Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2320

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
18/730030-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 26 juni 2020 een verdachte veroordeeld die zich schuldig heeft gemaakt aan twee woninginbraken, diefstal van een auto en diefstal van goederen uit een auto. Verder heeft hij nog een poging tot woninginbraak en twee pogingen tot bedrijfsinbraak gepleegd. Aan verdachte, die een veelplegersstatus heeft, werd een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met bijzondere voorwaarden opgelegd. Ook een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 62 dagen werd tenuitvoergelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730030-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 24/004664-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

Peter [verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de P.I. Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 juni 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 27 februari 2020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke,

in of uit een bedrijfspand, gelegen aan of bij [adres] , goederen en/of geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

subsidiair

hij op of omstreeks 27 februari 2020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in of uit een bedrijfspand, gelegen aan of bij de [adres] , goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers is verdachte binnen gekomen door een deur en/of een ruit te vernielen en/of (vervolgens) heeft verdachte meerdere plaatsen/ruimtes binnen het gebouw doorzocht en/of meerdere lades en/of kasten doorzocht en/of zoekend rondgekeken met behulp van een zaklamp en/of een breekijzer tussen/in een deur(kozijn) heeft gestoken en/of een fiets in de laadbak van een in die loods geparkeerde auto heeft gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2020 tot en met 27 februari 020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke, een elektrische (dames)fiets (goudkleurig) en/of een hamer en/of een tang en/of een (zwarte) werkjas en/of een paar (zwarte) werkschoenen en/of een autosleutel (Opel), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

3. primair

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke,

om (ongeveer) 22.15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in of uit een woning, gelegen aan of bij de [adres] , geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

subsidiair

hij op of omstreeks 26 februari 2020 te Deinum, gemeente Waadhoeke, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (ongeveer) 22.15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in of uit een woning, gelegen aan of bij de [adres] , geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft verdachte een deur en/of een deurkozijn en/of een ruit vernield en/of (vervolgens) heeft verdachte meerdere ruimtes en/of lades en/of kasten doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 27 februari 2020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke,

om (ongeveer) 01.50 uur, en elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in of uit een woning, gelegen aan of bij [adres] , een telefoon (merk Samsung type A40) en/of een portemonnee met daarin onder meer pasjes (te weten: creditcard ANWB en/of een Rabobank bankpas) en/of een hoeveelheid geld (Deense kronen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

5. primair

hij op of omstreeks 20 februari 2020, te of bij Twijzelerheide, althans in de gemeente Achtkarspelen en/of te of bij Noardburgum, althans in de gemeente Tytsjerksteradiel,

een (personen)auto (merk Volkswagen type Golf kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming en/of valse sleutel, door met de, uit de middenconsole van die auto, weggenomen sleutel, de auto (vervolgens) te starten en weg te rijden, en/of

een laptop (merk HP Probook) en/of een voicerecorder (merk Olympus), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] en/of het [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen laptop en/of voicerecorder onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;

subsidiair

hij op of omstreeks 20 februari 2020, te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in het arrondissement Noord Nederland, een goed te weten een (personen)auto (merk Volkswagen, type Golf, kenteken [kentekennummer] ) en/of een voicerecorder (merk Olympus) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

6. primair

hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2020 tot en met 25 februari 2020, te of bij Suwâld, (althans) in de gemeente Tytsjerksteradiel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen van verdachte gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 7] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft hij, verdachte, een ruit van een auto ingegooid teneinde toegang tot die auto te krijgen en/of heeft hij, verdachte, lades doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2020 tot en met 25 februari 2020, te of bij Suwâld, (althans) in de gemeente Tytsjerksteradiel, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (Mercedes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de feiten 1. primair en 3. primair. Ten aanzien van de feiten 1. subsidiair, 2., 3. subsidiair, 4., 5. primair en 6. primair heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de inhoud van haar pleitnota het volgende betoogd.

Ten aanzien van feit 1. primair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Aangever [slachtoffer 1] heeft aangegeven dat hij geen goederen mist, wel zou hij grote schade aan zijn gebouw hebben. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging inbraak kan een veroordeling volgen.

Ten aanzien van feit 2. kan een veroordeling volgen voor diefstal met braak met uitzondering van de autosleutel.

Ten aanzien van feit 3. dient voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde vrijspraak te volgen. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde aangevoerd dat aangever [slachtoffer 3] heeft aangegeven dat hij geen goederen mist. Van een voltooide inbraak kan dus geen sprake zijn. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging inbraak heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte dit feit stellig ontkent. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar verdachtes verklaring dat hij pas is gaan inbreken nadat hij met de fiets in de sloot terecht kwam en dat de fiets zo ligt (met de neus richting weg) dat het niet aannemelijk is dat hij vanuit het noorden kwam aanfietsen en de route vanuit Leeuwarden niet langs het terrein van [slachtoffer 3] ging. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij pas na middernacht in Deinum kwam. Tot slot zijn er geen sporen van verdachte bij [slachtoffer 3] gevonden.

