Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2369

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
18/010797-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte wegens een poging tot doodslag tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het slachtoffer tweemaal met kracht met een hard voorwerp in het gezicht heeft geslagen. De rechtbank verklaart de ouders en zus van het slachtoffer niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot vergoeding van affectie- en shockschade.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0483
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/010797-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juni 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Schaddelee, advocaat te Breukelen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 11 januari 2020 te Marum, gemeente Westerkwartier, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een boksbeugel of een ploertendoder, althans met een hard voorwerp, in het gezicht, althans op het hoofd, van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 11 januari 2020 te Marum, gemeente Westerkwartier, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere botbreuken in het gezicht, heeft toegebracht, door met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met een boksbeugel of een ploertendoder, althans met een hard voorwerp) in het gezicht, althans op het hoofd, van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier ruimschoots voldoende bewijs bevat dat het verdachte is geweest die het ernstige letsel van aangever heeft toegebracht. Door aangever meermalen met kracht met een hard voorwerp in het gezicht ter hoogte van de slaap te slaan, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft geslagen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in alle verhoren stellig heeft ontkend dat hij aangever heeft geslagen. Daar komt bij dat de verklaringen die getuige [betrokkene] heeft afgelegd, constant wisselen en daarmee onbetrouwbaar zijn.

De alternatieve verklaring van verdachte, dat mogelijk is de autodeur tegen het hoofd van aangever is gekomen, is bovendien verenigbaar met de conclusies uit de letselrapportage. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is voor het gebruik van een boksbeugel, ploertendoder of een ander hard voorwerp. Niemand lijkt hiervan een eigen waarneming gehad te hebben. Er lijkt veeleer sprake te zijn van aannames gebaseerd op een uitspraak van een arts. Uit alles blijkt dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van aangever, ook niet in voorwaardelijke vorm. Zelfs als de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte aangever twee keer (met zijn blote vuist) in het gezicht heeft geslagen, dan is er daarmee nog geen sprake geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. Deze kans komt ook niet naar voren uit de letselrapportage. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van de poging tot doodslag.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 4 juni 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 11 januari 2020 zag ik in Marum een auto waarin [slachtoffer] zat. Ik heb die avond tegen mijn vriendin gezegd dat ik een aanvaring met [slachtoffer] had gehad.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2020, opgenomen op pagina 99 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020012148 d.d. 6 maart 2020, inhoudend de verklaring van verdachte:

Op 11-01-2020 heb ik ruzie gehad met [slachtoffer] . Hij had mij via what's app

enkele bedreigingen gestuurd. Ik trof hem dus op straat en hierbij is het uit de hand

gelopen en heb ik [slachtoffer] geslagen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2020, opgenomen op pagina 128 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020012148 d.d. 6 maart 2020, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Wij hebben op 13 januari 2020 een eerste aangifte gesprek gevoerd met het slachtoffer [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ). [slachtoffer] gaf aan aangifte te willen doen. Op

11 januari 2020 zat [slachtoffer] op de passagiersstoel in een auto in Marum te wachten op zijn kameraad [betrokkene] . [betrokkene] kwam aanlopen. [verdachte] vroeg wie er in de auto zat. [betrokkene] zei: ‘ [slachtoffer] zit in de auto’. Zo wordt hij namelijk genoemd. [slachtoffer] zag dat [verdachte] zijn rechtervuist naar zijn gezicht ging en [verdachte] hem twee harde klappen in zijn gezicht gaf.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor

d.d. 13 januari 2020, opgenomen op pagina 167 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van R. [betrokkene] :

Vraag: Wat kan je zelf vertellen over 12 januari 2020?
Antwoord: [verdachte] vroeg wie er in mijn auto zat. Ik zei ' [slachtoffer] ’. [verdachte] gaf [slachtoffer] twee klappen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor

d.d. 17 januari 2020, opgenomen op pagina 190 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

V: Wat is er op 11 januari gebeurd?
A: [verdachte] zei: "Shit, ik ben [slachtoffer] tegengekomen. Ik heb hem een klap gegeven en dat was niet goed." Hij vertelde dat hij [slachtoffer] heeft geraakt in zijn gezicht.

6. Een geneeskundige verklaring, op 2 april 2020 opgemaakt en ondertekend door

T. van Mesdag, forensisch arts voor zover inhoudend, als zijn verklaring:

Op een CT scan van het aangezicht worden meerdere breuken gezien van de onderste oogkas en van de bodem van de oogkas, waarbij er sprake is van losliggende botdelen en uitzakking van een oogspier naar de neusbijholte. Tevens een gebroken jukbeen links en een gebroken neus links. Er is uitgebreide zwelling van de weke delen aan de linker zijde van het gelaat zowel inwendig als uitwendig. De radioloog geeft aan dat de ademweg nog ruimte heeft maar waarschuwt voor belemmering van de ademweg als de zwelling zich nog verder uitbreidt.

