Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2386

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
LEE 20/1872
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet na aantreffen grote partijen drugs. Geen gedeeltelijke sluiting omdat de ruimte waarin de drugs zijn aangetroffen geen aparte functionele eenheid vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1872

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J. Schimmel),

en

De burgemeester van de gemeente Waadhoeke, verweerder

(gemachtigde: P. Fröhlich).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat het pand op het adres [adres] (hierna: het pand) per 8 juli 2020 voor een periode van twaalf maanden wordt gesloten.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft voor een deel van de stukken, te weten de bestuurlijke rapportage en aanvullende foto’s, medegedeeld dat uitsluitend de bestuursrechter hiervan kennis mag nemen. Bij uitspraak van 29 juni 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisgeving gerechtvaardigd is. Bij brief van 1 juli 2020 hebben verzoekers toestemming gegeven voor kennisname van de betreffende stukken door de bestuursrechter.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door

S.R. Boelens.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Op 2 maart 2020 heeft de politie Noord-Nederland een inval gedaan in het pand en daarbij [betrokkene] , zoon en broer van verzoekers, gearresteerd. Bij de inval heeft de politie onder meer aangetroffen 2178,57 gram hennep, 1385,61 gram hasjiesj, 1926,86 gram cocaïne, 11,77 gram MDMA, 10,029 gram amfetamine, 185,57 gram ketamine, een weegschaal, € 29.525 en 32.800 Noorse Kronen, een boksbeugel, een mes en een encrypted smartphone.

2.2.

Verzoekers [verzoekers] zijn eigenaar van het pand en wonen in het pand. Daarnaast is het bedrijf van verzoekster [verzoekster] in het pand gevestigd. Verzoekers [verzoekers] hebben in het pand werkplaatsen voor hun bedrijven.

2.3.

Cocaïne, MDMA en amfetamine zijn opgenomen in lijst I van de Opiumwet.

Hennep en hasjiesj zijn opgenomen in lijst II van de Opiumwet.

3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.1.

Gezien het aantreffen van de middelen opgenomen in lijst I en II van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.

4.2.

De ‘Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Waadhoeke houdende regels omtrent drugs’ bepaalt in 3.2.3 dat bij het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs de maatregel wordt genomen van sluiting voor een duur van minimaal 3 maanden tot maximaal 12 maanden.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat de aangetroffen grote hoeveelheden drugs en de andere goederen duiden op verbondenheid met zware georganiseerde criminaliteit. Dit wordt bevestigd door de inhoud van de bestuurlijke rapportage. Dit betekent dat een sluiting overeenkomstig de wet en het beleid is. Dat dorpsbewoners kennelijk geen overlast hebben ervaren en niets hebben gemerkt van drugshandel, zoals blijkt uit een aantal steunbetuigingen, heeft niet tot gevolg dat verweerder niet de noodzaak van een sluiting heeft mogen aannemen. Gesproken kan worden van een ernstige verstoring van de openbare orde. Ook de omstandigheid dat niet is gebleken dat, behalve [betrokkene] , de andere bewoners en gebruikers van het pand weet hadden van de aanwezigheid van drugs, heeft niet tot gevolg dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van de sluitingsbevoegdheid.

5.1.

Verzoekers hebben aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is om het gehele pand te sluiten dan wel dat de sluiting van het gehele pand noodzakelijk noch evenredig is.

5.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich in meerdere uitspraken uitgelaten over de vraag of volstaan kan of dient te worden met gedeeltelijke sluiting, onder meer in de uitspraak van 27 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2097, van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2314, van 7 september 2016, ECLI:NL:2016:2401 en van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333.

De voorzieningenrechter leidt uit deze uitspraken af dat de bevoegdheid tot sluiting van een andere ruimte dan waarin de drugs zijn aangetroffen, per geval beoordeeld moet worden en dat de burgemeester de keuze om een pand in het geheel te sluiten, voldoende moet motiveren. Verweerder is daarin geslaagd.

5.3.

De drugs zijn aangetroffen in het gedeelte van de bovenverdieping/zolder van het pand waar [betrokkene] sinds enige maanden voorafgaand aan de inval woonde. Gezien de foto’s, plattegrond en de film die verzoekers hebben ingediend en de toelichting van partijen ter zitting, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat dit gedeelte van de zolder geen zelfstandige functie heeft. De door [betrokkene] gebruikte ruimte is, behalve via een buitentrap, direct toegankelijk vanuit de hal op de benedenverdieping en is met deuren verbonden met de rest van de bovenverdieping. Dat de deuren zijn voorzien van sloten maakt dit niet anders. De ruimte waar de drugs zijn aangetroffen valt niet te beschouwen als een afzonderlijke eenheid binnen het pand. De bevoegdheid tot sluiting strekt zich daarom uit tot het gehele pand.

Tevens betekent dit dat verweerder, die in het pand zelf de situatie in ogenschouw is gaan nemen, voldoende heeft onderbouwd waarom sluiting van het hele pand geboden is om de locatie van de overtreding te onttrekken aan de drugshandel.

5.4.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat verzoekers hun stelling dat de sluiting van het gehele pand voor hen verstrekkende financiële gevolgen heeft, voldoende hebben onderbouwd. Desondanks heeft verweerder in redelijkheid bij afweging van de betrokken belangen het algemeen belang bij sluiting (van het gehele pand) meer gewicht kunnen toekennen. De zeer ingrijpende gevolgen van een sluiting zijn reeds bij het opstellen van het beleid betrokken. De omstandigheden van het geval zijn niet zo bijzonder dat de gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de doelen van het beleid zoals het zichtbaar optreden tegen drugshandel. Hierbij is van belang dat tegenover de ernst van de gevolgen van sluiting de ernst van de geconstateerde overtreding staat.

6. Verzoekers betogen dat gezien het tijdsverloop tussen de inval en de sluiting de maatregel niet meer leidt tot het beoogde doel van herstel van een normale toestand. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de periode, te weten 4 maanden, nog niet zo lang is dat verweerder geen gebruik meer had mogen maken van de bevoegdheid tot sluiting. Daartoe wordt overwogen dat dit tijdsverloop grotendeels veroorzaakt is door de zorgvuldigheid van de besluitvorming van verweerder, in die zin dat verzoekers de gelegenheid hebben gekregen een zienswijze in te dienen en dat verweerder de situatie ter plaatse in ogenschouw is gaan nemen. Ook in het tijdsverloop is daarom geen reden gelegen voor treffen van een voorziening.

7. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.