Ten aanzien van feit 4. kan mede gelet op verdachtes verklaring een veroordeling volgen, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van feit 5. heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij de feiten heeft gepleegd. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn gegevens aan twee jongens heeft gegeven en dat zij misbruik van die gegevens hebben gemaakt. Die verklaring wordt ondersteund door het uitgaande gesprek van zijn telefoon ’s morgens vroeg, even na zes uur. De getuige [getuige 2] heeft eerst verklaard dat hij geen omschrijving van de verkoper kon geven, maar herkent hem later als hem een foto wordt getoond. Er zijn geen foto's getoond van anderen met donker haar en het is de vraag hoe betrouwbaar die herkenning daardoor is. Nu er geen concrete aanwijzingen zijn dat verdachte de auto heeft weggenomen, kan hooguit de subsidiair ten laste gelegde heling bewezen worden verklaard.

Er zijn ook geen concrete aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de laptop en de voicerecorder uit de auto van [slachtoffer 5] . Dat verdachtes telefoon om 03.16 uur in Burgum aangestraald is, zegt niets over zijn aanwezigheid om 05.05 uur 3,5 kilometer verderop. Voor heling van de voicerecorder moet op zijn minst vast staan dat verdachte geweten heeft dat die recorder in de auto lag. Nu daarvoor geen aanwijzingen zijn en er geen aanvullend bewijs is, dient verdachte ook voor de heling vrijgesproken te worden.

Ook ten aanzien van feit 6 dient een vrijspraak te volgen. Verdachte ontkent de poging tot inbraak. Een week na de diefstal is een blauw koordje met verdachtes DNA in de schuur gevonden. Verdachte kan niet enkel op basis daarvan veroordeeld worden. Het koordje zou in theorie op een andere manier daar terecht gekomen kunnen zijn. Voorts is het koordje niet een specifiek daderspoor zoals vingerafdrukken of bloed. Nu er overigens ook geen aanwijzingen zijn dat verdachte daadwerkelijk over een kledingstuk beschikte waarbij zo'n koordje hoorde, is het aantreffen van DNA op dit koordje onvoldoende bewijs voor zijn betrokkenheid.

Ad informandum feit 2.

Verdachte erkent dat hij bij de familie [slachtoffer 8] aan [adres] te [plaats] op 27 februari 2020 flessen drank gestolen heeft uit de schuur. Dit ad informandum gevoegde feit kan daarom meegenomen worden.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1. primair

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1. primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden. Verdachte zal van dit feit dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1. subsidiair, feit 2. en feit 4.

De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

-ten aanzien van feit 1. subsidiair-

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 februari 2020, opgenomen op pagina 46 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer 1] d.d. 11 mei, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever met bijlage d.d. 28 februari 2020, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .

-ten aanzien van feit 2.-

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen d.d. 27 februari 2020, opgenomen op pagina 99 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .

-ten aanzien van feit 4.-

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage d.d. 27 februari 2020, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 1 maart 2020, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] .

Ten aanzien van feit 3. primair

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2020, voor zover inhoudend:

De onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten beken ik. Ik wilde aan geld komen voor drugs. Ik had medicatie, drugs en alcohol gebruikt. Ik was niet helemaal helder. Ik fietste in de sloot. Ik beken ook het tweede ad info ten laste gelegde feit. Ik begrijp dat dat gaat om diefstal uit een schuurtje, adres [adres] . Ik heb daar sterke drank zitten drinken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 ebruari 2020, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Op 26 februari 2020 omstreeks 22:15 uur lag ik op bed in mijn woning aan de [adres] te Deinum. Ik hoorde gerinkel van staal buiten. Hierna was het even stil, even hierop hoorde ik weer gerinkel. Ik ben hierop uit bed gegaan. Ik ben naar de woning van mijn ouders gelopen, wij wonen samen op hetzelfde terrein. Mijn ouders zijn op vakantie. Toen ik bij hun woning kwam struikelde ik aan de zijkant over een paar houten latten. Ik zag in de keuken iemand met een lichtje in de woning van mijn ouders. Ik sloeg

hierop met een hamer op de deur. Er rende iemand uit de woning de tuin in, vanuit de keuken. Ik hoorde dat een man naar mij riep in het Fries: “Ik ha niks", of iets dergelijks.

