Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2378

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
17172528
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De moeder verzoekt vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing (een e-mailbericht van de gecertificeerde instelling) waarin haar wordt verteld dat vanwege het coronavirus de omgang met het kind vooreerst geen doorgang kan hebben. Dit vanwege het beleid van REIK, de organisatie waartoe het meeleefgezin behoort, waarbij de omgang is beperkt. En verder vanwege de kwetsbare gezondheid van de leden van het pleeggezin, en dan met name de pleegmoeder. De kinderrechter is van oordeel dat het e-mailbericht aangemerkt dient te worden als een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. Het feit dat er geen voor aankondiging is verstuurd, is geen reden voor de kinderrechter om de aanwijzing vervallen te verklaren. Dit heeft te maken met de zeer uitzonderlijke omstandigheden door de uitbraak van het coronavirus. Aan de voorbereiding van het besluit kunnen dan niet dezelfde eisen gesteld worden. De gecertificeerde instelling heeft onder de gegeven omstandigheden zich voldoende ingespannen om te overleggen met de moeder en haar mening meegewogen. Terecht is de veiligheid van de pleegouders de eerste weken doorslaggevend geweest en mocht de omgang tijdelijk stopgezet worden. Inmiddels is er al een eerste omgangsmoment gepland, waardoor de kinderrechter begrijpt dat de bestreden aanwijzing inmiddels is ingetrokken. De kinderrechter stelt verder een omgangsregeling vast en is van oordeel dat het belang van de minderjarige om omgang te hebben met zijn moeder prevaleert boven het belang van de pleegouders om een lange aaneengesloten periode vakantie te vieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/24.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/172528 / FJ RK 20-386

datum uitspraak: 12 juni 2020

beschikking beperking contact ouder met gezag en minderjarige en tevens vaststellen omgangsregeling ex artikel 1:265f BW


in de zaak van

[naam] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de kinderrechter bekend adres,

advocaat: mr. A.L. Witteveen,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),

gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[naam] , geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

de heer en mevrouw [naam] , hierna te noemen de pleegouders of meeleefouders.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 21 april 2020, ingekomen bij de griffie op

21 april 2020;

- het faxbericht met bijlagen van de moeder, ingekomen bij de griffie op 27 mei 2020;

- het faxbericht met bijlage van de GI, ingekomen bij de griffie op 29 mei 2020.

1.2.

Vanwege het beleid van de Raad voor de Rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De betrokkenen zijn in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 29 mei 2020 gelijktijdig telefonisch gehoord:

- de moeder;

- mr. A.L. Witteveen, advocaat van de moeder;

- de pleegmoeder/meeleefmoeder;

- mevrouw [naam] , namens de GI.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

2.2.

[minderjarige] woont in een meeleefgezin van Reik.

2.3.

Bij beschikking van 31 januari 2020 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 februari 2021.

2.4.

De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , in een voorziening voor pleegzorg, verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.5.

De GI heeft op 8 april 2020 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en [minderjarige] beperkt. Deze beperking houdt in:

''Vanuit de WSG hebben we het besluit genomen dat er geen fysieke omgang zal plaatsvinden. De redenen hiervoor zijn dat [pleegvader] en [pleegmoeder] een verhoogde kwetsbaarheid hebben, zolang de maatregelen rondom het Coronavirus gelden blijft dit van kracht. Wanneer er andere besluiten worden genomen door het RIVM en/of WSG zal ik dit natuurlijk gelijk oppakken en met jullie communiceren.

Tot die tijd blijft staan dat er wekelijks een videomoment tussen jou, [moeder] en [minderjarige] zal plaatsvinden.''

3 Het verzoek

3.1.

De moeder heeft verzocht:

I. de schriftelijke aanwijzing geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren;

II. een omgangsregeling te bepalen waarbij één keer in de twee weken op zaterdag van 9:30 - 16:30 fysieke omgang plaatsvindt, dan wel een omgangsregeling te bepalen die Uw Rechtbank in goede justitie juist acht.

Ter zitting heeft mr. Witteveen het verzoek in die zin gewijzigd dat verzocht wordt een omgangsregeling te bepalen waarbij de omgang eenmaal per drie weken op de zaterdag plaatsvindt van 09.30-10.00 uur tot 18.30-19.00 bij de moeder thuis.

4 Het standpunt van de moeder

4.1.

De moeder voert aan dat het e-mailbericht van de GI van 8 april 2020 voldoet aan de voorwaarden van artikel 1:3 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en daarom aangemerkt dient te worden als een besluit in de zin van de Awb en tevens als een schriftelijke aanwijzing in de zin van artikel 1:265f BW.

4.2.

