Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2307

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
18/670005-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Economische zaak; art. 6.2 lid 1 Waterwet; art. 13 Wet bodembescherming. Verdachte heeft opzettelijk zonder vergunning van het waterschap restlading uit een sloptank van zijn schip in de Farmsumer haven gebracht en daarnaast (tezamen en in vereniging) een deel van die lading in de berm gebracht, terwijl verdachten opzettelijk niet aan hun verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen ter voorkoming daarvan dan wel de verontreiniging en de gevolgen ervan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Asfalt en klinkerbestrating zijn geen ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming; een berm is dat wel.

De verdachte kan, gelet op diens positie, ten aanzien van beide feiten als ‘dader’ worden beschouwd, die telkens opzettelijk heeft gehandeld. Het beroep van verdachte op de aanwezigheid van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de feiten, wordt door de economische politierechter verworpen, nu hem niet van feiten en omstandigheden is gebleken die tot afwezigheid van schuld behoren te leiden.

De economische politierechter spreekt verdachte van een deel van de tenlastelegging vrij en legt ten aanzien van bewezenverklaarde gedeelte een geldboete op van € 5000,- subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 2500,- subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Aangevers – waterschap Hunze en Aa’s, gemeente Delfzijl en Groningen Seaports NV – hebben elk voor zich een vordering benadeelde partij ingediend. Verhouding tussen publiekrechtelijke regeling kostenverhaal ex art. 7.22 Waterwet resp. art. 75 Wet Bodembescherming en civiele actie uit onrechtmatige daad. Een benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd en die een vordering indient van meer dan €25.000, is niet verplicht zich aldaar te laten vertegenwoordigen door een advocaat (art. 51f lid 4 Sv en art. 79 jo 93 Rv), zoals door de raadsvrouw is gesteld. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk in hun vorderingen aangezien een onderzoek naar de ingediende vorderingen zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/670005-18

Vonnis van de economische politierechter d.d. 29 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 maart 2019 en 15 juni 2020.

Verdachte is na aanhouding van de behandeling ter zitting niet verschenen. De procedure wordt voortgezet op tegenspraak. Wel is verschenen mr. P. Uijtdewillegen, advocaat te Rotterdam, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.H.E. Groeneboer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Farmsum, gemeente Delfzijl,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) danwel alleen al dan niet opzettelijk

een of meer stoffen, te weten vet en/of olie, althans een restlading afkomstig

uit een slobtank van een schip, genaamd [scheepsnaam 1] , heeft gebracht in de Farmsumerhaven, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl

daartoe geen strekkende vergunning was verleend door het bestuur van het

betrokken waterschap, zijnde Hunze en Aa's;

2.

hij, op of omstreeks 17 december 2016 te Farmsum, gemeente Delfzijl, tezamen

en in vereniging met (een) ander(en) danwel alleen,

op en/of in de bodem een handeling, als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van

de Wet bodembescherming heeft verricht, te weten het brengen van vet/olie,

althans een restlading afkomstig uit een slobtank van een schip, genaamd

[scheepsnaam 1] , op of in de bodem, te weten de berm en/of de klinkerbestrating en/of

het asfalt gelegen op of nabij de weg, genaamd [adres] , (totale oppervlakte

van circa 321 m3),

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs

had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden

verontreinigd en/of aangetast, al dan niet opzettelijk niet aan zijn/hun

verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs

van hem/hun kon worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting

te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich

voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan

te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in zijn eerste verklaring bij de politie een bekennende verklaring heeft afgelegd die, in samenhang bezien met de aangifte, getuigenverklaringen en de beschrijving van de radarbeelden, leidt tot een bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 en 2 en laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende, zakelijk weergegeven, aangevoerd. Verdachte is niet degene geweest die de restlading in het water en in de bodem heeft gebracht; de lekkage waardoor de verontreiniging is ontstaan, is geheel aan de zijde van de tankwagen ontstaan. Verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehoudenvoor het vastmaken van de koppeling van de slang aan de tankwagen. Nadat verdachte door een klap bemerkte dat de koppeling van de tankwagen was losgeschoten, heeft verdachte de pomp direct gestopt. Verdachte heeft dan ook niet als (mede-)pleger opzettelijk stoffen in het oppervlaktewater en in de bodem gebracht, noch behoefde hij redelijkerwijze te verwachten dat zulks het gevolg zou zijn van de lekkage door het losschieten van de koppeling. Verdachte heeft ook niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stoffen in het oppervlaktewater zijn gebracht. Een alledaagse handeling als het pompen van stoffen van een sloptank naar een tankwagen brengt niet zonder meer een reële mogelijkheid met zich mee dat een koppeling losschiet, met als gevolg het brengen van stoffen in het oppervlaktewater en in de bodem. Evenmin is er bij verdachte sprake van een bewuste en nauwe samenwerking met de chauffeur van de tankwagen geweest, aangezien verdachte geen intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het brengen van de stoffen in het oppervlaktewater of in de bodem, nu verdachte de koppeling van de slang niet zelf aan de tankwagen heeft aangebracht of die heeft laten aanbrengen. Daarom dient verdachte te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Beoordeling van het bewijs

De economische politierechter leest de tenlastelegging onder 2 in die zin verbeterd dat het om een oppervlakte van ongeveer 321 vierkante meter zou gaan.

De economische politierechter heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Daarbij is ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 december 2016, opgenomen op p. 7 e.v. van dossier nummer 2016090063 d.d. 24 april 2017, van de politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [verbalisant 1] :

Ik doe aangifte van verontreiniging oppervlaktewater in de Farsmumerhaven, het wegdek, bodem en riool van de [adres] te Farmsum dat gebeurde tussen zaterdag 17 december 2016 om 20.00 uur en 21.00 uur namens Groningen Seaports, de gemeente Delfzijl en Waterschap Hunze en Aa's. Ik ben namens de benadeelden gerechtigd tot het doen van aangifte.

Op zondag 18 december 2016 omstreeks 08.00 uur, kwam bij Groningen Seaports de melding binnen dat er een vettige substantie op het wegdek van de [adres] te Farmsum lag en mogelijk ook in het water van de Farmsumerhaven.

