.22.

4.48.

[eiser 1] en [eiser 2] achten voorts de in het artikel opgenomen opmerking 'en de dude die de telefoon aanneemt op het kantoor van [eiser 1] meldt ook nog doodleuk dat de heer [eiser 2] die dag, net als vele andere dagen aan het werk is voor [eiser 1] ' onrechtmatig. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is de opmerking stuitend, respectloos en in strijd met de waarheid. In dat verband hebben [eiser 1] en [eiser 2] een verklaring van een werknemer van [eiser 1] in het geding gebracht waaruit volgens hen blijkt dat telefonisch niet gezegd is dat de heer [eiser 2] die dag, net als vele andere dagen aan het werk is voor [eiser 1] . In de betreffende verklaring (productie 16 bij dagvaarding) staat, voor zover hier van belang:

Op 31 oktober ben ik tijdens mijn werk gebeld door [gedaagde 2] van Sikkom. In een publicatie op de website (…) wordt er aangegeven/geciteerd dat ik het volgende aan de telefoon zou hebben gezegd: (…)

Nimmer heb ik dit gezegd, tevens vindt ik het belachelijk dat ik "dude" wordt genoemd. Ik heb aan de telefoon aangegeven dat Dhr. [gedaagde 2] contact op moest nemen met Dhr. [naam A] omdat ik geen antwoorden kon geven op zijn vragen. Ook heb ik aangegeven niet op zijn vragen in te gaan.

4.49.

NDC Mediagroep en [gedaagde 2] hebben in reactie op deze in het geding gebrachte verklaring aangevoerd dat een medewerker van [eiser 1] wel degelijk telefonisch aan Sikkom heeft bericht dat [eiser 2] bij [eiser 1] in dienst is en daarvoor werkzaamheden verricht en dat thans anders luidende verklaring van de medewerker dit niet anders maakt. Voorts wijzen NDC Mediagroep en [gedaagde 2] er in dit verband op dat [eiser 1] , [eiser 1] en [eiser 2] feitelijk dezelfde partij zijn. Ook wijzen NDC Mediagroep en [gedaagde 2] erop dat de heer Frank [eiser 2] bij [eiser 1] werkt en namens [eiser 1] contracten ondertekent. Het klopt daarom volgens NDC Mediagroep en [gedaagde 2] dat in het artikel namens [eiser 1] door de heer [eiser 2] is gereageerd. De rechtbank overweegt als volgt.

4.50.

Partijen twisten over wat er in het betreffende telefoongesprek is gezegd. Uit de ingebrachte verklaring van de medewerker van [eiser 1] blijkt dat hij met [gedaagde 2] telefonisch persoonlijk heeft gesproken. [gedaagde 2] heeft zijn weergave van de inhoud van dat telefoongesprek vervolgens verwoord in het betreffende artikel. De rechtbank is van oordeel dat, juist nu in het artikel een weergave wordt gegeven van een telefoongesprek dat [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid als journalist persoonlijk heeft gevoerd, van de juistheid van die weergave uit mag worden gegaan. Dat laat echter onverlet dat uit de in het geding gebrachte verklaring van de medewerker van [eiser 1] een andere inhoud van het telefoongesprek blijkt. Wat de precieze inhoud van het telefoongesprek is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank echter in het midden blijven. Daarvoor is redengevend dat in het artikel wordt weergegeven dat ' [eiser 2] ' een werknemer van [eiser 1] is. De gemiddelde lezer zal naar het oordeel van de rechtbank, gelet op overige inhoud van het artikel, daarbij de aanname doen dat op de heer [eiser 2] wordt gedoeld. Dit terwijl NDC Mediagroep en [gedaagde 2] feitelijk de heer [naam 2] bedoelen. De rechtbank is van oordeel dat hoewel dit onderdeel van het artikel de lezer ertoe kan brengen een verkeerde aanname te doen over de persoon van 'de heer [eiser 2] ', er geen sprake is van een zodanig vertekend beeld dat daarmee sprake is van onrechtmatige berichtgeving. Dit omdat [naam 2] wel werkzaam is bij [eiser 1] en er in die zin geen feitelijke onjuistheden worden verkondigd in het artikel. Wel is de rechtbank van oordeel dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] zich ten aanzien van dit onderdeel van het artikel onzorgvuldig hebben gehandeld, maar dit leidt er niet toe dat er ook sprake is van onrechtmatig handelen.

4.51.

De rechtbank is ten aanzien van dit onderdeel van het artikel tot slot van oordeel dat de omschrijving van de werknemer van [eiser 1] met "dude" niet grievend of beledigend is, zodat het artikel ook in die zin niet kan worden aangemerkt als onrechtmatig.

Ad (iv)

4.52.

Tot slot stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat zij het artikel onrechtmatig achten omdat de berichtgeving stuitend en respectloos is. De rechtbank overweegt als volgt.

4.53.

In het gewraakte artikel wordt op een kritische toon de verhuurpraktijken van [eiser 1] en [eiser 2] belicht. Daarbij geeft de auteur van het artikel op ongezouten wijze zijn mening en wordt gebruik gemaakt van taalgebruik dat wordt gekenmerkt door een grover taalgebruik dan traditionele media om de boodschap van het artikel kracht bij te zetten. De stijl en toonzetting van het artikel past bij de algemene schrijfstijl van Sikkom en is naar het oordeel van de rechtbank niet (zodanig) grievend of beledigend dat het artikel dient te worden aangemerkt als onrechtmatig.

De publicatie op de website van het Dagblad van het Noorden met als kop 'Kilometers lopen voor parkeerplek bij huurwoningen' van 7 november 2018 en dezelfde publicatie in de papieren editie van het Dagblad van het Noorden van 8 november 2018

4.54.

