Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2391

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-07-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
LEE 20/1687, 20/1841 en 20/1842
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving ten aanzien van de uitbreiding van een veehouderij nabij het Lauwersmeer, omdat dit project werd uitgevoerd zonder vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Verweerder heeft eerder vergunning verleend voor dit project maar die vergunning is door de bestuursrechter vernietigd. Weigering handhaving in verband met voornemen om wederom vergunning te verlenen. Tegen die weigering is door verzoekers een voorlopige voorziening gevraagd. Voordat de voorzieningenrechter uitspraak kon doen heeft verweerder de vergunning op grond van de Wnb voor het project alsnog verleend. Daartegen zijn de verzoekers in beroep gegaan en hebben zij tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van de vergunning geoordeeld dat deze moet worden vernietigd omdat verweerder de emissie (uitstoot) van stikstof door het bedrijf in de referentiesituatie onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht en onvoldoende inzicht heeft in de bedrijfsvoering en de daarbij behorende emissie in de gewenste situatie. In de Wnb staat voorts dat wanneer er vergunning wordt verleend daarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt. Ook omdat er noch voor het project, noch in het verleden voor deze veehouderij een passende beoordeling is gemaakt, is de vergunning vernietigd. Omdat de voorzieningenrechter de vergunning vernietigt en er geen passende beoordeling is, is er op dit moment ook geen zich op legalisatie en had verweerder het verzoek om handhaving niet mogen weigeren. De voorzieningenrechter heeft verweerder daarom opgedragen om binnen twee weken opnieuw op het verzoek om handhaving te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/426
JGROND 2020/169 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2020/168 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/169 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/168 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 20/1687, 20/1841 en 20/1842

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2020 in de zaken tussen

1.a. [verzoekster], te [plaats], verzoekster sub 1.a.,

1.b. [verzoekster] te [plaats], verzoekster sub 1.b.,

1.c. [verzoeker], te [plaats] verzoeker sub 1.c.,

en

het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân, verweerder,

(gemachtigde: mr. T. Tuenter).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder]

te [plaats], vergunninghouder,

(gemachtigde: mr. E. Wijnne-Oosterhof).

Procesverloop

Inzake LEE 20/1687

Bij primair besluit van 2 juni 2020 (het bestreden besluit I), verzonden op 3 juni 2020, heeft verweerder het door verzoekers ingediende verzoek om handhaving ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb) jegens vergunninghouder, afgewezen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers bij brief van 3 juni 2020 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 20/1687.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake LEE 20/1841 en 20/1842

Bij besluit van 12 juni 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijze van verzoekers, aan vergunninghouder een vergunning onder voorschriften ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend ten behoeve van het wijzigen van de melkrundveehouderij op het perceel [adres] te [plaats].

Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 20/1841. Tevens hebben verzoekers bij brief van 19 juni 2020 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 20/1842.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is gelijktijdig met het verzoek, geregistreerd onder het procedurenummer LEE 20/1687, behandeld op de zitting van 30 juni 2020.

Verzoekers sub 1.a. en sub 1.b. hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Verzoeker sub 1.c. is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote, en bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en (telefonisch) door drs. H. Zemel.

Namens vergunninghouder is verschenen [naam], bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam] (adviseur).

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

Voorgeschiedenis

Vergunninghouder exploiteert een melkrundveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats]. Bij besluit van 29 maart 2019 heeft verweerder aan vergunninghouder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend voor het wijzigen van de melkrundveehouderij (de bouw van een nieuwe loopstal). Bij uitspraak van 14 februari 2020 (LEE 19/1416) heeft de rechtbank het door verzoeker sub 1.c. ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 maart 2019 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak.

1.1. Verweerder heeft een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde vergunning ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb aan vergunninghouder voor het wijzigen van de melkrundveehouderij op voormeld perceel te [plaats] bekendgemaakt in het provinciaal blad van 10 april 2020.

1.2. Verzoekers hebben bij (afzonderlijke) brief van 1 mei 2020 een zienswijze, gericht tegen dit ontwerpbesluit, bij verweerder ingediend.

1.3. Verzoekers hebben bij (afzonderlijke) brief van 1 mei 2020 verweerder verzocht handhavend op te treden jegens vergunninghouder wegens overtreding van de Wnb.

1.4. Bij brief van 13 mei 2020 heeft verweerder aan verzoekers het voornemen kenbaar gemaakt om het door hen ingediende verzoek om handhaving ingevolge de Wnb jegens vergunninghouder, af te wijzen.

1.5. Tegen deze brief hebben verzoekers een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers bij brief van 25 mei 2020 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 20/1578.

