Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2387

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
18/740060-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan een op 22 december 2019 in Drachten gepleegde doodslag, een poging tot afpersing in vereniging en voorbereidingshandelingen daartoe.

Met betrekking tot de doodslag is een beroep op noodweerexces gedaan. De rechtbank vindt dat sprake is geweest van een noodweersituatie. Verdachte is hierbij over de grenzen van de noodzakelijke verdediging heengegaan door zijn aanvaller met een mes in zijn borst te steken, terwijl hijzelf werd geslagen en geschopt met de vuist zonder dat daardoor letsel bij hem is ontstaan. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan alleen sprake zijn als die overschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. De rechtbank vindt dat dit niet aannemelijk is geworden. Verdachte heeft in een reflex gehandeld. Dat verdachte bang is geweest en stress heeft ervaren, neemt de rechtbank aan, maar het is niet aannemelijk geworden dat deze factoren van doorslaggevend belang zijn geweest voor het steken met het mes zoals verdachte dat heeft gedaan. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces.

De rechtbank legt aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op zoals ook is geadviseerd door alle deskundigen en een jeugddetentie van 265 dagen.

De door de ouders van het slachtoffer gevorderde affectieschade wordt toegewezen. Ten aanzien van de moeder van het slachtoffer wordt een deel van de gevorderde shockschade toegewezen. De vorderingen van het broertje van het slachtoffer en de vordering van de vader tot vergoeding van shockschade worden niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/740060-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 juli 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd te Intermetzo JJI Lelystad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 mei 2020 en 24 juni 2020.

De verdachte is op 28 mei 2020 en 24 juni 2020 verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Terpstra, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is op 28 mei 2020 en 24 juni 2020 ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Op 11 juni 2020 is in deze zaak een tussenvonnis gewezen waarin de rechtbank gemotiveerd voorlopige oordelen heeft gegeven ten aanzien van de vraag of bewezen is dat het ten laste gelegde feit door verdachte is begaan, welk strafbaar feit dat oplevert, of de verdachte strafbaar is en of de vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar zijn en zo ja, in hoeverre. De rechtbank handhaaft deze overwegingen en beslissingen, zoals hierna opnieuw weergegeven onder de kopjes ‘Tenlastelegging’, ‘Beoordeling van het bewijs’, ‘Bewezenverklaring’, ‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde’, ‘Strafbaarheid van de verdachte’ en ‘Benadeelde partijen’.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem (met kracht) (met) een (op een) mes (gelijkend voorwerp), althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam (de borst(kas)) te steken;

2.

hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, op de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), [gewapend met een (verborgen) mes en/of met de inzet van fysiek en/of mentaal overwicht] aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (dreigend) heeft/hebben toegevoegd : "Laat je zakken zien" en/of "Laat zien of je geld hebt" en/of "hoeveel money heb je bij je?" en/of "Maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander(en) (/ [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ), wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het afgeven van geld, gewapend met een (verborgen) mes en/of met de inzet van fysiek en/of mentaal overwicht (die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (dwingend) heeft/hebben benaderd en/of) aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (dreigend) heeft/hebben toegevoegd : "Laat je zakken zien" en/of "Laat zien of je geld hebt" en/of "hoeveel money heb je bij je?" en/of "Maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter voorbereiding van een of meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een of meer afpersing(en) of diefstal(len) met geweld (in vereniging en/of op/aan de openbare weg), opzettelijk een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. ten laste gelegde gevorderd op grond van de bekennende verklaring van [verdachte] , de beeldopname van de confrontatie en het sectieverslag waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] is overleden door de messteek die [verdachte] heeft toegebracht.

Feit 2. primair

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 2. primair ten laste gelegde gevorderd op grond van de verklaringen van [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] .

Feit 3.

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 3. ten laste gelegde gevorderd op grond van de bekennende verklaring van [verdachte] en (in mindere mate) de verklaring van [medeverdachte] .

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsvrouw heeft betoogd dat een bewezenverklaring zou kunnen volgen van het onder 1. ten laste gelegde nu valt aan te nemen dat [verdachte] met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

Feit 2. primair

De raadsvrouw heeft betoogd dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder 2. primair ten laste gelegde.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging beschreven uitlatingen en gedragingen niet voldoen aan het vereiste dat gebruik is gemaakt van geweld en/of bedreiging met geweld. Een reële vrees voor geweld kan niet uit de tenlastelegging worden afgeleid. Daar komt bij dat niet is gebleken dat er een reële angst aanwezig was dat [verdachte] en [medeverdachte] geweld zouden gebruiken als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet zouden gehoorzamen, zoals blijkt uit de reactie van [slachtoffer 2] .

Feit 3.

De raadsvrouw heeft betoogd dat een bewezenverklaring kan volgen van het onder 3. ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 22 december 2019 hadden [verdachte] en [medeverdachte] met elkaar afgesproken in Drachten om mensen te gaan afpersen. Ook anderen wisten van dat plan.2 Met dat doel had [medeverdachte] een mes meegenomen.3 Het was een scherp keukenmes met een lemmet van ongeveer 12 centimeter lang.4 Direct na hun ontmoeting in Drachten heeft [medeverdachte] het mes aan [verdachte] laten zien. Op een bepaald moment heeft [medeverdachte] ook tegen [verdachte] gezegd: “Werken de mensen niet mee, dan trek jij of ik een mes”. Ze konden het mes gebruiken om mee te intimideren.5 Na wat te hebben rondgelopen in het centrum van Drachten, zagen [verdachte] en [medeverdachte] twee jongens lopen van wie ze dachten dat ze wel iets van waarde bij zich zouden kunnen hebben. Later bleek dat de twee jongens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren.6[verdachte] en [medeverdachte] bespraken hoe ze zich moesten gedragen.7

