Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2164

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
18/950062-18 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 439.354,16 en legt verdachte de verplichting op tot betaling van dit geldbedrag aan de staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950062-18

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 16 juni 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te ' [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de BRP te [straatnaam] , [plaats] ,

volgens zijn verklaring ter terechtzitting thans verblijvende te [straatnaam] , [verblijfsplaats]
,

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 12 april 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 439.354,16 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/950062-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder met name de inhoud van het rapport "voorlopige berekening wederrechtelijk verkregen voordeel" d.d. 9 oktober 2018 (opgenomen op pagina 519 e.v. van het dossier van politie Noord-Nederland met

proces-verbaalnummer BVH: 2017238394 d.d. 21 december 2018) alsmede de Toelichting ontnemingsvordering, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2019 en de reactie op deze Toelichting van de raadsvrouw, ingekomen ter griffie op 3 maart 2020.

De (inhoudelijke) behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de (inhoudelijke) behandeling van de onderliggende strafzaak met parketnummer 18/950062-18 ter terechtzitting van 26 mei 2020, waarbij de officier van justitie mr. R. Janssens, de raadsvrouw van veroordeelde mr. I.A. Groenendijk, advocaat te

's-Gravenhage en veroordeelde aanwezig waren. Op die zitting is de behandeling onderbroken.

De behandeling ter terechtzitting is hervat op de terechtzitting van 2 juni 2020, waarna het onderzoek op die zitting is gesloten.

Standpunten

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de vordering toe te wijzen.

De officier van justitie heeft de vordering gebaseerd op de inhoud van het strafdossier, voornoemd rapport ‘voorlopige berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ en de Toelichting ontnemingsvordering. Blijkens het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 7 september 2017 zijn zes ruimtes aangetroffen met daarin respectievelijk 205, 152, 345, 333, 255 en 220 (totaal: 1510) hennepplanten. De officier van justitie gaat uit van de in de BOOM-rapportage van juni 2016 gehanteerde opbrengst van € 4.070,- per kilo en een kweekperiode die liep van

1 juli 2015 tot en met 7 september 2017 met een kweekcyclus van 10 weken per oogst.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit heeft geresulteerd in

9 oogsten met een opbrengst van in totaal € 1.473.269,58.

Er is ruimte voor een kostenaftrek. De officier van justitie heeft de afschrijvingskosten per ruimte, variabele kosten en de kosten per stek berekend aan de hand van de standaardnormen uit de BOOM-rapportage. Voor 9 oogsten betreffen de kosten € 115.757,10.

Ten voordele van veroordeelde worden daarnaast ook de aannemelijk geworden knipkosten en huisvestingskosten in mindering gebracht, te weten een bedrag van totaal € 39.450,-

De opbrengst dient derhalve te worden gesteld op € 1.473.269,58 minus

€ 115.757,10 minus € 39.450,- = € 1.318.062,49 te verdelen over drie verdachten, zijnde [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [veroordeelde] = € 439.354,16 per persoon.

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de (inhoudelijke) behandeling van de vordering dient te worden aangehouden tot na het gewezen vonnis in de strafzaak.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd de vordering af te wijzen, nu verdachte iedere betrokkenheid bij de aangetroffen ondergrondse hennepkwekerij uitdrukkelijk ontkent. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd de vordering aanzienlijk te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is pas later op de ontnemingsvordering te beslissen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

1. De inhoud van het vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van heden,

16 juni 2020, inhoudende een bewezenverklaring en bewijsmotivering onder parketnummer 18/950062-18 tegen veroordeelde gewezen;

2. Een rapport voorlopige berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 9 oktober 2018, als bijlage gevoegd bij het dossier van politie Noord-Nederland met

proces-verbaalnummer BVH: 2017238394 met sluitingsdatum 21 december 2018, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant] , in welk rapport redengevende wettige bewijsmiddelen zijn vermeld die ten grondslag liggen aan de voordeelsberekening (hierna: het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel).

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.

7 september 2017, opgenomen op pagina 318 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als

verklaring van medeverdachte [medeveroordeelde 3] :

V: Wie is de eigenaar van deze hennepkwekerij?

A: Ja, dat is een [veroordeelde] , [medeveroordeelde 1] en een [medeveroordeelde 2] . Er komen verschillende personen.

V: Wanneer zijn ze begonnen met het maken van de kelder?

A: Voorjaar 2015. 3 of 4 man elke keer.

V: Wanneer was de kweekruimte gereed?

A: In de zomer van 2015. Toen begon het aggregaat in elk geval te draaien.

V: Wanneer is er voor het eerst geoogst?

A: Dat zal in september 2015 zijn geweest. Ze waren met z'n drieën aan het knippen.

V: Heeft het een keer echt helemaal stilgelegen?

A: Ja, dat was in het voorjaar 2017. Toen was er ingebroken was alles er in de nacht

uitgehaald.
V: In het begin vertelde u dat er ook één keer eerder was ingebroken, wanneer was dat?

