Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2221

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
LEE 19/2725
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dient de nabetaling van de gratificatie wegens het 25-jarig ambtsjubileum als loon uit tegenwoordige arbeid of loon uit vroegere dienstbetrekking aangemerkt te worden? Het antwoord hierop beantwoordt de vraag of de gratificatie meegenomen dient te worden voor de berekening van het WIA-maandloon. De rechtbank is van oordeel dat de gratificatie wegens het 25-jarig ambtsjubileum nauw verband houdt met verrichte arbeid. Een gratificatie is een onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid in een bepaald tijdvak. Namelijk het tijdvak – in het geval van eiser – van 25 jaar aan verrichte arbeid. Aangezien de rechtbank oordeelt dat de gratificatie op grond van het 25-jarig ambtsjubileum een uitkering betreft uit tegenwoordige arbeid, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder met toepassing van artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en artikel 11, eerste lid aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964, de gratificatie op terechte gronden in mindering heeft mogen brengen op het WIA-maandloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-06-2020
FutD 2020-2001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/2725

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. P. de Casparis),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verweerder,

(gemachtigde: M. Hoogeveen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser laten weten dat hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 30 november 2018 € 446,32 bruto teveel voorschot aan uitkering ingevolge de wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft ontvangen.

Bij besluit van 6 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij gewijzigd besluit op bezwaar van 23 oktober 2019 heeft verweerder het terugvorderingsbedrag gewijzigd van € 446,32 in € 334,66. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank dit besluit bij het beroep betrokken.

Eiser heeft gereageerd op het gewijzigde besluit op bezwaar.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het beroep verwezen naar een meervoudige kamer. Eiser en verweerder hebben na de zitting beide een aanvullende reactie ingediend. Partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder een nadere zitting, waarop het onderzoek werd gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser ontvangt sinds 20 december 2012 een WIA-uitkering. Daarnaast werkt hij bij de [naam politie] . In juli 2016 heeft zijn werkgever hem een gratificatie toegekend van € 765,00 bruto, wegens een 25-jarig ambtsjubileum. In juli 2018 heeft er een nabetaling van de gratificatie plaatsgevonden, omdat de gratificatie gebaseerd had moeten worden op het inkomen dat eiser zou hebben ontvangen als hij niet arbeidsongeschikt was geworden.

2. Eiser voert aan dat het resterende deel van de uitkering als loon uit vroegere dienstbetrekking aangemerkt dient te worden. In een eerdere zaak heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de gehele jubileumuitkering het karakter heeft van loon uit vroegere dienstbetrekking omdat een directe relatie met de verrichte arbeid ontbreekt. Verweerder heeft hierop bij gewijzigd besluit op bezwaar aangegeven dat er mogelijk in een andere procedure anders is beslist, maar dat deze fout niet herhaald hoeft te worden. Eiser is van mening dat er niet 'mogelijk' anders is beslist, maar met zekerheid. Aangezien de aanvullende jubileumuitkering zijn grond vindt in het voorheen verricht zijn van arbeid, is er sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking en dient de nabetaling van de gratificatie buiten beschouwing gelaten te worden voor de berekening van het WIA-maandloon. In een aanvullende reactie na de zitting heeft eiser een geanonimiseerde beslissing op bezwaar met een arbeidsdeskundige rapportage overgelegd, waaruit volgens eiser blijkt dat verweerder in een eerdere zaak een dergelijke uitkering als inkomsten uit vroegere arbeid heeft aangemerkt.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dan wel uit vroegere dienstbetrekking bepalend of het loon ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met een in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormt. In dat geval is sprake van loon uit tegenwoordige arbeid. Verweerder is van mening dat er een nauw verband bestaat met verrichte arbeid en er geen sprake is van loon uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de nabetaling van de gratificatie meegenomen dient te worden voor de berekening van het WIA-maandloon. In een aanvullende reactie na de zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat de casus, waar eiser in zijn aanvullende reactie naar verwijst, gaat over een periodieke aanvulling van de werkgever op de uitkering. Dit betreft volgens verweerder een andere situatie dan de onderhavige situatie.

Juridisch kader
4. Op grond van artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, in samenhang met artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt niet onder loon gerekend hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de Loonbelasting 1964 wordt genoten.

4.1.

In artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964 - voor zover hier van belang - volgt dat niet tot loon behoort een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft.

Het besluit van 6 juni 2019

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder met de gewijzigde beslissing op bezwaar van

23 oktober 2019 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Het beroep van eiser wordt dan ook op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2019. Gesteld noch gebleken is dat eiser nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit van 6 juni 2019. Voor zover het beroep van eiser daartegen is gericht zal de rechtbank het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

5.1.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een nadere reactie, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Het besluit van 23 oktober 2019

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in juli 2016 een ambtsjubileumuitkering heeft ontvangen van € 765,00 en dat hij in juli 2018 een nabetaling van € 1.647,98 in verband met deze ambtsjubileumuitkering heeft ontvangen.

6.1.