Ook hadden ze het erover dat als je luid zegt: ‘Geef me je geld’ of iets in die trant, dat dat dan intimiderend kan overkomen en dat mensen het dan sneller zullen doen. Dat zou worden versterkt doordat ze best lang zijn: [verdachte] is 1.88 meter lang en [medeverdachte] nog iets langer. De buit zouden ze delen.8 Even later zagen ze [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weer lopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren beiden rond de 1.60 meter lang.9 [verdachte] en [medeverdachte] stonden toen in een soort steegje, om het hoekje bij het eethuis in de buurt van de Hema. Het was donker. Ze droegen beiden een capuchon. [medeverdachte] liep als eerste op ze af en sprak hen aan door iets te zeggen als: “Hoeveel money heb je bij je?”. [verdachte] kwam erbij en zei tegen hen dat ze hun zakken leeg moesten maken.10 Ze spraken op een harde toon, zeker niet vriendelijk. Het was eerder schreeuwend.11 [slachtoffer 1] deed wat hem gevraagd werd en haalde een bril uit zijn jaszak. [slachtoffer 2] verzette zich met woorden. [verdachte] en [medeverdachte] zijn uiteindelijk zonder iets buit te hebben gemaakt, weggelopen. Op dat moment zat het mes in de borstzak van de jas van [medeverdachte] . Hij heeft het mes bij de ontmoeting met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet gebruikt of laten zien.12 Al snel daarna merkte [verdachte] op dat ze moesten uitkijken, omdat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terug zouden kunnen komen om hen te pakken te nemen. Ondanks dat bleven [verdachte] en [medeverdachte] rondlopen in het centrum van Drachten. Op een bepaald moment merkten ze dat ze gevolgd werden door drie jongens, waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ze wilden bescherming zoeken bij hun vrienden die ze eerder op de avond bij de Feu hadden zien staan, maar dat was nog een stuk lopen. Terwijl ze gevolgd werden door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [betrokkene] gaf [medeverdachte] het mes aan [verdachte] . Hij zei erbij dat [verdachte] er beter mee kon omgaan.13 Op de Zuidkade werden [medeverdachte] en [verdachte] ingehaald door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en van achteren aangevallen. In de gewelddadige confrontatie die toen volgde heeft [verdachte] [slachtoffer 1] in de borst gestoken met het mes dat hij kort daarvoor van [medeverdachte] had gekregen.14 Als gevolg daarvan is [slachtoffer 1] op 30 december 2019 overleden.15

Bewijsoverwegingen

Feit 1.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezenverklaard dat [verdachte] [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd op 22 december 2019. De rechtbank merkt daarbij nog op dat vaststaat dat [slachtoffer 1] op 30 december 2019 is overleden. Dit staat niet in de weg aan een bewezenverklaring die inhoudt dat het ‘opzettelijk van het leven beroven’ is gepleegd op 22 december 2019. Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 1985 (NJ 1985/821) volgt dat het ‘opzettelijk van het leven beroven’ ook gebeurt op het tijdstip waarop de dader datgene heeft gedaan wat heeft geleid tot de dood van het slachtoffer en niet enkel op het tijdstip waarop het slachtoffer aan het door de dader gepleegde geweld is bezweken.

Feit 2. primair

Voor een veroordeling van de ten laste gelegde poging tot afpersing is voor het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld tegen hem zou worden uitgeoefend.16

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van een bedreiging met geweld ook sprake kan zijn wanneer de dader een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd, dat de vrees van het slachtoffer voor geweld van zijn kant gerechtvaardigd is.

Op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat:

  • -

    [verdachte] en [medeverdachte] op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn afgestapt;

  • -

    het donker was en dat zij in eerste instantie verdekt stonden opgesteld;

  • -

    zij hun capuchon op hadden en hun gezicht niet te zien was;

  • -

    zij aanzienlijk langer zijn dan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

  • -

    zij op een luide en schreeuwende toon zeiden: "hoeveel money heb je bij je?" en "Maak je zakken leeg.”;

  • -

    [slachtoffer 1] vervolgens zijn zakken heeft leeggemaakt.

Door onder deze omstandigheden dit soort dingen te zeggen, hebben [verdachte] en [medeverdachte] een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat vrees voor geweld van de zijde van [verdachte] en [medeverdachte] gerechtvaardigd was. Dat de situatie ook daadwerkelijk bedreigend is geweest voor [slachtoffer 1] blijkt wel uit het feit dat hij zijn zakken heeft leeggemaakt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat niet blijkt dat [slachtoffer 2] ook daadwerkelijk bang is geweest voor geweld. Dit staat een bewezenverklaring op dit punt niet in de weg, omdat het erom gaat dat een gemiddeld mens zich bedreigd kon voelen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en oordeelt dat het onder 2. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 3.

De rechtbank acht op grond van de voornoemde bewijsmiddelen, te weten de bekennende verklaring van [verdachte] en de verklaring van [medeverdachte] , het onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. primair en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 22 december 2019 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem met een mes in het bovenlichaam (de borst) te steken;

2. primair

hij op 22 december 2019 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, op de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met de inzet van fysiek overwicht aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend hebben toegevoegd : "Hoeveel money heb je bij je?" en/of "Maak je zakken leeg", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 22 december 2019 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van een of meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een of meer afpersingen, opzettelijk een mes, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

[verdachte] zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Doodslag.