Genoemde benadeelden hebben in gezamenlijkheid de verontreiniging laten opruimen door het gespecialiseerd bedrijf [bedrijfsnaam 1] . Bij deze aangifte wordt het EHBI-rapport van de opruiming en constateringen gevoegd. Beknopt zegt het rapport het volgende:

- het wegdek van de loskade aan de [adres] te Farmsum is verontreinigd met een totaaloppervlakte van 295 m2. Tevens was de aan weerzijde van de weg de afvoergoot over een lengte van 45 meter verontreinigd.

- de bodem van de berm van de genoemde weg was over een totale lengte van 13 meter en 2 meter breed verontreinigd.

- het oppervlaktewater van de Farmsumerhaven was verontreinigd.

- een zestal straatkolken waren ook verontreinigd.

[bedrijfsnaam 1] heeft de verontreiniging vastgelegd door middel van foto's.

[bedrijfsnaam 2] heeft in opdracht van [bedrijfsnaam 1] de door hun genomen monsters van de substantie in de Farmsumerhaven en het nabij gelegen wegdek, geanalyseerd. Groningen Seaports heeft naar aanleiding van de verontreiniging de historische camerabeelden en de radarbeelden geraadpleegd om te zien of de veroorzakers van de verontreiniging in beeld waren te brengen. Op zaterdag 17 december 2016 omstreeks 20.13 uur komt er een schip aan de kade van de Farmsumerhaven en staat de genoemde vrachtauto nabij dit schip. Op zaterdag l7 december 2016 omstreeks 20.18 uur ontstaat er een plas onder de vrachtauto, welke steeds groter wordt. Dit is de plaats waar de bovenstaande verontreiniging heeft plaats gevonden.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 januari 2017, opgenomen op p. 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

(V) Was u op zaterdag 17 december 2016 schipper aan boord van de [scheepsnaam 1] ?

(A) Ja, ik was als schipper aan boord. De [scheepsnaam 1] is mijn eigendom en ik vaar voor de bevrachter [bedrijfsnaam 3] te Zwijndrecht. Dit is [bedrijfsnaam 3] .

(V) Op 17 december 2016, omstreeks 20.00 uur, vaart u volgens de gegevens van de havendienst (AIS) de Farmsumerhaven binnen. Hebt u zich toen ook bij de havendienst gemeld?

(A) Nee, ik heb daar niet bij stil gestaan. Er was n.l. geen plek bij de sluis.

(V) Hoe lang hebt u in de Farmsumerhaven gelegen?

(A) Ongeveer een half uur.

(V) Wat was u van plan in de Farmsumerhaven te gaan doen?

(A) Ik wilde de slops, de restlading, afgeven aan een tankauto van [bedrijfsnaam 4] . Ik had [eigenaar bedrijf 4] gebeld en hij regelde toen een tankauto. Deze [bedrijfsnaam 4] heeft ook schepen gehad o.a. [scheepsnaam 2] .. De tankauto, blauw van kleur, stond al in de Farmsumerhaven te wachten. Waar deze tankauto vandaan kwam weet ik niet.

(V) Zijn er vervolgens los en/of laad activiteiten in de Farmsumerhaven geweest?

(A) Ja, aldaar heb ik ongeveer 3 tot 4 kuub slops afgegeven.

(V) Vanuit welke tank is er in de tankauto gepompt? of andersom?

(A) Er werd vanuit de slobtank van het schip, met onze pomp, naar de vrachtauto gepompt. Deze pomp staat naast de slobtank.

(V) Wat is er gepompt en welke hoeveelheid.?

(A) Ik heb de pomp aangezet en er is tussen de 3 en 4 kuub slops, samenstelling o.a. biodiesel en BHO (Bio Heeting Oil), verpompt. Hierbij zat geen waswater.

(V) Betaalt u voor tankreiniging/slops afgifte?

(A) Als ik het elders afgeef moet ik betalen. Nu hoefde ik niets te betalen omdat [bedrijfsnaam 4] het nog kon gebruiken. Ik kreeg er ook niets voor.

(V) Wat gebeurde er vervolgens bij het laden of het lossen van/naar deze tankauto?

(A) Zijn slang was aangesloten op onze slang. De koppeling van de slang van de tankauto zat op de slang van mijn schip. Ik zette de pomp in werking en vervolgens pompten wij slops over. De pomp van de slobtank heeft een capaciteit van 4 tot 6 kuub per uur. Plotseling hoorde ik een harde knal. Ik zag dat de koppeling van de slang tussen vrachtwagen en schip uit elkaar was geklapt. Deze koppeling lag op wal. Wij, de chauffeur en ik, zagen dat de slang los was gegaan. Ik liep naar de pomp en stopte deze onmiddellijk. Hierna ruimden wij de slangen op. De chauffeur was volgens mij toen in paniek en belde zijn baas. Zijn baas heeft toen tegen hem gezegd dat hij weg moest gaan. Toen ik de slang aan het opruimen was zag ik een vlek op de kade. Deze vlek werd groter. Ik heb niet gezien of er wat in het water is gelopen. Dat zal mogelijk wel want het was best een grote vlek.

(V) Hoeveel kuub is er in de tankauto gepompt?

(A) Ongeveer tussen 3 en 4 kuub, want de slobtank was nagenoeg leeg.

(V) Is uw schip schuldig aan het veroorzaken van de schade in de Farmsumerhaven ?

(A) Ja, ik ben medeschuldig. Het gebeurde bij de vrachtauto maar ik pompte.

(V) Bent u bereid de schade te vergoeden?

(A) Afhankelijk van het bedrag ben ik bereid om op redelijke wijze tegemoet te komen in de kosten die zijn gemaakt om het op te ruimen.

(V) Had u vergunning/vrijstelling of toestemming om deze stof in het oppervlaktewaterlichaam te brengen ?

(A) Nee.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 januari 2017, opgenomen op p. 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Op zaterdag T januari 20l7 werden de camera~ en radarbeelden door verbalisanten bestudeerd en hetgeen is waargenomen vastgelegd in dit proces verbaal.

radarbeelden:

Omstreeks 20.06.05 uur meert de [scheepsnaam 1] af aan de Farmsumerkade. gelegen aan de weg [adres] , Farmsum, gemeente Delfzijl.

Omstreeks 20.24.29 uur komt de [scheepsnaam 1] los van de kade en vaart achteruit.