Ik zag dat de man over de heg sprong en richting het dorp rende of het fietspad naar Marssum. Achter de woning bij de schuifpui zag ik een schep en allemaal glas liggen.

Ik zag in de keuken 2 lades van een kast open staan, die overhoop waren gehaald. In

eerste instantie lijkt er niets weg uit de woning. De schuifpui is vernield en de buitendeur vanuit de woonkamer is getracht open te breken. Ik kan de persoon niet omschrijven.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 maart 2020, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 26 februari 2020, op het moment van de inbraak dus, was ik op vakantie. Ik ben l maart 2020 weer thuis gekomen. Ik zag dat er veel schade was aangericht door de inbreker. Ik zag dat met veel geweld de schuifpui en de openslaande deuren waren vernield en open gebroken. Het zal duidelijk zijn dat deze nog heel waren toen ik op vakantie ging. Ik had de woning goed afgesloten. Ik zag dat in de woning enkele lades open stonden. Er lagen sieraden boven op deze kast. Op het moment dat ik op vakantie ging, lagen deze nog in de kast. Dat is ook de reden dat mijn zoon dacht dat er goederen waren meegenomen. Waarschijnlijk heeft de inbreker niets meegenomen omdat hij is gestoord door mijn zoon. Ik mis namelijk niets uit de woning. Door deze inbraak heb ik dus wel veel schade.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ontkend dat hij de inbraak aan de [adres] heeft gepleegd. Hij heeft aangevoerd dat hij op het tijdstip van deze inbraak, rond 22.15 uur, nog in Leeuwarden was en dat de inbraak bij de woonboerderij op [adres] de eerste inbraak is geweest die door hem in die nacht is gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In de avond/nacht van 26 februari 2020 op 27 februari 2020 worden in Deinum in drie aaneengesloten straten binnen een straal van ongeveer 750 meter vijf inbraken gepleegd. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte verantwoordelijk is voor drie van deze inbraken en daar komt het ad info feit, diefstal uit een schuur aan [adres] die verdachte ook heeft bekend, nog bij. Dat verdachte betrokken is geweest bij vier van de vijf inbraken staat dus vast.

Op [adres] is door verdachte ingebroken rond 01.55 uur en rond 03.00 uur is verdachte overlopen bij [adres] . Van de inbraken aan [adres] en [adres] is niet bekend op welk tijdstip ze zijn gepleegd. De inbraak op de [adres] heeft plaatsgevonden rond 22.15 uur.

De rechtbank stelt vast dat verdachtes verklaring dat hij pas na 24.00 uur in Deinum was, op geen enkele wijze steun vindt in de stukken.

Dat er enige tijd zit tussen het tijdstip van deze eerste inbraak en de volgende momenten waarvan vaststaat dat verdachte in Deinum was, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen ondersteuning voor de stelling dat verdachte niet schuldig is aan de inbraak op de [adres] . De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de volgorde waarin de verschillende inbraken zijn gepleegd niet duidelijk is en dat verdachte onder invloed was van drank, medicatie en drugs. Goed denkbaar is dat tussen de verschillende inbraken enige tijd verstreken is. In het licht van het voorgaande kan ook geen betekenis worden gehecht aan de rijrichting waarin de fiets is aangetroffen

Uit de aangifte van [slachtoffer 3] van de [adres] blijkt dat veel schade is toegebracht aan de schuifpui en openslaande deuren. In de woning stonden enkele lades open. Aangevers zoon heeft verklaard dat hij in de woning van zijn ouders iemand met een lichtje zag schijnen. De rechtbank constateert dat verbalisanten ter zake de inbraak bij [slachtoffer 1] gezien hebben dat verdachte met een zaklamp diverse lades doorzoekt. Uit de aangifte blijkt dat ook hier veel schade is toegebracht.

De rechtbank concludeert dat verdachte op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij op het moment van de inbraak nog niet in Deinum was, dat de inbraak wat plaats betreft en ook qua tijdstip past bij de andere inbraken en op een vergelijkbare wijze is gepleegd. Gelet op het voorgaande en de hierboven genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 3. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 5.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 12 juni 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

In de nacht van 20 februari 2020 was ik in Burgum. Ik ben in de vroege ochtend met iemand in de auto naar Leeuwarden gereden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2020, opgenomen op pagina 124 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