2. primair Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3. Medeplegen van voorbereiding van afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de doodslag op het standpunt gesteld dat [verdachte] geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Zij heeft aangevoerd dat er weliswaar sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf of dat van een ander, maar dat er geen noodzaak is geweest tot verdediging omdat [verdachte] en [medeverdachte] weg hadden kunnen lopen. Daarnaast is niet uit de stukken en de camerabeelden gebleken dat sprake was van een zodanig heftige vechtpartij dat een verdediging door [verdachte] absoluut noodzakelijk was. Aan de subsidiariteitseis is daarom niet voldaan. En mocht er wel een noodzaak tot verdediging zijn geweest, dan heeft [verdachte] zich niet op een passende wijze verdedigd tegen de vuistslagen van [slachtoffer 1] door hem met een mes te steken. Ook aan de proportionaliteitseis is niet voldaan.

Een beroep op noodweerexces heeft volgens de officier van justitie evenmin kans van slagen. Er is geen noodsituatie geweest en er zijn geen aanwijzingen dat [verdachte] [slachtoffer 1] heeft gestoken met een mes onder invloed van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de aanval op hem door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Tot slot zijn er geen aanwijzingen voor putatief noodweer. Er is geen sprake geweest van een verontschuldigbare dwaling ten opzichte van de noodzaak om zich te verdedigen en de manier waarop [verdachte] zich dacht te moeten verdedigen.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de strafbaarheid van [verdachte] voor de doodslag heeft de raadsvrouw bepleit dat [verdachte] moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces.

De raadsvrouw heeft gesteld dat [verdachte] geconfronteerd is met een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, waartegen verdediging noodzakelijk was.

Er was geen sprake van een situatie waarin hij zich niet aan deze aanranding kon of moest onttrekken. De reactie van [verdachte] voldoet echter niet aan het vereiste van proportionaliteit omdat het gebruik van het mes door hem niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Volgens de raadsvrouw kan deze overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging niet aan [verdachte] worden verweten. Dit is namelijk het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanvallen werd veroorzaakt. Door de felheid en diverse aanvallen, waaronder de laatste plotselinge aanval is bij [verdachte] als onmiddellijk gevolg een hevige gemoedsbeweging van angst, vrees en radeloosheid teweeggebracht.

Ondersteuning hiervoor wordt gevonden in de verklaring van [verdachte] bij het Nederlands Forensisch Instituut waar hij tijdens het onderzoek heeft verklaard dat hij in shock was tijdens het incident en in een reflex heeft gehandeld. Uit dat onderzoek blijkt ook dat de rapporteur heeft geconcludeerd dat [verdachte] ten tijde van het ten laste gelegde wel angstig moet zijn geweest.

Omdat [verdachte] de grenzen van een geboden en noodzakelijke verdediging heeft overschreden door de hevige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt, komt hem een beroep op noodweerexces toe.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweersituatie

Om het beroep op noodweerexces, dat namens [verdachte] is gedaan, te beoordelen moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of [verdachte] zich in een noodweersituatie heeft bevonden.

Op grond van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer slagen als sprake is geweest van een verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdediging moet hierbij noodzakelijk (subsidiariteitseis) en geboden (proportionaliteitseis) zijn geweest.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 22 december 2019 hebben [verdachte] en [medeverdachte] geprobeerd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te persen. Zij zijn uiteindelijk weggelopen zonder iets buit te hebben gemaakt. Op een bepaald moment merkten ze dat ze gevolgd werden door drie jongens, waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [medeverdachte] heeft toen een keukenmes (met een lemmet van 12 cm) dat hij had meegenomen om mensen mee te kunnen intimideren aan [verdachte] gegeven. Op de Zuidkade werden [medeverdachte] en [verdachte] ingehaald door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] schopte [medeverdachte] tegen zijn been. [slachtoffer 2] raakte in gevecht met [verdachte] . [slachtoffer 1] kwam vervolgens ook in gevecht met [verdachte] . [verdachte] werd hierbij geschopt en geslagen. [verdachte] heeft verklaard dat er op enig moment ruimte was tussen hem en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat hij het mes pakte dat hij van [medeverdachte] had gekregen. [slachtoffer 1] probeerde [verdachte] opnieuw aan te vallen, waarna [verdachte] hem met het mes in zijn borst stak. [slachtoffer 1] is op 30 december 2019 aan zijn verwondingen overleden.

De rechtbank vindt dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. [verdachte] en [medeverdachte] werden immers achtervolgd door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en laatstgenoemden waren degenen die de confrontatie opzochten met hen. De daarop volgende schoppen en klappen die [verdachte] van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kreeg, leverden een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding op waartegen hij zich mocht verdedigen.

Daarbij wijst de rechtbank erop dat de poging tot afpersing die hieraan vooraf is gegaan, niet maakt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enige tijd later (bij wijze van eigenrichting) op deze manier de confrontatie mochten zoeken.

Die omstandigheid neemt dus de wederrechtelijkheid van hun handelen niet weg. De verdediging door [verdachte] is bovendien noodzakelijk geweest.