Omstreeks 20.26.44 uur vaart de [scheepsnaam 1] vooruit en verlaat de Farmsumerhaven.

camerabeelden:

T1_2:

Bij 1 min.30 seconden, komt een tankauto, witte cabine en mogelijk blauw/grijze tank zonder opschrift en in het totaal drie assen aangereden. Het kenteken is gedurende de gehele weergave niet te lezen.

T1_8:

Bij 1 minuut en 35 seconden komt het schip in beeld. Zij meert af met haar stuurboordzijde aan de Farmsumerkade. Haar achterzijde op enkele meters afstand van het watertappunthuisje. Dit tijdstip is de referentie met de radarbeelden en is dus omstreeks 20.06 uur.

Bij 1 minuut en 53 seconden heeft de chauffeur ( persoon 1) contact met iemand van het schip.

Bij 3 minuten en 45 seconden zijn er activiteiten waar te nemen achter de vrachtauto. Mogelijk wordt er een verbinding met een slang gemaakt tussen het schip en de tankauto.

T1_10:

Bij 00 tot 40 seconden staan er twee personen achter de tankauto.

Bij 3 minuten en 13 seconden ontstaat er een vlek voor de tankauto.

Bij 3 minuten en 16 seconden loopt persoon nr. 1 langs de tankauto naar voren, kijkt en loopt weer terug naar achteren.

Bij 3 minuten en 28 seconden is de vlek al meer dan een tankauto lengte richting weg.

Bij 3 minuten en 40 seconden heeft de vlek de weg, [adres] , al bereikt.

Bij 6 minuten en 14 seconden is er bij persoon 1 een flits te zien. Kennelijk maakt hij met zijn GSM een foto.

Opmerkingen verbalisanten;

Gezien de radarbeelden heeft het schip, de [scheepsnaam 1] , 18 minuten en 24 seconden aan de Farmsumerkade gelegen.

Gezien de camerabeelden heeft het schip, na berekening, ongeveer 17 minuten en 29 seconden aan de Farmsumerkade gelegen. Het verschil van 55 seconden is plausibel en ligt in het feit dat de waarnemingen van twee systemen zijn verricht. Het is dan ook met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te zeggen dat het schip op de camerabeelden de [scheepsnaam 1] is.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 december 2016, opgenomen op p. 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van Gerhardus Tjarko Dijksterhuis:

Ik ben hier op het bureau van de Waterpolitie om een verklaring af te leggen wat ik heb gezien op zaterdagavond 17 december 2016 in de Farmsumerhaven in de gemeente Delfzijl. Ik woon vlak bij de Farmsumerhaven en ging die dag na het avondeten onze hond uitlaten. Dit is ongeveer rond 19.30 uur geweest.

Toen ik ter hoogte van de Nautische Unie liep was het net of mij de adem werd afgesneden. Het stonk namelijk behoorlijk. Toen ik doorliep en bij de Farmsumerhaven kwam zag ik een schip aan de kade liggen. Bij dat schip stond een klein tankautootjes een zogenaamde kolkenzuiger. Het schip lag met de kop richting voormalig havenkantoortje. Ik kon de naam van het schip niet goed zien.

Verder zag ik twee manspersonen rond de tankauto lopen en druk doende waren met hun GSM. Zij schenen met de verlichting van hun GSM op de weg. Ik zag ook iets over de kade stromen richting weg. Dit was zeker geen water maar een soort drab.

Verder zag ik dat die twee manspersonen, ongeveer 30 jaar oud, zich schichtig gedroegen. Hiermee bedoel ik dat ze achter de cabine gingen staan en om de cabine heen keken om mij inde gaten te houden. Ze doken ook weg als ik in hun richting keek. Ik hoorde hen ook schreeuwen en het leek of zij in paniek waren. Ik hoorde verder de motor van die vrachtauto toeren maken en ik hoorde het pompen duidelijk. Ik kon niet goed zien of er een verbinding was tussen schip en vrachtauto.

5. Een schriftelijk stuk d.d. 18 december 2018, opgenomen op pagina 130 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het EHBI-rapport van [bedrijfsnaam 1] :

Op 18 december 2016 is om 09.35 uur de verontreiniging van de [adres] te Farmsum bij ons gemeld.

Voorval omschrijving/schadebeeld:

Door een voor [bedrijfsnaam 1] onbekende oorzaak werd er op het uit klinkers en asfalt bestaand wegdek een vette substantie aangetroffen. Tevens was de berm met genoemde stof verontreinigd.

Wegdek verontreinigd? Hoe en wat geconstateerd?

Ja, op het uit klinkers en asfalt bestaand wegdek werd er een verontreiniging aangetroffen met bovengenoemde stof. De verontreiniging met een totale oppervlak van circa 295m² bevond zich op de loskade [adres] als mede het wegdek. Tevens was over een lengte van circa 45 meter aan weerszijde van de weg de afvoergoot verontreinigd met bovengenoemde stof (olie op wegdek).

Bodem verontreinigd? Hoe en wat geconstateerd?

Ja, in de naast gelegen berm werd er ook een verontreiniging aangetroffen met bovengenoemde stof. Met een totale lengte van circa 13 meter en 2 meter breed.

Opp.water verontreinigd? Hoe en wat geconstateerd?

Ja, er werd op het naastgelegen water ook een verontreiniging aangetroffen. Hier heeft het waterschap zelf zorg voor gedragen.

Riool/goot verontreinigd? Hoe en wat geconstateerd?

Ja, er werden een zestal straatkolken aangetroffen welke met bovengenoemde stof verontreinigd waren.

6. Een schriftelijk stuk in de zin van art. 344 lid 1 sub 5 Sv d.d. 24 juli 2019, opgenomen als los document in het dossier, inhoudende een schriftelijke verklaring van [verdachte] :

Ik ben eigenaar van het Schip de [scheepsnaam 1] . Op 17 december 2016 was ik als schipper werkzaam aan boord van de [scheepsnaam 1] , samen met mijn stuurman de heer [stuurman schip 1] . In de slobtank aan boord van het schip was op die dag een restlading aanwezig. Met de heer [eigenaar bedrijf 4] had ik eerder afgesproken om deze restlading af te geven aan een door hem te regelen tankauto.

Op 17 december 2016 meerde ik omstreeks 20.00 uur met de [scheepsnaam 1] aan in de Farsumerhaven. Op het moment dat ik in de Farsumerhaven aanmeerde. stond de tankwagen al aan wal te wachten. De chauffeur van de tankwagen was toen ook al aanwezig Aan de tankwagen is middels een koppeling een slang bevestigd. Deze slang kan worden aangesloten op bijvoorbeeld een slobtank. om zo de lading in die slobtank naar de tankwagen te kunnen pompen.