De vraag die de rechtbank in deze zaak dient te beantwoorden is of de nabetaling van de gratificatie wegens het 25-jarig ambtsjubileum als loon uit tegenwoordige arbeid of loon uit vroegere dienstbetrekking aangemerkt dient te worden. Het antwoord hierop beantwoordt de vraag of de gratificatie meegenomen dient te worden voor de berekening van het WIA-maandloon.

6.2.

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dan wel uit vroegere dienstbetrekking bepalend of het loon ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormt. Bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak noemt de rechtbank de uitspraak van de Hoge Raad van 21 juni 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA6257). In dat geval is sprake van loon uit tegenwoordige arbeid. Als de inkomsten meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid en dus niet een onmiddellijke tegenprestatie vormen voor arbeid, is sprake van inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, zie hiervoor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:921). Of de dienstbetrekking waaruit de inkomsten worden genoten ten tijde van het genieten ervan nog bestond, is hierbij niet doorslaggevend. Zie hiervoor de uitspraak van de Hoge Raad van 31 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:165).

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat de gratificatie wegens het 25-jarig ambtsjubileum nauw verband houdt met verrichte arbeid. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 13 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3993). Daaruit volgt dat de CRvB niet als loon uit vroegere dienstbetrekking ziet: een nabetaling uit loon, een eindejaarsuitkering, een bonus, een bedrag voor niet opgenomen vakantiedagen, vakantiegeld en een pensioencorrectie. Hoewel de CRvB in bijvoorbeeld zijn uitspraak van 7 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5824) een ontslagvergoeding wel ziet als loon uit vroegere dienstbetrekking, ziet de rechtbank aanleiding om aansluiting te zoeken bij de uitspraak van 13 november 2015. Een gratificatie is een onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid in een bepaald tijdvak. Namelijk het tijdvak – in het geval van eiser – van 25 jaar aan verrichte arbeid. De rechtbank ziet hierin een overeenkomst met een eindejaarsuitkering of een bonus die ook direct gerelateerd zijn aan de verrichte arbeid. Dit terwijl een ontslagvergoeding een rechtstreeks verband houdt met het ontslag en daarmee geen rechtstreekse beloning is voor een in een bepaald tijdvak verrichte arbeid. Dat eiser betoogt dat hij al geruime tijd, sinds hij in 2012 is herplaatst, geen arbeid meer verricht waar het ambtsjubileum op ziet, doet aan voorgaande niet af. Immers, het gaat om de vraag of de gratificatie van het 25-jarige ambtsjubileum nauw verband houdt met de door eiser verrichte arbeid in het verleden. Of eiser op het moment dat hij de gratificatie ontving de arbeid waar het ambtsjubileum op ziet niet meer verrichtte is niet doorslaggevend. Zie de eerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 31 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:165).

6.4.

De rechtbank vindt verder steun voor het oordeel dat sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid in het Handboek Loonheffingen 2020 van de Belastingdienst. Uit paragraaf 4.3 blijkt namelijk het volgende: ''loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is loon van de werknemer voor het werk dat hij doet. Bijvoorbeeld het periodieke loon, de vakantiebijslag, de vakantietoeslag, de dertiendemaanduitkering, gratificaties, tantièmes en nabetalingen hiervan. Het is niet van belang wanneer u het loon uitbetaalt. Vakantiebijslag die u na het einde van de dienstbetrekking betaalt, is bijvoorbeeld ook loon uit tegenwoordige dienstbetrekking''. De rechtbank overweegt dat hieruit ondubbelzinnig voortvloeit dat een gratificatie als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt dient te worden.

6.5.

Eiser stelt dat in het geval van samenloop van arbeidsongeschiktheid en dienstbetrekking de gratificatie gezien moet worden als loon uit vroegere arbeid. De rechtbank volgt eiser daarin niet, zoals uit het voorgaande blijkt. De kern van de wijze waarop de hoogte van de gratificatie wordt berekend is immers juist dat het bestaan van een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing blijft. De visie die eiser bepleit zou echter betekenen dat bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid er anders gekeken wordt naar het karakter van de gratificatie dan wanneer er sprake is van volledig voortduren van een bestaand dienstverband. Dat zou leiden tot een niet te rechtvaardigen onderscheid.

6.6.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat in eerdere zaken anders is geoordeeld door verweerder, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat in het verleden gemaakte fouten niet tot het oordeel kunnen leiden dat verweerder gehouden is om ook in het geval van eiser een foutieve beslissing te nemen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van

2 juni 1998 (ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7830). Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

6.7.

Aangezien de rechtbank oordeelt dat de gratificatie op grond van het 25-jarig ambtsjubileum een uitkering betreft uit tegenwoordige arbeid, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder met toepassing van artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en artikel 11, eerste lid aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964, de gratificatie op terechte gronden in mindering heeft mogen brengen op het WIA-maandloon.

6.8.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2019 ongegrond is.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 6 juni 2019 niet-ontvankelijk;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2019 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2020 door mr. M.W. de Jonge, voorzitter,

mr. A.F. Gerding en mr. V.A.G. van Dijk, leden, in aanwezigheid van L. Bergsma, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, voor zover nodig, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.