Uit de verklaringen van [verdachte] bij de politie en op de zitting en ook uit de camerabeelden blijkt dat [verdachte] van dichtbij werd aangevallen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij bleven ook steeds op korte afstand van [verdachte] en trokken zich niet terug uit het gevecht. Van groot belang vindt de rechtbank ook dat de confrontatie in een ontzettend kort tijdsbestek van ongeveer 15 seconden plaatsvond (vanaf het moment dat [slachtoffer 1] [medeverdachte] voor de eerste keer schopte tot de steekwond die [verdachte] bij [slachtoffer 1] toebracht). Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van [verdachte] kon en mocht worden gevergd dat hij op dat moment een andere keuze maakte dan zich te verdedigen. Weglopen en zijn aanvallers de rug toekeren was voor hem geen reëel alternatief; daarvoor was de situatie voor hem te bedreigend. In die zin was er dan ook sprake van een noodzakelijke verdediging en is voldaan aan de subsidiariteitseis.

De proportionaliteitseis wordt gesteld om niet ook dan een gedraging straffeloos te laten zijn als hij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband - tot terughoudendheid nopende - maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de manier waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist. 17

Hoewel [verdachte] zich mocht verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen hem, vindt de rechtbank dat de manier die hij heeft gekozen om zich te verdedigen, te ver ging. Het steken met het keukenmes in de borst op een plek waar zich vitale structuren bevinden -als verdedigingsmiddel- stond niet in redelijke verhouding tot de ernst van wat [verdachte] werd aangedaan. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] schopten en sloegen hem met de vuist zonder dat daardoor letsel bij [verdachte] is ontstaan. [verdachte] is dus over de grenzen van de noodzakelijke verdediging heengegaan.

Noodweerexces

Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan alleen sprake zijn als die overschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.

De rechtbank heeft gekeken naar wat [verdachte] heeft verklaard over wat hij heeft gedacht en/of gevoeld tijdens de gewelddadige confrontatie. Bij zijn aanhouding heeft [verdachte] het volgende verklaard (pagina 20 van het dossier): “De persoon die wij wilden beroven ging met ons op de vuist waarna ik hem in een reactie eenmaal in de borst heb gestoken”. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard: “Ik werd door twee jongens aangevallen op het moment dat ik het mes trok. Het was een reflex om mijzelf te verdedigen”. Bij de politie heeft [verdachte] verklaard: “Ik heb de jongen geraakt. Ik raakte in shock en dacht wat gebeurt er met mij? (pagina 313 van het dossier) en “Toen het steken eenmaal was gebeurd, dacht ik meteen van: ‘Wat heb ik nou eigenlijk gedaan?’. Ik raakte in paniek.” (pagina 325 van het dossier)

Bij de politie (pagina 324 van het dossier) heeft hij nog verklaard op de vraag hoe de sfeer was: “Tijdens het gevecht van mijn kant verward. Die andere jongens waren vooral boos, wraakzuchtig vooral, dat gevoel had ik. Ik paniekte eigenlijk”.

[verdachte] heeft op de zitting opnieuw verklaard dat hij heeft gestoken in een reflex. Verder heeft hij verklaard dat hij bang was toen hij de steekbeweging maakte en dat hij vol adrenaline zat.

Naast de verklaringen van [verdachte] heeft de rechtbank rekening gehouden met wat [slachtoffer 2] bij de politie heeft verklaard over het moment van steken: “Ik vraag me nog steeds af…er was geen enkele aarzeling. Ik vraag me dat nog steeds af. Je kan dreigen met een mes, maar waarom gelijk er op los steken? Hij ging er echt op los” (pagina 170 van het dossier). Die verklaring sluit goed aan op wat de rechtbank op de beelden heeft gezien, namelijk dat het ontzettend snel gegaan is. Tussen de eerste trap van [slachtoffer 1] op het been van [medeverdachte] en de messteek die [verdachte] bij [slachtoffer 1] heeft toegebracht, zitten maar 15 seconden.

Uit de verklaring van [verdachte] in combinatie met de camerabeelden blijkt dat er maar een paar seconden zitten tussen het trekken van het mes en het steken van [slachtoffer 1] . Dat past bij wat [verdachte] heeft verklaard, namelijk dat hij in een reflex heeft gestoken. De paniek kwam daarna.

De rechtbank vindt niet aannemelijk geworden dat [verdachte] heeft gestoken als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door het geweld tegen hem. Dat [verdachte] ook bang is geweest en stress heeft ervaren, neemt de rechtbank aan, maar dat maakt haar oordeel niet anders. Het is niet aannemelijk geworden dat deze factoren van doorslaggevend belang zijn geweest voor het steken met het mes zoals [verdachte] dat heeft gedaan. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces.

Omdat het beroep op noodweerexces is verworpen en ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit, acht de rechtbank hem strafbaar.

Motivering van de op te leggen straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] ter zake van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het aantal dagen voorarrest op 8 juli 2020 en oplegging van de onvoorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).

Ten aanzien van de gevorderde onvoorwaardelijk PIJ-maatregel heeft zij aangevoerd dat het belangrijk is dat [verdachte] zo lang en zo goed mogelijk wordt behandeld. Oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel zou betekenen dat de behandeling van [verdachte] maximaal twee jaar kan duren. Zij acht dit te risicovol. De kans bestaat namelijk dat [verdachte] na twee jaar nog niet is uitbehandeld en desondanks weer terugkeert in de maatschappij. Met een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel – die langer dan twee jaar kan duren – wordt dit voorkomen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. Zij heeft haar standpunt onderbouwd door te verwijzen naar de adviezen van de deskundigen. Zij hebben allen een voorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd met een behandeling bij de [GGZ-instelling] . [verdachte] is hiervoor ook gemotiveerd en wil naar de [GGZ-instelling] . Nu nog niet duidelijk is wanneer er een plek voor [verdachte] in de [GGZ-instelling] is, verzoekt de raadsvrouw de zaak aan te houden.