Op 19 februari 2020 heb ik mijn auto, voorzien van het kenteken [kentekennummer] , geparkeerd achter mijn woning op het Wyldpaed (West) 30 in Twijzelerheide. Het is een zilvergrijze Volkswagen Golf. Ik heb de autosleutels achtergelaten in een vakje van de middenconsole. Op 20 februari 2020 omstreeks 06.30 uur zag ik dat mijn auto niet meer op de plaats stond waar ik hem had geparkeerd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 februari 2020, opgenomen op pagina 127 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Ik ben eigenaar van [bedrijfsnaam 1] gevestigd te Leeuwarden. Vandaag omstreeks 16.00 uur verscheen een voor mij onbekende persoon met donker haar. De persoon leverde een grijskleurige Volkswagen Golf, kenteken [kentekennummer] in. Ik heb vijftig euro aan deze persoon gegeven. Ik moest hem bellen als het was gelukt het voertuig over te schrijven. Hij gaf een briefje waarop ik de naam [verdachte] zag. Ik zag dat er het telefoonnummer [telefoonnummer] bij stond.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlage d.d. 20 maart 2020, opgenomen op pagina 129 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Ik hoorde Meijer verklaren dat ene [verdachte] , te bereiken op telefoonnummer: [telefoonnummer] , een voertuig aan hem had verkocht welke vermoedelijk was weg genomen uit Twijzelerheide. Ik zag dat Meijer mij, [verbalisant 3] , een papiertje overhandigde met hierop de naam [verdachte] en bovengenoemde telefoonnummer. Tevens zag ik dat er op de achterzijde van het papiertje de naam [naam] zichtbaar was. Toen ik een zoekslag maakte op de naam [naam] zag ik dat de zoekslag niets opleverde. Vervolgens maakte ik een zoekslag in het politiesysteem. Ik zocht hierop op het telefoonnummer. Ik zag dat dit

telefoonnummer gebruikt is danwel wordt gebruik door [verdachte] , geboren op [geboortedatum]

1977 te [geboorteplaats] .

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 26 februari 2020, opgenomen op pagina 131 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

Op 26 februari 2020 ging ik in gesprek met [getuige 2] . Ik vertelde hem dat ik hem graag foto's wilde laten zien van een persoon en als hij deze persoon kende of hij dan ook kon vertellen waarvan hij hem kende. Ik hoorde dat meneer de foto's wel wilde zien.

Ik liet foto 1 aan [getuige 2] zien (foto van [verdachte] in blauw shirt met baard en wat langer haar). Ik hoorde hem het volgende tegen mij zeggen: "Dat is de persoon waarvan ik een auto voor 50 euro van heb gekocht. Hij kwam hier met die auto aanzetten en het was een heel gelikt verhaal wat hij mij vertelde. Ik kwam er pas later achter dat de auto van diefstal afkomstig was. Alleen zag hij er op de dag dat hij de auto hier kwam brengen er wel anders uit. Hij had veel korter haar en geen baard". Ik liet hierop foto 2 aan hem zien ( [verdachte] met op de foto een zwarte trui, kort haar en geen baard). Ik hoorde dat [getuige 2] hierop zei: "Zo zag hij eruit die dag toen hij die auto aan ons wilde verkopen".

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 9 mei 2020, opgenomen op pagina 141 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Op 24 februari 2020 heeft politiemedewerker [verbalisant 6] de historische

verkeersgegevens opgevraagd van het telefoonnummer die in gebruik is bij van [verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977. Het betreft het telefoon nummer: [telefoonnummer] .

Ik las in het rapport van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) dat dit telefoonnummer een Lebara Pre-paid nummer was. De netwerkaanbieder was KPN.

Gebruiker telefoonnummer

Op 20 februari 2020 is een gestolen auto ingeleverd. Bij deze auto is een briefje afgegeven met de naam [verdachte] en het telefoonnummer: [telefoonnummer] .

Ik heb gekeken of dit nummer in het verleden contact heeft gezocht met de politie.

Ik heb daarom gekeken in de "Klantenverzoek servicemodule" van de politie. Ik zag dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2020, op 19 september 2019 contact had opgenomen met de politie. Dit was in verband met zijn auto die zonder zijn medeweten was overgeschreven. [verdachte] gaf toen als telefoonnummer op: [telefoonnummer] .

Ik herkende [verdachte] ook op een Whatsapp profielfoto van telefoonnummer [telefoonnummer] . Mastgegevens

Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat een GSM, met nummer [telefoonnummer] op 20 februari 2020 te 03:16 uur verbinding had met de GSM mast, gelegen op de Elingsbaan te Burgum.

In de nacht van 19 februari 2020 op 20 februari 2020 werden er op de Zomerweg te Noardburgum en de Wyldpaed-West te Twijzelerheide een fiets en een auto gestolen. Ook werden er goederen uit een auto gestolen. De afstand tussen deze locaties en de GSM mast is ongeveer 3,5 kilometer.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage d.d. 21 februari 2020, opgenomen op pagina 153 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5] :

Ik doe namens mijn werkgever [bedrijfsnaam 2] te IJsselstein aangifte van diefstal van een laptop. Op 19 februari 2020 om 20:15 uur heb ik mijn auto geparkeerd op het erf van mijn woning aan de [adres] , [plaats] . Ik heb camerabewaking rondom mijn woning.