[eiser 1] en [eiser 2] noemen meerdere verwijten die zij onrechtmatig achten. Samengevat weergegeven achtten [eiser 1] en [eiser 2] het onrechtmatig dat er in het artikel in strijd met de waarheid over hen wordt gepubliceerd. Daarbij noemen zij expliciet de volgende punten:

(a.) dat in het artikel melding wordt gemaakt van het feit dat indien je bij [eiser 1] een huis wilt huren, je geregeld verplicht wordt om via een apart contract ook een parkeerplek voor € 100,= tot € 200,= per maand te huren;

(b.) dat in het artikel door [naam 1] melding wordt gemaakt van het feit dat veel meer huurders verplicht worden een parkeerplaats af te nemen dan [eiser 2] aan parkeerplekken heeft;

(c.) dat onder het kopje 'gelijk van Huurcommissie' het artikel doet voorkomen dat een huurder in het gelijk wordt gesteld bij de huurcommissie daar waar het zou gaan om de vermeende 'constructie'.

Ad (a.)

4.55.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen in de eerste plaats dat in het artikel ten onrechte melding wordt gemaakt van het feit dat zij huurders die een woonruimte bij hen willen huren ook verplicht parkeerplekken bij hen te huren. De rechtbank verwijst ten aanzien van dit onderdeel van het artikel naar hetgeen ten aanzien van het artikel op de website van Sikkom van 7 november 2018 is overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in het feitenmateriaal zoals besproken voldoende besloten dat er aannemelijk aanleiding was voor NDC Mediagroep en [gedaagde 2] om te stellen dat indien je bij [eiser 1] een huis wilt huren, je geregeld verplicht wordt om via een apart contract ook een parkeerplek voor € 100,= tot € 200,= per maand te huren. De rechtbank acht dit onderdeel van de publicatie dan ook niet onrechtmatig.

Ad (b.)

4.56.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen in de tweede plaats dat in het artikel de melding van [naam 1] onjuist is en bovendien niet ter zake doet. In het artikel staat:

Volgens [naam 1] van juridisch adviesbureau Frently, worden daarnaast veel meer huurders verplicht een parkeerplaats af te nemen dan [eiser 2] aan parkeerplekken heeft.

4.57.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt het door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] daarmee niet als een voldongen feit gepresenteerd dat er daadwerkelijk meer huurders verplicht worden een parkeerplaats af te nemen dan [eiser 2] aan parkeerplekken heeft. Het gaat enkel om een aangehaalde mening van [naam 1] . De rechtbank acht dit onderdeel van de publicatie dan ook niet onrechtmatig.

Ad (c.)

4.58.

In de derde stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat het artikel doet voorkomen dat een huurder in het gelijk wordt gesteld bij de huurcommissie daar waar het zou gaan om de vermeende 'constructie'. In het artikel staat:

Gelijk van Huurcommissie

Verschillende huurders maakten de constructie aanhangig bij de Huurcommissie, advocaten, juridische dienstverleners en [eiser 2] zelf. Een uitspraak van de Huurcommissie stelt de huurder in het gelijk.

Volgens de commissie mag de parkeerplaats - ook door de afstand tot de woonruimte - niet bij de woning worden geteld en ook niet in de puntentelling worden opgenomen. De commissie oordeelde dat de huur met 60 euro per maand omlaag moest.

4.59.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] heeft de Huurcommissie de huurder in dit kader helemaal niet in het gelijk gesteld. De Huurcommissie heeft volgens [eiser 1] en [eiser 2] slechts de puntentelling van de woonruimte naar beneden bijgesteld en een kleine aanpassing verricht op de huurprijs. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] heeft de Huurcommissie zich niet willen uitlaten over de toelaatbaarheid van de koppelverhuur van woonruimte met parkeerplaats. NDC Mediagroep en [gedaagde 2] voeren daartegen aan dat het klopt wat zij in het artikel hebben gezegd. De betreffende huurder heeft volgens
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] bij de Huurcommissie gelijk gekregen in die zin dat de huur naar beneden is bijgesteld.

4.60.

De betreffende beslissing van de Huurcommissie is als productie 4 bij conclusie van repliek in conventie in het geding gebracht. De Huurcommissie heeft, voor zover hier van belang, daarin geoordeeld:

De parkeerplaats maakt, door de aparte huurovereenkomst, maar zeker ook door de afstand van de woonruimte, geen deel uit van de woonruimte en is ook niet te kwalificeren als een onroerende aanhorigheid daarvan. De commissie zal dus uitgaan van een huurprijs (…) en is alles overwegend van oordeel dat de parkeerplaats niet bij de woning huurt en daarom ook niet in de puntentelling moet worden opgenomen.

4.61.

De rechtbank is het met [eiser 1] en [eiser 2] eens dat het oordeel van de Huurcommissie zich beperkt tot de puntentelling van de woonruimte van de huurder. Door de Huurcommissie slechts geoordeeld de parkeerplaats geen deel uitmaakt van de woonruimte en daarom ook niet in de puntentelling moet worden opgenomen. Dat zegt niets over de toelaatbaarheid van de koppelverhuur en of de huurder in dat verband in het gelijk is gesteld. Dat leidt er echter niet toe dat het artikel op dit onderdeel onrechtmatig is. Daarvoor is het volgende redengevend. In de eerste alinea onder het kopje 'Gelijk van Huurcommissie' wordt weliswaar de indruk gewekt dat de Huurcommissie zich heeft uitgesproken over 'de constructie', maar in tweede alinea wordt één en ander genuanceerd door weer te geven wat het oordeel van de Huurcommissie precies is geweest. De rechtbank acht dit onderdeel van de publicatie dan ook niet onrechtmatig.

Overig

4.62.

