Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2231

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
18/930052-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930052-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 september 2019, 25 juni 2019, 03 december 2019 en 09 juni 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Starmans, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 april 2019 te Odoornerveen, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, althans een stof bevattende amfetamine en/of een of meer andere

middelen in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( telkens) (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben hij en/of zijn, verdachtes, mededaders (telkens) opzettelijk daartoe:

- ( een) materia(a)l(en), te weten (onder andere) IBC's van 600 en/of 200 liter en/of klemdekselvaten van 200 liter met elektrische roermechanismen (een) maatbeker(s) en/of laboratorium glaswerk en/of een jerrycan(s) en/of een als destillatieketel gebruikte gemodificeerde RVS drum van 200 liter en/of kunststof vaten met maataanduiding en aftapkraan en/of (een) scheitrechter(s) en/of een vacuümpomp en/of gemodificeerde brandersteunen met een rondbodemkolf en/of een (recepten)boekje en/of

- een hoeveelheid inhoudende de stof APAAN (alpha phenylacetoacetonitril)

(bestemd voor de productie van BMK (1-fenyl-2-propanon)) voorhanden gehad en/of opgeslagen en/of

- een loods gehuurd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het verrichten van voorbereidingshandelingen. Daarnaast is er volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen aangezien niet blijkt van een genoegzame onderlinge afstemming en gezamenlijke uitvoering. Dit maakt dat de handelingen van anderen niet aan verdachte zijn toe te schrijven.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat ten aanzien van het ten laste gelegde, op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, uit van het volgende.1

Door verbalisant [verbalisant] is gerelateerd dat zij op woensdag 9 april 2019 (de rechtbank begrijpt woensdag 10 april 2019) ter plaatse was op het perceel van het adres [straatnaam] te Odoornerveen in verband met de mogelijke aanwezigheid van een drugslab. Nadat zij de deur van een van de schuren op het terrein open had getrokken, rook zij direct een chemische geur en zag zij meerdere gasflessen in het gangpad staan. Achterin de gang zag zij beweging van een persoon. Hij keek in haar richting toen zij hem aanriep en liep haar kant uit. Toen de man gehoor gaf aan haar vraag om zijn handen te laten zien zag verbalisant [verbalisant] dat de man plastic blauwe handschoenen droeg. Halverwege de gang ging de man een ruimte in, waarna hij de deur sloot. Door de chemische geur en de gevaarszetting is vervolgens besloten om het pand niet te betreden. Verbalisant [verbalisant] hoorde meerdere stemmen in de schuur en hoorde dat er dingen verschoven werden of omvielen. Ook zag zij dat er beweging was aan de afzuigbuis op het dak van de schuur. Op een gegeven moment liepen er twee mannen uit de schuur, later volgde een derde man.2

Medeverdachte [medeverdachte 1] bleek de eerste man te zijn die uit de schuur kwam lopen. De tweede man medeverdachte [medeverdachte 2] en de derde man die later volgde bleek verdachte te zijn.3

Door de dienst Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) is onderzoek gedaan in de schuur waar vermoedelijk het drugslaboratorium is aangetroffen en waar de verdachten aanwezig zijn geweest. Zij troffen in de schuur meerdere ruimtes aan. In een van de ruimtes zagen zij tien IBC's van 600 liter en diverse blauwe 200 liter vaten die, gelet op kleur en

geur van de vloeistof die in de vaten zat, deels gevuld waren met drugsafval. Zij roken een sterke typerende geur die zij herkenden als behorend bij de illegale vervaardiging van amfetamine. In een andere ruimte zagen zij dat er langs een wand een werktafel was gemaakt waarin vooraan een kunststof scheitrechter geplaatst was en waarop diverse kunststof maatbekers

stonden met resten van naar amfetaminebase ruikende vloeistof. In de volgende ruimte zagen zij lege en volle jerrycans, een schreitrechter in een houten frame en circa acht

klemdekselvaten van 200 liter. Zij zagen bij nader onderzoek dat twee van deze

klemdekselvaten voorzien waren van een deksel met elektrische roermechanisme en dat deze

een restant vloeistof bevatten die past bij het omzetten van een pre-precursor zoals

APAAN/APAA/MAPA naar BMK; de grondstof voor de vervaardiging van amfetamine.

