Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2233

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
18/294244-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 9 maanden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal winkeldiefstallen. Bij één diefstal heeft hij een medewerkster gedreigd haar nek te breken en bij een andere diefstal heeft hij een medewerker een duw gegeven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/294244-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2020.

Verdachte is niet verschenen. Zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht, is wel ter zitting verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 17 oktober 2019 te Groningen twee flessen whiskey, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of
gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tegen die [slachtoffer 1] bij het verlaten van de winkel te roepen dat hij (zakelijk weergegeven) haar nek zou breken;

2
hij in of omstreeks de periode van 6 juni 2019 tot en met 27 juni 2019 te Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] ,door
-die [slachtoffer 2] meermalen per dag te bellen en/of
-voor haar deur met krijt te schrijven: "Dood jij seker" en/of
-mailberichten te sturen met als inhoud onder meer: "Ik kijk nu naar je" en/of "Ik mis je warmte" en/of Je neemt niet op dan zal ik je nooit meer lastig vallen bij deze bel ik je nog 1 keer als je niet opneemt bel ik je nooit meer" en/of "Ik ben vandaag op oorlog en ik ga het doen vandaag geen medelijden met niemand meer ...mensen denken dat ik grap maak
nee het moet gebeuren met alle gevolgen van dien ook al is het mijn dood" en/of "Ik bel je maar je neemt niet op" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

3
hij op of omstreeks 14 september 2019 te Groningen in/uit een winkel gelegen aldaar aan de [straatnaam] (genaamd [benadeelde partij 2] ) 8 stuks parfum, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4
hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Groningen in/uit een winkel gevestigd aldaar aan het [straatnaam] , genaamd [benadeelde partij 3] een hoeveelheid vis en/of drank en/of chips, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3]
, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of
gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 3] met kracht een duw tegen de schouder te geven en/of naar achteren te duwen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2, 3 en 4.

Ten aanzien van feit 2 heeft hij aangevoerd dat is gebleken dat verdachte aangeefster in korte tijd talloze keren heeft gebeld, gemaild en WhatsApp-berichten heeft gestuurd. Aangeefster heeft hem duidelijk aangegeven dat hij haar met rust moest laten. Uiteindelijk voelde zij zich genoodzaakt om naar een Blijf van mijn lijf-huis te gaan. Het ten laste gelegde kan, met uitzondering van de stoepkrijttekst, wettig en overtuigend bewezen worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet zodanig heeft gehandeld dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het gaat bovendien om een vrij korte periode waarin de status van de relatie tussen verdachte en aangeefster niet geheel duidelijk was. Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster zelf aangegeven dat zij ook haar zwakke momenten had. Sommige teksten in het dossier zijn te lezen als een toenadering van aangeefster. Verdachte is gestopt met contact zoeken toen het hem duidelijk was dat zij niet met hem verder wilde.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman opgemerkt dat sprake is geweest van een diefstal, maar dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte daarbij heeft gedreigd met geweld.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

feit 2 vrijspraak

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De Hoge Raad stelt steevast voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Uit de aangifte komt naar voren dat verdachte aangeefster vrijwel dagelijks belde, mailde en/of WhatsApp-berichten stuurde terwijl zij had aangegeven daar geen prijs op te stellen. Aangeefster heeft echter bij de rechter-commissaris verklaard dat ze ook haar zwakke momenten had en dat ze pas op 28 juni 2019 heeft besloten de relatie met verdachte helemaal te beëindigen.

Gelet op het feit dat de relatie kennelijk pas na de ten laste gelegde periode definitief is beëindigd en de periode waarin verdachte contact heeft gezocht met aangeefster een korte periode is geweest waarin de status van de relatie onduidelijk was en ook aangeefster toenadering heeft gezocht, is de rechtbank van oordeel dat de wederrechtelijkheid van het handelen door verdachte niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank acht feiten 1, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

feit 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een proces-verbaal verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 12 december 2019:

De diefstallen kloppen wel.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 oktober 2019, opgenomen op pagina 81 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019327806 d.d. 10 december 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op donderdag 17 oktober 2019, was ik aan het werk in de slijterij Groningen gelegen aan de [straatnaam] te Groningen. Omstreeks 19.15 uur, kwam er een donker getinte man de winkel binnen lopen. In mijn ooghoeken zag ik dat de man een fles whisky uit het schap pakte en deze vervolgens in zijn sporttas stopte. Hierop ben ik direct naar de man toegelopen en heb hem gezegd dat hij de fles terug moest zetten en de winkel moest verlaten. Terwijl ik dit zei zag ik dat de man nog een fles whisky uit het schap pakte en deze vervolgens ook in de sporttas stopte. Terwijl de man de tweede fles whisky in zijn sporttas stopte, liep hij al richting de uitgang. Hij riep tegen mij dat hij mijn nek zou gaan breken.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 november 2019, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

camerapositie 1:

- Verdachte doet de fles aan de rechterzijde van zijn lichaam in de schoudertas
- Medewerkster loopt naar de verdachte toe en spreekt hem kennelijk aan
- Verdachte pakt nog een fles uit het schap en stopt deze ook in de schoudertas

camerapositie 2:

- Verdachte pakt een tweede fles uit het schap, stopt deze in zijn tas en stapt naar

links bij het schap vandaan

- Medewerker zegt kennelijk iets tegen verdachte
- Verdachte maakt met zijn bovenlichaam en hoofd een beweging richting het hoofd van
de medewerkster.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van verklaring van aangeefster, welke verklaring, ook waar het de dreiging met geweld betreft, voldoende wordt ondersteund door de camerabeelden.

Verdachte heeft de feiten 3 en 4 duidelijk en ondubbelzinnig bekend. De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

feit 3

1. een proces-verbaal verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 12 december 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 november 2019, opgenomen op pagina 73 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] .

feit 4

1. een proces-verbaal verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 12 december 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 oktober 2019, opgenomen op pagina 95 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 november 2019, opgenomen op pagina 76 van het voornoemd dossier, inhoud de relatering van verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 17 oktober 2019 te Groningen twee flessen whisky die, aan [benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tegen die [slachtoffer 1] bij het verlaten van de winkel te roepen dat hij haar nek zou breken;

3
hij op 14 september 2019 te Groningen in/uit een winkel gelegen aldaar aan de [straatnaam] , genaamd [benadeelde partij 2] , 8 stuks parfum, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4
hij op 19 oktober 2019 te Groningen in/uit een winkel gevestigd aldaar aan het [straatnaam] , genaamd [benadeelde partij 3] een hoeveelheid vis en drank en/ chips, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenenwelke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 3] met kracht een duw tegen de schouder te geven en naar achteren te duwen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

3. Diefstal

4. Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1,2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een straf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 25 mei 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 juni 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal winkeldiefstallen. Bij één diefstal heeft hij een medewerkster gedreigd haar nek te breken en bij een andere diefstal heeft hij een medewerker een duw gegeven, waarna hij de winkel heeft verlaten. Door zijn handelen heeft verdachte te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen en geweld om zijn doel te bereiken niet te schuwen. Voorts is winkeldiefstal een vorm van criminaliteit die voor winkeliers veel schade en hinder oplevert.

Verdachte is niet ter zitting verschenen om zijn verantwoordelijkheid te nemen. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte zich na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet heeft gemeld bij de reclassering. Hij is dakloos en de reclassering heeft geen contact met hem kunnen krijgen. De reclassering ziet dan ook geen mogelijkheden om met interventies of toezicht verdachtes gedrag te veranderen.

Blijkens zijn justitiële documentatie is verdachte veelvuldig veroordeeld voor diefstallen dan wel diefstallen met geweld of soortgelijke vermogensdelicten. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Als uitgangspunt voor een winkeldiefstal met bedreiging met geweld wordt, indien sprake is van veelvuldige recidive, zoals bij verdachte het geval is, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maand gehanteerd. Voor eenvoudige winkeldiefstal is het oriëntatiepunt bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om ten voordele noch ten nadele af te wijken van onderhavige oriëntatiepunten en zal verdachte dan ook veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. N. Gerlsma, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2020.