In de vierde en laatste plaats stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat de inhoud van het artikel op onjuiste wijze tot stand is gekomen en [eiser 1] en [eiser 2] op zeer suggestieve wijze in een kwaad daglicht worden gesteld.

4.63.

De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij in rov. 4.53. heeft overwogen en acht ook dit artikel in deze algemene zin niet onrechtmatig.

De publicatie op de Facebookpagina van Sikkom met als kop 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek'

4.64.

De publicatie op de Facebookpagina van Sikkom met als kop 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek' heeft dezelfde inhoud als het op de website van Sikkom op 7 november 2018 geplaatste artikel met de titel 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek'. De bezwaren die [eiser 1] en [eiser 2] hebben tegen deze publicatie zijn derhalve hetzelfde als overwogen in rov. 4.9. De rechtbank verwijst daarom naar hetgeen zij met betrekking tot die bezwaren heeft overwogen. Behoudens het onderdeel van de publicatie zoals overwogen in rov. 4.42. acht de rechtbank deze publicatie niet onrechtmatig.

De publicatie op de persoonlijke Facebookpagina van de heer [gedaagde 2] met de tekst 'Het zoveelste schandaal in de Groningse verhuursector' , waarna er een verwijzing is naar de publicatie op de website van Sikkom

4.65.

De rechtbank begrijpt dat deze publicatie enkel de tekst 'Het zoveelste schandaal in de Groningse verhuursector' bevat met een verwijzing naar de publicatie van het artikel van 7 november 2018 op de website van Sikkom met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek".

4.66.

Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] bedoeld hebben te betogen dat de tekst 'Het zoveelste schandaal in de Groningse verhuursector' onrechtmatig is, gaat de rechtbank daaraan voorbij, nu daarover niets is gesteld.

4.67.

Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] bedoeld hebben te betogen dat de verwijzing naar de publicatie van het artikel van 7 november 2018 op de website van Sikkom met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek" onrechtmatig is gaat de rechtbank daar eveneens aan voorbij, nu ook daarover niets is gesteld.

4.68.

Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] bedoeld hebben te betogen dat de inhoud van het artikel waarnaar wordt verwezen onrechtmatig is, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder rov. 4.63 heeft overwogen.

De publicatie op de persoonlijke Facebookpagina van [gedaagde 2] , inhoudende dat een video is te zien waarop op het eind een bericht is te lezen met de tekst 'Stadhuis koketteert met [eiser 1] , terwijl het bedrijf misleidt, oplicht, intimideert en bedreigt'

4.69.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat op de persoonlijke Facebookpagina van [gedaagde 2] een video is geplaatst waarin valt te lezen 'Stadhuis koketteert met [eiser 1] , terwijl het bedrijf misleidt, oplicht, intimideert en bedreigt'. [eiser 1] en [eiser 2] stellen in dit verband verder dat de betreffende tekst onacceptabele beschuldigingen behelst, zonder dat er andere tekst kan worden gelezen. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] heeft [gedaagde 2] daarmee onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hen gehandeld.

4.70.

NDC Mediagroep en [gedaagde 2] voeren hiertegen aan dat het betreffende videofragment uit zijn verband wordt gehaald door [eiser 1] en [eiser 2] . Volgens NDC Mediagroep en [gedaagde 2] wenste [gedaagde 2] slechts een video, die ergens anders over ging, met vrienden te delen. In het betreffende videofragment is volgens NDC Mediagroep en [gedaagde 2] het computerscherm van [gedaagde 2] enkele seconden zichtbaar. Op het computerscherm van [gedaagde 2] is de gestelde onrechtmatige tekst zichtbaar. Volgens NDC Mediagroep en [gedaagde 2] is de kans nihil dat bezoekers van de Facebookpagina de betreffende tekst gelezen hebben zodat het videofragment niet benadelend voor [eiser 1] en [eiser 2] zou zijn.

4.71.

De rechtbank stelt voorop dat de persoonlijke Facebookpagina van [gedaagde 2] voor iedereen toegankelijk is. [eiser 1] en [eiser 2] hebben onweersproken gesteld dat de betreffende video 620 weergaven heeft gehad, er drie opmerkingen bij de video zijn geplaatst en 27 emoticons als reactie bij de video zijn geplaatst. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] onweersproken gesteld dat [gedaagde 2] 373 volgers heeft op zijn persoonlijke Facebookpagina. De rechtbank gaat gelet hierop voorbij aan het verweer van NDC Mediagroep en [gedaagde 2] dat 'de kans nihil is dat bezoekers van de Facebookpagina de betreffende tekst hebben gelezen'.

4.72.

Tussen partijen staat vast dat in het videofragment de gestelde onrechtmatige tekst is te zien. Het gaat echter om tekst die te zien is in een videofragment die in een niet aan het werk van [gedaagde 2] gerelateerde context is opgenomen, een geheel ander onderwerp beslaat, slechts één seconde dan wel een paar seconden in beeld is. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank de betreffende publicatie onzorgvuldig. Van [gedaagde 2] mag immers verwacht worden dat hij voldoende zorgvuldigheid in acht neemt bij het verspreiden van informatie, ongeacht in welke context dat gebeurt. Het voorgaande leidt echter niet tot de conclusie dat de betreffende publicatie ook onrechtmatig is.

De publicatie op de website van Sikkom met als kop ' [eiser 1] daagt ons voor de rechter, maar krabbelt op laatste moment terug'

4.73.

[eiser 1] en [eiser 2] noemen meerdere verwijten die zij onrechtmatig achten. Samengevat weergegeven achten [eiser 1] en [eiser 2] het onrechtmatig dat:

(i) het artikel zonder enige vorm van hoor en wederhoor is gepubliceerd;

(ii) er in het artikel in strijd met de waarheid over hen wordt gepubliceerd in die zin dat met grote stelligheid wordt vermeld dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] beschikken over geluidsfragmenten waarin medewerkers van [eiser 2] de verguisde constructie toelichten;

(iii) de heer [naam 2] in het artikel onjuist is geciteerd.