Op 20 februari 2020 ben ik om 06:15 uur vertrokken met mijn auto. Later had ik door dat er ingebroken was in de auto en de laptop gestolen was. De laptop is een HP Probook. Toen ik thuis was heb ik meteen de camerabeelden bekeken. Daarop zag ik dat er op 20/02 2020 om 05:05 een persoon op een fiets aankomt. Hij kwam uit de richting Burgum. De fiets wordt tegen een boom gezet. Ik zie dat de persoon meteen naar mijn auto loopt en instapt aan de passagierszijde. Na een aantal minuten stapt de persoon uit de auto. Ik zag dat deze persoon iets in zijn hand had, dat moet mijn laptop geweest zijn. Op de beelden zag ik dat het om een man / jongen ging.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlage d.d. 5 maart 2020, opgenomen op pagina 158 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

In de nacht van 19 februari 2020 op 20 februari 2020 werd een Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kentekennummer] gestolen vanaf een erf gelegen aan de [adres] te [plaats] . Daar waar de auto gestolen is werd een fiets achter gelaten. Uit onderzoek bleek dat deze fiets gestolen was vanuit een schuur aan de [adres] te [plaats] .

Vervolgens werd er eveneens aangifte gedaan van diefstal van een laptop uit een voertuig, gelegen aan de [adres] te [plaats] .

Op 27 februari 2020 kwam de eigenaar van de auto naar het politiebureau. Zij verklaarde dat zij in de auto onder andere een zwart stoffen hoesje met daarin een digitale voicerecorder van het merk Olympus had aangetroffen.

Op 05 maart 2020 heb ik telefonisch contact opgenomen met [slachtoffer 5] , aangever van de diefstal laptop uit de auto. Ik stelde hem de vraag of hij ook een recorder miste. Ik hoorde hem vervolgens zeggen: "Ja dat klopt. Deze zit in een zwart hoesje."

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt het volgende vast. Op 20 februari 2020 omstreeks 06.30 uur merkt aangever [slachtoffer 4] dat zijn VW Golf die nacht is gestolen. Op het erf wordt een damesfiets aangetroffen welke niet van aangever is. Diezelfde dag wordt rond 16.00 uur de VW Golf ingeleverd bij [bedrijfsnaam 1] .

De persoon die de auto inlevert geeft getuige [getuige 2] een briefje met daarop de naam [verdachte] en het telefoonnummer [telefoonnummer] . Getuige [getuige 2] herkent verdachte later van twee foto's. Op 27 februari 2020 wordt in de inmiddels teruggegeven VW Golf een voicerecorder aangetroffen. Deze voicerecorder blijkt van [slachtoffer 5] te zijn en is samen met een laptop uit zijn auto op 20 februari 2020 weggenomen. Uit bewakingsbeelden van [slachtoffer 5] blijkt dat die nacht om 05.05 uur een persoon op een fiets uit de richting Burgum komt. Verder blijkt uit de historische verkeersgegevens dat een GSM met nummer [telefoonnummer] op 20 februari 2020 te 03:16 uur verbinding had met de GSM mast, gelegen op de Elingsbaan (de rechtbank leest hier verbeterd: de Elingsloane) te Burgum. Voornoemd telefoonnummer is van verdachte.

Tijdens de behandeling ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij de bewuste nacht in Burgum was en dat hij in de vroege ochtend met iemand in de auto meegereden is naar Leeuwarden. Verdachte heeft niet willen zeggen bij wie hij in Burgum was, wat hij in

Burgum deed en met wie hij naar Leeuwarden is gereden. Verdachtes verklaringen zijn niet onderbouwd en niet te verifiëren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij in Leeuwarden twee mannen met de gestolen auto heeft getroffen die hem benaderden voor het kopen van drugs en aan wie hij een briefje met zijn naam en telefoonnummer zou hebben gegeven wat vervolgens bij [getuige 2] terecht zou zijn gekomen, Deze verklaring is op zichzelf geenszins aannemelijk, vindt geen enkele ondersteuning in het dossier en biedt ook geen aanknopingspunten ter verificatie. Gelet op het voorgaande en de hierboven genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 5. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 6.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 februari 2020, opgenomen op pagina 188 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 7] :

Ik doe aangifte van insluiping in mijn loods, achter mijn woning aan de [adres] te [plaats] . Bij deze insluiping hebben de dader(s) een ruit van het rechterportier vernield om in de auto te komen. Op 24 februari 2020 omstreeks 14:00 uur ben ik voor het laatst in de loods geweest achter mijn woning en heb ik gezien dat mijn auto's nog schadevrij waren. De grote loodsdeur heb ik gesloten achtergelaten. Ik had met een touw de loodsdeur extra dicht gemaakt omdat er een harde wind stond. In de loods stonden twee oldtimers, een Mercedes en een Renault ( [kentekennummer] ). De Mercedes stond op slot en de Renault stond niet op slot. Als je bij mij de oprit oprijdt dan rij je recht op mijn loods af.