Breuken van het aangezicht als gevolg van direct inwerkend stomp letsel zijn op zichzelf genomen niet aan te merken als potentieel dodelijk letsel. Bij zeer uitgebreid letsel kan er echter zwelling ontstaan van de inwendige weke delen (met name slijmvliezen) die zich kan uitbreiden tot de keelholte. In dat geval is het mogelijk dat de zwelling de ademweg blokkeert, wat een potentieel levensbedreigende situatie is.
Het geconstateerde letsel is veroorzaakt door van buitenaf inwerkend stomp botsend geweld. Het letsel kan goed passen bij een toedracht van toegebracht letsel.

Er is sprake van zeer uitgebreid letsel aan de benige structuren van het linker aangezicht met indeuking en verplaatsing van botdelen op meerdere plekken. Ik acht het veel waarschijnlijker dat het letsel is toegebracht met een hard voorwerp dan met een vuist. De indeuking van het jukbeen is relatief smal en past beter bij de contour van een smal, hard voorwerp dan bij de contour van een knokkelrij van een gebalde vuist. Om een dergelijke indeuking te veroorzaken is veel kracht nodig; indien deze zou zijn toegebracht met een vuist is het zeer onwaarschijnlijk dat er aan deze vuist geen enkel letsel -in de vorm van een bloeduitstorting, schaafwond, zwelling of botbreuk- zou zijn ontstaan. Op foto's zijn de handen van verdachte afgebeeld, deze foto’s zijn daags na het incident genomen door de politie. Op de handen van verdachte is geen zwelling of ander letsel zichtbaar. Hoewel er in de vraagstelling niet expliciet wordt verwezen naar verdachte wil ik opmerken dat ik het zeer onwaarschijnlijk acht dat het letsel bij slachtoffer is ontstaan door toedoen van een vuistslag van verdachte.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte aangever heeft geslagen. Dit wordt verklaard door de aangever en door getuige [betrokkene] , die bij het incident aanwezig was. De rechtbank twijfelt niet aan diens verklaring dat verdachte heeft geslagen, nu de (meerdere) verklaringen die hij hierover heeft afgelegd in de kern consistent zijn en bovendien overeenkomen met de verklaringen van aangever en de de auditu verklaring van getuige [getuige] . Bovendien heeft verdachte diezelfde avond (in het kader van zijn aangifte van vernieling tegen de vader van het slachtoffer) tegenover de politie zelf ook verklaard dat hij aangever heeft geslagen. De rechtbank hecht meer waarde aan deze, kort na het feit afgelegde, spontane verklaring, dan aan de latere ontkennende verklaringen van verdachte, waarin hij aangever, [betrokkene] , zijn vriendin [getuige] alsook de politie verwijt een onjuiste voorstelling van zaken te hebben gegeven. De rechtbank ziet voor dit laatste evenwel geen grond.

Op grond van het letsel bij aangever en de conclusie van de forensisch arts acht de rechtbank bewezen dat er is geslagen met een hard voorwerp. Dat dit specifiek een boksbeugel is geweest kan echter niet worden vastgesteld. Zowel aangever als getuige [betrokkene] hebben niet eenduidig en consistent verklaard over het gebruik van een boksbeugel. Niet uitgesloten is dat hun verklaringen zijn ingegeven door de veronderstellingen van de artsen op dit punt.

Dat er met behoorlijke kracht is geslagen met een hard voorwerp blijkt reeds uit de aard van het bij aangever geconstateerde letsel. Het meermalen met kracht met een hard voorwerp slaan in het gezicht ter hoogte van de slaap, brengt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich dat het slachtoffer ten gevolge daarvan komt te overlijden. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam. Een verwonding aan het hoofd of de hersenen kan snel tot de dood leiden. Uit de letselrapportage blijkt dat die aanmerkelijke kans op de dood zich in deze zaak ook concreet heeft voorgedaan, in die zin dat interne zwellingen als gevolg van het letsel de ademhaling zouden kunnen blokkeren. Aangever heeft in verband met de kans hierop uit voorzorg een nacht op de intensive care doorgebracht.