A: In de zomer van 2016. Toen was ook alles leeggehaald. Dat was niet zo erg,

dit omdat de planten nog niet oogstrijp waren.

V: Toen zijn ze vrij snel weer begonnen?

A: Ja, daarna waren ze zo weer begonnen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.

2 oktober 2017, opgenomen op pagina 334 e.v. van voornoemd dossier van politie

Noord-Nederland, inhoudende als verklaring van [medeveroordeelde 3] :

V: Hoeveel geld heb je bij benadering daadwerkelijk ontvangen uit de hennepkwekerij?

A: Bij benadering tussen de € 20.000,- en € 30.000,- euro denk ik;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17

oktober 2018, opgenomen op pagina 454 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als

verklaring van [medeveroordeelde 4] :

A: Ik ben daar nog één keer vaker geweest, toen heb ik geholpen met de oogst.

V: Wie hielpen er feitelijk mee met het oogsten?

A: Ik, [medeveroordeelde 5] en er was er nog één. Ik kreeg voor drie uurtjes werk driehonderd en vijftig

euro.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 16 juni 2020 in de zaak met parketnummer 18/950062-18 veroordeeld ter zake medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het door hem gepleegde strafbaar feit.

De rechtbank neemt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat als uitgangspunt de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen zoals hiervoor weergegeven.

De raadsvrouw heeft allereerst aangevoerd dat negen oogsten met een kweekcyclus van tien weken onhaalbaar zijn, nu daarbij geen rekening is gehouden met opbouw, schoonmaken en opnieuw telen. Bovendien valt uit de inhoud van het strafdossier niet vast te stellen dat de (eerdere) oogsten in alle ruimtes (gelijktijdig) hebben plaatsgevonden en wordt ten onrechte uitgegaan van telkens volledig geslaagde oogsten. Dit is gezien de omvang en de verweten periode onrealistisch, aldus de raadsvrouw.

Met betrekking tot de vaststelling van het aantal eerdere oogsten overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] is ten behoeve van het onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen voordeel

-onder andere- gebruik gemaakt van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (hierna: het BOOM-rapport), waarin hieromtrent standaardberekeningen en normen zijn vermeld. De rechtbank stelt dan ook vast dat de deskundigheid van verbalisant [verbalisant] is gebaseerd op de op feiten en omstandigheden en ervaring gebaseerde deskundigheid van het BOOM(-rapport). De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit op ervaringsgegevens gebaseerd rapport.

In de standaardnormen wordt uitgegaan van een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst, waarbij rekening wordt gehouden met het oogsten en het opnieuw planten.

De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft gesteld geen aanleiding om hiervan af te wijken.

Veroordeelde is betrokken geweest, zoals door de rechtbank bewezen is verklaard bij vonnis van 16 juni 2020, bij de exploitatie van de op 7 september 2017 in een ondergrondse ruimte, onder een schuur bij een pand aan de [straatnaam] te De Kiel, aangetroffen professioneel ingerichte hennepkwekerij. In de hennepkwekerij zijn zes kweekruimtes aangetroffen met daarin totaal 1510 hennepplanten. Medeveroordeelde [medeveroordeelde 3] heeft verklaard dat de hennepkwekerij in de zomer van 2015 gereed was en dat er voor het eerst in september 2015 is geoogst. Rekening houdend met een kweekcyclus van tien weken per oogst is in juli 2015 gestart met het kweken. Dit betekent dat er in de periode van 1 juli 2015 tot en met

7 september 2017 12,1 oogsten zouden hebben kunnen plaatsvinden. Medeverdachte [medeveroordeelde 3] heeft verder verklaard dat de hennepkwekerij twee keer heeft stilgelegen en dat er bij de tweede keer vrij snel weer is begonnen met kweken. Bovendien is de laatste kweek niet voltooid, nu de politie deze heeft ontdekt. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank

-evenals de officier van justitie- uitgaan van negen oogsten.

De rechtbank stelt verder vast dat de wijze van het berekenen van de opbrengst per oogst, zoals weergegeven in de Toelichting ontnemingsvordering door de raadsvrouw niet is weersproken. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding om van deze wijze van berekening af te wijken en neemt deze dan ook als uitgangspunt.

Volgens het BOOM-rapport is de opbrengst € 4.070,- per kilogram hennep.

Er wordt uitgegaan van 6 aangetroffen ruimtes met daarin respectievelijk 205, 152, 345, 333, 255 en 220 (totaal: 1510) hennepplanten. De zes kweekruimtes waren respectievelijk 11,4, 12,1, 17,8, 17,9, 12,6 en 11,5 vierkante meter. Het aantal planten per vierkante meter is per ruimte berekend. De opbrengst per plant is ook per ruimte berekend.