De moeder stelt dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De GI is niet met de moeder in gesprek getreden over het stopzetten van fysiek contact tussen de moeder en [minderjarige] . Voorafgaand aan het besluit heeft geen overleg en overreding plaatsgevonden. Het besluit is evenmin aangekondigd door middel van een vooraankondiging. Dit betekent dat de moeder haar zienswijze niet kenbaar heeft kunnen maken en dat haar zienswijze niet is meegenomen in de besluitvorming.

4.3.

Daarnaast stelt de moeder dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is gemotiveerd. Het besluit is in overwegende mate gestoeld op de aanname dat gelet op de kwetsbaarheid van de pleegouders het fysieke contact tussen de moeder en [minderjarige] niet veilig kan plaatsvinden, vanwege de risico's die het Coronavirus met zich brengt. De vermeende kwetsbaarheid van de pleegouders blijkt uit niets. Bovendien kunnen de richtlijnen van het RIVM worden nageleefd wanneer de omgang fysiek plaatsvindt, waardoor het besmettingsgevaar slechts gering is. Het enkele gegeven dat het Coronavirus heerst, is een onvoldoende onderbouwing om de omgang te beperken. Het beleid van REIK geldt alleen voor instellingen, niet voor gezinnen. Daar komt bij dat enkel de begeleide omgangsregelingen vanuit de GI zijn stopgezet, terwijl tussen de moeder en [minderjarige] sprake is van een onbegeleide omgang.

4.4.

Verder stelt de moeder dat het besluit niet berust op een deugdelijke belangenafweging. De belangen van de moeder zijn onvoldoende meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing. Het enige belang dat is meegewogen is de veiligheid van het pleeggezin. Het is onvoldoende onderbouwd waarom de pleegouders tot de risicogroep behoren en daarnaast kan hun belang voldoende worden gewaarborgd door de naleving van de RIVM-richtlijnen. Het belang van de moeder en [minderjarige] bij de omgang dient dan ook te prevaleren.

4.5.

Tot slot voert de moeder aan dat de schriftelijke aanwijzing een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het recht op family life, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM.

4.6.

Ter zitting is aangevoerd dat de omgang gelijktijdig met het weer openstellen van de basisscholen, na de meivakantie, weer opgestart had dienen te worden in plaats van pas op 30 mei 2020. Verder moet de omgang, anders dan het pleeggezin wenst, ook tijdens de zomervakantie doorlopen. Dat is in het belang van [minderjarige] , die vanwege zijn zware autisme gebaat is bij structuur en regelmaat. De omgang heeft door het Coronavirus lange tijd stil gelegen. [minderjarige] zal eraan moeten wennen dat de omgang weer wordt opgebouwd. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat de omgang gedurende de zomervakantie opnieuw meerdere weken stilligt. Het meeleefgezin gaat meestal op vakantie dichtbij hun woonplaats, waardoor het voor de moeder eenvoudig is om ook tijdens de zomervakantie omgang met [minderjarige] te hebben.

5 Het standpunt van de GI

5.1.

De GI voert aan dat het e-mailbericht van 8 april 2020 niet is bedoeld als schriftelijke aanwijzing.

5.2.

Daarnaast voert de GI aan dat het pleeggezin kwetsbaar is, omdat er gezinsleden zijn met astma en overgewicht. De omgang moet veilig zijn en daarom is ten tijde van de uitbraak van het Coronavirus gekozen voor omgang in de vorm van beeldbellen in plaats van fysieke omgang. Bij de totstandkoming van dat besluit zijn alle belangen goed meegewogen. Daarbij is overleg gevoerd met REIK. Volgens het beleid van REIK valt een meeleefgezin onder de gehandicaptenzorg. Het beleid van de gehandicaptenzorg hield tijdens de uitbraak van het Coronavirus in dat cliënten niet op bezoek mochten naar huis en niet thuis mochten logeren. Dat beleid heeft de GI dan ook gevolgd. Vanuit de overheid zijn de maatregelen nu versoepeld en de omgang zal op zaterdag 30 mei 2020 weer voor het eerst fysiek plaatsvinden.

5.3.

Verder acht de GI de door de moeder verzochte omgangsregeling in het belang van [minderjarige] . De GI was reeds voornemens de omgang zoals door de moeder verzocht vast te leggen in een schriftelijke aanwijzing. De GI acht het voorts in het belang van [minderjarige] om ook tijdens de zomervakantie omgang te hebben met zijn moeder en dat de omgang volgens hetzelfde ritme doorloopt in de zomer. Het is erg lang voor [minderjarige] om gedurende ongeveer vijf weken geen omgang te hebben.

6 Het standpunt van de pleegmoeder/meeleefmoeder

6.1.