Het kan niet anders zijn dan dat ook verdachte zich bewust moet zijn geweest van het bestaan van de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel en dat hij die kans ook bewust heeft aanvaard. Contra-indicaties waaruit het tegendeel zou moeten worden afgeleid , zijn naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer bij verdachte bestond.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 11 januari 2020 te Marum, gemeente Westerkwartier, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met kracht met een hard voorwerp in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar de oriëntatiepunten van het LOVS die zien op zware mishandeling.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door aangever zonder directe aanleiding vanuit het niets tweemaal met kracht met een hard voorwerp in het gezicht te slaan. De rechtbank acht dit een ernstig feit, dat fataal voor het slachtoffer had kunnen aflopen. Het slachtoffer heeft zeer uitgebreid letsel opgelopen en is in het ziekenhuis geopereerd, waarbij meerdere breuken met metalen plaatjes zijn gefixeerd. Verdachte

heeft door zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog lang last van. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en zijn slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het door verdachte uitgeoefende geweld heeft nog

steeds impact op het dagelijks functioneren van het slachtoffer. Deze meldt nog steeds klachten te hebben ten aanzien van zijn gezichtsvermogen waarbij nog onzeker is of en wanneer volledig herstel zal optreden.

De rechtbank is gelet op de ernst van het feit van oordeel dat enkel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, hetgeen een strafverzwarende invloed heeft.

De rechtbank ziet geen straf verminderende factoren. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen, hetgeen ook naar voren komt uit het rapport van Reclassering Nederland van 2 april 2020. Omdat verdachte ontkent dat hij geweld heeft gebruikt, kan de reclassering geen verband leggen tussen eventuele probleemgebieden en het gepleegde strafbare feit. Om diezelfde reden is het evenmin mogelijk voor de reclassering om een goede beoordeling te maken van de respectievelijke leefgebieden, die ogenschijnlijk zonder problemen lijken te zijn, en een inschatting te maken van de recidivekans. Wel ziet de reclassering een risico in de omstandigheid dat er diverse incidenten tussen verdachte en (de familie van) aangever aan de confrontatie op 12 januari 2020 zijn voorafgegaan en dat er nadien sprake is van een toenemende onrust in de Molukse gemeenschap, waartoe de aangever behoort.

De rechtbank acht, gelet op het door de reclassering benoemde risico, een stok achter de deur noodzakelijk om de kans op herhaling in te perken. De rechtbank zal daarom een deelvan de straf voorwaardelijk opleggen.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer] , tot een bedrag van € 6.427,38 ter vergoeding van materiële schade en

€ 11.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [zus slachtoffer] (zus van het slachtoffer), tot een bedrag van € 22.500,- ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit € 15.000,- aan affectieschade en € 7.500,- aan shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [vader slachtoffer] (vader van het slachtoffer), tot een bedrag van € 22.500,- ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit € 15.000,- aan affectieschade en € 7.500,- aan shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

4. [moeder slachtoffer] (moeder van het slachtoffer), tot een bedrag van € 22.500,- ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit € 15.000,- aan affectieschade en € 7.500,- aan shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Alle benadeelde partijen zijn ter terechtzitting bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Winschoten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van [slachtoffer] volledig kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de door [zus slachtoffer] , [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] gevorderde affectieschade heeft de officier van justitie gesteld dat de benadeelde partijen in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat de medische stukken onvoldoende uitsluitsel geven met betrekking tot de vraag of het letsel van het slachtoffer ernstig en blijvend is. De benadeelde partij [vader slachtoffer] moet tevens niet-ontvankelijk worden verklaard in het deel van de vordering dat ziet op de shockschade, omdat uit de verstrekte stukken niet is af te leiden dat bij deze benadeelde partij een diagnose is gesteld die voldoet aan het criterium van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De vorderingen van [zus slachtoffer] en [moeder slachtoffer] zijn toewijsbaar tot een bedrag van elk € 7.500,-, het bedrag dat aan shockschade is gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van alle vorderingen aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met een gedeelte 'eigen schuld'.

Ten aanzien van de vordering van het slachtoffer [slachtoffer] heeft de raadsvrouw primair gesteld dat deze benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de complexiteit van de vordering en het gebrek aan een onderbouwing. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade moet worden afgewezen, nu deze schade onvoldoende onderbouwd is. Ook de immateriële schade is onvoldoende onderbouwd. Zo is van de gestelde PTSS- klachten geen enkel bewijs bijgevoegd en is de situatie uit de bijgevoegde jurisprudentie niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij een toewijzing de vergoeding ernstig te matigen.

Met betrekking tot de door de ouders van het slachtoffer gevorderde affectieschade, heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. De zus van het slachtoffer moet in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat zij niet behoort tot de kring van gerechtigden.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht alle vorderingen ten aanzien van de shockschade af te wijzen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de ouders en zus van het slachtoffer door de confrontatie met de gevolgen van het vermeende feit aantoonbaar psychisch letsel moeten hebben opgelopen om voor shockschade in aanmerking te komen. Op grond van de overgelegde medische stukken wordt niet aan het vereiste van aantoonbaarheid voldaan.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] , slachtoffer in deze zaak, heeft een bedrag van € 6.427,38 gevorderd ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit de posten medische kosten, reiskosten in verband met bezoeken aan het ziekenhuis, huishoudelijk hulp/zorgkosten, zelfwerkzaamheid en kledingschade (jas). Ten aanzien van de medische kosten ad € 505,-, de reiskosten ad € 129,38 en de kledingschade ad € 150,- is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaard. Deze schade is ook onvoldoende betwist door verdachte.