De opbrengst is dan in kweekruimte 1: 26,7 gram per plant, te weten € 22.277,15; kweekruimte 2: 29,6 gram per plant, te weten € 18.311,74;

kweekruimte 3: 26,2 gram per plant, te weten € 36.788,73;

kweekruimte 4: 26,7 gram per plant, te weten € 36.186,78;

kweekruimte 5: 25,7 gram per plant, te weten € 26.672,75;

en kweekruimte 6: 26,2 gram per plant, te weten € 23.459,48.

De totale opbrengst per oogst bedraagt dan € 163.696,62.

De totale opbrengst van negen oogsten bedraagt derhalve € 1.473.269,58.

De raadsvrouw voert verder aan dat er hogere kosten zijn gemaakt. Zo bedragen de inkoopkosten eerder € 5,- per stek in plaats van € 3,81. Ook zijn er hogere knipkosten gemaakt dan de door medeveroordeelde [medeveroordeelde 4] gestelde € 350,-, gezien de vermeende omvang van de hennepteelt. Daarnaast zijn de kosten van het aan- en afvoeren van de hennep niet meegenomen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit voornoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat veroordeelde in het kader van deze negen oogsten kosten heeft gemaakt. De afschrijvingskosten per ruimte (0-199 planten - € 150,-, 200-299 planten -

€ 200,- en 300-399 planten - € 250,-), variabele kosten (€ 3,88) en de kosten per stek (€ 3,81) worden berekend aan de hand van de standaardnormen uit de BOOM-rapportage. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd omtrent de kosten per stek geen aanleiding om van het uitgangspunt van € 3,81 per stek af te wijken, nu de stelling dat de inkoopkosten eerder € 5,- per stek zijn, niet is onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. Voor de negen oogsten betreffen de afschrijvingskosten (9 x € 12.861,90 =)

€ 115.757,10.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot de knipkosten.

Medeveroordeelde [medeveroordeelde 4] heeft verklaard dat hij € 350,- heeft gekregen voor één keer knippen. Ze waren toen met drie knippers. De rechtbank acht de verklaringen van medeveroordeelde [medeveroordeelde 4] betrouwbaar, temeer nu hij eveneens belastende verklaringen over zichzelf heeft afgelegd. Medeveroordeelde [medeveroordeelde 4] verklaart consistent, gedetailleerd en zijn verklaringen aangaande de betalingen komen overeen met de verklaringen van medeveroordeelde [medeveroordeelde 5] . De officier van justitie is bij de berekening van de knipkosten uitgegaan van drie knippers en negen oogsten. De rechtbank acht dit ook aannemelijk en neemt de berekende knipkosten van totaal € 9.450,- over. Hiermee worden, uitgaande van het deels ook gebruiken van een knipmachine (getuige de in beslag genomen cannacutter), de kosten zeker niet te laag geschat.

Voor zover is betoogd dat de kosten van het aan- en afvoeren van de hennep niet zijn meegenomen, overweegt de rechtbank dat veroordeelde geen inzicht heeft willen geven in de wijze waarop de hennep is aan- en afgevoerd en hiermee de eventuele kosten niet zijn onderbouwd. Voorts zal de rechtbank -evenals de officier van justitie- uitgaan van € 30.000,- aan huisvestingskosten.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel van totaal (€ 1.473.269,58 minus € 115.757,10 minus € 30.000,- minus

€ 9.450,- =) € 1.318.062,49.

Ten slotte voert de raadsvrouw aan dat de verdeelsleutel -gezien de vermeende omvang en/of in samenhang met de aangehouden personen die in beeld zijn- te worden verhoogd naar minstens acht.

[medeveroordeelde 1] is bij vonnis van 16 juni 2020 in de zaak met parketnummer 18/950061-18 eveneens veroordeeld ter zake medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

[medeveroordeelde 2] is bij vonnis van 16 juni 2020 in de zaak met parketnummer 18/930012-19 vrijgesproken ter zake medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Op grond van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen is evenwel komen vast te staan dat veroordeelden [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] met (in ieder geval) één andere persoon voordeel hebben genoten door het gezamenlijk en in vereniging telen van hennep. Veroordeelden [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] hebben geen inzicht gegeven in de rol- en winstverdeling. Er is niet gebleken van een ondergeschikte rol van één van hen. De rechtbank gaat daarom uit van een verdeelsleutel op basis van een gelijke verdeling en zal het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen, in die zin dat veroordeelde wordt veroordeeld tot betaling van één derde deel van het verkregen voordeel. Dit betekent dat de rechtbank het ontnemingsbedrag ten aanzien van veroordeelde vaststelt op een bedrag van (€ 1.318.062,49 : 3 =) € 439.354,16. Er is geen aanleiding om veroordeelde niet te verplichten genoemd bedrag te betalen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 439.354,16.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 439.354,16 (zegge: vierhonderdnegenendertigduizend driehonderdvierenvijftig euro en zestien eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 365 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2020.