Ad (i)

4.74.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat het betreffende artikel zonder enige vorm van hoor en wederhoor is gepubliceerd door NDC Mediagroep en [gedaagde 2] . De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] dat zij dit onrechtmatig achten. De rechtbank overweegt als volgt.

4.75.

Het recht op wederhoor is geen absoluut recht, zodat publicatie van artikel van
27 november 2018 niet onrechtmatig is, alleen omdat aan [eiser 1] en [eiser 2] niet om een weerwoord zou zijn gevraagd. Los daarvan overweegt de rechtbank dat uit de in het geding gebrachte e-mail correspondentie blijkt dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] voorafgaand aan de publicatie van het artikel van 27 november 2018 wel contact hebben gehad met [eiser 1] en [eiser 2] . Door [gedaagde 2] is aan [eiser 1] en [eiser 2] , zo blijkt uit de correspondentie, in ieder geval gevraagd waarom zij het aangespannen kort geding daags voor de mondelinge behandeling daarvan hebben ingetrokken. Daarover wordt in het artikel geschreven. Bovendien volgt uit de

e-mailcorrespondentie zoals besproken in rov. 2.9. tot en met 2.17. dat aan [eiser 1] en [eiser 2] voorafgaand aan de publicaties van 7 en 8 november 2018 herhaaldelijk de mogelijkheid van wederhoor is geboden. Zo verzoekt [gedaagde 2] [naam A] in de e-mail van 4 november 2018 te reageren het voorgenomen artikel, zeker als [eiser 1] en [eiser 2] vinden dat daar onwaarheden instaan. Ook heeft [gedaagde 2] [naam A] er in voornoemde e-mail op gewezen dat hij beschikt over verklaringen van huurders en opnames waarin [eiser 2] aangeeft dat het niet de bedoeling is dat de parkeerplek wordt gebruikt. In reactie daarop heeft [naam A] slechts verwezen naar de inhoud van zijn e-mail van
2 november 2018 en [gedaagde 2] te kennen gegeven niet meer te zullen reageren op verzoeken/berichten van NDC Mediagroep en [gedaagde 2] . Nu het artikel van 27 november 2018 voortvloeit uit de artikelen van 7 en 8 november 2018 en [eiser 1] en [eiser 2] daar de mogelijkheid van wederhoor is geboden acht de rechtbank het (eventuele) ontbreken van wederhoor voorafgaand aan het artikel van 27 november 2018 niet onrechtmatig. De vraag of er (voldoende) mogelijkheid tot wederhoor is geboden, kan daarmee in het midden blijven.

Ad (ii)

4.76.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat in het artikel ten onrechte dat met grote stelligheid wordt vermeld dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] beschikken over geluidsfragmenten waarin medewerkers van [eiser 2] de verguisde constructie toelichten. In het artikel staat:

Daarnaast hebben we geluidsfragmenten waarin medewerkers van [eiser 2] de verguisde constructie toelichten. In die gesprekken komt naar voren dat het niet de bedoeling is dat de plekken ook daadwerkelijk gebruikt worden. Dat verklaren andere huurders ook.

4.77.

NDC Mediagroep en [gedaagde 2] hebben als productie 10 bij conclusie van antwoord in conventie een transcriptie van een geluidsfragment in het geding gebracht waarin staat dat [eiser 2] (onder andere) zegt: Ik zeg daar wel bij, wij zetten het zo op papier neer zodat huurders in aanmerking komen voor huurtoeslag, maar het is eigenlijk niet de bedoeling dat hier ook auto's worden geparkeerd. De inhoud van die transcriptie is door [eiser 1] en [eiser 2] niet betwist. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat hetgeen in het artikel wordt geschreven juist is. Er wordt in het artikel verder gezegd dat ook andere huurders dat verklaren. De rechtbank verwijst in dit verband naar verklaringen 4 en 6 zoals besproken in rov. 4.20. Gelet hierop gaat de rechtbank er ook ten aanzien van dit punt vanuit dat hetgeen in het artikel wordt geschreven juist is. De rechtbank acht het artikel op dit punt dan ook niet onrechtmatig.

Ad (iii)

4.78.

[eiser 1] en [eiser 2] achten het voorts onrechtmatig dat de heer
[naam 2] in strijd met de waarheid is geciteerd. In het artikel is het volgende geschreven:

Volgens medewerker [naam 2] . van [eiser 1] is dat geen probleem. “Ik heb nog nooit meegemaakt dat er controle was. En als dat wel gebeurd, dan hebben we netjes huurcontracten voor de parkeerplekken. Ze zijn hier (kantoor [eiser 2] aan Friesestraatweg) aanwezig. Ik kan ze je, bij wijze van, zo aanwijzen. Maar ik zeg daar wel bij dat het niet de bedoeling is dat hier auto’s geparkeerd worden. We doen het alleen voor de toeslag.”

4.79.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is citaat op niets gebaseerd.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben in dat verband als productie 27 bij conclusie van antwoord een verklaring van de heer [naam 2] in het geding gebracht waarin hij, kort samengevat, zegt zich nimmer op een dergelijke wijze te hebben uitgelaten. De rechtbank overweegt als volgt.

4.80.

In het feitenmateriaal ligt naar het oordeel van de rechtbank voldoende besloten dat er aannemelijk aanleiding was voor NDC Mediagroep en [gedaagde 2] om het citaat op deze wijze op te nemen in het artikel. De rechtbank verwijst in dit verband naar verklaringen 4 en 6 zoals besproken in rov. 4.20. en de inhoud van de onweersproken transcriptie van het geluidsfragment zoals besproken in rov. 4.22. De rechtbank verwijst voorts naar hetgeen zij heeft overwogen in rov. 4.46. over het inkorten of parafraseren van citaten. De door [eiser 1] en [eiser 2] ingebrachte verklaring van de heer [naam 2] maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank acht dit onderdeel van het artikel dan ook niet onrechtmatig.