De benadeelde partij heeft € 4.446,- gevorderd betreffende huishoudelijk hulp/zorgkosten, conform de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp. Hij zou hiervoor in aanmerking komen omdat hij een gezin met inwonende kinderen jonger dan 5 jaar heeft en gedurende

13 weken zwaar beperkt is geweest. Gedurende deze periode hebben zijn ouders en zus hem continu verzorgd en geholpen in het huishouden. Ook zou de benadeelde partij een vergoeding toekomen van € 1.197,- ter zake zelfwerkzaamheid conform de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid, omdat hij een eigen woning met tuin heeft waaraan hij normaal gesproken alle onderhoud verricht. Dit onderhoud heeft hij in verband met zijn geestelijke en lichamelijke klachten niet kunnen verrichten.

De rechtbank acht de hoogte van laatstgemelde posten, huishoudelijk hulp/zorgkosten en zelfwerkzaamheid, in het licht van het gevoerde verweer, onvoldoende onderbouwd en beschikt dan ook over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van deze materiële schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Tot slot heeft de benadeelde partij een bedrag van € 11.000,- gevorderd ter vergoeding van immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De hoogte van dit deel van de vordering is onvoldoende gemotiveeerd door verdachte betwist.

Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 11.784,38, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 januari 2020.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel 'eigen schuld' mee te nemen, zoals de raadsvrouw heeft gesteld. Verdachte heeft het misdrijf gepleegd terwijl het slachtoffer nietsvermoedend in de auto van een vriend zat te wachten. Van eigen schuld aan het ontstaan van het letsel is geen sprake.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De gevorderde proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking, met dien verstande dat deze worden begroot conform het in kantonprocedures geldende liquidatietarief. Voor het opstellen en indienen van de vordering en voor behandeling ervan ter zitting worden naar algemeen gebruik twee punten toegekend. De rechtbank kent een vergoeding toe van € 300,- per punt. De rechtbank wijst dus € 600,- aan proceskosten toe.

Ten aanzien van de vorderingen van de overige benadeelde partijen overweegt de rechtbank als volgt.

[zus slachtoffer] , de zus van het slachtoffer, [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] , respectievelijk de vader en moeder van het slachtoffer, hebben ieder een vordering ingediend van

€ 22.500,- ter vergoeding van immateriële schade. Deze immateriële schade bestaat uit

€ 15.000,- aan affectieschade en € 7.500,- aan shockschade.

Ingevolge artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek kunnen bepaalde personen als voegingsgerechtigde aanspraak maken op een vergoeding voor affectieschade. Daarbij is onder andere vereist dat het slachtoffer ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Nog los van de vraag of de zus van het slachtoffer [zus slachtoffer] in dit geval voegingsgerechtigd is, kan de rechtbank in onderhavig geval op basis van de op dit moment voorliggende medische stukken niet vaststellen of er sprake is van dergelijk ernstig en blijvend letsel bij het slachtoffer.

Shockschade wordt vergoed als het gaat om schade (bij de naasten van het slachtoffer) die het gevolg is van het waarnemen van het misdrijf dan wel de rechtstreekse confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Dit moet hebben geleid tot een emotionele schok waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Uit vaste jurisprudentie blijkt voorts dat bij degene die de schade claimt een in de psychiatrie erkend ziektebeeld aan de orde is. Aan de onderbouwing van het geestelijk letsel dat bij de naasten van een slachtoffer is ontstaan, worden derhalve hoge eisen gesteld. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet aan deze hoge eisen is voldaan. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat bij de benadeelde partijen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarvoor zou de rechtbank op zijn minst moeten beschikken over deskundigenverklaringen waarin concreet wordt ingegaan op het oorzakelijk verband tussen de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf en de psychische klachten van de benadeelde partijen.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partijen de gestelde immateriële schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaren. Deze vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 11.784,38 (zegge: elfduizend zevenhonderdvierentachtig euro en achtendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2020.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 600,-.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 11.784,38 (zegge: elfduizend zevenhonderdvieren-tachtig euro en achtendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2020, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van

93 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 784,38 aan materiële schade en € 11.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen [zus slachtoffer] , [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partijen en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. N. Gerlsma, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juni 2020.

Mr. Edgar en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.