Nadat de tankwagen zo dicht mogelijk naar het schip was gereden, heeft de chauffeur van de tankwagen de slang behorende bij de tankwagen onder assistentie van de heer [stuurman schip 1] met behulp van een tweede koppeling bevestigd aan de leiding van de slobtank. Vervolgens heb ik de pomp aan boord van het schip aangezet en heeft de chauffeur de zuigkracht van de tankwagen in werking gesteld. Hierdoor werd de restlading in de slobtank overgepompt naar de tankwagen.

Tijdens het pompen hoorde ik plotseling een harde knal. Ik zag dat de koppeling waarmee de slang van de tankwagen aan de tankwagen was gekoppeld, was losgeschoten. Als gevolg hiervan ontstond er een grote vlek onder de tankwagen op de kade. Ik heb de pomp toen snel uitgezet. Wij raakten vervolgens in paniek. Nadat de chauffeur van de tankwagen snel was weggereden, ben ik samen met de heer [stuurman schip 1] ook weggevaren.

7. Een aanvullend proces-verbaal d.d. 29 maart 2019, opgenomen als los document in het dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Tenslotte verklaren wij, verbalisanten, nog het volgende. De schipper van de [scheepsnaam 1] , de heer [verdachte] , verricht wekelijks laad- en los werkzaamheden aan boord van een tankschip en hij behoort op de hoogte te zijn van de te volgen procedures die daarbij gevolgd moeten worden. Zoals daar zijn;

- het is niet toegestaan om zonder toestemming van de haven autoriteit laad en los

werkzaamheden te verrichten in de Farmsumerhaven, de heer [verdachte] had betreffende

werkzaamheden NIET [opmerking economische politierechter: hoofdletters zijn door verbalisant geplaatst] gemeld en dus geen toestemming.

- als er wordt gelost, wordt er vooraf een zogenaamde losverklaring opgemaakt met de

ontvangende partij. Dit is NIET geschied.

- in die losverklaring vermeld je de inhoud van de sloptank en aan wie de inhoud wordt afgegeven met een handtekening van de ontvanger, (of middels een Scheepsafvalstoffen formulier). Dit is NIET geschied.

- de ontdoener van betreffende afvalstoffen (de schipper) dient de afvalstoffen af te geven aan een erkende inzamelaar (scheeps-)afvalstoffen. De schipper verklaarde dat hij de afgifte had geregeld middels een tussenpersoon, [bedrijfsnaam 4] , en kon geen gegevens verstrekken van die persoon en/of firma. Ook vertelde de schipper dat hij GEEN naam van de ontvanger van de afvalstoffen had. Dit is wettelijk verboden en ongebruikelijk m.b.t. afgifte van scheepsafvalstoffen.

- er wordt altijd een lekbak onder de aankoppeling geplaatst. Dit is NIET gebeurd.

- het is wettelijk verplicht om bij een calamiteit, zoals betreffende verontreiniging, de bevoegde autoriteit te waarschuwen. Dit is NIET gebeurd.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige door de rechters-commissaris d.d. 25 juli 2019, opgenomen als los document in het dossier, inhoudende de verklaring van [stuurman schip 1] :

Ik was in eerste instantie in paniek maar heb op eigen initiatief de kraan dichtgedraaid. Wij waren alle drie in paniek. Normaal gesproken gebeuren deze incidenten niet. De volledige taak lag bij de chauffeur. Wij waren allemaal wel ontspannen, maar toen wij de knal hoorde waren wij allemaal in paniek.

U vraagt mij of ik na de knal bio- diesel heb zien lekken aan de kant van de slang die

gekoppeld was aan de slobtank. Ja, er lekte, nadat ik de slang losgemaakt had, een klein

beetje uit; ongeveer 4 of 5 liter. Toen ik de kraan dichtgedraaid heb, was er in de slang nog een kleine hoeveelheid brandstof.

U vraagt mij of [verdachte] heeft overwogen heeft de politie te bellen. Dat weet ik niet. De

chauffeur heeft heel snel de slang gepakt en is weggereden. [verdachte] zei tegen mij dat ik de

trossen moest lossen, hetgeen ik deed. [verdachte] is toen naar de sluis gevaren.

Overwegingen

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de economische politierechter het volgende. Niet betwist wordt dat verdachte met diens schip [scheepsnaam 1] zaterdagavond 17 december 2016 om ongeveer 20.06 uur is aangemeerd in de Farmsumer haven (gemeente Delfzijl). Daarnaast staat vast dat verdachte zich heeft willen ontdoen van een restlading zogenoemde slops. Hij heeft daartoe een tankwagen, waarvan de eigenaar en/of chauffeur onbekend is gebleven, via tussenpersoon [bedrijfsnaam 4] naar de kade in Farsum laten komen, welke wagen op het tijdstip waarop verdachte met diens schip aanmeerde, op de kade aanwezig was. Vervolgens is een reeks slangen aan elkaar gekoppeld, opdat de slop uit de tank van het schip naar de tankwagen kon worden gepompt. Op enig moment, tijdens het pompen van de slop van het schip naar de tankwagen, schiet een van de koppelingen waarmee de slangen aan elkaar en aan de tankwagen zijn verbonden, los. Naar alle waarschijnlijkheid is dit geschied op de plek waar de slang aan de tankwagen is gekoppeld. Daardoor ontstaat een lek, ten gevolge waarvan de sterk ruikende slop zich verspreidt over de weg, over de berm en de kade en vanuit daar op en in het oppervlaktewater van de Farmsumer haven terecht komt. Om ongeveer 20.25 uur maakt de [scheepsnaam 1] zich los van de kade, om ongeveer twee minuten later de Farmsumer haven te verlaten.