De publicatie op de Facebookpagina van Sikkom.nl met als kop ' [eiser 1] daagt ons voor de rechter, maar krabbelt op laatste moment terug' .

4.81.

Voornoemde publicatie heeft dezelfde inhoud als het de website van Sikkom met als kop ' [eiser 1] daagt ons voor de rechter, maar krabbelt op laatste moment terug' geplaatste artikel. De bezwaren die [eiser 1] en [eiser 2] hebben tegen deze publicatie zijn derhalve hetzelfde als overwogen in rov. 4.73. De rechtbank verwijst daarom naar hetgeen zij met betrekking tot die bezwaren heeft overwogen. De rechtbank acht het artikel niet onrechtmatig.

Conclusies ten aanzien van de publicaties

4.82.

Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies. Ten aanzien van de publicatie op de website Sikkom.nl met als kop 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek' van 7 november 2018 acht de rechtbank het onrechtmatig dat NDC Mediagroep en [gedaagde 2] in het artikel stellen dat de huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en [eiser 2] diezelfde huurder meermalen mailt dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag.

4.83.

Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de publicatie op de Facebookpagina van Sikkom met als kop 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek'

4.84.

Voor het overige acht de rechtbank geen (onderdelen) van de in deze zaak behandelde publicaties onrechtmatig. Dat brengt de rechtbank bij de vraag wat voor gevolgen één en ander heeft voor de door [eiser 1] en [eiser 2] ingestelde vorderingen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het verwijderen van de publicaties

4.85.

Voor volledige verwijdering van alle publicaties, zoals door [eiser 1] en [eiser 2] is gevorderd, bestaat gelet op het gegeven oordeel van de rechtbank geen aanleiding.

Het rectificeren van de publicaties

4.86.

Voor het rectificeren van de publicaties, zoals door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderd, bestaat gelet op het gegeven oordeel van de rechtbank aanleiding, maar voor toewijzing van de inhoud van de rectificatie zoals door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderd is geen plaats. De rechtbank zal daarom slechts gelasten dat de onrechtmatig geachte onderdelen van de in deze zaak behandelde publicaties op de volgende wijze worden gerectificeerd:

4.86.1.

Ten aanzien van de publicatie van het artikel op de website van Sikkom met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek" van 7 november 2018:

RECTIFICATIE

Op deze website is op 7 november 2018 een artikel geplaatst met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek". De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft inmiddels geoordeeld dat

het onrechtmatig is dat in het artikel wordt gesteld dat de huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en [eiser 2] diezelfde huurder meermalen mailt dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag.

4.86.2.

Ten aanzien van de publicatie van het artikel op de Facebookpagina van Sikkom met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek" van 7 november 2018:

RECTIFICATIE

Op deze Facebookpagina is op 7 november 2018 een artikel geplaatst met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek". De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft inmiddels geoordeeld dat

het onrechtmatig is dat in het artikel wordt gesteld dat de huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en [eiser 2] diezelfde huurder meermalen mailt dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag.

4.87.

De rechtbank zal alleen NDC Mediagroep veroordelen tot rectificatie zoals genoemd onder rov. 4.86.1 en 4.86.2. De rechtbank ziet geen grond voor een hoofdelijke veroordeling van gedaagden zoals door [eiser 1] en [eiser 2] wordt gevorderd. Dit omdat enkel de medewerking en uitvoering van respectievelijk NDC Mediagroep is vereist voor de rectificaties. Dat maakt overigens niet dat [eiser 1] en [eiser 2] niet in hun vorderingen jegens [gedaagde 2] in persoon zouden kunnen worden ontvangen.

4.88.

Met betrekking tot de onder rov. 4.86.2 genoemde rectificatie hebben
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] gesteld dat het praktisch onmogelijk is om een rectificatie op de Facebookpagina van Sikkom 14 dagen bovenaan geplaatst te houden en verzoeken de rechtbank dat deel van de veroordeling achterwege te laten. Daarop is door [eiser 1] en [eiser 2] niet gereageerd. De rechtbank ziet aanleiding om met het verzoek van
NDC Mediagroep en [gedaagde 2] in te stemmen en zal voor deze rectificaties de veroordeling om deze 14 dagen bovenaan geplaatst te houden achterwege laten.

Het indienen van een verzoek bij Google tot verwijdering van de publicaties en alle verwijzingen daaraan

4.89.

Voor een veroordeling tot het indienen van een verzoek bij Google tot verwijdering van de publicaties uit haar internetzoekmachines inclusief alle verwijzingen daaraan, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding. Dit omdat de publicaties slechts ten dele hoeven te worden gerectificeerd en het indienen van een verzoek bij Google tot volledige verwijdering van die publicaties uit haar internetzoekmachine naar het oordeel van de rechtbank disproportioneel is.

Verbod tot negatief uitlaten

4.90.

Gelet op hetgeen de rechtbank in dit vonnis heeft overwogen bestaat er naar haar oordeel geen aanleiding om NDC Mediagroep en [gedaagde 2] een verbod op te leggen om zich negatief over [eiser 1] en [eiser 2] uit te laten. Gelet op het in artikel

10 EVRM verankerde beginsel is het NDC Mediagroep en [gedaagde 2] in beginsel toegestaan om zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uit te laten over [eiser 1] en [eiser 2] , ook als dat als negatief door [eiser 1] en [eiser 2] wordt ervaren. De betreffende vordering zal daarom worden afgewezen.

Dwangsommen

4.91.