Zodra [verdachte] terecht kan in de [GGZ-instelling] zal zij een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] doen, zodat hij kan beginnen in de [GGZ-instelling] .

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de onderzoeken ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aard en ernst van het bewezenverklaarde

[verdachte] heeft samen met [medeverdachte] een plan gemaakt om mensen af te persen en met dat doel heeft [medeverdachte] een mes meegenomen. Onder bedreiging van geweld hebben zij twee leeftijdsgenoten geprobeerd af te persen. Dat dat niet gelukt is, is vooral te danken aan het feit dat één van hen woordelijk verzet bood. Nadat de bijna afgeperste jongens hadden besloten het er niet bij te laten zitten, zijn zij door het centrum van Drachten gaan lopen, op zoek naar [verdachte] en [medeverdachte] . Toen zij merkten dat ze werden achtervolgd door de jongens, heeft [medeverdachte] het mes aan [verdachte] gegeven. De jongens, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , vielen [verdachte] en [medeverdachte] aan, waarna zij met elkaar in gevecht raakten. In dat gevecht heeft [verdachte] [slachtoffer 1] met het mes gestoken. [slachtoffer 1] is acht dagen later aan zijn verwonding overleden.

[verdachte] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan doodslag, één van de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De rechtbank rekent dit [verdachte] zeer aan. [verdachte] heeft met zijn handelen [slachtoffer 1] , die nog een heel leven voor zich had, het leven ontnomen. Daarnaast heeft hij bij de nabestaanden en vrienden van [slachtoffer 1] een onherstelbaar verdriet om en enorm gemis van [slachtoffer 1] veroorzaakt. Dit is onder meer gebleken uit de indringende slachtofferverklaring van de vader van [slachtoffer 1] ter zitting.

Het dragen van messen door jongeren is de afgelopen tijd veel in het nieuws geweest. Daarbij valt op hoe licht jongeren daarover denken. In deze zaak is pijnlijk duidelijk geworden hoe ernstig de gevolgen daarvan kunnen zijn.

Bovendien laat deze zaak zien dat jongeren niet genoeg nadenken over wat er kan gebeuren als je een mes bij je hebt. Als je het mes vervolgens trekt, dan bestaat de mogelijkheid dat je daarmee iemand verwondt, mogelijk zelfs met de dood als gevolg. Het is belangrijk dat jongeren zich bewust worden van dit gevaar.

Door wat er is gebeurd op 22 december vorig jaar is veel onrust ontstaan. Niet alleen in Drachten, maar ook daarbuiten. Mensen voelen zich onveilig wanneer jongeren gewapend met messen over straat lopen. Die gevoelens van onveiligheid slaan om in angst en woede wanneer risico’s van het op straat bij zich hebben van een mes zich verwezenlijken.

Strafblad en rapportages

Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Over [verdachte] zijn verschillende rapportages opgemaakt. De rechtbank heeft met name gekeken naar de volgende rapportages:

- het Triple onderzoek Pro Justitia d.d. 16 mei 2020 opgemaakt door dr. R.F. Ferdinand, kinder- en jeugdpsychiater, L. Schoenmaker, GZ-psycholoog, M. Korsten, orthopedagoog-generalist en R. Schoorlemmer, forensisch milieuonderzoeker;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 23 juni 2020.

Ter zitting is op de rapportages een toelichting gegeven door B. de Haan namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), M. Terwisscha van Scheltinga namens het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid en L. Schoenmaker en M. Korsten voornoemd.

PIJ-maatregel en jeugddetentie

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het noodzakelijk is dat [verdachte] een behandeling ondergaat. De vraag is in welk kader dit dient plaats te vinden. De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel gevorderd en de raadsvrouw heeft gepleit voor een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

De vereisten om een PIJ-maatregel op te leggen staan opgesomd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het moet gaan om een strafbaar feit met - voor zover van belang - een strafmaximum van tenminste vier jaren gevangenisstraf, er moet sprake zijn van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van verdachte, de veiligheid van personen of de algemene veiligheid van personen of goederen moet oplegging van de maatregel eisen en de maatregel moet in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat de door [verdachte] gepleegde feiten onder 1. en 2. primair feiten betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Uit het Triple Onderzoek blijkt dat de deskundigen hebben geconcludeerd dat er bij [verdachte] sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm een normoverschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale, vermijdende en narcistische trekken.

Volgens de deskundigen is het aannemelijk dat de bij [verdachte] aanwezige disfuncties, zijn gebrekkige eigenheid en beïnvloedbaarheid, zijn naïviteit in sociale contacten, de gebrekkige mentaliserende vermogens, de gebrekkige empathie en de verstoorde gewetensontwikkeling, een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de gepleegde feiten. [verdachte] wilde op de bewuste avond graag iets stoers doen om zijn zelfgevoel te vergroten. Hierbij was angst ondergeschikt of voelde hij geen angsten en hij heeft niet gedacht aan wat zijn handelen voor de slachtoffers zou betekenen. De psycholoog heeft beschreven dat [verdachte] in eerste instantie de eigen agressie onderdrukt en dat hij negatieve gevoelens van prikkelbaarheid en vijandigheid ten opzichte van anderen ontkent. Wanneer [verdachte] emotioneel onder druk komt te staan en de intensiteit van zijn emoties toeneemt, ontstaat het risico op acting out gedrag waarbij [verdachte] zichzelf niet meer voldoende onder controle heeft. Het is voorstelbaar dat het acting out gedrag heeft meegespeeld bij de feiten.