‘Bodem’ in de betekenis van de Wet Bodembescherming

De verdediging heeft de stelling betrokken dat de olie en de vetten (de ‘slop’) niet in de bodem terecht zijn gekomen, nu asfalt en klinkerbestrating niet als ‘bodem’ als bedoeld in art. 1 Wet Bodembescherming kunnen worden beschouwd. Dit verweer verstaat de economische politierechter als een bewijsverweer. De economische politierechter overweegt dat ‘bodem’ in de Wet Bodembescherming wordt omschreven als ‘het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen’. Hieruit valt af te leiden dat de bestrating, of deze nu uit asfalt dan wel uit klinkerbestrating bestaat, weliswaar op de bodem rust, maar daar geen deel van uit maakt. Dat kan evenwel anders zijn, indien de bestrating (asfalt of klinkerbestrating) op een ondergrond rust, bijvoorbeeld een puinlaag, die dun genoeg is om doorlating van (verontreinigend) materiaal toe te staan. Uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting is echter niet in voldoende mate gebleken dat zich onder het asfalt en/of onder de klinkerbestrating van de [adres] te Farmsum geen of dunne ondergrond (bijvoorbeeld een puinlaag) bevindt. De economische politierechter gaat er derhalve van uit dat het asfalt en de klinkerbestrating die de [adres] vormen, worden gedragen door een meer dan dunne ondergrond. Een dergelijke ondergrond maakt geen deel uit van de bodem als bedoeld in voormelde wet (HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2976). Overigens volgt uit het rapport van [bedrijfsnaam 1] d.d. 20-12-2017 dat geen bodemverontreiniging is opgetreden (p. 2, rapport).

Het moet er derhalve voor worden gehouden dat door de ‘kieren’ van de klinkerbestrating en door het asfalt geen slop in de bodem is gebracht, zoals in de feitelijke omschrijving van de tenlastelegging onder 2 is beschreven. Van dat gedeelte van de tenlastelegging dient de verdachte derhalve te worden vrijgesproken. De economische politierechter stelt, gelet op de aangifte en op het rapport van [bedrijfsnaam 1] (p. 4), echter vast dat een deel van de slop, met een omvang van 2 bij 13 meter in de (bodem van de) berm van de [adres] terecht is gekomen. Anders dan het asfalt en de klinkerbestrating, vormt naar het oordeel van de economische politierechter de berm ‘bodem’ in de betekenis van voormelde bepaling, nu het oppervlak van de berm – zijnde een feit van algemene bekendheid – één- en ondeelbaar is met de direct daaronder liggende ‘bodem’. In zoverre wordt het verweer verworpen.

De verdediging heeft aangevoerd, kort gezegd, dat verdachte ten aanzien van beide feiten het daderschap ontbeert. Verdachte droeg geen verantwoordelijkheid voor het aansluiten van de slang aan de vrachtwagen. Daarnaast – zo begrijpt de economische politierechter het verweer – kon verdachte niet weten noch behoefde hij redelijkerwijze te vermoeden dat door het losschieten van de koppeling tussen de slang en de tankwagen de verontreiniging in de bodem en in het oppervlaktewater zou worden bewerkstelligd. Evenmin, zo is de stelling van de verdediging, kan gesproken worden van een bewuste en nauwe samenwerking en derhalve van medeplegen door verdachte. De economische politierechter zal de verweren in de hier gebezigde volgorde bespreken.

Daderschap

De economische politierechter overweegt het volgende. Blijkens de verklaring van verdachte, afgelegd ten overstaan van de politie d.d. 7-1-2018, vaart hij weliswaar voor een bevrachter, maar is de [scheepsnaam 1] van hemzelf. Hieruit leidt de economische politierechter af dat de schipper, als ‘eenmansbedrijf’, zelf de bedrijfsvoering doet en verantwoordelijk is voor de handelingen die in het kader en ten dienste van het vervoer per schip plaatsvinden. Uit het systeem van de Waterwet volgt dat niet zozeer de (in casu) schipper vergunningplichtig is, doch dat de handeling (het brengen van stoffen in het oppervlaktewater) daaraan onderhevig is. De economische politierechter ziet zich derhalve voor de vraag gesteld wie moet worden geacht de betreffende handeling te hebben verricht. Uit de verklaring van verdachte, leidt de economische politierechter af dat verdachte op eigen initiatief een contactpersoon heeft benaderd met vraag of en waar een restlading slop zou kunnen worden gelost. Kennelijk is toen afgesproken dat in de Farmsumer haven te doen op een afgesproken tijdstip. Dit leidt de economische politierechter af uit het feit dat, toen verdachte de haven van Farmsum binnenvoer, ter plaatse een tankwagen met chauffeur klaar stond om de slop over te nemen en af te voeren. Verdachte verklaart vervolgens dat hij, tezamen met zijn medewerker [stuurman schip 1] en met de tankwagenchauffeur een reeks slangen heeft bevestigd tussen de tank op het schip en de vrachtwagen. Volgens de schipper is kort na het aansluiten de koppeling tussen de slang en de tankwagen los geschoten, als gevolg waarvan de slop over de straat richting de berm gaat en de haven in stroomt. Vrijwel direct na het lekken van de slop, hetgeen de verdachte blijkens de camerabeelden nauwelijks ontgaan kan zijn, laat verdachte zijn boot losgooien om onmiddellijk de Farmsumer haven te verlaten.

Uit het rapport d.d. 20-12-2016 dat door [bedrijfsnaam 1] is opgemaakt, volgt dat onder meer het oppervlaktewater van de Farmsumer haven verontreinigd was met (een mengsel van) olie en vetten. Uit verdachtes verklaring volgt dat de bevoegde autoriteiten niet op de hoogte waren van de komst van de [scheepsnaam 1] ; verdachte heeft zich naar eigen zeggen niet bij de Havendienst gemeld. Verdachte heeft tevens verklaard voor de handeling geen vergunning voor het brengen van de olie en de vetten in het water van de Farmsumer haven te hebben verkregen van het waterschap Hunze en Aa’s.

Dat verdachte, naar eigen zeggen, niet een van de slangen aan de tankwagen heeft gekoppeld, doet niet af aan het feit dat (ook) deze gedraging ten behoeve van hem en onder zijn verantwoordelijkheid is verricht. Uit de verklaring van verdachte en uit diens verklaring zoals hij deze schriftelijk heeft verstrekt aan de rechter-commissaris d.d. 24-7-2019, kan niet anders volgen dan dat verdachte het initiatief en de opdracht tot deze wijze van lossen van de slop heeft genomen, terwijl in samenwerking met de eerder genoemde [bedrijfsnaam 4] , met de door verdachte geïnstrueerde [stuurman schip 1] en de chauffeur van de tankwagen, de feitelijke tenuitvoerlegging ervan heeft plaats gevonden. De vervuiling van het water van de Farmsumer haven kan, naar het oordeel van de economische politierechter, derhalve rechtstreeks aan verdachte worden toegerekend, aangezien hij als initiatiefnemer en opdrachtgever heeft nagelaten de zorg te betrachten om de verontreiniging te voorkomen, welke zorg in redelijkheid van verdachte in zijn hoedanigheid van schipper die slop overpompt, kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de verontreiniging van de Farmsumer haven. Naar het oordeel van de economische politierechter kan verdachte als dader worden beschouwd.