De ter versterking van de gevraagde veroordeling gevorderde dwangsommen kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen, met dien verstande dat deze zullen worden beperkt tot een maximum van € 10.000,00 per overtreding. Voor een matiging tot van een dwangsom tot € 100,00 per dag zoals NDC Mediagroep en [gedaagde 2] verzoeken, ziet de rechtbank, zonder andere toelichting, die niet is gegeven, geen aanleiding.

Verklaring voor recht

4.92.

Zoals in het voorgaande is overwogen heeft NDC Mediagroep met betrekking tot bepaalde onderdelen van de publicaties onrechtmatig gehandeld. De gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 2] slechts in zijn hoedanigheid van werknemer van NDC Mediagroep gehandeld. De te geven verklaring voor recht heeft daarom ook alleen betrekking op NDC Mediagroep.

Schadevergoeding

4.93.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben een vergoeding van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet gevorderd. De rechtbank overweegt dat
NDC Mediagroep in beginsel aansprakelijk is voor de ten gevolge van de onrechtmatige delen van de publicaties geleden schade. Voor toewijzing van deze vordering is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daartoe gesteld dat zij zijn aangetast in hun eer en goede naam. [eiser 1] en [eiser 2] hebben verder (voor het eerst bij conclusie van repliek in conventie) gesteld dat het niet in te schatten is wat de hoogte van de schade zal zijn omdat de negatieve gevolgen van de schade zich nog iedere dag voor zouden kunnen doen, zolang de publicaties voor het publiek zijn te raadplegen. NDC Mediagroep en [gedaagde 2] hebben het bestaan van eventuele schade betwist en aangevoerd dat [eiser 1] en [eiser 2] niet hebben voldaan aan hun stel- en bewijsplicht.

4.94.

De vordering betreft een vordering in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde (…) in zijn eer of goede naam is geschaad (…)”. De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever bij de redactie van artikel 6:106 BW voor ogen stond dat de rechter een grote vrijheid heeft bij de begroting van immateriële schade, waarbij de rechtbank niet is gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijslast.

4.95.

Het voorgaande overwegende brengt met zich dat de rechtbank geen verwijzing naar de schadestaatprocedure zal uitspreken, omdat de rechtbank de hoogte van de schade nu reeds kan begroten. Het gaat bij de bepaling van de hoogte van de schade om het effect van deels onrechtmatige uitlatingen in publicaties in een geheel van verder niet als onrechtmatig te bestempelen uitlatingen in die publicaties. De hoogte van de schade zal daarom door de rechtbank worden geschat.

4.96.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen acht zij ten aanzien van de publicatie op de website Sikkom.nl met als kop 'Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek' van 7 november 2018 het onrechtmatig dat NDC Mediagroep in het artikel stelt dat de huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en [eiser 2] diezelfde huurder meermalen mailt dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag. Deze onrechtmatig geachte uitlating is gedaan zowel op de website van Sikkom.nl geplaatste publicatie als op de Facebookpagina van Sikkom geplaatste publicatie. Aangenomen moet worden dat zowel de website als de Facebookpagina van Sikkom zijn bekeken door derden en dat het waarschijnlijk is dat [eiser 1] en [eiser 2] hierdoor enige reputatieschade hebben geleden en in enige mate in hun ondernemerschap zijn geraakt. Het betreft bovendien een aantasting van de eer en goede naam die duurt van het moment van de publicaties tot het moment van de rectificatie. Daartegenover staat dat niet is gesteld of gebleken op welke manier
[eiser 1] en [eiser 2] nadeel door dit deel van de publicaties hebben ondervonden, bijvoorbeeld door te stellen dat huurders zijn vertrokken of potentiële huurders vanwege hetgeen hen door het onrechtmatig geachte deel van de publicatie ter ore is gekomen, geen zaken met [eiser 1] en/of [eiser 2] willen doen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een schadevergoeding van € 750,00 voldoende passend.

Proceskosten

4.97.

De rechtbank zal NDC Mediagroep in de kosten van de procedure veroordelen, nu de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] tot het rectificeren van een deel van de publicaties en de vordering tot het voldoen van schadevergoeding (zij het in afgeslankte vorm) worden toegewezen. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden op:

- explootkosten € 87,01

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.812,01

4.98.

Nu alleen NDC Mediagroep zal worden veroordeeld ziet de rechtbank ook geen aanleiding de ten aanzien van de proceskosten gevorderde hoofdelijkheid toe te wijzen.

in reconventie

4.99.

Het gaat in deze zaak in reconventie, in de kern, om de vraag of aan

[eiser 1] onrechtmatig handelen kan worden verweten wegens het (door [naam A] ) verstrekken van persoonsgegevens van [gedaagde 2] aan een derde.

4.100. De rechtbank stelt voorop dat zij de vordering in reconventie zo begrijpt dat deze enkel door [gedaagde 2] is ingesteld tegen [eiser 1] . Dit omdat in de eis in reconventie enkel wordt gesproken over ' [gedaagde 2] vordert' en 'toerekening aan [naam A] in zijn hoedanigheid van [eiser 1] '. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van
NDC Mediagroep en [eiser 2] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding. Zij zijn immers geen partij bij de procedure in reconventie. Voor zover [eiser 1] bedoeld heeft te betogen dat [gedaagde 2] in zijn vordering
niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er op grond van de AVG een specifiek aangewezen, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang openstaat voor [gedaagde 2] , gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarvoor is redengevend dat daarvan in dit geval geen sprake is. Dat brengt de rechtbank tot de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.

