Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2421

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
18/820246-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens bedreiging met een mes en drie winkeldiefstallen, waarvan één gevolgd van bedreiging met geweld, tot een gevangenisstraf van 122 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren. Het beroep op noodweer met betrekking tot de bedreiging wordt verworpen, omdat het handelen van verdachte niet voldoet aan de eis van proportionaliteit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820246-19

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/191560-19 en 18/161026-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 juli 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteland] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd te PI Lelystad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Hertogs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/820246-19

hij op of omstreeks 20 augustus 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "I will kill you", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (daarbij) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (een) stekende beweging(en) in de richting van de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt;

parketnummer 18/191560-19

1.

hij op of omstreeks 6 augustus 2019 te Groningen een wegwerp barbecue en/of twee blikjes mixdrank (Jack Daniels), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [bedrijfsnaam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tegen deze [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] agressief te reageren met de woorden 'fuck you' en/of 'ik pak jou' en/of door zijn hand achter zijn rug te bewegen alsof hij iets uit zijn broeksband wilde pakken;

2.

hij op of omstreeks 6 augustus 2019 te Groningen één of meerdere vleesverpakkingen; een fles Sobreiro port en/of één of meerdere verpakkingen drank (Bacardi), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [bedrijfsnaam 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

parketnummer 18/161026-19

hij op of omstreeks 5 juli 2019 te Groningen (in/uit de winkel [bedrijfsnaam 3] , aan de [adres 1] ) een fles jenever, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijfsnaam 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder de parketnummers 18/820246-19, 18/191560-19 feit 1 en feit 2 en 18/161026-19 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van het onder parketnummer 18/820246-19 ten laste gelegde. Zij heeft echter wel ten aanzien van dit feit betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte een beroep op noodweer zou toekomen. Ten aanzien van het onder feit 1 met parketnummer 18/191560-19 ten laste gelegde, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw met betrekking tot de winkeldiefstal aangevoerd dat verdachte de wegwerpbarbecue neerlegt en dan wegloopt. Voorts is niet te zien dat verdachte twee blikjes Jack Daniels in zijn tas heeft gestopt en heeft weggenomen. Met betrekking tot de op de winkeldiefstal gevolgde bedreiging met geweld zoals ten laste gelegd, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ontkent de ten laste gelegde woorden te hebben gebezigd en in het geval hij deze woorden wel heeft gebezigd dit niet bijdraagt aan een bedreiging met geweld. Daarnaast volgt volgens de raadsvrouw uit de camerabeelden niet dat verdachte een dusdanige beweging met zijn hand heeft gemaakt dat deze handeling een bedreiging oplevert. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder feit 2 met parketnummer 18/191560-19 en het onder parketnummer 18/161026-19 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder de parketnummers 18/820246-19, 18/191560-19 feit 1 en feit 2 en 18/161026-19 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van parketnummer 18/820246-19

1. De door verdachte ter zitting van 19 juni 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb wel een mes gepakt. Ik heb bewegingen met het mes gemaakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 augustus 2019, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019221125 d.d. 21 augustus 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik zag dat [verdachte] naar de keuken liep en een mes pakte. Hij zwaaide naar mij met het mes. Hij raakte mij bijna in mijn borst. Hij zei in het Engels dat ik moest komen en dat hij mij dood wilde maken.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 augustus 2019, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Op 20 augustus 2019 was ik in het pand van Vast en Verder aan het [adres 3] te [plaats 2] . Ik was in de keuken met de man die later het mes ging halen. De man liep terug naar de keuken en pakte het mes. Hij maakte meerdere keren steekbewegingen richting [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] moest aan de kant springen om niet geraakt te worden. De man met het mes riep: "Ik steek je neer, ik maak je dood."

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2019, opgenomen op pagina 31a e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik heb de camerabeelden bekeken en de onderstaande waarnemingen gedaan.

Camera 18 (keuken)

Te zien is dat de verdachte ( [verdachte] ) te 15:07:52 uur de keuken in komt, naar de tafel loopt en met zijn rechterhand een groot slagersmes pakt, deze achter in zijn broeksband stopt, met een hand vasthoudt, zijn shirt er overheen doet en naar buiten loopt.