De meeleefmoeder heeft aangevoerd dat bij haarzelf sprake is van gezondheidsproblemen, namelijk overgewicht en een verminderd immuunsysteem. Met het oog op het Coronavirus vormt dit een risico en daarom is voorzichtigheid geboden, ook ten aanzien van de omgang van [minderjarige] .

6.2.

Verder heeft de meeleefmoeder aangevoerd achter de door de moeder verzochte omgangsregeling te staan, volgens welke regeling de omgang eenmaal per drie weken plaatsvindt. Echter, het meeleefgezin heeft er groot belang bij dat gedurende de zomervakantie een aaneengesloten periode van zes weken geen omgang plaatsvindt, dan kan er acht weken geen omgang zijn. Dit jaar wil het meeleefgezin wel omgang in het eerste en laatste weekend van de zomervakantie, zodat er dit jaar maximaal 6 weken geen omgang is. [minderjarige] is dan overal vrij van en daardoor ontstaat rust, ontspanning en groei bij hem en in het gezin. Als concessie naar de moeder vindt in het eerste weekend van de zomervakantie nog omgang plaats en de omgang wordt weer opgestart in het laatste weekend van de zomervakantie. Daardoor valt de onderbreking mee. De onderbreking kan gecompenseerd worden door vóór of na de zomervakantie incidenteel een omgang te laten plaatsvinden op een frequentie van eenmaal per twee weken in plaats van drie weken.

7 De beoordeling

7.1.

Belanghebbenden

[minderjarige] woont reeds langer dan één jaar in gezinsverband bij het meeleefgezin/pleeggezin. Daarnaast ziet deze procedure op de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder, waarbij de gezondheid van de pleegouders een belangrijke rol speelt. De pleegouders worden met deze procedure rechtstreeks in hun belangen geraakt en zijn om die reden door de kinderrechter als belanghebbenden aangemerkt.

7.2.

Verzoek tot vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

Ingevolge artikel 1:265f, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige en voor de duur daarvan, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt de beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing. Artikel 1:264 en 1:265 van het BW zijn daarop van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

7.2.1.

Ingevolge artikel 1:264 BW kan de kinderrechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. De aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de aanwijzing moet voldoen aan de zorgvuldigheids- en motiveringseisen van de Awb en dat de GI een afweging dient te maken tussen de betrokken belangen van de ouders en de kinderen, waarbij de belangen van de kinderen voorop dienen te staan. De beperking van het contact dient te zijn ingegeven door concrete feiten en omstandigheden. De toets die de kinderrechter daarbij aanlegt, betreft een ex nunc beoordeling, waarbij aldus nieuwe feiten en omstandigheden betrokken kunnen worden.

7.2.2.

Vast staat dat de moeder sinds 11 maart 2020 geen fysieke omgang met [minderjarige] heeft gehad. De GI heeft vanwege veiligheidsmaatregelen die verband houden met het Coronavirus besloten om de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder te laten plaatsvinden via videobellen. Het e-mailbericht van de GI aan de moeder waarin zij dit mededeelt dient als een schriftelijke aanwijzing te worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1:263 van het BW. Het betreft immers een regeling waarin het contact tussen de moeder als de ouder met gezag en de minderjarige [minderjarige] beperkt wordt.

7.2.3.

De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing, naar omstandigheden, voldoende zorgvuldig is voorbereid. Onder normale omstandigheden wordt onder meer van de GI vereist om met de moeder te overleggen, een vooraankondiging te versturen en de moeder de gelegenheid te geven om haar zienswijze kenbaar te maken. Echter, de voorbereiding van de schriftelijke aanwijzing en het nemen van het uiteindelijke besluit op 8 april 2020 heeft plaatsgevonden in zeer uitzonderlijke omstandigheden. Vanwege de uitbraak van het Coronavirus gold een landelijk overheidsbeleid waarbij het hele land 'op slot' ging. Ook bestond nog veel onduidelijkheid over onder meer de besmettelijkheid van het Coronavirus en wie tot de risicogroep behoorden. De GI moest in die omstandigheden adequaat en voortvarend een besluit nemen over de veiligheid en de doorgang van de bestaande omgangsregelingen. De (crisis)situatie was dermate uitzonderlijk dat aan de GI niet dezelfde eisen gesteld kunnen worden ten aanzien van de voorbereiding van een besluit als in een normale situatie. De GI heeft gedaan wat in die situatie mogelijk en veilig was en heeft de moeder zo goed als kon telefonisch meegenomen in de besluitvorming. De kinderrechter ziet in de voorbereiding van de GI geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.

7.2.4.