In de volgende ruimte zagen zij diverse, aan de vervaardiging van verdovende middelen te relateren, goederen. Dit ging onder meer om een als destillatieketel gebruikte gemodificeerde RVS drum van 200 liter op een frame waar kennelijk reparatiewerkzaamheden aan werden verricht, een open gezaagde RVS drum van 200 liter, drie kunststof vaten met maataanduiding en aftapkraan die alle drie resten bruine vloeistof bevatten en een gebruikte kunststof scheitrechter in een houten frame met een restant sterk naar BMK ruikende vloeistof. In de laatste ruimte links in de gang zagen zij diverse aan de vervaardiging van verdovende middelen te relateren goederen staan. Dit ging onder meer om een vacuümpomp, twee voor de verwarming van rondbodemkolven van 20 liter gemodificeerde brander steunen met een rondbodemkolf en laboratorium glaswerk met een kenmerkende geur die past bij de illegale vervaardiging van amfetamine. Volgens de dienst LFO waren de hiervoor omschreven ruimten volledig in gebruik voor het op zeer grote schaal vervaardigen van amfetamine vanuit BMK met behulp van de Leuckhart synthese.4

Na de komst van de dienst LFO bleek dat er niemand meer in de schuur aanwezig was en dat de ketels in het laboratorium nog heet waren en kort voor het aantreffen in werking waren geweest.5

Uit de inventarislijst die als bijlage bij het proces-verbaal van de dienst LFO is gevoegd, blijkt dat drie van de aangetroffen klemdekselvaten (met inhoudsmaat 200 liter), waren gevuld met een zure vloeistof met de geur van APAA(N). Daarnaast blijkt uit deze lijst dat er in een blauw dopvat van 220 liter, afval is aangetroffen, waaronder verzekeringspasjes op naam van [medeverdachte 2] geboortedatum [geboortedatum] 1962 en vier Samsung telefoons. De goederen waren deels aangetast als gevolg van zwavelzuur.6

Verdachte heeft over zijn aanwezigheid in de schuur verklaard dat hij daar was om puin te ruimen.7

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft over zijn aanwezigheid in de schuur verklaard dat hij daar was om een waterpomp te vervangen en dat hij deze klus uitvoerde om een schuld bij medeverdachte [medeverdachte 1] in te lossen. Medeverdachte [medeverdachte 2] stelt dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van een drugslaboratorium in de schuur maar dat hij wel vermoedde dat er drugs werd ‘gemaakt’.8

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft over zijn aanwezigheid in de schuur verklaard dat hij daar was om diverse werkzaamheden te verrichten en dat hij die bewuste dag bezig was met een houten geraamte in de achterste ruimte.9

Juridisch kader

Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk en al dan niet tezamen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 10a van de Opiumwet strafbaar gestelde voorbereiding van Opiumwetdelicten door – kort gezegd – het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die bestemd waren voor die amfetamineproductie.

Artikel 10a van de Opiumwet betreft een zelfstandig delict met een eigen karakter. Dat komt tot uiting in de subjectieve bestanddelen van de delictsomschrijving. De dader moet niet alleen weten of ernstige reden hebben om te vermoeden dat de goederen die hij voorhanden heeft, bestemd zijn voor het plegen van een delict als bedoeld in art. 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, hij moet de goederen ook voorhanden hebben om een dergelijk delict voor te bereiden of te bevorderen. Alleen wetenschap hebben van de criminele bestemming van de goederen is niet steeds voldoende. Daarnaast moet er ook opzet op voorbereiden of bevorderen zijn. Voorwaardelijk opzet is in dat verband voldoende.

Wat betreft het bestanddeel “voorhanden hebben” is vereist a) de aanwezigheid van het goed (zonder dat vereist is dat het goed zich in de onmiddellijke nabijheid bevindt) zodanig dat de verdachte – middellijk of onmiddellijk – over het goed kan beschikken, b) de verdachte moet zich in meer of mindere mate bewust zijn van de aanwezigheid van dat goed en c) tussen de verdachte en het goed moet een bepaalde relatie bestaan, in die zin dat er met betrekking tot het goed een zekere vorm van machtsuitoefening, dat wil zeggen: feitelijke macht over het goed, mogelijk moet zijn. Dat het goed aan de verdachte moet toebehoren in de zin van eigenaarschap is geen vereiste (vgl. Rechtbank Oost-Brabant, 21 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3041).