Naar het oordeel van de economische politierechter is dat ook het geval ten aanzien van het feit zoals dat onder 2 is tenlastegelegd voor zover het betreft de handeling die is verricht met betrekking tot de berm. Verdachte kan daarvan als dader worden beschouwd, nu hij niet alleen kort na het ontstaan van het lek en de daardoor veroorzaakte vervuiling is weggevaren maar ook dat hij geen enkele poging heeft ondernomen de nodige maatregelen ter voorkoming van (verdere) verspreiding van de verontreiniging van de berm te nemen.

De economische politierechter is derhalve van oordeel dat, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten de verdachte als dader moet worden aangemerkt.

Opzet

De rechter-commissaris ziet zich thans voor de vraag gesteld of de verdachte in beide gevallen opzettelijk heeft gehandeld. De economische politierechter overweegt dat van zowel de tankwagenchauffeur als van medewerker [stuurman schip 1] gezegd kan worden dat zij, ieder voor zich, opzettelijk de feitelijke handelingen hebben verricht die strekten tot het pompen van de slop van de boot naar de tankwagen. De economische politierechter neemt aan dat de slang niet door opzettelijk handelen van de chauffeur en/of van [stuurman schip 1] is los geschoten van de tankwagen. Wel oordeelt de economische politierechter dat voormelde personen – door maatregelen ter voorkoming van verontreiniging, zoals het niet plaatsen van een lekbak onder de koppeling teneinde de gevolgen van defecten aan de koppeling te voorkomen, na te laten – ieder voor zich bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat in het geval de slangen los zouden schieten, daarmee de olie en de vetten uiteindelijk in het oppervlaktewater terecht zouden komen. Dat in elk geval de schipper zich daarvan bewust behoorde te zijn, ligt naar het oordeel van de economische politierechter besloten in de omstandigheid dat hij, gelet op diens kennis en ervaring daaromtrent, van de eventuele gevolgen op de hoogte kon zijn. Daarnaast is niet gebleken dat verdachte heeft aangedrongen op het nemen van dergelijke maatregelen dan wel dat hij de twee voormelde personen daartoe heeft geïnstrueerd, toen hij hen de opdracht gaf de slangen aan de tankwagen te koppelen om de slop over te pompen. Op grond hiervan komt de economische politierechter tot het oordeel dat, nu de tankwagenchauffeur en [stuurman schip 1] (voorwaardelijk) opzettelijk hebben gehandeld, dit ook ten aanzien van verdachte gezegd kan worden: doordat onder zijn verantwoordelijkheid deze zich aldus hebben gedragen, heeft daarmee ook verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een falen van de koppeling tot verontreiniging van het oppervlaktewater zou leiden.

Ten aanzien van feit 2 is de economische politierechter van oordeel dat verdachtes opzet, besloten ligt in de volgende feiten en omstandigheden. Na de door hem geconstateerde verontreiniging in de berm, is verdachte snel weggevaren, zonder aan diens verplichting te hebben voldaan om de nodige maatregelen te treffen die redelijkerwijze van hem gevergd kon worden om die verontreiniging te voorkomen dan wel te beperken. Verdachte heeft immers verklaard dat hij, toen hij de verontreiniging waarnam, in paniek raakte en onmiddellijk is weggevaren.

Medeplegen

De verdediging heeft de stelling betrokken dat in beide gevallen niet van medeplegen sprake is, daar er geen bewuste en nauwe samenwerking van de zijde van de schipper is geweest. De economische politierechter overweegt hiertoe ten aanzien van feit 2 het volgende. Uit zowel de verklaring van verdachte, afgelegd ten overstaan van de politie en die, verstrekt aan de rechter-commissaris d.d. 24-7-2019 , als de verklaring van getuige [stuurman schip 1] , afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, leidt de economische politierechter af dat er tussen verdachte, [stuurman schip 1] en de chauffeur van de tankwagen bewust gezamenlijk de handelingen zijn verricht die vereist waren om de slop vanuit het schip in de tankwagen te pompen. Voorafgaande aan het pompen is door verdachte een afspraak gemaakt om de slop over te pompen op de wijze zoals dit is gebeurd, voor welke gelegenheid de tankchauffeur kennelijk was opgeroepen om ter plaatse aanwezig te zijn. Op grond van deze gezamenlijke uitvoering oordeelt de economische politierechter dat er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, matroos [stuurman schip 1] en de tankwagenchauffeur, dat van medeplegen kan worden gesproken. De economische politierechter overweegt daarbij dat het opzet van ieder der medeplegers tevens in voorwaardelijke zin gericht was op de verontreiniging als gevolg van het losschieten van de koppeling tussen een van de slangen en de tankwagen en daarnaast op het nalaten van het treffen van voldoende maatregelen om het zich verspreiden van de slop tegen te gaan. Dit laatste volgt naar het oordeel van de economische politierechter genoegzaam uit de omstandigheid dat zowel tankwagen als boot na de (uitbreiding van) het lek de kade en de haven verlieten, zonder zich te bekommeren om de verontreinig die zichtbaar optrad.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de economische politierechter het volgende. Hoewel zowel de tankwagenchauffeur als medewerker [stuurman schip 1] gezamenlijk hebben bewerkstelligd dat de slop, doordat de slang van de tankwagen was losgeschoten in het oppervlaktewater terecht kwam, ziet de economische politierechter in het dossier en in het verhandelde ter zitting geen aanleiding om aan te nemen dat zij op de hoogte waren dat voor de handeling door het waterschap Hunze en Aa’s geen vergunning was vertrekt aan de schipper. Nu het niet hebben van een dergelijke vergunning een essentieel bestanddeel van de tenlastelegging vormt, kan het aan verdachte tenlastegelegde medeplegen onder feit 1, niet wettig en overtuigend bewezen worden, op grond waarvan hij van dat gedeelte van de tenlastelegging dient ter worden vrijgesproken.