1.6. Bij uitspraak van 28 mei 2020 heeft de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van dit verzoek om voorlopige voorziening.

1.7. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder heeft verweerder het door verzoekers ingediende verzoek om handhaving ingevolge de Wnb jegens vergunninghouder, afgewezen.

1.8. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijze van verzoekers, aan vergunninghouder een vergunning onder voorschriften ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend ten behoeve van het wijzigen van de melkrundveehouderij op het perceel [adres] te [plaats].

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningen-rechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt in op grond van deze richtlijn genomen maatregelen rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn treffen de Lid-Staten voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn treffen de Lid-Staten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn neemt de Lid-Staat, indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.

Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.

2.2. Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb hoeft, in afwijking van het eerste lid, geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.

Ingevolge artikel 2.8, derde lid, van de Wnb stelt het bestuursorgaan het plan uitsluitend vast, en verlenen gedeputeerde staten voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

2.3. Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt in deze wet verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen.

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4. Aangezien er door vergunninghouder bouwhandelingen worden verricht, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan de zijde van verzoekers in dit geval gegeven.

Inzake LEE 20/1841 en 20/1842

Procedureel opzicht

5. In procedureel opzicht overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Door vergunninghouder is betoogd dat verzoeker sub 1.c in dit geval niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De bestuursrechter constateert dat deze vraag eerder is beoordeeld in de uitspraak van 14 februari 2020 (LEE 19/1416). In die uitspraak is de bestuursrechter uitgebreid ingegaan op de vraag of verzoeker sub 1.c als belanghebbende bij de Wnb-vergunning van vergunninghouder is en heeft de bestuursrechter die vraag bevestigend beantwoord. In hetgeen hierover door vergunninghouder in de onderhavige procedure naar voren is gebracht ziet de bestuursrechter geen aanknopingspunten om terug te komen op dit oordeel.

Vergunningverlening ingevolge de Wnb

6. Inhoudelijk overweegt de voorzieningenrechter met betrekking tot de vergunning-verlening ingevolge de Wnb als volgt.

6.1. Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het project, zoals bedoeld in de Wnb, in dit geval bestaat uit het bouwen van een stal, het wijzigen van de inrichting en het drijven van de gewijzigde inrichting.

6.2. De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Een project kan significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden hebben als een project leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Dat is aan de orde als een project in (ruimtelijke) ontwikkelingen voorziet die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentie-situatie. Hieruit volgt dat significante gevolgen zijn uitgesloten als de gevolgen van een project niet toenemen ten opzichte van de referentiesituatie.

6.3. Partijen worden in dit geval verdeeld gehouden door de vraag of verweerder de ammoniak- en de NOx-uitstoot in de referentiesituatie en voor de gewenste situatie op juiste wijze in kaart heeft gebracht. Niet is tussen partijen in geschil dat het vergunde recht op de referentiedatum is vastgelegd in de voor de inrichting verleende Hinderwetvergunning van 20 januari 1993 van het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Dongeradeel (met het kenmerk 693).

6.4. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2013: 1891, volgt dat de vergunde situatie op de referentiedatum kan worden ontleend aan hetgeen is vergund krachtens de Wet milieubeheer of is vergund krachtens de daaraan voorafgaande Hinderwet. Indien de ten tijde van de referentiedatum geldende vergunning niet meer of niet meer geheel van kracht is, dan kan de vergunde situatie op de referentiedatum niet zonder meer als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie. Als een op de referentiedatum geldende vergunning nadien is vervangen door een andere milieuvergunning kan daarin een activiteit zijn vergund die meer dan wel minder ammoniakemissie tot gevolg heeft dan de op de referentiedatum vergunde activiteit. Indien na de referentiedatum een vergunning is verleend voor een activiteit die meer ammoniakemissie tot gevolg heeft en voor de exploitatie niet eerder een vergunning op grond van de Nb-wet 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) is verleend, blijft de vergunde situatie op de referentiedatum het uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie. De vergunde situatie op de referentiedatum maakt immers nog steeds deel uit van de aangevraagde situatie. Indien na de referentiedatum een vergunning is verleend voor een activiteit die minder ammoniakemissie tot gevolg heeft dan de op de referentiedatum vergunde situatie en voor de exploitatie niet eerder een vergunning op grond van de Nb-wet 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) is verleend, maakt de op de referentiedatum vergunde situatie slechts voor een deel onderdeel uit van de aangevraagde situatie. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen activiteit met de stikstofdepositie in de vergunde situatie met de laagst toegestane ammoniakemissie in de periode vanaf de referentiedatum tot de datum van het nemen van het bestreden besluit. De vergunde situatie met de laagste ammoniakemissie heeft als uitgangspunt te gelden, nu slechts dat deel van de vergunning als voortzetting van het project kan worden aangemerkt.