4.101. Uit het door [gedaagde 2] als productie 11 overgelegde Facebookbericht blijkt dat [naam A] een uittreksel van de basisregistratie personen (hierna: BRP) van [gedaagde 2] , waarop de adresgegevens van [gedaagde 2] zijn te zien (hierna: de persoonsgegevens), aan een derde heeft verstrekt. [eiser 1] heeft in dit verband betwist dat de betreffende persoonsgegevens van haar afkomstig zijn. De rechtbank gaat daar echter aan voorbij. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat [naam A] , naar [eiser 1] het doet voorkomen, zelfstandig en onafhankelijk van [eiser 1] , een separaat uittreksel BRP van [gedaagde 2] heeft opgevraagd én verkregen, terwijl hij geen partij is in de procedure. Dit is te meer ongeloofwaardig nu [eiser 1] heeft erkend dat zij in het kader van de procedure in conventie wél een uittreksel van BRP van [gedaagde 2] heeft opgevraagd en verkregen en zij geen uitleg heeft gegeven over hoe [naam A] over een afzonderlijk uittreksel BRP van [gedaagde 2] is komen te beschikken. Het lag, gelet op het daarop gerichte verweer van [eiser 1] , op haar weg dat wel te doen. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er daarom vanuit dat het BRP uittreksel van [gedaagde 2] dat door [naam A] aan een derde is verstrekt, van [eiser 1] afkomstig is.

4.102. Het voorgaande brengt met zich dat [eiser 1] persoonsgegevens van [gedaagde 2] heeft verwerkt en in zoverre verwerkingsverantwoordelijke is in de zin van artikel 4 sub 7 van de AVG. Vaststaat dat de persoonsgegevens van [gedaagde 2] door [naam A] zonder toestemming van [gedaagde 2] aan een derde zijn verstrekt. De rechtbank overweegt als volgt.

4.103. Verlies van controle van persoonsgegevens, in het bijzonder doordat die persoonsgegevens zonder toestemming van [gedaagde 2] bekend wordt bij derden, kan leiden tot ernstige nadelige gevolgen voor [gedaagde 2] . Dat betekent dat [gedaagde 2] (net als anderen die in een vergelijkbare positie verkeren) groot belang heeft bij bescherming van zijn persoonsgegevens en controle op de rechtmatigheid van de ontvangst daarvan door derden. De rechtbank gaat er, zoals in het voorgaande is overwogen, vanuit dat [naam A] de persoonsgegevens van [gedaagde 2] die hij aan een derde heeft verstrekt van of via

[eiser 1] heeft verkregen.

4.104. [eiser 1] heeft een zelfstandige verplichting om zorgvuldig om te gaan met persoonsgegevens als de onderhavige, juist wanneer deze enkel met als doel het starten van een procedure zijn verkregen. Onder die verplichting dient naar het oordeel van de rechtbank ook worden verstaan dat [eiser 1] (de controle op) haar administratie en werkprocessen zo inricht dat het voor haar (medewerkers) niet mogelijk is om vrijelijk over de persoonsgegevens van (in dit geval) [gedaagde 2] te beschikken en aan derden te (doen) verstrekken. Aan die verplichting is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan, hetgeen [eiser 1] ook kan worden toegerekend. De persoonsgegevens van [gedaagde 2] zijn immers bij [naam A] terecht gekomen, die op zijn beurt de persoonsgegevens aan een derde heeft verstrekt. De rechtbank neemt bij het voorgaande mede in aanmerking het gestelde onder paragraaf 83, 85 en 146 van de preambule bij de AVG en de artikelen 5 lid 1 onder f en 32 lid 2 AVG. Door aldus te handelen heeft [eiser 1] onrechtmatig en in strijd met de AVG gehandeld jegens [gedaagde 2] door inbreuk te maken op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het recht op bescherming van persoonsgegevens van [gedaagde 2] . De onder 1. van het petitum van de eis in reconventie gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar. Dat de derde aan wie de persoonsgegevens van [gedaagde 2] zijn verstrekt heeft aangegeven niets met de betreffende gegevens te zullen doen, doet aan het voorgaande niet af. [gedaagde 2] blijft immers aangetast in zijn persoonlijkheidsrecht en een dergelijke verklaring biedt overigens ook geen enkele garantie.

4.105. Het voorgaande brengt eveneens met zich dat [gedaagde 2] op grond van artikel

82 AVG in beginsel recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. [eiser 1] heeft in dat verband aangevoerd dat [gedaagde 2] geen voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden, althans dat [gedaagde 2] dit niet heeft onderbouwd. [gedaagde 2] heeft bij dagvaarding gesteld dat de gevorderde schade bestaat uit de kosten die hij heeft moeten maken en de tijde die hij heeft moeten besteden om onderzoek te doen naar de handelswijze van [eiser 1] en het voorkomen c.q. beperken van de negatieve effecten van dit handelen. [gedaagde 2] heeft bij conclusie van repliek in reconventie voorts gesteld dat hij (en zijn partner) veel negatieve effecten van het handelen van [eiser 1] heeft ondervonden. Wat die negatieve effecten zijn geweest heeft [gedaagde 2] niet gespecificeerd.

4.106. De rechtbank is van oordeel dat dat er sprake is van een schending van een fundamenteel recht, die naar zijn aard en gelet op de ernst daarvan meebrengt dat aanspraak bestaat op vergoeding van schade. Dit laatste volgt ook uit de AVG. Artikel 82 AVG bepaalt dat degene die materiële of immateriële schade heeft geleden als gevolg van een inbreuk op de verordening, het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade. Alle schade moet worden vergoed en het begrip schade moet – overeenkomstig de doelstellingen van
de AVG – ruim worden uitgelegd (paragraaf 146 van de preambule bij de AVG), hetgeen betekent dat het enkele feit dat de schade niet exact gepreciseerd kan worden en mogelijk relatief gering van omvang is geen grond kan vormen om elke aanspraak daarop af te wijzen.