Op grond van het rapport van de deskundigen stelt de rechtbank vast dat er sprake was van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van [verdachte] . Deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling waren volgens de deskundigen ook aanwezig ten tijde van de gepleegde feiten. Om die reden is door de deskundigen geadviseerd om [verdachte] de feiten in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en vindt [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar.

Er is een aantal risicofactoren dat zich met name bevindt in de persoon van [verdachte] zelf en in de sociale context. De beschermende factoren (waaronder betrokkenheid van ouders en de wil van [verdachte] om naar school te gaan) kunnen hier onvoldoende tegenop. De deskundigen schatten de kans op recidive bij het wegvallen van toezicht hoog in, zeker op langere termijn als er geen passende behandeling zou zijn. Dit geldt ook zeker voor het risico op geweld. Mocht [verdachte] in een situatie komen waarin hij zich opnieuw onder druk voelt staan van anderen en mocht hij dan opnieuw over een wapen beschikken, dan is het voorstelbaar dat zich een recidive van geweld met een wapen voordoet. Er is namelijk tot op heden nog niet veel veranderd aan de risicofactoren die hebben bijgedragen aan de feiten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het gevaarscriterium is voldaan en dat de veiligheid van personen of de algemene veiligheid van personen een oplegging van de PIJ-maatregel eist.

Volgens de deskundigen is oplegging van een PIJ-maatregel niet alleen nodig om het recidivegevaar te beperken maar ook om een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] te bevorderen. Een ambulant traject alleen is daarvoor onvoldoende.

Er is een langdurig klinisch forensisch behandeltraject noodzakelijk, eerst binnen een gesloten setting, gevolgd door een intensief ambulant traject, om een verdere scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling van [verdachte] te voorkomen en het recidiverisico te verkleinen. Tegelijkertijd is het van belang dat [verdachte] in een setting wordt behandeld met een zo optimaal mogelijk behandelklimaat, dat naast de behandeling ook bescherming biedt. Hoewel zijn persoonlijkheidsontwikkeling is bedreigd, is het de inschatting dat deze scheefgroei nog wel gekeerd kan worden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de vereisten om een PIJ-maatregel op te kunnen leggen, zoals is neergelegd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht.

Vervolgens moet de rechtbank de afweging maken of kan worden volstaan met een voorwaardelijke PIJ-maatregel of dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden opgelegd.

Anders dan de officier van justitie en met alle deskundigen en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel de voorkeur verdient. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de deskundigen een afronding van de behandeling binnen twee jaar haalbaar achten. De deskundigen adviseren behandeling van [verdachte] in de [GGZ-instelling] . Die instelling zou de voor [verdachte] meest passende zorg kunnen verlenen. Zowel de Raad voor de Kinderbescherming als het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid hebben aangegeven dat het klinische deel van de behandeling volgens informatie van de [GGZ-instelling] een jaar of iets langer zal duren. Als zich geen bijzonderheden voordoen is de verwachting dat de klinische behandeling en het ambulante vervolgtraject binnen twee jaar kunnen zijn afgerond, realistisch. In het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel kan – anders dan in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel – opname en behandeling door de [GGZ-instelling] plaatsvinden en [verdachte] is hiervoor gemotiveerd en zijn ouders ondersteunen deze plaatsing en behandeling ook. De intake van [verdachte] bij de [GGZ-instelling] is positief verlopen. Hij kan daar worden opgenomen. De rechtbank zal dan ook een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan [verdachte] opleggen, met als belangrijkste voorwaarde dat hij wordt opgenomen en behandeld in de [GGZ-instelling] .

Het verzoek van de raadsvrouw om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van een concrete opnamedatum zal de rechtbank afwijzen. Ter zitting is namens de Raad en de jeugdreclassering meegedeeld dat er naar verwachting in augustus één of meer behandelplekken in de [GGZ-instelling] vrijkomen. Een precieze datum is echter niet te geven. De [GGZ-instelling] heeft aangegeven dat [verdachte] waarschijnlijk vóór 1 september a.s. kan worden opgenomen. Uit informatie die namens de Raad en de jeugdreclassering is gegeven heeft de rechtbank opgemaakt dat als er een plek vrijkomt, deze enige tijd kan worden vastgehouden voor [verdachte] .

De rechtbank zal – naast de PIJ-maatregel – aan [verdachte] een jeugddetentie opleggen. De rechtbank vindt dat [verdachte] niet alleen behandeld moet worden om de kans op herhaling van strafbaar gedrag te verkleinen, maar ook straf verdient voor wat hij heeft gedaan. De duur van de jeugddetentie is zodanig dat wanneer deze ten einde komt (volgens de berekening van de rechtbank op 11 september 2020), [verdachte] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aansluitend kan worden opgenomen in de [GGZ-instelling] .

De voorwaardelijk op te leggen maatregel zal bij een eventuele tenuitvoerlegging verlengbaar zijn tot een termijn van maximaal zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, omdat [verdachte] veroordeeld wordt wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, namelijk de doodslag op [slachtoffer 1] . Gelet op de inhoud van de rapportages die over [verdachte] zijn opgemaakt, is rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] wederom een dergelijk misdrijf zal begaan wanneer hij niet wordt behandeld. Daarom zal zij bevelen dat de op grond van art. 77z Sr aan [verdachte] te stellen voorwaarden en het op grond van art. 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank kan zich voorstellen dat oplegging van deze straf en maatregel door de nabestaanden als teleurstellend wordt ervaren. Er is geen enkele straf denkbaar die het leed en het verdriet van het gemis van hun zoon, broer, kleinzoon, neef en vriend goed kan maken. Rekening houdend met alle omstandigheden die hiervoor genoemd zijn, is dit naar het oordeel van de rechtbank de juiste afdoening van deze zaak.