Camera 11 (hal nabij de trapopgangen) te 15:08:00 uur

Te zien is dat de verdachte aan komt lopen en vervolgens zijn rechterhand achter zijn rug vandaan haalt en een stekende beweging naar de aangever ( [slachtoffer 1] ) maakt, die achteruit deinst en dat de verdachte vervolgens nog een zwaaiende stekende beweging naar de aangever maakt.

Ten aanzien van parketnummer 18/191560-19 feit 1

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 augustus 2019, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019210318 d.d. 9 augustus 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] namens [bedrijfsnaam 1] Groningen:

Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte namens [bedrijfsnaam 1] . Op 6 augustus 2019 stond ik op de werkvloer in de winkel van de [bedrijfsnaam 1] aan de [adres 4] te [plaats 3] . Ik zag dat de man een wegwerpbarbecue in de Albert Heijn-tas stopte. Ik zag ook dat hij 2 blikjes sterkedrankmix uit een stelling pakte en in de tas stopte. Vervolgens pakte hij de Albert Heijn-tas uit het mandje en wilde de winkel verlaten. Hij deed geen poging om de barbecue en de blikjes sterke drank ter betaling aan te bieden. Mijn collega [slachtoffer 3] stond bij mij. De man zei "fuck you" en "ik pak jou". Deze man heeft dus twee blikjes Jack Daniels met cola weggenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 9 augustus 2019, opgenomen op pagina 13 van voornoemd dossier, inhoudend als de telefonische verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik zag dat de man de barbecue in een plastic tas stopte. Ik zag dat de man nog meer spullen in zijn tas stopte en vervolgens de winkel verliet zonder deze spullen te betalen. Ik hoorde de man erg agressief reageren op mijn collega [slachtoffer 2] . Ik hoorde hem zeggen: "Fuck you". Ik hoorde de man bedreigingen uiten richting mij en [slachtoffer 2] . Ik hoorde de man zeggen dat hij ons nog wel zou pakken.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2019, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik bekeek de camerabeelden, opgenomen door [bedrijfsnaam 1] Supermarkten, en zag daarop het volgende.

12:13:26 uur: Verdachte betreedt de winkel. In zijn handen draagt de verdachte een boodschappentas van Albert Heijn.

12:14:10 uur: Verdachte pakt een wegwerpbarbecue en legt deze in zijn winkelmandje.

12:15:31 uur: Verdachte pakt een zwarte halve liter blik en legt deze in zijn mandje. Vervolgens pakt de verdachte een sixpack Desperado's en stopt deze in zijn winkelmandje.

12:17:42 uur: Verdachte pakt twee blikjes uit het vak en stopt deze in de boodschappentas.

12:18:43 uur: Verdachte legt de volgende producten op de balie van de kassa: 1 sixpack Desperado's, 1 halve liter blik bier.

12:20:31 uur: Te zien is dat de verdachte de winkel verlaat. Te zien is dat de Albert Heijn-tas die de verdachte vasthoudt, door de zwaartekracht, gevuld is.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van herkenning d.d. 6 augustus 2019, opgenomen op pagina 12 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

De persoon op de camerabeelden herken ik als [verdachte] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op basis van de aangehaalde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de [bedrijfsnaam 1] een wegwerpbarbecue in een tas van de Albert Heijn stopt alsmede twee blikjes sterkedrankmix. Op het moment dat verdachte deze producten in zijn tas stopt, heeft verdachte de producten aan de feitelijke heerschappij van de [bedrijfsnaam 1] onttrokken en daarover als heer en meester beschikt. Reeds op dat moment is naar het oordeel van de rechtbank de winkeldiefstal voltooid en slaagt het verweer van de raadsvrouw omtrent dit onderdeel van de tenlastelegging niet. Overigens blijkt uit het dossier dat verdachte vervolgens de [bedrijfsnaam 1] trachtte te verlaten zonder de producten ter betaling aan te bieden.

Voorts stelt de rechtbank vast dat blijkens de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en getuige [slachtoffer 3] verdachte de woorden "fuck you" en "ik pak jou" heeft gebezigd. De verklaringen van aangever en getuige ondersteunen elkaar op dit punt en de rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangever en getuige. Daar komt bij dat volgens getuige [slachtoffer 3] verdachte erg agressief reageerde op aangever [slachtoffer 2] . Voornoemde bewoordingen - in onderlinge samenhang bezien - zijn naar het oordeel van de rechtbank onder zulke omstandigheden gedaan dat een bedreiging met geweld opleveren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde winkeldiefstal gevolgd door bedreiging met geweld bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken voor zover de ten laste gelegde bedreiging met geweld ziet op het door verdachte met zijn hand achter de rug bewegen alsof hij iets uit zijn broeksband wilde pakken. Een dergelijke handbeweging kan op verschillende wijzen worden geïnterpreteerd. Zowel aangever als getuige geven onvoldoende concreet aan waarom zij dachten dat verdachte een mes achter zijn broeksband zou hebben en hij deze wilde pakken.