4.107. Het verlies van controle van [gedaagde 2] over zijn persoonsgegevens is enerzijds blijvend. Anderzijds beperkt het verlies van controle zich (vooralsnog) tot een medewerker van [eiser 1] ( [naam A] ) en één derde. [gedaagde 2] stelt weliswaar dat hij negatieve gevolgen heeft gehad van het handelen van [eiser 1] , maar niet duidelijk is waar die negatieve gevolgen uit hebben bestaan. Het lag, gelet op zijn daarop gerichte vordering, op de weg van [gedaagde 2] dat inzichtelijk te maken. Nu [gedaagde 2] dat niet heeft gedaan, maar het schadebegrip ruim uitgelegd moet worden en de rechtbank het aannemelijk acht dat [gedaagde 2] als gevolg van het handelen van [eiser 1] negatieve effecten heeft ervaren, bijvoorbeeld angst en stress, wordt een schadevergoeding van € 250,00 passend en billijk geacht. [eiser 1] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [gedaagde 2] .

4.108. De door [gedaagde 2] gevorderde door [eiser 1] te verstrekken lijst met namen en adresgegevens van derden aan wie [eiser 1] de persoonsgegevens van [gedaagde 2] heeft verstrekt zal worden afgewezen. Daarvoor is redengevend dat [eiser 1] onweersproken heeft aangevoerd dat reeds aan deze vordering is voldaan, zodat een belang bij toewijzing daarvan ontbreekt.

4.109. De door [gedaagde 2] gevorderde veroordeling [eiser 1] te verbieden de persoonsgegevens van [gedaagde 2] aan derden te verstrekken zal worden toegewezen. [gedaagde 2] heeft daarbij gelet op de inhoud van deze procedure belang. De rechtbank acht de enkele toezegging dat [eiser 1] dat zij de persoonsgegevens niet aan derden zal verstrekken onvoldoende om de vordering af te wijzen. De ter versterking van de gevraagde veroordeling gevorderde dwangsom kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden beperkt tot een maximum van
€ 5.000,00.

4.110. De rechtbank zal [eiser 1] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure veroordelen. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden op:

- salaris advocaat € 1.086,00 (2 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.086,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt NDC Mediagroep, binnen 24 uur nadat dit vonnis is gewezen, aan de tekst van de website van Sikkom op de homepagina toe te voegen, in een opvallende banner of opvallend kader bovenaan, en daar veertien dagen lang toegevoegd te houden, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, in hetzelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de koppen op de website, maar vetgedrukt en met het woord 'rectificatie' in het rood de navolgende tekst:

RECTIFICATIE

Op deze website is op 7 november 2018 een artikel geplaatst met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek". De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft inmiddels geoordeeld dat het onrechtmatig is dat in het artikel wordt gesteld dat de huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en [eiser 2] diezelfde huurder meermalen mailt dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag,

5.2.

veroordeelt NDC Mediagroep, binnen 24 uur nadat dit vonnis is gewezen, aan de tekst van de Facebookpagina van Sikkom op de homepagina toe te voegen, in een opvallende banner of opvallend kader bovenaan, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, in hetzelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de koppen op de Facebookpagina, maar vetgedrukt en met het woord 'rectificatie' in het rood de navolgende tekst:

RECTIFICATIE

Op deze Facebookpagina is op 7 november 2018 een artikel geplaatst met de titel "Huurders van [eiser 2] moeten kilometers lopen voor dure en volle parkeerplek". De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft inmiddels geoordeeld dat het onrechtmatig is dat in het artikel wordt gesteld dat de huurder regelmatig intimiderende en chanterende mailtjes krijgt en [eiser 2] diezelfde huurder meermalen mailt dat hij van de huurder af wil omdat de andere bewoners van het pand klaar zijn met zijn gedrag,

5.3.

veroordeelt NDC Mediagroep om aan [eiser 1] en [eiser 2] (gezamenlijk) een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft om aan de onder rov. 5.1. en 5.2. uitgesproken veroordelingen te voldoen en bepaalt dat het bedrag dat NDC Mediagroep aan dwangsommen ingevolge die veroordelingen kan verbeuren niet hoger is dan telkens € 10.000,00,

5.4.

verklaart dat NDC Mediagroep ten aanzien van de onderdelen van de publicaties waarvan dat in dit vonnis is overwogen, onrechtmatig heeft gehandeld,

5.5.

veroordeelt NDC Mediagroep om aan [eiser 1] en [eiser 2] (gezamenlijk) een schadevergoeding van € 750,00 te betalen,

5.6.

veroordeelt NDC Mediagroep in de proceskosten, aan de zijde van
[eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op € 1.812,01,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover, behoudens rov. 5.4, uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst af wat meer of anders gevorderd is,


in reconventie

5.9.

verklaart voor recht dat [eiser 1] jegens [gedaagde 2] heeft gehandeld in strijd met artikel 6 AVG en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld,

5.10.

veroordeelt [eiser 1] om aan [gedaagde 2] een schadevergoeding van
€ 250,00 te betalen,

5.11.

verbiedt [eiser 1] om de persoonsgegevens van [gedaagde 2] aan derden te verstrekken,

5.12.

veroordeelt [eiser 1] om aan [gedaagde 2] een dwangsom te betalen van

€ 500,00 voor iedere dag dat zij tekortschiet in de nakoming de onder rov. 5.11. uitgesproken veroordeling en bepaalt dat het bedrag dat [eiser 1] aan dwangsommen kan verbeuren niet hoger is dan telkens € 5.000,00,

5.13.

veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 1.086,00,

5.14.

verklaart de in dit vonnis tot zover, behoudens rov. 5.9. en 5.11, uitvoerbaar bij voorraad,

5.15.

wijst af wat meer of anders gevorderd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op
15 januari 2020.1

1 type: 741