Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2407

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
17172437
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De kinderrechter verklaart de schriftelijke aanwijzing vervallen. Geen bevoegdheid GI tot geven schriftelijke aanwijzing nu de kinderrechter al een omgangsregeling heeft bepaald. Kinderrechter past artikel 1:265g BW analoog toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/24.36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/172437 / FJ RK 20-360

datum uitspraak: 24 juni 2020

beschikking conflictbehandeling schriftelijke aanwijzing en beschikking wijzigen omgangsregeling


in de zaak van

[naam] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

tegen

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Leeuwarden,

betreffende

[naam] , geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[naam] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

[naam] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te [woonplaats] .

1 Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 14 april 2020, ingekomen bij de griffie op

15 april 2020;

- het schrijven met bijlagen van de GI van 28 mei 2020, ingekomen bij de griffie op

28 mei 2020.

1.1.

Vanwege het beleid van de Raad voor de Rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De betrokkenen zijn in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 3 juni 2020 gelijktijdig telefonisch gehoord:

- de moeder;

- mr. R.W. de Gruijl, advocaat van de moeder;

- de vader;

- de pleegmoeder;

- mevrouw A. Hofman, namens de GI.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen in een pleeggezin, bij oma moederszijde.

2.3.

Bij beschikking van 25 maart 2020 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 6 juli 2020.

2.4.

Bij beschikking van 25 maart 2020 is tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in een voorziening voor pleegzorg, verlengd tot 6 juli 2020.

2.5.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2019 de omgang tussen de moeder en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt bepaald:

''Elke week vier uren onbegeleid bezoek aan de kinderen bij pleegmoeder thuis. De bezoekmomenten van moeder aan haar kinderen zijn op zaterdagmiddagen.''

De moeder heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.

2.6.

De GI heeft op 24 maart 2020 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De schriftelijke aanwijzing luidt als volgt:

''Wanneer uw gezondheid het toelaat bezoekt u de kinderen één keer in de week op zaterdagmiddag gedurende vier uren bij pleegmoeder thuis. Veranderingen en eventuele uitbreiding van deze bezoeken zijn alleen mogelijk in overleg met de GI en Jeugdhulp Friesland afdeling Pleegzorg.''

2.7.

De GI heeft de schriftelijke aanwijzing als volgt onderbouwd:

''De kinderen wonen sinds begin november 2018 bij pleegmoeder oma (m.z.). Jeugdhulp Friesland is begin mei 2019 gestart met een onderzoek betreffende perspectief advisering. Door Jeugdhulp Friesland wordt derhalve onderzoek gedaan naar het opgroeiperspectief van de kinderen. Zolang het perspectief van de kinderen onduidelijk is, is het van belang dat er wekelijks contact is tussen de kinderen en hun ouders.

Uit de richtlijnen 'Uithuisplaatsing' komt naar voren dat een frequente en intensieve oudercontacten/omgang- en bezoekregeling ingezet dient te worden voor het in stand houden van de (hechtings)relatie tussen jeugdige en ouders zolang het perspectief van de jeugdige nog niet helder is.

De wekelijkse bezoekomenten tussen ouders en de kinderen zijn belangrijk, zeker gezien het feit dat de mogelijkheid bestaat tot terugplaatsing van de kinderen bij u als ouder. Maar het blijft daarnaast van belang om de belastbaarheid van de kinderen en pleegmoeder goed in de gaten te houden. De kinderen hebben het dagelijkse ritme, ze gaan naar school en hebben hun dagelijkse bezigheden. Daar gedijen ze goed bij. De uithuisplaatsing heeft tot veel spanningen bij alle betrokkenen geleid. Deze spanningen zijn in de loop van de tijd eerder toegenomen dan afgenomen.

Het is dan ook voor de kinderen van belang de contactmomenten niet verder uit te breiden om de rust en voorspelbaarheid voor de kinderen in stand te houden. Zij mogen niet geconfronteerd worden met de onderlinge spanningen tussen u, pleegmoeder en de andere familieleden. Voor ons als GI is het van belang het advies van Jeugdhulp Friesland en hun bevindingen af te wachten, voordat andere keuzes mogelijk zijn.

U heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met de door de gecertificeerde instelling genomen beslissing. Mede om deze reden geven wij een schriftelijke aanwijzing zodat u de beslissing door de kinderrechter kunt laten toetsen.''

3 Het verzoek

3.1.

De moeder heeft verzocht:

I. de schriftelijke aanwijzing d.d. 24 maart 2020 vervallen te verklaren, dan wel ex artikel 1:377e BW de beschikking d.d. 23 oktober 2019 te wijzigen en;

II. een omgangsregeling vast te stellen waarbij (al dan niet voor zolang de Coronacrisis voortduurt):

tweemaal per week gedurende een dagdeel, omgang plaatsvindt tussen de moeder en de minderjarigen;

III. dan wel om een zodanige omgangsregeling vast te stellen als die u in het belang van de minderjarigen acht, die in ieder geval uitgebreider is dan de huidige omgangsregeling.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek stelt de moeder het volgende.