Nu verdachte het onder de parketnummers 18/191560-19 feit 2 en 18/161026-19 ten laste gelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank ten aanzien van deze feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van parketnummer 18/191560-19 feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 augustus 2019, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019210318 d.d. 9 augustus 2019, inhoudend de verklaring van [getuige 1] namens [bedrijfsnaam 2] [adres 2] [plaats 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2019, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant met betrekking tot het uitkijken van de camerabeelden.

Ten aanzien van parketnummer 18/161026-19

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 juli 2019, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019174668 d.d. 11 juli 2019, inhoudend de verklaring van [getuige 2] namens [bedrijfsnaam 3] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2019, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant met betrekking tot het uitkijken van de camerabeelden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder de parketnummers 18/820246-19, 18/191560-19 feit 1 en feit 2 en 18/161026-19 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18/820246-19

hij op 20 augustus 2019 te Groningen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "I will kill you" en met een mes stekende bewegingen in de richting van de borst van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt;

parketnummer 18/191560-19

1. hij op 6 augustus 2019 te Groningen een wegwerpbarbecue en twee blikjes mixdrank (Jack Daniels), dat toebehoorde aan de [bedrijfsnaam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tegen deze [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] agressief te reageren met de woorden "fuck you" en/of "ik pak jou";

2. hij op 6 augustus 2019 te Groningen vleesverpakkingen, een fles Sobreiro port en verpakkingen drank (Bacardi), dat toebehoorde aan de [bedrijfsnaam 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

parketnummer 18/161026-19

hij op 5 juli 2019 te Groningen (uit de winkel [bedrijfsnaam 3] , aan de [adres 1] ) een fles jenever, dat toebehoorde aan [bedrijfsnaam 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18/820246-19 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 18/191560-19 bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

2. diefstal.

Het in de zaak met parketnummer 18/161026-19 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsvouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 18/820469-19 bewezen verklaarde een beroep op noodweer toekomt. Aangever is agressief op verdachte afgelopen. Hij heeft verdachte geduwd, met een vuist geslagen en geschopt. Er was dan ook sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte, waartegen verdediging noodzakelijk was. Verdachte mocht zich hiertegen verdedigen met een mes. Dat verdediging met een mes noodzakelijk was, blijkt volgens de raadsvrouw uit het feit dat aangever zelfs niet ophield met zijn aanval en riep "steek mij dan" op het moment dat verdachte het mes pakte. Verdachte kon niet wegkomen en hij bevond zich tegenover meerdere mannen en had dus ook geen andere mogelijkheid dan zich op deze manier te verdediging. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is dan ook voldaan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer dient te worden verworpen, omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Hoewel aangever wel agressief was tegen verdachte en tegen hem heeft staan schreeuwen, hoefde verdachte zich hier niet tegen te verdedigen. Niet is gebleken dat er meerdere personen zich tegenover verdachte bevonden.