Slotsom ten aanzien van de bewezenverklaring

De economische politierechter heeft op grond van het bovenstaande van oordeel dat op grond van de wettige bewijsmiddelen, zoals in dit vonnis opgenomen, de overtuiging bekomen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan. Als dader heeft verdachte, kort gezegd opzettelijk zonder vergunning van het waterschap Hunze en Aa’s, slop in het oppervlaktewater van de Farmsumer haven gebracht. Daarnaast kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, slop in de berm van de [adres] heeft gebracht, terwijl verdachte en zijn medeverdachten wisten of redelijkerwijze moesten vermoeden dat door die handeling de berm kon worden verontreinigd, opzettelijk niet heeft voldaan aan hun verplichting alle maatregelen te nemen die van hen kon worden gevergd om de verontreiniging te voorkomen, tegen te gaan of te beperken.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 17 december 2016 te Farmsum opzettelijk stoffen, te weten een restlading afkomstig uit een slobtank van een schip, genaamd [scheepsnaam 1] , heeft gebracht in de Farmsumerhaven, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl daartoe geen strekkende vergunning was verleend door het bestuur van het betrokken waterschap, zijnde Hunze en Aa's;

2.

hij op 17 december 2016 te Farmsum tezamen en in vereniging met een ander op en/of in de bodem een handeling, als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft verricht, te weten het brengen van een restlading afkomstig uit een slobtank van een schip, genaamd [scheepsnaam 1] , in de berm gelegen nabij de weg, genaamd [adres] , (oppervlakte van circa 26 m²), terwijl verdachte en zijn mededader wist dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd, opzettelijk niet aan hun verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hun kon worden gevergd, teneinde die verontreiniging te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging zich voordeed, de verontreiniging en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de economische politierechter dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1 overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, opzettelijk begaan;


2 medeplegen van overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging:

Verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, nu hij ten aanzien van de feiten verontschuldigbaar heeft gedwaald, hetgeen moet leiden tot de conclusie dat zijn schuld afwezig is. Verdachte kon immers niet weten dat de koppeling niet goed aan de tankwagen vast zat, hetgeen ook buiten zijn verantwoordelijkheid valt.

De economische politierechter overweegt hiertoe als volgt. Dat verdachte niet kon weten dat de koppeling kennelijk niet goed aan de tankwagen vast zat, leidt niet onomstotelijk tot de aanname van feiten en omstandigheden, die nopen tot de vaststelling dat verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten verontschuldigbaar heeft gedwaald. Gesteld kan worden dat verdachte, in de wetenschap dat hij zonder vergunning van het waterschap handelde, heeft beseft dat hij niet conform de ongetwijfeld hem bekende regeling (waarmee hij althans als schipper bekend had moeten zijn) omtrent het lossen van het materiaal, geen maatregelen heeft getroffen om eventueel lekken tegen te gaan. Bij het zien daarvan, is verdachte namelijk schielijk weggevaren. Naar het oordeel van de economische politierechter leveren deze feiten geen omstandigheid op, op grond waarvan gesteld kan worden dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten.

De economische politierechter acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,- subsidiair 85 dagen vervangende hechtenis waarvan € 5.000,- subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, (voor het geval de economische politierechter het feit bewezen mocht achten), gepleit voor aansluiting bij de richtlijn milieu- en keurfeiten. Bij een overtreding van een natuurlijk persoon zouden geldboetes van € 1.000,- en € 750,- volgens de richtlijnen van het OM moeten worden gevorderd in het geval van bewezenverklaring van de misdrijfvariant van beide feiten.

Oordeel van de economische politierechter

Bij de bepaling van de na te melden straf heeft de economische politierechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De economische politierechter heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft als schipper, in strijd met alle van toepassing zijnde wet- en regelgeving, verontreinigd slop overgepompt van zijn schip naar een tankwagen. Door lekkages is de berm en het oppervlaktewater sterk verontreinigd geraakt, en hebben de autoriteiten zich veel moeite moeten getroosten om berm en water te ontdoen van de vervuiling om zo de omgeving weer leefbaar te maken. Het kan verdachte bijzonder kwalijk worden genomen dat hij op deze wijze zich heeft ontdaan van vervuild materiaal, ook omdat hij niet heeft getuigd van een verantwoordelijkheid die hij als schipper toen droeg om verontreiniging van de omgeving tegen te gaan.

De economische politierechter houdt daarnaast rekening met het tijdsverloop tussen de aanvang van de vervolging (januari 2018) en de berechting (juni 2020), waarbij overigens te gelden heeft dat de vertraging waarvan hoe dan ook sprake is, mede is gelegen in het verzoek van de verdediging om een getuige te horen.

Vorderingen van de benadeelde partijen (m.b.t. het onder 1en 2 bewezen verklaarde)

De hierna genoemde benadeelde partijen hebben zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. Deze vorderingen bestaan geheel uit materiële schade.

Waterschap Hunze en Aa's € 7.922,06

gemeente Delfzijl € 26.240,56

Groningen Seaports N.V. € 18.922,46

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van het Waterschap Hunze en Aa's gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank aangezien daarin formeel geen correcte machtiging is bijgevoegd die wordt gedekt door een juist uittreksel van de Kamer van Koophandel. De facturen zijn helder en inhoudelijk is de vordering voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de gemeente Delfzijl heeft de officier van justitie gevorderd dat deze toegewezen kan worden.

De officier van justitie acht de vordering van Groningen Seaports N.V. toewijsbaar tot een bedrag van € 13.192,46 aangezien dat bedrag door bewijsstukken is onderbouwd.

Voor alle vorderingen heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair, nu zij voor vrijspraak heeft gepleit, betoogd dat alle vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Subsidiair heeft de raadsvrouw afwijzing of niet-ontvankelijk verklaring van de vorderingen van de benadeelde partijen bepleit nu voor de behandeling van de vordering van de gemeente Delfzijl relevante rechtsbijstand ontbreekt en de vordering van Groningen Seaports N.V. niet goed is onderbouwd. Bij de vordering van het Waterschap Hunze en Aa's ontbreekt de juiste machtiging. Indien gelegenheid zou worden gegeven alsnog de juiste informatie aan te leveren zou dit het strafproces onevenredig belasten.