De kinderrechter is verder van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoende is gemotiveerd en berust op een deugdelijke belangenafweging. Gebleken is dat de GI de uitzonderlijke overheidsmaatregelen heeft gevolgd op basis waarvan fysiek contact tot een minimum werd beperkt. De GI heeft tevens het toepasselijke beleid voor meeleefgezinnen van REIK gevolgd. Volgens het beleid van REIK valt een meeleefgezin onder de gehandicaptenzorg en in de gehandicaptenzorg was het voor cliënten niet toegestaan om op bezoek naar huis te gaan of thuis te gaan logeren. De GI heeft terecht de veiligheid van de meeleefouders vooropgesteld, die tot de risicogroep behoorden voor het Coronavirus vanwege hun gezondheidsklachten (astma en overgewicht). Daarbij speelt een rol dat er langere tijd veel onduidelijkheid heeft bestaan over de invloed van kinderen op de overdracht van het Coronavirus. Gelet op al het voorgaande komt de kinderrechter dan ook tot het oordeel dat de GI in redelijkheid tot het nemen van het besluit had kunnen komen dat, zolang de maatregelen rondom het Coronavirus gelden, geen fysieke omgang plaatsvindt en dat in plaats daarvan wekelijks een videomoment zal plaatsvinden.

7.2.5.

Wel is de kinderrechter van oordeel dat thans geen aanleiding meer bestaat voor een contactbeperking zoals neergelegd in de schriftelijke aanwijzing van 8 april 2020, gelet op de huidige positieve ontwikkelingen rondom de uitbraak van het Coronavirus en de versoepelde overheidsmaatregelen waarin onder meer is bepaald dat de basisscholen weer (gedeeltelijk) geopend zijn en inmiddels bekend is dat kinderen bij de overdracht van het virus geen grote rol lijken te spelen De kinderrechter ziet hierin echter geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing nog (deels) vervallen te verklaren, omdat al een fysiek omgangsmoment was ingepland op de dag na de zitting (30 mei 2020). De GI handelt vanaf 30 mei 2020 niet meer overeenkomstig de schriftelijke aanwijzing van 8 april 2020, waardoor de schriftelijke aanwijzing als ingetrokken kan worden beschouwd en aldus geen aanleiding meer bestaat voor een (gedeeltelijke) vervallenverklaring.

7.3.

Verzoek tot vaststellen omgangsregeling

De moeder heeft op grond van artikel 1:265f BW het verzoek gedaan om een omgangsregeling vast te stellen, die inhoudt dat de omgang eenmaal per drie weken op de zaterdag plaatsvindt van 09.30-10.00 uur tot 18.30-19.00 bij de moeder thuis. Ter zitting is gebleken dat alle partijen zich in de verzochte omgangsregeling kunnen vinden. Ook de kinderrechter acht de omgangsregeling in het belang van [minderjarige] en zal deze daarom vastleggen zoals verzocht.

7.3.1.

Gebleken is dat de omgang gedurende de zomervakantie een discussiepunt is. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is, mede gelet op de bij hem aanwezige problematiek, om op regelmatige basis en gestructureerd contact met zijn moeder te hebben. Het laatste fysieke omgangsmoment heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020 en het eerstvolgende fysieke omgangsmoment was op 30 mei 2020. Het is niet in het belang van [minderjarige] om gedurende de zomervakantie wederom lange tijd geen fysiek contact met zijn moeder te hebben. Het belang van [minderjarige] prevaleert boven het belang van het pleeggezin bij een omgangsvrije periode gedurende de zomervakantie, waarin de pleegkinderen en het pleeggezin tot rust kunnen komen. Wel is gebleken dat partijen bereid zijn om tijdens de zomervakantie flexibeler met de omgangsregeling om te gaan en de kinderrechter zal, waar dat kan, rekening houden met de belangen van het pleeggezin. Het eerstvolgende omgangsmoment vindt plaats op 30 mei 2020 en de omgangsmomenten zullen daarna telkens na drie weken plaatsvinden. De kinderrechter zal het omgangsmoment van 11 juli 2020 vervroegen naar 4 juli 2020, zodat het pleeggezin tot het volgende omgangsmoment van 1 augustus 2020 een aaneengesloten periode van vier weken heeft waarin geen omgang plaatsvindt. Het voorgaande betekent dat de omgangsregeling eruit komt te zien zoals in het dictum is bepaald.

8 De beslissing


De kinderrechter:

8.1.

bepaalt als omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] :

- eenmaal per drie weken omgang op de zaterdag van 09.30-10.00 uur tot 18.30-19.00 bij de moeder thuis;

- het eerste omgangsoment zal plaatsvinden op 30 mei 2020;

- het omgangsmoment van 11 juli 2020 komt te vervallen en zal plaatsvinden op 4 juli 2020 (eenmalig een week vervroegd);

8.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.

fn: 864