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier voldoende vast is komen te staan dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 10 april 2019 aanwezig is geweest in een schuur op het perceel van het adres [straatnaam] te Odoornerveen, alwaar een drugslaboratorium was gevestigd dat volledig ingericht was voor het vervaardigen van amfetamine. Na de ontdekking van het drugslaboratorium zijn goederen en stoffen aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor het bereiden of bevorderen van (de productie van) amfetamine. Verdachte kon hierover beschikken aangezien niet is gebleken dat er bepaalde ruimtes in de schuur waren afgesloten en niet toegankelijk waren. Gezien hetgeen verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd moet verdachte zich in meer of mindere mate bewust zijn geweest van de aanwezigheid van deze goederen. Verdachte is namelijk samen met zijn medeverdachten verder het pand in ‘gevlucht’ toen de politie ter plaatse kwam en er werd een zure lucht geroken toen verbalisant [verbalisant] de deur van de schuur opentrok. De dienst LFO heeft daarnaast ten tijde van de ontmanteling in een groot deel van de schuur (in verschillende ruimtes aldaar) goederen aangetroffen die aan de productie van synthetische drugs te relateren zijn. Daarnaast had verdachte de mogelijkheid om feitelijk de macht uit te oefenen over deze goederen. Verdachte was op dat moment enkel met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de schuur aanwezig en redenen om te veronderstellen dat verdachte deze mogelijkheid niet heeft gehad, heeft het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting opgeleverd. Integendeel, de aanwezigheid en het handelen van verdachte en zijn medeverdachten, in onderlinge samenhang bezien met de aangetroffen goederen, duiden er naar uiterlijke verschijningsvorm op dat verdachte en diens medeverdachten de beschikkingsmacht over deze goederen hebben uitgeoefend.

Daarmee staat vast dat verdachte de aangetroffen goederen en een hoeveelheid inhoudende de stof APAAN voorhanden heeft gehad terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren voor de productie van synthetische drugs en aldus ook dat zijn opzet op het voorbereiden of het bevorderen van die productie gericht is geweest.

Verdachte is samen met zijn medeverdachten aanwezig geweest in de schuur. Zijn medeverdachten zijn derhalve lijfelijk aanwezig geweest bij de uitvoering van het strafbare feit en niet is gebleken dat zij bij de uitvoering geen enkele rol hebben gespeeld. Verdachte heeft zelfstandig uitvoeringshandelingen verricht die strafbaar gesteld zijn in artikel 10a van de Opiumwet en in aanmerking genomen dat verdachte ook wist dat zijn medeverdachten betrokken waren bij de situatie in de schuur, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook het opzet gehad op het tezamen en in vereniging met anderen plegen van die voorbereidingshandelingen, waarbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 10 april 2019 te Odoornerveen, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, althans een stof bevattende amfetamine, middelen in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers hebben hij en zijn, verdachtes, mededaders telkens opzettelijk daartoe:

- materialen te weten IBC's van 600 en 200 liter en klemdekselvaten van 200 liter met elektrische roermechanismen en maatbekers en laboratorium glaswerk en jerrycans en een als destillatieketel gebruikte gemodificeerde RVS drum van 200 liter en kunststof vaten met maataanduiding en aftapkraan en scheitrechters en een vacuümpomp en gemodificeerde brandersteunen met een rondbodemkolf en

- een hoeveelheid inhoudende de stof APAAN (alpha phenylacetoacetonitril)

(bestemd voor de productie van BMK (1-fenyl-2-propanon)),

voorhanden gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om in geval van een bewezenverklaring te volstaan met een werkstraf voor de duur van 160 uren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het reclasseringsrapport van 7 april 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de productie van middelen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid en ook een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de markt voor harddrugs. De productie en handel in harddrugs brengt bovendien de nodige andere (zware) criminaliteit met zich mee. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier een zorgwekkend beeld geeft omdat verdachte ten tijde van het plegen van onderhavig feit geschorst was uit de voorlopige hechtenis in een strafzaak waarbij sprake was van een soortgelijke verdenking. Dit heeft hem er niet van weerhouden om tot het plegen van dit feit over te gaan.

De rechtbank acht de oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden, omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden.

De rechtbank acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte in beslaggenomen voorwerpen, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de inbeslaggenomen voorwerpen moeten worden teruggeven aan verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals opgenomen op de als bijlage bij dit vonnis opgenomen lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen zoals opgenomen op de als bijlage bij dit vonnis opgenomen lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door mr. A.A. de Haan-Geertsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2020.

Mr. Van Capelle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer in de voetnoten wordt verwezen naar processen-verbaal, zijn dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, opgenomen als bijlagen in/bij het dossier van Districtsrecherche Drenthe, met nummer NN3R019030, MICROMISO, opgemaakt op 28 mei 2019.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 230 t/m 231.

3 Proces-verbaal van bevindingen plaats delict, p. 225 t/m 227.

4 Proces-verbaal Landelijke Faciliteit Ontmantelen, p. 247 t/m 249.

5 Proces-verbaal van bevindingen plaats delict, p. 225 t/m 227.

6 Bijlage 2 bij het Proces-verbaal Landelijke Faciliteit Ontmantelen, p. 288 t/m 296.

7 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], p. 420 t/m 423.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 384 t/m 387.

9 Het als bijlage bij het dossier gevoegd proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 12 juni 2019.