Op 25 februari 2020 omstreeks 12:00 uur zag ik in de buurtwhatsapp een aantal berichten van mijn buren dat daar was ingebroken. Ik ben toen ook gaan kijken of er bij mij ook was ingebroken. In eerste instantie dacht ik dat ik er goed vanaf was gekomen omdat ik niets kon ontdekken. Ik had bij de loods gekeken en daar zag ik dat de grote loodsdeur nog dicht zat en dat het touw er nog aan vast zat. Hierdoor dacht ik dat er niemand in de loods was geweest. Toen ik in de loods ging kijken zag ik dat de ruit van mijn Mercedes kapot was geslagen. Ik denk dat de dader(s) door de loopdeur aan de linker zijkant van de loods zijn binnen gekomen. Deze deur was niet afgesloten. Ook zijn er lades overhoop gehaald in de loods. Vooralsnog is er niets weggenomen van mij.

2.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 2 maart 2020, opgenomen op pagina 192 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 29 februari 2020 had de aangever telefonisch aangegeven dat hij een touwtje of koordje aangetroffen had in de schuur. Op 02 maart 2020 zijn wij rond 10:00 uur ter plaatse gekomen op de [adres] te [plaats] . Aldaar spraken wij met de aangever, [slachtoffer 7] . Hij liet ons zien waar hij het koordje had aangetroffen in de schuur. Dit betrof de schuur waarin hij zijn twee oldtimers, voertuigen, heeft gestald. Via de loopdeur van de schuur, welke aan de zijde van de schapenstal zit, zijn wij de schuur binnen gegaan. In de schuur aangekomen stonden de voertuigen aan de rechterzijde geparkeerd. Aan de linkerzijde stond onder andere een aanhangwagen. Naast de aanhangwagen lag een blauw koordje op de grond. Desgevraagd gaf de aangever aan dat dit koordje niet van hem of van iemand anders uit de familie was. Gezien bovenstaande kan ervan uit gegaan worden dat dit koord mogelijk door de verdachte is achtergelaten en dat er mogelijk DNA sporen van de verdachte op dit koordje zijn achter gelaten. Het koordje is inbeslaggenomen middels een DNA kit bestemd voor vuurwapens omdat andere DNA kits niet meer voorradig waren binnen ons team.

Van het koordje zijn twee foto's gemaakt en zijn gevoegd bij dit proces-verbaal van

bevindingen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2020, opgenomen op pagina 198 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :

In verband met een diefstal in/uit woning (niet gekwalificeerd) te Suwald in de gemeente Tytsjerksteradiel werd op verzoek van de Eenheid Noord-Nederland op 17 maart 2020 om 09:17 uur door mij, als forensisch onderzoeker, een forensisch onderzoek verricht naar sporen aan onderstaande sporendrager.

Sporendrager

Goednummer : PL0100-2020049817-1244827

SIN : AALR1360NL

Object : Kleding (Overige)

Bijzonderheden Klein blauw koord, mogelijk afkomstig van kledingstuk.

Ik zag dat het een blauw (kunst)stoffen koordje met in één uiteinde een knoop betrof. Ik zag geen op bloed lijkende sporen. Ik heb het gehele koordje bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van humane biologische sporen. Ik heb het spoor veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AANS0491NL en verzegeld.

Spoornummer : PL0100-2020049817-61660

SIN : AANS0491NL

Relatie met SIN : AALR1360NL

4. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer [zaaknummer] , d.d. 3 april 2020 opgemaakt door ing. S. Tuinman, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, inhoudend:

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

SIN en Beschrijving DNA-profiel Celmateriaal kan Matchkans

omschrijving afkomstig zijn van

[nummer 2] DNA-profiel van een man [verdachte] kleiner dan

één op één

miljard

Tabel 2 Overzicht opgenomen en vergeleken DNA-profielen

SIN Datum opname Celmateriaal kan DNA profiel-cluster afkomstig zijn van

[nummer 2] 02-04-2020 [verdachte] 4706

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ontkend dat hij dit feit heeft gepleegd en heeft verklaard dat mogelijk iemand anders het koordje met daarop zijn DNA heeft meegenomen en in de loods heeft achtergelaten. De rechtbank constateert dat verdachte, hoewel hij het koordje niet herkent, niet betwist dat het zijn DNA betreft. Verdachte schetst een alternatief scenario voor de wijze waarop het koordje in de loods terecht is gekomen. Dit alternatieve scenario wordt verder niet onderbouwd. Wie het koordje daar zou kunnen hebben achtergelaten en waarom iemand dat gedaan zou hebben, heeft verdachte op geen enkele wijze geconcretiseerd. Verdachte heeft

evenmin kunnen uitleggen hoe een ander aan een koordje met zijn DNA zou kunnen zijn gekomen. Gelet op de plaats en het moment waarop het koordje is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat het koordje met het DNA van verdachte een zeer sterke aanwijzing vormt dat verdachte in de loods is geweest ten tijde van de inbraak. Verdachtes algemene verweer dat niet kan worden uitgesloten dat het koordje op de plaats delict terecht is gekomen zonder dat hij zelf fysiek daar aanwezig is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om deze sterke aanwijzing te ontzenuwen. Op grond van de aangifte en het aangetroffen DNA acht de rechtbank het onder 6. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1. subsidiair, feit 2., feit 3. primair, feit 4., feit 5. primair en feit 6. primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 27 februari 2020 te Deinum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een bedrijfspand, gelegen aan [adres] , goederen van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en inklimming, immers is verdachte binnen gekomen door een deur en een ruit te vernielen en vervolgens heeft verdachte meerdere ruimtes binnen het gebouw doorzocht en meerdere lades en/of kasten doorzocht en zoekend rondgekeken met behulp van een zaklamp en heeft verdachte een breekijzer tussen een deur(kozijn) gestoken en een fiets in de laadbak van een in die loods geparkeerde auto gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 26 februari 2020 tot en met 27 februari 2020, te Deinum, een elektrische damesfiets (goudkleurig) en een hamer en een tang en een zwarte werkjas en een paar zwarte werkschoenen, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

3. subsidiair

hij op 26 februari 2020 te Deinum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (ongeveer) 22.15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde

tijd, uit een woning, gelegen aan de [adres] , geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 3] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, immers heeft verdachte een deur vernield en vervolgens heeft verdachte meerdere lades doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 27 februari 2020 te Deinum, om (ongeveer) 01.50 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning, gelegen aan [adres] , een telefoon (merk Samsung type A40) en een portemonnee met daarin onder meer pasjes (te weten: creditcard ANWB) en een hoeveelheid geld (Deense kronen), toebehorende aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte

zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

5. primair

hij op 20 februari 2020 te Twijzelerheide, een personenauto, merk Volkswagen type Golf kenteken [kentekennummer] , toebehorende aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, door met de, uit de middenconsole van die auto, weggenomen sleutel, de auto vervolgens te starten en weg te rijden, en

te Noardburgum een laptop, merk HP Probook en een voicerecorder, merk Olympus, toebehorende aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

6.

hij in de periode van 24 februari 2020 tot en met 25 februari 2020 te Suwâld, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen van verdachte gading, toebehorende aan [slachtoffer 7] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, immers heeft hij, verdachte, een ruit van een auto ingegooid teneinde toegang tot die auto te krijgen en heeft hij, verdachte, lades doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

2.

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

3. subsidiair

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

4.

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

5. primair

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

en

Diefstal.

6. primair

Poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1. subsidiair, 2., 3. subsidiair, 4., 5. primair en 6. primair wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest.

Met betrekking tot het toegepaste geweld door de politie bij de aanhouding van verdachte op 27 februari 2020 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte dit gedrag zelf heeft veroorzaakt door niet mee, maar tegen te werken. Er is, aldus de officier van justitie, geen sprake van buitensporig politiegeweld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel van zeven maanden met de bijzondere voorwaarde van een meldplicht. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bij de aanhouding van verdachte in Deinum buitenproportioneel politiegeweld is toegepast en dat dit zou moeten leiden tot strafvermindering.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit (BHV [nummer 3] , [adres] te [plaats] , 27 februari 2020), dat hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken, diefstal van een auto en diefstal van goederen uit een auto. Verder heeft hij nog een poging tot woninginbraak en twee pogingen tot bedrijfsinbraak gepleegd. Verdachte heeft daarbij grote materiële schade toegebracht. Woninginbraken veroorzaken bovendien een forse inbreuk op de privacy en leveren naar algemeen bekend is voor de slachtoffers langdurig gevoelens van onveiligheid op.