6.4.1. Verzoekers betogen dat verweerder de ammoniak- en NOx-uitstoot vanwege de inrichting in de referentiesituatie op een onjuiste wijze heeft bepaald en ten onrechte op basis van de verleende Hinderwetvergunning heeft gemaximeerd. In dit verband wijzen verzoekers erop dat verweerder is uitgegaan van een onjuist stalsysteem voor alle dieren, de reductie van het beweiden niet juist heeft meegenomen een vervallen gedeelte van de Hinderwet-vergunning ten onrechte heeft betrokken. Verder wijzen verzoekers er in dit verband op dat verweerder de gebruikte apparatuur binnen de bedrijfsvoering van de inrichting en de wijze van mestopslag binnen de inrichting niet in kaart heeft gebracht voor wat betreft de referentiesituatie.

6.4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de emissies uit de Hinderwetvergunning juist zijn toegepast. In dit verband wijst verweerder erop dat uit de Hinderwetvergunning blijkt dat er 65 melk- en kalfkoeien vergund zijn. Volgens verweerder betreft dit het aantal dieren dat gehouden mag worden. Daarnaast stelt verweerder zich met betrekking tot het beweiden van vee op het standpunt dat niet is aangetoond dat er in 1993 beweid zou zijn. In dit verband wijst verweerder erop dat er in de Hinderwetvergunning geen toelichting is opgenomen over beweiden en opstallen. In de visie van verweerder betreft dit de keuze-vrijheid van de ondernemer. Naar de mening van verweerder hoeft er in de referentiesituatie in zoverre geen rekening te worden gehouden met beweiden en is een reductiefactor derhalve niet aan de orde. Voor wat betreft het bemesten stelt verweerder zich op het standpunt dat dit een afzonderlijk project is, zodat dit geen onderdeel uitmaakt van de onderhavige aanvraag en derhalve niet beoordeeld hoeft te worden. Voor wat betreft de overige bedrijfsemissies is verweerder van mening dat er geen sprake is van een onderschatting van die emissies.

6.4.3. Met betrekking tot de referentiesituatie overweegt de voorzieningenrechter dat uit de Hinderwetvergunning blijkt dat er sprake is van een verdeling van de binnen de inrichting aanwezige melkvee over twee stallen om de bedrijfsvoering van de inrichting milieutechnisch in te kunnen passen. Hieruit volgt dat door middel van het verlenen de Hinderwetvergunning de voormelde verdeling van het aanwezige melkvee over twee stallen juridisch is vastgelegd. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat een aanzienlijk gedeelte van het binnen de inrichting aanwezige melkvee was gehuisvest in de grupstal. In dit verband hebben verzoekers terecht gewezen op het feit dat verweerder in zoverre ten onrechte de daarmee gepaard gaande ammoniakuitstoot vanwege de inrichting in de referentiesituatie heeft gemaximeerd op 13 kg NH3 per dier per jaar. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat er een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit II, hetgeen schending van artikel 3:2 van de Awb met zich brengt. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers.

6.4.4. Met betrekking tot de referentiesituatie overweegt de voorzieningenrechter voorts dat tussen partijen niet in geschil is dat stal 5, zoals aangeduid in de Hinderwetvergunning, niet is gerealiseerd en niet in werking is gebracht. Hieruit volgt dat dit gedeelte van de Hinderwetvergunning van rechtswege is komen te vervallen (vgl. AbRvS, 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5751). Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat daardoor onduidelijk is (gebleven) op welke wijze het binnen de inrichting aanwezige jongvee had moeten worden verdeeld over de aanwezige gerealiseerde stallen. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan en niet inzichtelijk gemaakt welk deel van de in 1993 vergunde bedrijfsvoering is komen te vervallen. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat de rechtens toegelaten emissies op basis van voormelde Hinderwetvergunning in de referentiesituatie is overschat. Hieruit volgt dat er ook in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit II van verweerder, hetgeen schending van artikel 3:2 van de Awb met zich brengt. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers.

