Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2356

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
C/18/198546 / KG ZA 20-87
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot medewerking aan Iraanse echtscheiding. Man werkt niet mee. Tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/198546 / KG ZA 20-87

Vonnis in kort geding van 5 juni 2020

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te Nijmegen,

eiseres,

advocaat: mr. K. Mohasselzadeh te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te Groningen,

gedaagde,

niet in rechte verschenen.

Partijen zullen hierna "de vrouw" en "de man" genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De vrouw heeft de man in kort geding gedagvaard tegen de zitting van 29 mei 2020, waarbij zij de hierna onder 3.1. vermelde vorderingen heeft ingesteld. De vrouw is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Ter zitting is van de zijde van de vrouw het gevorderde nog nader toegelicht. Hiervan is aantekening gehouden door de griffier.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 3 september 2011 te Karaj, Iran. Partijen hebben beiden de Iraanse nationaliteit.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2017 is naar Nederlands recht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 7 februari 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.

2.3.

Partijen zijn naar Iraans recht evenwel nog steeds gehuwd.

2.4.

De man heeft geen medewerking verleend aan het verzoek van de vrouw om ook naar Iraans recht te scheiden. De vrouw heeft de man daarom in kort geding voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank gedagvaard ter verkrijging van diens medewerking aan de Iraanse echtscheiding.

2.5.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van dat kort geding op 29 oktober 2018 zijn partijen een convenant overeengekomen, dat door hen is ondertekend. In dit convenant is onder meer bepaald:

(…)

3.De man verleent door ondertekening van dit convenant zijn volledige medewerking aan de bij de Iraanse ambassade in Den Haag door de vrouw te vragen echtscheiding.

2.6.

In de echtscheidingsprocedure tussen partijen heeft deze rechtbank op 22 januari 2019 een beschikking gegeven waarvan het getekende convenant deel uitmaakt. Deze beschikking is op 5 april 2019 aan de man betekend. Op 18 april 2019 is het convenant afzonderlijk aan de man betekend. Nadien heeft de man geen medewerking aan de Iraanse echtscheiding verleend.

2.7.

Bij vonnis in kort geding van 6 december 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op vordering van de vrouw de man onder meer veroordeeld om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis zich in contact te stellen met een medewerker van de Iraanse ambassade en mede te delen dat hij wenst te scheiden van de vrouw en medewerking te verlenen voor het uitvoeren van alle formaliteiten die noodzakelijk zijn voor het tot stand komen van de Iraanse echtscheiding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00 aan te verbeuren dwangsommen.

2.8.

Dit vonnis is op 12 december 2019 aan de man betekend. De man heeft ook daarna geen medewerking aan de Iraanse echtscheiding verleend.

3 De vordering

3.1.

De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren:

I. beveelt dat de vrouw het vonnis in kort geding van 6 december 2019 door middel van lijfsdwang ten uitvoer mag leggen en de man in gijzeling te doen nemen totdat hij zijn medewerking heeft verleend aan de echtscheiding tussen partijen bij de Iraanse ambassade in Den Haag;

II. de termijn waarbinnen de lijfsdwang ten uitvoer kan worden gelegd op twee jaar bepaalt;

III. de man in de kosten van het geding veroordeelt.

3.2.

De vrouw legt aan haar vordering - samengevat - het volgende ten grondslag. De man weigert tot dusverre om zijn medewerking te verlenen aan de Iraanse echtscheiding. Als gevolg van deze weigering blijft de vrouw gevangen in dit huwelijk. De vrouw heeft een nieuwe relatie, maar kan nu niet met haar partner trouwen. Ook kan de vrouw niet tot Nederlandse genaturaliseerd worden omdat zij daarvoor een geldig Iraans paspoort nodig heeft, dat door de Iraanse autoriteiten niet wordt verstrekt zolang de man als haar echtgenoot daarvoor geen toestemming geeft. De vrouw kan bovendien niet naar Iran reizen omdat zij vreest gearresteerd en gestenigd te worden omdat zij een andere relatie heeft terwijl zij naar Iraanse recht nog getrouwd is. Omdat de vrouw niet naar Iran kan reizen, heeft zij haar ouders en verdere familie aldaar al jaren niet gezien. De man heeft in het convenant weliswaar toegezegd om mee te werken aan de Iraanse echtscheiding, maar is daarmee tot op heden, ondanks herhaald verzoek, in gebreke gebleven. Zelfs de bij vonnis van 6 december 2019 op straffe van verbeurte van dwangsommen jegens de man uitgesproken veroordeling om mee te werken aan de Iraanse echtscheiding heeft de man niet tot medewerking aangezet. De man heeft deze dwangsommen verbeurd en tot op heden niet voldaan. Oplegging van nieuwe dwangsommen heeft geen zin omdat de man niet over inkomsten of vermogensbestanddelen beschikt waarop verhaal mogelijk is. Het is ook niet mogelijk om met de man, al dan niet via zijn familie en/of vrienden, contact te leggen teneinde hem in beweging te krijgen. Tegen deze achtergrond wenst de vrouw thans het vonnis van 6 december 2019 ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang en de man in gijzeling te doen nemen totdat hij zijn medewerking heeft verleend aan de Iraanse echtscheiding.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering van de vrouw komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan dan ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter overweegt in dat verband het volgende.