De rechtbank zal tot slot de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen met ingang van het moment waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de onvoorwaardelijke jeugddetentie (11 september 2020).

Benadeelde partijen

[vader slachtoffer 1] , [moeder slachtoffer 1] en [broertje slachtoffer 1] , respectievelijk de vader, moeder en het broertje van [slachtoffer 1] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt:

- voor de vader bedragen van € 20.000 (affectieschade) en € 20.000 (shockschade);

- voor de moeder bedragen van € 20.000 (affectieschade) en € 20.000 (shockschade);

- voor het broertje bedragen van € 17.500 (affectieschade) en € 20.000 (shockschade).

Elk van de benadeelde partijen heeft – op grond van artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek – hoofdelijke veroordeling van de toe te wijzen bedragen gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2019 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden toegewezen, waarbij voor wat betreft de schadevergoedingsmaatregel het aantal dagen gijzeling zal worden gesteld op nul.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vorderingen betwist. Zij heeft daarbij onder andere aangevoerd dat de hoogte van de affectieschade in ieder geval moet worden gematigd. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat in het geval van de vader en het broertje niet aan de vereisten voor toewijzing van de shockschade wordt voldaan.

Het oordeel van de rechtbank

Affectieschade

Uit artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat naasten, als bedoeld in het vierde lid, aanspraak kunnen maken op forfaitaire bedragen. Die bedragen zijn vastgesteld bij het Besluit vergoeding affectieschade.

 ouders

In artikel 6:108, vierde lid aanhef en onder c BW zijn ouders van de overledene aangemerkt als naaste. Het Besluit vergoeding affectieschade geeft ouders van de overledene aanspraak op een bedrag van € 20.000.

Voor matiging van het forfaitaire bedrag, zoals door de verdediging is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats.

De omstandigheid dat [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn staat aan toerekening van deze schade aan hem naar maatstaven van civielrecht niet in de weg.

Datzelfde geldt voor de omstandigheden dat hij nog niet zo lang zelf aansprakelijk is voor schade die hij heeft veroorzaakt ( [verdachte] is op [geboortedatum] 2018 14 jaar oud geworden) en dat hij op dit moment nauwelijks draagkracht heeft. Deze omstandigheden leiden er, ook in onderlinge samenhang bezien, niet toe dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het forfaitaire bedrag wordt toegewezen. Gelet op het grote verschil in gewicht tussen de ‘fouten’ die aan [verdachte] respectievelijk [slachtoffer 1] kunnen worden verweten (doodslag tegenover een mede door [slachtoffer 1] ingezette aanval zonder wapens en zonder dat bij [verdachte] letsel is ontstaan), bestaat evenmin grond voor het toerekenen van een deel van de schade aan [slachtoffer 1] zelf in het kader van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. De rechtbank zal de vorderingen van de ouders tot vergoeding van affectieschade geheel toewijzen.

 het broertje

Namens het broertje van [slachtoffer 1] is een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid aanhef en onder g BW. Daarbij is erop gewezen dat hij drie jaar jonger is dan [slachtoffer 1] , zijn hele leven in gezinsverband met hem heeft samengeleefd en zij een goede band hadden, zoals dat voor broers met een dergelijk leeftijdsverschil gebruikelijk is.

Broers of zussen zijn in artikel 6:108, vierde lid BW niet als aparte categorie als naaste in de zin van het derde lid aangemerkt. Zij horen in beginsel dus niet bij de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op affectieschade.

Op grond van artikel 6:108, vierde lid aanhef en onder g BW kan “een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt” ook aanspraak maken op affectieschade. Dit is de zogenaamde hardheidsclausule.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel affectieschade wordt de broer wel genoemd als voorbeeld voor toepassing van deze hardheidsclausule. De memorie van toelichting noemt daarbij als voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen (Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3 (MvT), p. 15). Bij de behandeling van deze wetgeving heeft de minister aan de Eerste Kamer geantwoord: ‘Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen’ (Kamerstukken I 2016/17, 34257, nr. C, p. 6. en Kamerstukken I 2017/18, 34257, nr. E, p. 5).

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat uit wat namens het broertje is gesteld, niet volgt dat zijn relatie met [slachtoffer 1] anders of meer bijzonder was dan tussen broers van die leeftijd gebruikelijk is en dat hij om die reden als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder g, BW zou kunnen worden aangemerkt. De uitspraken van andere rechtbanken waarnaar is verwezen, maken dit oordeel niet anders. De rechtbank zal de vordering op dit punt dan ook afwijzen.

Shockschade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.

Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.18

Namens de moeder is aangevoerd dat zij [slachtoffer 1] heeft aangetroffen op de plaats van het misdrijf, zij met hem in de ambulance is meegegaan en getuige is geweest van de hulp die is verleend, waaronder diverse reanimatiepogingen. Daarnaast heeft zij aan de hand van een verklaring van een psycholoog aangegeven dat zij als gevolg daarvan lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, namelijk een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

Het geestelijk letsel van de moeder acht de rechtbank van zodanig ernstige aard dat moet worden aangenomen dat zij daardoor in haar persoon is aangetast. Dat leidt tot toewijzing van een bedrag aan immateriële schade, oftewel smartengeld. Toekenning van smartengeld doet recht aan het feit dat het opgelopen letsel erkenning verdient.