6.4.5. Met betrekking tot de referentiesituatie overweegt de voorzieningenrechter daarnaast dat verweerder geen inzicht heeft verkregen en heeft verschaft voor wat betreft de gebruikte apparatuur binnen de bedrijfsvoering van de inrichting, de vervoersbewegingen en de wijze van mestopslag binnen de inrichting in de referentiesituatie. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat verweerder de op hem rustende onderzoeksplicht, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, heeft geschonden. De enkele, ter zitting ingenomen, stelling van verweerder dat een dergelijk inzicht niet nodig is omdat deze stikstofemissie ten gevolge van de in 1993 gebruikte apparatuur, vervoersbewegingen en mestopslag niet zal veranderen in de nieuwe situatie, acht de voorzieningenrechter onvoldoende. Dit leidt tot het oordeel dat er ook in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit II. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers.

6.4.6. Door verzoekers is ook aangevoerd dat de stikstofemissie in de referentiesituatie wordt overschat omdat evident is dat er toen wel sprake was van beweiden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor de vraag of er bij de berekening van de stikstofemissie in de referentiesituatie een reductie vanwege het beweiden had moeten worden toegepast, bepalend is of vergunninghouder op basis van de Hinderwetvergunning uit 1993 ook juridisch gehouden was om tot beweiding over te gaan. Daarvan is echter niet gebleken zodat deze grond van verzoekers niet kan slagen.

6.5. Met betrekking tot de voorgenomen gewenste situatie stelt de voorzieningenrechter vast dat de stikstofemissie van de aanleg- en bouwfase is berekend en kennelijk, zoals door adviseur Wiegersma van vergunninghouder ter zitting is verklaard, is die extra stikstof-emissie niet alleen voor de aanleg- en bouwfase, maar ook voor de verdere bedrijfsvoering (gebruik van apparatuur en vervoersbewegingen) binnen de inrichting aangevraagd en gereserveerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee nog geen inzicht verkregen in de werkelijke emissies die het gevolg zullen zijn van de bedrijfsvoering binnen de inrichting gedurende de realisatie van de nieuwe stal en daarna als de nieuwe bedrijfsvoering is gerealiseerd. Daarbij springt voorts in het oog dat het bemesten van vee niet is aangevraagd. De voorzieningenrechter onderkent dat dit op basis van de jurisprudentie van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2019:1604, mogelijk is. Wanneer er echter voor wordt gekozen om geen bemesting aan te vragen, impliceert dit dat de mest binnen de inrichting moet worden opgeslagen en vervolgens afgevoerd. Bij de beoordeling van de stikstofemissie in de gewenste situatie dient daarom de emissie van de opslag en die van de extra vervoersbewegingen te worden meegenomen. Ook wanneer vergunninghouder voornemens zou zijn een Wnb-vergunning aan te vragen voor het bemesten, dient verweerder inzicht te hebben in de stikstofemissie ten gevolge van de opslag en de vervoersbewegingen ten behoeve van de mest die aan de inrichting moeten worden toegerekend.

Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende inzicht heeft verkregen in de vraag of de door vergunninghouder gestelde extra gereserveerde ruimte aan stikstofemissies afdoende is. Deze werkwijze van de aanvrager en verweerder roept ook de vraag op of er niet meer stikstofemissie is aangevraagd dan noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

Dit leidt tot de conclusie dat er ook in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit II. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers.

7. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoekers gegrond en komt het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking. Hoewel daarmee in dit geval kan worden volstaan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om vanwege proceseconomische redenen inhoudelijk het volgende te overwegen.

8.1. Uit rechtsoverweging 6.2. blijkt dat uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Een project kan significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden hebben als een project leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Dat is aan de orde als een project in (ruimtelijke) ontwikkelingen voorziet die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentie-situatie.

8.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder blijkens de motivering van het bestreden besluit II een vergunning ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb heeft verleend voor het onderhavige project. Hoewel verweerder hieraan ten grondslag heeft gelegd dat significante gevolgen van dit project op grond van de AERIUS-berekening uitgesloten zijn, nu er op geen enkel hexagoon sprake is van een toename van stikstof-depositie als gevolg van dit project, is verweerder kennelijk wel van oordeel dat het project significante gevolgen zou kunnen hebben en dat daarom vergunningverlening noodzakelijk is. Uit artikel 2.8, eerste lid, Wnb volgt dat aan de vergunning een passende beoordeling ten grondslag moet liggen en uit het tweede lid volgt dat daarvan bij de voortzetting van een bestaand project kan worden afgezien indien er reeds een passende beoordeling is gemaakt.