Uit het reclasseringsadvies van 3 juni 2020 komt naar voren dat verdachte sinds juli 2018 de veelplegersstatus heeft. Na veel klinische en ambulante trajecten waarbij hij in ieder geval de afgelopen vijf jaren positieve ervaringen heeft opgedaan lijkt verdachte, na de laatste terugval en recidive geen baat meer te zien in verdere behandeling. Hij laat weten voldoende geleerd te hebben en dat dit in combinatie met hard werken en voldoende financiën goed genoeg is om terugval en/of recidive te voorkomen. Wanneer de reclassering kijkt naar de inzet van de afgelopen jaren is er inderdaad vooruitgang geboekt. Tegelijkertijd is er ook sprake van terugval en recidive. Verdachte zal, aldus de reclassering, niet abstinent blijven zonder verdere behandeling, maar ook behandeling geeft onvoldoende garantie voor het voorkomen van terugval en recidive. Daarnaast ontbreekt motivatie voor behandeling bij verdachte. Daardoor ontstaat een impasse waarin twee keuzes mogelijk zijn: een toezicht met meldplicht zonder verdere bijzondere voorwaarden zodat veroordeelde eigen keuzes met betrekking tot recidivevermindering kan maken en waartoe hij gemotiveerd is en daardoor verbetering van zijn leefsituatie kan creëren, danwel een toezicht met meerdere bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht, middelenverbod, ambulante behandeling, dagbesteding. Verdachte heeft daarbij te kennen gegeven daaraan niet mee te willen werken, waardoor de kans dat het toezicht voortijdig wordt beëindigd groter is dan bij de eerste mogelijkheid. Ter terechtzitting heeft de reclasseringswerker aangegeven dat elektronisch toezicht een derde mogelijkheid is en dat in principe een behandeling noodzakelijk is.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Ten aanzien van het door de politie toegepaste geweld bij verdachtes aanhouding in Deinum is de rechtbank van oordeel dat de klappen die verdachte in het gezicht heeft gekregen nadat hij richting verbalisanten spuugde als buitenproportioneel moeten worden aangemerkt. Dat geldt niet voor de overige handelingen van de politie. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat het letsel het gevolg is van de klappen. Alles overziend ziet de rechtbank in het handelen van de politie geen aanleiding tot strafvermindering.

De rechtbank is op grond van de ernst en hoeveelheid van de bewezenverklaarde feiten, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel van zeven maanden, zoals door de raadsvrouw bepleit, geen recht doet aan deze zaak. Met het oog op de LOVS oriëntatiepunten en de veelheid aan feiten, vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. De rechtbank zal hierbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd opleggen, met uitzondering van de ambulante behandeling, nu gelet op de afwezigheid van enige motivatie bij verdachte, daarvan geen vermindering van het recidiverisico valt te verwachten. De overige voorwaarden acht de rechtbank wel van belang ter vermindering van het recidiverisico.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich namens [slachtoffer 1] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.000,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat nu niet duidelijk is hoe hoog de schade is en de vordering niet is onderbouwd, de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij heeft de officier van justitie aangegeven dat een aanhouding om de vordering toe te lichten, een onevenredige belasting van het strafproces zou inhouden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd bepleit dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Uit het voegingsformulier blijkt dat [benadeelde partij] namens [slachtoffer 1] ongeveer € 10.000,00 vordert. De vordering is in het geheel niet onderbouwd. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank daarom van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Alsnog de benadeelde partij in de gelegenheid stellen tot het onderbouwen van deze vordering vormt een onevenredige belasting van dit strafgeding.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 101 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 13 juni 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 5 juni 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Tijdens de behandeling ter zitting heeft de officier van justitie zijn vordering gewijzigd, in die zin dat hij thans de tenuitvoerlegging van 62 dagen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf vordert, omdat van het overige deel de tenuitvoerlegging al eerder is gelast en ten uitvoer is gelegd.

De raadsvrouw heeft verzocht bij toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling, deze om te zetten in een taakstraf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten onder 1. subsidiair, 2., 3. subsidiair, 4., 5. primair en 6. primair heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet geen aanleiding voor omzetting in een taakstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder de feiten 1. primair en 3. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder de feiten 1. subsidiair, 2., 3. subsidiair., 4., 5. primair en 6. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Verslavingszorg Noord Nederland, Oostergoweg 6 te Leeuwarden;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van harddrugs en geen softdrugs gebruikt wanneer dit zijn dagelijks leven beïnvloedt en leidt tot problematisch en/of delictgedrag. De veroordeelde verplicht zich ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

3. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol voor zover dit zijn dagelijkse leven beïnvloed en leidt tot problematisch (delict)gedrag en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd een betaalde baan heeft dan wel dagbesteding volgt bij een door de reclassering te bepalen instelling of organisatie, voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Ten aanzien van 18/730030-20, feit 1:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

24/004664-18:

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 mei 2019, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 62 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2020.

Mr. Tuinstra en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.