Inherent aan elk bedrag is echter dat de mate waarin die erkenning wordt ervaren, per persoon kan verschillen. Daarom kan de subjectieve wens van de moeder ten aanzien van de hoogte van het bedrag niet beslissend zijn, maar gaat het erom naar billijkheid een bedrag vast te stellen. Gelet op de ernst van het aan de [verdachte] te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het door de moeder opgelopen letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de moeder, acht de rechtbank een bedrag van € 10.000 passend. De rechtbank heeft daarbij gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Tot slot heeft de toewijzing van de affectieschade aan de moeder een matigende werking op het bedrag aan shockschade dat de rechtbank billijk vindt. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Voor de vader en het broertje is dat anders. De vraag ligt voor of is voldaan aan het confrontatievereiste. Uit de verklaring die de vader bij de politie heeft afgelegd lijkt te volgen dat hij op enige afstand is gebleven en het broertje in de bij de plaats van het misdrijf geparkeerde auto is blijven zitten. Daarnaast is het de vraag of bij hen een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf. Daarbij komt dat ten aanzien van het broertje wel is gesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar dat dit niet is onderbouwd.

Voor wat betreft de bij de vader gestelde diagnose van PTSS is door de verdediging als verweer aangevoerd dat niet blijkt dat de PTSS is ontstaan door de confrontatie met (de ernstige gevolgen van) het misdrijf. De rechtbank acht zich er niet van verzekerd dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen wat zij ter onderbouwing van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de voegingsprocedure in het strafproces slechts in beperkte mate plaats biedt aan bewijslevering; zo kunnen blijkens art. 334 lid 1 Sv door de benadeelde partij zelf geen getuigen of deskundigen worden aangebracht.

Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM brengt mee dat de vorderingen tot vergoeding van shockschade van de vader en het broertje van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Hoofdelijkheid

De benadeelde partijen hebben aangevoerd dat [verdachte] op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de door hen geleden schade. Vaste rechtspraak, zie onder andere het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2016), houdt in dat óók in geval van medeplichtigheid uitgegaan kan worden van hoofdelijke aansprakelijkheid als daarvoor op grond van het burgerlijke recht aanleiding bestaat. Nu [medeverdachte] is veroordeeld voor medeplichtigheid aan doodslag van [slachtoffer 1] , zal de rechtbank uitgaan van hoofdelijkheid, voor zover de vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen.
Schadevergoedingsmaatregel / rente / proceskosten

Nu vast staat dat [verdachte] tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door hem wordt vergoed. Gelet op het feit dat [verdachte] nog erg jong is en er geen aanwijzingen zijn dat hij onwillig is de schade te vergoeden, zal de rechtbank het maximum aantal dagen gijzeling op nul bepalen.

De wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen zal worden toegewezen vanaf 22 december 2019 tot en met de dag van algehele voldoening.

De rechtbank zal [verdachte] hoofdelijk veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 46, 47, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Wijst het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw af.

Verklaart het onder 1., 2. primair en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 265 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Bepaalt, dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:

1. zich zal laten opnemen in de [GGZ-instelling] , [GGZ-instelling] , of een soortgelijk instelling, voor zolang als die instelling, in overleg met de jeugdreclassering, dat nodig acht;

2. wordt verplicht zich onder behandeling van de [GGZ-instelling] , of een soortgelijke instelling, te laten stellen, voor zolang als die instelling, in overleg met de jeugdreclassering, dat nodig acht;

3. aansluitend aan de opname en behandeling bij de [GGZ-instelling] een ambulante behandeling zal volgen, bij een instelling nader te bepalen door de jeugdreclassering en voor zolang als die instelling, in overleg met de jeugdreclassering, dat nodig acht;

4. zich binnen 7 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid op het adres Tesselschadestraat 2 te Leeuwarden en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht, waarvan de eerste zes maanden na uitstroom vanuit de [GGZ-instelling] in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern.

Geeft aan het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid te Leeuwarden opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien hoofdelijk, aldus dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd, tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2019.

Legt aan verdachte, hoofdelijk, aldus dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd, de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [vader slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2019 en bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 0 dagen. Dit bedrag bestaat uit € 20.000,00 aan affectieschade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [vader slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of zijn mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien hoofdelijk, aldus dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd, tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 30.000,00 (zegge: dertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2019.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd, de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [moeder slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 30.000,00 (zegge: dertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2019 en bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 0 dagen. Dit bedrag bestaat uit € 20.000,00 aan affectieschade en € 10.000,00 aan shockschade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [moeder slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of zijn mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer 1] voor het overige af.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [broertje slachtoffer 1] tot vergoeding van affectieschade af en verklaart zijn vordering tot vergoeding van shockschade niet-ontvankelijk. De vordering tot vergoeding van de shockschade kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J. Dijkstra en mr. G.W.G. Wijnands, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2020.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2019339235, gesloten op 6 maart 2020.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 7 januari 2020, pagina 129 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 321.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020.

4 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 27 december 2019, pagina 354 en de bijbehorende foto van het mes, pagina 356.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 313.

6 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 313.

7 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 januari 2020, pagina 331.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 januari 2020, pagina 331

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 324.

10 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 20 januari 2020, pagina 360.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 25 januari 2020, pagina 160.

12 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 20 januari 2020, pagina 360.

13 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020, het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 313 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 januari 2020, pagina 335.

14 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 23 december 2019, pagina 86.

15 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 27 februari 2020, pagina 68 tot en met 73.

16 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.

17 Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.

18 vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241.