Allereerst stelt de moeder dat het verzoek tijdig is ingediend en dat zij ontvankelijk is in het verzoek. De moeder ontving via haar advocaat de schriftelijke aanwijzing d.d. 24 maart 2020 op 14 april 2020, als bijlage gevoegd bij het verweerschrift van het lopende hoger beroep tegen de beschikking van 23 oktober 2019. De GI heeft de schriftelijke aanwijzing niet aangetekend naar de moeder verstuurd en de moeder heeft de schriftelijke aanwijzing niet eerder ontvangen dan op 14 april 2020 via haar advocaat.

3.3.

Daarnaast stelt de moeder dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. De moeder heeft de GI om een uitbreiding van de omgangsregeling verzocht en aangevoerd dat de omgang goed verloopt en dat uitbreiding juist in de Coronacrisis in het belang van de minderjarigen is vanwege het gebrek aan schoolgang, dagelijks ritme en dagelijkse bezigheden. Gelet op het onderbouwde verzoek van de moeder is de door de GI gegeven motivering van de schriftelijke aanwijzing onvoldoende. Om die reden dient de schriftelijke aanwijzing vervallen te worden verklaard.

3.4.

Ook verzoekt de moeder op grond van artikel 1:377e BW een omgangsregeling te bepalen waarbij de moeder en de minderjarigen tweemaal per week (op woensdagmiddag en zaterdagmiddag) gedurende vier uren omgang hebben bij de overgrootmoeder van de minderjarigen. Er is sprake van een wijziging van omstandigheden. Ten eerste hebben zowel de moeder als de pleegmoeder de omgangsregeling die bepaald is in de beschikking van 23 oktober 2019 niet nageleefd, in die zin dat ook iedere vrijdagmiddag omgang plaatsvond. Daarnaast is de pleegmoeder ook voorstander van een uitbreiding van de omgangsregeling. Verder hebben de minderjarigen door de Coronacrisis geen regelmaat en zij zijn de gehele dag thuis, waardoor er behoefte is om gedurende de Coronacrisis ook op een doordeweekse dag een dagdeel omgang te hebben. Tot slot vinden de omgangsmomenten thans plaats bij de overgrootmoeder van de minderjarigen, vanwege een ruzie tussen de moeder en de pleegmoeder op 30 maart 2020. Daardoor zullen de spanningen tussen de moeder en de pleegmoeder niet meer voelbaar zijn voor de minderjarigen.

De huidige omgangsregeling verloopt goed en een uitbreiding is daarom in het belang van de minderjarigen.

4 Het standpunt van de belanghebbenden

4.1.

De GI heeft ter zitting aangevoerd dat het onduidelijk is wanneer de schriftelijke aanwijzing is verstuurd en of dit aangetekend is gebeurd. De GI heeft de schriftelijke aanwijzing gegeven, omdat er vaker omgang plaatsvond dan bepaald in de beschikking van 23 oktober 2019. Het is van belang dat iedereen zich aan die beschikking houdt. Alle partijen hebben een bepaalde mate van rust bij de situatie zoals die nu is. De uitslag van het perspectiefonderzoek is bekend en daaruit komt naar voren dat het perspectief van de kinderen bij de pleegmoeder ligt. Gekeken moet worden naar wat in het belang is van de kinderen en de GI ziet op dit moment geen mogelijkheden voor een uitbreiding van de omgang.

4.2.

De vader staat achter het verzoek tot uitbreiding van de omgang, zolang dit in goed overleg gebeurt en de belastbaarheid niet in het geding komt. De vader wenst zelf ook een uitbreiding van zijn omgangsregeling met de minderjarigen.

4.3.

De pleegmoeder staat achter het verzoek tot uitbreiding van de omgang. Er is incidenteel omgang geweest op de vrijdag, omdat de kinderen niet naar zwemles konden vanwege het Coronavirus. Inmiddels gaan de kinderen weer naar zwemles en vindt alleen op de zaterdag omgang met de moeder plaats.

5 De beoordeling

5.1.

Verzoek tot vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

Blijkens artikel 1:263, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of minderjarige niet instemt met, dan wel onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het hulpverleningsplan of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Ingevolge het tweede lid dienen de met het gezag belaste ouder of ouders en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op te volgen.

5.2.

Op grond van artikel 1:264, eerste lid BW kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Ingevolge het derde lid bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken, die aanvangt met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

5.3.

De kinderrechter stelt allereerst vast dat de schriftelijke aanwijzing dateert van 24 maart 2020 en dat het verzoek van de moeder op 16 april 2020 is ingediend, aldus buiten de termijn van twee weken. Ter zitting is echter onduidelijk gebleven wanneer de schriftelijke aanwijzing door de GI is verzonden dan wel uitgereikt. De GI heeft onvoldoende onderbouwd dat de aanwijzing (aangetekend) is verstuurd. Om die reden kan niet geoordeeld worden dat de moeder in verzuim is geweest. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

5.4.