4.2.

Op grond van artikel 585 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechter op verlangen van een schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van vonnissen, voor zover zij een veroordeling tot iets anders dan betaling van een geldsom inhouden. Aan dat laatste criterium is in dit geval voldaan. Voordat tenuitvoerlegging bij lijfsdwang kan worden bevolen, dient de vraag te worden beantwoord of het aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden én het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt, zo bepaalt artikel 587 Rv.

4.3.

Vast staat dat de man nog steeds niet heeft voldaan aan de bij vonnis van 6 december 2019 jegens hem uitgesproken veroordeling om mee te werken aan de Iraanse echtscheiding.

4.4.

Voldoende aannemelijk is dat geen ander dwangmiddel dan lijfsdwang de man zal doen bewegen om aan de hem in het vonnis van 6 december 2019 opgelegde veroordeling tot medewerking aan de Iraanse echtscheiding te voldoen. De man is kennelijk onwillig om aan de Iraanse echtscheiding mee te werken. De dwangsommen die in voornoemd vonnis zijn opgelegd, zijn inmiddels "volgelopen". Verder heeft de vrouw de voorzieningenrechter ervan overtuigd dat hernieuwde oplegging van (hogere) dwangsommen aan de man niet zinvol is, omdat de man niet over inkomen of andere vermogensbestanddelen beschikt waarop dwangsommen zouden kunnen worden verhaald. Aangenomen moet dan ook worden dat van oplegging van (nieuwe, hogere) dwangsommen jegens de man geen prikkel tot nakoming uitgaat. Voorts heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk is om met de man, al dan niet via zijn familie en/of vrienden, contact te leggen teneinde hem in beweging te krijgen. Dan is toepassing van het ultimum remedium van de lijfsdwang gerechtvaardigd. Het belang van de vrouw rechtvaardigt deze toepassing ook zonder meer, nu zij ondanks de echtscheiding naar Nederlands recht door het voortbestaan van het Iraanse huwelijk aan de man verbonden blijft, hetgeen haar in ernstige mate belemmert bij het inrichten van haar leven.

4.5.

Op de voet van artikel 589 Rv zal de voorzieningenrechter de termijn voor tenuitvoerlegging van de lijfsdwang op maximaal twaalf maanden bepalen, zulks vanaf de in het dictum te noemen termijn na betekening van dit vonnis.

4.6.

De man zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld, aan de zijde van de vrouw vast te stellen als volgt:

- dagvaardingskosten € 102,96

- vast recht € 83,00

- salaris advocaat € 633,00

-----------

€ 818,96

4.7.

Het vonnis zal zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met dien verstande dat het vonnis - anders dan door de vrouw verlangd - niet tevens uitvoerbaar zal zijn op alle dagen en uren, nu de vrouw daarbij geen bijzonder belang heeft gesteld.

5 BESLISSING

De voorzieningenrechter:

5.1.

verleent de vrouw verlof om, zo de man niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis heeft voldaan aan de bij vonnis van deze rechtbank van 6 december 2019 jegens hem uitgesproken veroordeling tot medewerking aan de Iraanse echtscheiding, deze veroordeling ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang en deswege de man in gijzeling te doen stellen totdat de man aan deze veroordeling heeft voldaan, met dien verstande dat de gijzeling maximaal twaalf maanden zal duren;

5.2.

veroordeelt de man in de kosten van de procedure, aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 818,96;

5.3.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2020.

614 / mp