Het oordeel van de rechtbank

Nu de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte aangever heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door met een mes stekende bewegingen richting de borst van aangever te maken en te roepen dat hij aangever dood wilde maken, moet beoordeeld worden of en in hoeverre de overige feiten en omstandigheden een beroep op noodweer van de verdachte rechtvaardigen. Voor een geslaagd beroep op noodweer moet ten eerste sprake zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast moet sprake zijn van een geboden en noodzakelijke verdediging.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Ten tijde van het bewezen verklaarde was verdachte in de keuken rustig groenten aan het snijden. Op enig moment is aangever de keuken binnengekomen en is hij direct op een agressieve manier tegen verdachte gaan schreeuwen over een aansteker. Zowel aangever als verdachte zijn vervolgens naar de hal gelopen. In de hal heeft aangever verdachte tweemaal een duw gegeven. Tevens heeft aangever een vuist voor het hoofd van verdachte gehouden en een schoppende beweging richting verdachte gemaakt. Hierop is verdachte weer naar de keuken gelopen en heeft het mes gepakt waarna hij de bewezen verklaarde handelingen heeft begaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte niet voldoet aan de eis van proportionaliteit. Deze eis houdt in dat de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Het voorhanden zijnde dossier biedt geen steun aan de verklaring van de verdachte dat hij tevens met een vuist zou zijn geslagen en zou zijn geschopt door aangever. Aangever heeft slechts zijn vuist getoond en een schoppende beweging gemaakt. Niet is gebleken dat verdachte hierbij is geraakt. Evenmin blijkt uit het dossier dat naast aangever meerdere mannen zich tegenover verdachte bevonden. Nu de door de verdachte geschetste context niet is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de wijze van verdedigen door de verdachte - het maken van steekbewegingen met een mes en het roepen dat hij aangever dood zou maken - niet in verhouding staat tot de ernst van de aanranding, namelijk schreeuwen en het geven van tweemaal een duw. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder de parketnummers 18/820246-19, 18/191560-19 feit 1 en feit 2 en 18/161026-19 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 182 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden met uitzondering van de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden met uitzondering van de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de reclasseringsrapporten, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal winkeldiefstallen waarvan één gevolgd van bedreiging met geweld. Feiten als de onderhavige bezorgen in het algemeen winkeliers veel overlast. Tevens acht de rechtbank dit storende feiten, met name als dit slachtoffers treft tijdens het uitvoeren van hun normale taken en werkzaamheden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Een dergelijk feit brengt vaak gevoelens van angst bij het slachtoffer en eventuele omstanders teweeg. De rechtbank houdt ten aanzien van dit feit echter wel rekening met de omstandigheid dat aangever op een agressieve en actieve wijze de confrontatie met verdachte is aangegaan.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de op te leggen straf de oriëntatiepunten van het LOVS. Met betrekking tot winkeldiefstal met na betrapping (bedreiging met) eenvoudig geweld is het oriëntatiepunt bij recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Voor de eenvoudige winkeldiefstallen wordt bij recidive het uitgangspunt van een geldboete van € 200,00 en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week genoemd. Het oriëntatiepunt ten aanzien van bedreiging, door het tonen van steekwapen of een als zodanig aan te merken voorwerp betreft een taakstraf van 60 uren.

Gelet op de ernst van de feiten, met name ten aanzien van de bedreiging met een mes en de diefstal met geweld, en de recidive acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf aangewezen.

Ten aanzien van de hoogte van de gevangenisstraf neemt de rechtbank ten voordele van verdachte tevens in aanmerking dat sprake is van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het reclasseringsadvies van 1 april 2020 leidt de rechtbank af dat verdachte kampt met problemen op meerdere vlakken van zijn leven, waaronder een gebrek aan huisvesting, minimale financiën, middelengebruik, een gebrek aan structurele en zinvolle dagbesteding. Ook zijn er enige aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, onder oplegging van bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft zich ter zitting bereid getoond zich aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te houden. Om die reden, en uit het oogpunt van het voorkomen van herhaling, ziet de rechtbank aanleiding om een groot deel van de aan verdachte op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden om bij verdachte een gedragsverandering te bewerkstelligen. De mogelijkheid tot kortdurende klinische opname zal niet als voorwaarde worden gesteld, evenals de voorwaarde die inhoudt dat het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de ambulante behandeling.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 122 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden.

In beslag genomen goederen

De rechtbank zal zowel ten aanzien van het in beslag genomen vleesmes als de in beslag genomen flessen alcohol de teruggave gelasten aan de rechthebbenden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 285, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder de parketnummers 18/820246-19, 18/191560-19 feit 1 en feit 2 en 18/161026-19 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 122 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 120 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Tactus Reclassering Flevoland, Noorderwagenstraat 2a, 8223 AM Lelystad. Veroordeelde zal zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door Forensisch Amethist of een soortgelijke zorgverlener. De behandeling start zodra de proeftijd is ingegaan en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten Iriszorg Lelystad, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

4. dat de veroordeelde zal meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen;

5. dat de veroordeelde zich houdt aan aanwijzingen van en afspraken met de reclassering.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen:

- een vleesmes 1174396

- 2 flessen alcohol G1158170

- 1 fles alcohol G1158171

- 1 fles alcohol G1158172

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2020.