De kinderrechter overweegt op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting als volgt. Een schriftelijke aanwijzing kan zien op de beperking dan wel de uitbreiding van het contact tussen een ouder en de minderjarige. Een dergelijke aanwijzing kan echter ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321) een eerdere beschikking van de rechter inzake de omgang niet opzij zetten. In het onderhavige geval is bij beschikking van 23 oktober 2019 van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, de omgang tussen de moeder en de minderjarigen (nader) bepaald. Dit betekent dat de omgang die is bepaald in deze beschikking tot op heden geldt en door alle partijen opgevolgd dient te worden. De GI heeft doordat de kinderrechter een omgangsregeling heeft bepaald niet de bevoegdheid tot het geven van een schriftelijke aanwijzing die ziet op (een verandering van) de omgang, omdat zij daarmee in strijd zou handelen met voornoemde uitspraak van de Hoge Raad. Voor zover de GI heeft bedoeld met de schriftelijke aanwijzing te regelen dat de belanghebbenden zich aan de uitspraak van de kinderrechter dienen te houden, overweegt de kinderrechter dat het geven van een schriftelijke aanwijzing hiervoor niet het juiste middel is. Belanghebbenden dienen zich al aan de uitspraak van de rechter te houden. De GI kan voorts niet bepalen dat veranderingen en eventuele uitbreiding van deze bezoeken mogelijk zijn in overleg met de GI en Jeugdhulp Friesland, nu wijziging van de omgangsregeling zoals gezegd is voorbehouden aan de kinderrechter. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaren.

5.5.

Verzoek tot het wijzigen van de omgangsregeling

De moeder verzoekt wijziging van de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in de beschikking van 23 oktober 2019 op grond van artikel 1:377e BW.

Voornoemde omgangsregeling is vastgelegd in het kader van een conflictbehandeling schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:265f lid 2 BW. Naar het oordeel van de kinderrechter kan de moeder daarvan slechts wijziging verzoeken op grond van artikel 1:265g lid 2 BW. Dit blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad en de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 april 2018 (ECLI:NL:GHSHE: 2018:1552). De kinderrechter zal daarom artikel 1:265g lid 2 BW analoog toepassen.

5.6.

Krachtens het bepaalde in artikel 1:265g, eerste lid, BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Krachtens het bepaalde in het tweede lid is het mogelijk de kinderrechter te verzoeken om de op basis van lid 1 genoemde regeling te wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.7.

De kinderrechter overweegt dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een uitbreiding van de omgangsregeling rechtvaardigt. Dat zonder toestemming van de kinderrechter incidenteel een aantal extra bezoeken hebben plaatsgevonden en dat daarmee in weerwil van de uitspraak van 23 oktober 2019 is gehandeld, vormt geen wijziging van omstandigheden zoals in de wet genoemd. Dat de kinderen vanwege de uitbraak van het Coronavirus meer thuis zijn vanwege de tijdelijke sluiting van de basisscholen is evenmin een wijziging van omstandigheden, nu deze situatie inmiddels niet meer aan de orde is. De kinderrechter ziet dan ook in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding om de omgang uit te breiden. Ook is gesteld noch gebleken dat bij de beslissing van 23 oktober 2019 van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.8.

De enige wijziging die de kinderrechter constateert is dat de omgang nu al enige tijd bij de overgrootmoeder plaatsvindt in plaats van bij de pleegmoeder, vanwege de verstoorde relatie tussen de moeder en de pleegmoeder. De kinderrechter ziet daarin aanleiding de omgangsregeling te wijzigen in die zin dat de GI voortaan de locatie kan bepalen. Indien de omgang in de toekomst weer mogelijk is bij de pleegmoeder dan heeft de GI de bevoegdheid om dit te regelen.

5.9.

Ter zitting is de mogelijkheid besproken om de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van een overleg tussen partijen op 15 juni 2020 over de wens van de ouders tot uitbreiding van de omgang. De kinderrechter zal daartoe niet overgaan en zal thans een eindbeslissing geven. Indien de GI of de moeder/de vader in de toekomst alsnog een wijziging van de omgangsregeling wenst en sprake is van een wijziging van omstandigheden dan staat daarvoor (wederom) de weg van artikel 1:265g, tweede lid, BW open.

6 De beslissing


De kinderrechter:

6.1.

verklaart de schriftelijke aanwijzing van 24 maart 2020 geheel vervallen;

6.2.

wijzigt de bij beschikking van 23 oktober 2019 bepaalde omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen als volgt:

''Elke week vier uren onbegeleid bezoek aan de kinderen, op een door de GI te bepalen locatie. De bezoekmomenten van moeder aan haar kinderen zijn op zaterdagmiddagen.''

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020.

fn: 864