De voorzieningenrechter overweegt dat het in dit geval niet is gebleken dat het project op grond van de Hinderwet passend is beoordeeld. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nader uiteen gezet dat het bestaande gebruik passend is beoordeeld op grond van het Natuurbeheerplan Lauwersmeer ten tijde van de aanwijzing.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voormeld Natuurbeheerplan naar de aard van dit rechtsfiguur niet worden gelijk gesteld met een passende beoordeling ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in een passende beoordeling alle aspecten van het project op basis van de beste wetenschappelijke kennis moeten worden beoordeeld, waarbij uit de passende beoordeling de zekerheid moet worden verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, terwijl een Natuurbeheerplan uitsluitend betrekking heeft op het beheren van de natuur, inclusief natuurherstel- maatregelen, binnen het daartoe aangewezen (plan)gebied (vgl. Hof van Justitie (HvJ), 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018: 882 en ECLI:EU:C:2018:883). Verder neemt de voorzieningenrechter hierbij in aanmerking dat er ook geen specifieke passende beoordeling voor het project op grond van de Hinderwet is gemaakt, voortvloeiend uit voormeld Natuurbeheerplan.

In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat in de passende beoordeling aandacht dient te worden besteed aan de beschermde diersoorten die in het Natura 2000-gebied Lauwersmeer voorkomen en stikstofgevoelig zijn, waarbij rekening dient te worden gehouden met de instandhoudingsdoelen en de gunstige staat van instandhouding van de betreffende diersoorten.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in dit geval toepassing heeft gegeven aan artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb zonder dat er voor het onderhavige project een passende beoordeling is gemaakt, terwijl die in dit geval wel is vereist. Hieruit volgt dat het bestreden besluit II is genomen in strijd met artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb. Dit brengt met zich dat het beroep van verzoekers ook in zoverre gegrond is en het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking komt.

9. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoekers gegrond en komt het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoekers te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op € 1.073,16, waarvan € 1.050,-- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 23,16, zijnde de reiskosten van verzoeker sub 1.c. (Ee – Groningen v.v.). Verder ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ad € 354,-- aan hen dient te vergoeden.

Inzake LEE 20/1687

10. Aan het bestreden besluit I heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er geen aanleiding bestaat om handhavend op te treden, aangezien er geen sprake is van een overtreding van de Wnb. In dit verband wijst verweerder erop dat voor deze inrichting aan de Tibsterwei 36/19a te Ee een vergunning ingevolge de Wnb is verleend bij het bestreden besluit II van 12 juni 2020 . Volgens verweerder is bij het beoordelen van de vergunnings-aanvraag ook rekening gehouden met de tijdelijke NOx-emissies die vrijkomen bij het oprichten van de stal. In de visie van verweerder is er een integrale beoordeling gemaakt van de bedrijfsemissies. Naar de mening van verweerder heeft vergunninghouder met de AERIUS Calculator-berekening duidelijk gemaakt dat er met het oprichten van de stal geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op enig stikstofgevoelig Natura 2000-gebied ten opzichte van de referentiesituatie. Verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats en significante gevolgen als gevolg van de bouw van de stal zijn volgens verweerder daarom uitgesloten. Ten aanzien van de oprichting van de stal is er dan ook geen sprake van een overtreding van de Wnb, waartegen handhavend moet worden opgetreden.

10.1. Uit rechtsoverweging 9. volgt dat het beroep van verzoekers, gericht tegen het bestreden besluit II, de Wnb-vergunning, gegrond is en dat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat verweerder zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met het nemen van het bestreden besluit II er geen sprake meer is van een overtreding van de Wnb, waartegen handhavend dient te worden opgetreden. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat is komen vast te staan dat er ten tijde van het bestreden besluit I tot afwijzing van het handhavingsverzoek geen passende beoordeling in het kader van de Wnb voor het onderhavige project was opgesteld, terwijl dit wel vereist is. Hieruit volgt dat het door verweerder ingenomen standpunt dat er in dit geval sprake is van een concreet zicht op legalisatie ontoereikend is gemotiveerd. Deze grond van verzoekers slaagt.

11. Uit de rechtsoverweging 10.1. volgt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het door verweerder genomen bestreden besluit I tot afwijzing van het handhavingsverzoek in strijd komt met het op hem rustende motiveringsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit I wordt geschorst en dat verweerder wordt gelast om binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het handhavingsverzoek van verzoekers, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

12. Aangezien het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoekers te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 525,-- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verder ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ad € 354,-- aan hen dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

Inzake LEE 20/1841 en 20/1842

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit II;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van

€ 1.073,16 en bepaalt dat verweerder deze kosten aan hen dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ad € 354,-- aan hen dient te vergoeden.

ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Inzake LEE 20/1687

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit I en gelast dat verweerder binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak opnieuw beslist op het handhavingsverzoek van verzoekers, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 525,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan hen dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ad € 354,-- aan hen dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier, op 3 juli 2020. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

De griffier De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.