Beoordeling

De economische politierechter ziet zich voor de vraag gesteld of de publiekrechtelijke regeling van het kostenverhaal op de voet van de Waterwet en Wet Bodembescherming (de artikelen 7.22 Waterwet resp. art. 75 WBB) van toepassing is, dan wel dat de algemene regeling van de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) als grondslag van de vorderingen kunnen dienen, in elk geval waar het de Gemeente Delfzijl en Waterschap Hunze en Aa’s betreft. Hoewel in het algemeen gezegd kan worden dat in het geval van kostenverhaal van schade veroorzaakt door een derde aan een publiekrechtelijk lichaam een publiekrechtelijke afdoening vereist, en niet op grond van het privaatrecht (HR [geboortedatum] 2017, ECLI:NL:HR:2017:221), is in het onderhavige geval uit genoemde bepalingen af te leiden dat het kostenverhaal langs de weg van de civielrechtelijke vordering benadeelde partij verloopt. Zowel art. 7.22 lid 1 Waterwet als art. 75 lid 1 Wet Bodembescherming bepalen immers, voor zover hier van belang, dat de Staat de ten laste van het Rijk komende kosten van saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige verontreiniging kan verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad de verontreiniging of de aantasting van de bodem en van het oppervlaktewater in het betrokken geval is veroorzaakt en die deswege of anderszins buiten overeenkomst jegens enige overheid krachtens burgerlijk recht aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan. Uit de redactie van deze (in essentie gelijkluidende) bepalingen leidt de economische politierechter af dat zij geen zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid omvatten, doch verwijzen naar de civielrechtelijke regeling van de onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW c.a. De artt. 7.22 Waterwet en 75 Wet Bodembescherming laten onverlet dat publiekrechtelijke organen op grondslag van de onrechtmatige daad vergoeding van de dor hen geleden schade vorderen. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de gemeente Delfzijl en het waterschap Hunze en Aa’s hun onderscheiden vorderingen benadeelde partij op de juiste grondslag hebben ingediend

De economische politierechter heeft ter zitting vastgesteld dat de ondertekenaars van het voegingsformulier ten behoeve van Groningen Seaports NV en van de gemeente Delfzijl, blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel daartoe gemachtigd zijn. Aangever Waterschap Hunze en Aa’s heeft ook een vordering benadeelde partij ingediend, doch uit het tot het dossier behorende uittreksel van de Kamer van Koophandel kan niet blijken dat de ondertekenaar van het voegingsformulier gemachtigd is tot het indien ervan. Van een publiekrechtelijke instelling als waterschap Hunze en Aa’s mag verwacht worden dat het op de hoogte is van de vereisten voor het indienen van een vordering als de onderhavige. Ter zitting was een vertegenwoordiger het waterschap niet aanwezig. Naar het oordeel van de economische politierechter dient de vordering dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het waterschap kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de gemeente Delfzijl niet ontvankelijk is in haar vordering, nu zij een vordering heeft ingediend die €26.400 bedraagt, derhalve meer dan €25.000. De raadsvrouw stelt dat in dat geval de benadeelde partij ingevolge art. 51f lid 4 Sr jo art. 93, aanhef onder a Rv, zich had moeten laten bijstaan door een advocaat. Nu geen advocaat de gemeente ten behoeve van de civiele vordering bijstaat, dient zij om die reden niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard. De economische politierechter overweegt als volgt. De behandeling en de beoordeling van de vordering benadeelde partij gedurende en annex aan het strafproces, vindt plaats volgens de regels van het materiële burgerlijke recht, met name die rond de regels omtrent de onrechtmatige daad en de daaraan verwante regelgeving. Regels van rechtsvordering vinden niet zonder meer toepassing gedurende de behandeling van de vordering benadeelde partij in het strafproces, behalve dan dat in art. 51f lid 4 Sv de benadeelde partij de keuze heeft om zich door een advocaat te laten bijstaan geeft en dat die bepaling voorziet in verplichte rechtsbijstand aan jeugdigen of kwetsbare personen die zich als benadeelde partij in het strafgeding hebben gevoegd. De regeling als bedoeld in art. 51f lid 4 Sv voorziet in een van elke procedurele complexiteit gespeende regeling, welke complexiteit door de wetgever niet werd beoogd om te bewerkstelligen dat het voor een benadeelde partij vrij eenvoudig is om zich als zodanig te voegen in het strafgeding. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat een verplichte bijstand door een advocaat in het geval de vordering van de benadeelde partij het bedrag van €25.000 te boven gaat, niet vereist wordt. De economische politierechter is dan ook van oordeel dat de benadeelde partij gemeente Delfzijl niet om de door de raadsvrouw aangevoerde argumenten niet-ontvankelijk is in haar vordering. Het waterschap kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De gemeente Delfzijl en Groningen Seaports N.V. hebben hun vordering gegrond op, kort gezegd, de schade die is veroorzaakt door het lekken van de verontreinigde slop over het asfalt, de klinkerbestrating van en de berm langs de [adres] te Farmsum. Zoals hierboven is overwogen, is de economische politierechter van oordeel dat verdachte van feit 2, voor zover het gaat om de tenlastegelegde verontreiniging van de weg, vrijgesproken moet worden. Ten aanzien van de verontreiniging van de berm is een bewezenverklaring gevolgd. Nu daardoor niet duidelijk is welke delen van beide vorderingen kunnen worden toegewezen, levert naar het oordeel van de economische politierechter de behandeling van de vorderingen van Groningen Seaports N.V. en van de gemeente Delfzijl een onevenredige belasting van het strafgeding op, op grond waarvan Groningen Seaports N.V. en de gemeente Delfzijl niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Beide partijen kunnen hun vordering, ieder voor zich, slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De economische politierechter zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Ook dit onderzoek

zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De economische politierechter heeft gelet op de artikelen:

- 23, 24, 24 a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6.2 Waterwet;

- 13 Wet bodembescherming;

- 1 a, 2, 6 Wet op de economische delicten,

zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE ECONOMISCHE POLITIERECHTER LUIDT:

Verklaart het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte, groot € 2.500,- subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

t.a.v. feit 1:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij Waterschap Hunze en Aa's niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

t.a.v. feit 2:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij gemeente Delfzijl niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

t.a.v. feit 2:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij Groningen Seaports N.V. niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, economische politierechter, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze economische politierechter op 29 juni 2020.